
De FOD Mobiliteit en Vervoer publiceert het bijgewerkte verslag over de evolutie van de bedrijfswagens en het mobiliteitsbudget in België, op basis van gegevens van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). Uit de gegevens blijkt dat het aantal bedrijfswagens in 2026 stabiliseert na bijna twee decennia van groei. Het mobiliteitsbudget zet zijn opmars voort, maar betreft nog steeds minder dan 1% van de werknemers.
Begin 2026 telde België 629.156 bedrijfswagens, tegenover 271.949 in 2007. De groei die al bijna twintig jaar aanhoudt, vertraagt sterk. Tussen 2025 en 2026 is het aantal ervan met slechts 0,2% gestegen, tegenover een gemiddelde jaarlijkse groei van zo’n 5% in de voorgaande 17 jaar.
Het aandeel werknemers met een bedrijfswagen blijft daarmee stabiel op 15% in 2026.
In 2025 profiteerden 22.886 werknemers van een mobiliteitsbudget, van wie 21.278 zonder een beroep te doen op pijler 1. Volgens de beschikbare schattingen voor het eerste kwartaal van 2026 bedraagt dit aantal ongeveer 24.000 begunstigden.
De regeling blijft echter nog beperkt in vergelijking met het aantal werknemers: de begunstigden van een mobiliteitsbudget zonder pijler 1 vertegenwoordigen 0,57% van de werknemers.
De opmars van het mobiliteitsbudget volstaat op zichzelf dus niet om de stabilisatie van het aantal bedrijfswagens te verklaren. Tussen 2024 en 2026 is het cumulatieve aantal werknemers dat van beide regelingen gebruikmaakt met slechts 2,4% gestegen.
In 2025 is de verdeling van bedrijfswagens nog steeds zeer ongelijk verdeeld over de verschillende sectoren. In de telecom- en informaticasector heeft twee op de drie werknemers een bedrijfswagen (67%). In de financiële sector en verzekeringsbranche geldt dit voor meer dan één op de twee werknemers (54%). Elders komt dit veel minder vaak voor: zo’n 2% van de werknemers in de gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening, en amper 1% in het openbaar bestuur en in het onderwijs.
Het mobiliteitsbudget daarentegen is nog steeds niet erg wijdverbreid. Het loopt op tot 6% van de werknemers, zowel in de telecom- en informaticasector als in de sector van de productie en distributie van elektriciteit en gas. In de meeste sectoren betreft het minder dan één op de honderd werknemers.
Vooral de ondernemingsgrootte speelt een rol aan de twee uitersten: een bedrijfswagen komt aanzienlijk minder vaak voor in zeer kleine ondernemingen (minder dan 12% van de werknemers bij ondernemingen met minder dan 5 werknemers) en in zeer grote ondernemingen (8% bij ondernemingen met 1.000 werknemers en meer), terwijl elders ongeveer één op de vijf werknemers er een heeft. Het mobiliteitsbudget wint op zijn beurt terrein naarmate de onderneming groter is, maar neemt ook weer af zodra het aantal werknemers de 1.000 overschrijdt.
De gepresenteerde cijfers hebben uitsluitend betrekking op salariswagens, dat wil zeggen bedrijfswagens die ter beschikking worden gesteld aan werknemers en die ook voor andere dan beroepsdoeleinden mogen worden gebruikt. Dit aantal is bekend en wordt door de RSZ verstrekt. Bedrijfswagens van bedrijfsleiders alsook dienstwagens worden buiten beschouwing gelaten. De gegevens over het mobiliteitsbudget zijn eveneens afkomstig van de RSZ.