
De Algemene Administratie van Douane en Accijnzen publiceerde op 23/01/2026 de Circulaire 2026/C/23 betreffende goederen die het douanegebied van de Unie verlaten.
Inhoudstabel
2.1.2. Vereenvoudigde aangifte
2.1.4. Aangifte door enige andere handeling
2.1.5. Wijziging van een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer
2.1.6. Ongeldigmaking van een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer
2.1.7. Indiening van een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer achteraf
2.2. Verzending van goederen naar gebieden met een bijzonder fiscaal regime
2.4. Bevoegdheid van de douanekantoren bij uitvoer
3. Formaliteiten voorafgaand aan het uitgaan van goederen
3.1. Indiening van een aangifte vóór vertrek en de gevallen van vrijstelling.
3.2. Termijnen voor de indiening van een aangifte vóór vertrek
3.3. Vormen van de aangifte vóór vertrek
3.4. Summiere aangifte bij uitgaan
4. Formaliteiten bij het uitgaan van goederen
4.1. Vaststelling van het douanekantoor van uitgang
4.2. Douanetoezicht en formaliteiten bij uitgaan
4.2.1. Aanbrengen van de goederen bij het douanekantoor van uitgang
4.2.2. Formaliteiten vóór de vrijgave voor uitgang
4.3. Toezicht op goederen die zijn vrijgegeven voor uitgaan
4.4. Bevestiging van het uitgaan van de goederen
4.5. Bepalingen inzake goederen die het douanegebied van de Unie niet verlaten
5. Kennisgeving van wederuitvoer
6. Bescherming van de persoonsgegevens
§1. Het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie is onderworpen aan een geheel van douaneformaliteiten, zoals opgenomen in Titel VIII van het Douanewetboek van de Unie. Deze formaliteiten worden beschreven in deze Circulaire en betreffen zowel Uniegoederen als niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten.
Punt 2 van deze Circulaire behandelt in eerste instantie de formaliteiten voor het plaatsen van goederen onder de douaneregeling uitvoer of voor wederuitvoer, en in het bijzonder de bepalingen betreffende het indienen van een (douane)aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer (met inbegrip van de wijziging en de ongeldigmaking van deze aangiften). Dit punt behandelt ook het essentiële begrip ‘exporteur’ en het bepalen van de bevoegde douanekantoren bij uitvoer.
Punt 3 van de Circulaire behandelt de formaliteiten die moeten worden vervuld voorafgaand aan het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie, met het oog op het verstrekken van de noodzakelijke informatie voor het verrichten van de risicoanalyse inzake veiligheid (‘safety and security’) en voor een eventuele douanecontrole vóór het vertrek van de goederen, of zelfs voordat de goederen aan boord van een schip worden geladen (in geval van containervervoer over zee).
Punt 4 van de Circulaire behandelt vervolgens de formaliteiten die moeten worden vervuld wanneer de goederen het douanegebied van de Unie verlaten. Het betreft in het bijzonder het douanetoezicht door de douanekantoren die er op toezien dat de goederen daadwerkelijk het douanegebied verlaten, met name het aanbrengen bij het kantoor van uitgang, de vrijgave en de uitgang van de goederen, alsook de bevestiging van die uitgang door het douanekantoor van uitvoer aan de aangever of de exporteur.
In de punten 5 en 6 van de Circulaire wordt aanvullende informatie gegeven over de kennisgeving van wederuitvoer en over de bescherming van persoonsgegevens.
Tenslotte worden de oude omzendbrieven opgeheven.
§ 2. De formaliteiten voor goederen die het douanegebied van de Unie verlaten, in het bijzonder deze die betrekking hebben op de uitvoer en de wederuitvoer van goederen, worden geregeld door de onderstaande bepalingen van de Unie of nationale bepalingen:
Referenties
§ 3. Voor de toepassing van deze Circulaire worden naast de hierboven genoemde initiaalwoorden met betrekking tot de wettelijke bepalingen ook de volgende initiaalwoorden gebruikt:
§ 4. De in het kader van deze Circulaire gebruikte definities zijn opgenomen in bijlage I.
§ 5. Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten, worden onder de douaneregeling uitvoer geplaatst.
§ 6. De § 5 is niet van toepassing op elk van de volgende Uniegoederen:
a) onder de regeling passieve veredeling geplaatste goederen;
b) goederen die het douanegebied van de Unie hebben verlaten na onder de regeling bijzondere bestemming te zijn geplaatst;
c) goederen die vrijgesteld van btw of accijns geleverd worden als vliegtuig- of scheepsvoorraden, ongeacht de bestemming van het vliegtuig of het schip, waarvoor een bewijs van levering vereist is;
d) onder de regeling intern douanevervoer geplaatste goederen;
e) overeenkomstig artikel 155 van het DWU tijdelijk uit het douanegebied van de Unie vervoerde goederen.
§ 7. Voor de Uniegoederen die onder de douaneregeling uitvoer worden geplaatst moet een douaneaangifte worden ingediend op het bevoegde douanekantoor. De formaliteiten, voorgeschreven in de douanewetgeving, betreffende de douaneaangifte bij uitvoer zijn eveneens van toepassing op de in § 6, onder a), b) en c), bedoelde gevallen.
De aangifte tot plaatsing van goederen onder de douaneregeling passieve veredeling valt niet binnen het toepassingsveld van deze Circulaire. Hiervoor wordt verwezen naar de Circulaire 2019/C/13 betreffende passieve veredeling.
§ 8. In het geval van niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten, wordt bij het bevoegde douanekantoor een aangifte tot wederuitvoer ingediend.
§ 9. De § 8 is niet van toepassing op elk van de volgende goederen:
a) goederen die onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst en slechts over het douanegebied van de Unie worden vervoerd;
b) goederen die worden overgeladen in of rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een vrije zone (niet van toepassing in België);
c) goederen in tijdelijke opslag die rechtstreeks worden wederuitgevoerd uit een ruimte voor tijdelijke opslag.
In de onder b) en c) hierboven bedoelde gevallen moeten de niet-Uniegoederen worden aangegeven met een kennisgeving van wederuitvoer zoals beschreven in punt 5 van deze Circulaire.
§ 10. De algemene bepalingen van de artikelen 158 t/m 195 van het DWU (inzake plaatsing van goederen onder een douaneregeling) zijn van toepassing op zowel de aangifte ten uitvoer als op de aangifte tot wederuitvoer.
De aangiften ten uitvoer of de aangiften tot wederuitvoer die aan alle voorwaarden voldoen, zoals bepaald in de artikelen 158 t/m 187 van het DWU, worden onmiddellijk door de douaneautoriteiten aanvaard, voor zover de desbetreffende goederen bij de douane zijn aangebracht.
De datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer door de douaneautoriteiten is, tenzij anderszins is bepaald, de datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling uitvoer of voor wederuitvoer en voor alle andere uitvoer- of wederuitvoerformaliteiten.
Een aangifte ten uitvoer of een aangifte wederuitvoer kan overeenkomstig artikel 171 van het DWU eveneens worden ingediend vóór het tijdstip waarop de goederen naar verwachting bij de douane zullen worden aangebracht. Indien de goederen niet binnen 30 dagen na de indiening van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer worden aangebracht, wordt die aangifte geacht niet te zijn ingediend.
§ 11. Goederen aangegeven voor uitvoer of voor wederuitvoer bevinden zich onder douanetoezicht vanaf de aanvaarding van de aangifte totdat:
§ 12. In de punten 2.1.1. t/m 2.1.4. worden de verschillende vormen van een aangifte beschreven (standaard, vereenvoudigd, mondeling, enz.). In punt 2.1.5. worden de bepalingen opgenomen betreffende de wijziging van een aangifte. Punt 2.1.6. behandelt de ongeldigmaking van een aangifte. Tot slot wordt in punt 2.1.7. de indiening van een aangifte achteraf opgenomen.
§ 13. De standaard aangiften ten uitvoer en tot wederuitvoer worden in AES ingediend en bevatten alle gegevens die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling uitvoer en voor wederuitvoer. Bovendien moeten de bewijsstukken die nodig zijn voor de toepassing van deze bepalingen in het bezit zijn van de aangever en ter beschikking staan van de douaneautoriteiten op het tijdstip waarop de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer wordt ingediend.
§ 14. AES is het elektronisch systeem voor douaneafhandeling dat is opgezet voor de verwerking en uitwisseling van inlichtingen i.v.m. het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie. Het maakt het mogelijk dat de douaneautoriteiten van de lidstaten onderling en de douaneautoriteiten van de lidstaten met marktdeelnemers en andere personen communiceren ten behoeve van de indiening en verwerking van aangiften ten uitvoer en wederuitvoer wanneer goederen het douanegebied van de Unie verlaten.
§ 15. De standaard aangifte ten uitvoer en de standaard aangifte tot wederuitvoer, die in AES worden ingediend, moeten voldoen aan de gegevensvereisten die zijn opgenomen in de “Toelichting voor gegevensset B1”, opgesteld op basis van bijlage B van de DWU DA en de DWU IA.
Om aan te duiden dat een standaard aangifte wordt gebruikt, wordt één van de volgende codes vermeld in G.E. 11 02 000 000 (Soort aangifte - aanvulling):
§16. Wanneer de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer wordt ingediend vóór het aanbrengen van de goederen (code D), gebeurt het aanbrengen bij de douane d.m.v. een kennisgeving van aanbrengen in AES, binnen 30 dagen na de indiening van de vooraf ingediende aangifte. De gegevens die in deze kennisgeving van aanbrengen moeten worden verstrekt in het kader van aangiften ten uitvoer of tot wederuitvoer die vóór het aanbrengen van de goederen worden ingediend, zijn opgenomen in de “Toelichting voor gegevensset C2”.
§ 17. Overeenkomstig de artikelen 166 en 167 van het DWU mag een aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer worden ingediend in de vorm van een vereenvoudigde aangifte waaruit bepaalde in artikel 162 van het DWU bedoelde informatie of de in artikel 163 van het DWU bedoelde bewijsstukken kunnen worden weggelaten.
Voor het regelmatige gebruik van de vereenvoudigde aangifte is een vergunning van de douaneautoriteiten vereist.
§ 18. De aangever dient binnen een specifieke termijn na de vrijgave bij het bevoegde douanekantoor een aanvullende aangifte in met de gegevens die vereist zijn voor de betrokken douaneregeling of voor de wederuitvoer.
De vereenvoudigde aangifte wordt geacht samen met de aanvullende aangifte een enkele en ondeelbare akte te vormen, die geldig is vanaf de datum van aanvaarding van de vereenvoudigde aangifte.
§ 19. De vereenvoudigde aangifte ten uitvoer of wederuitvoer wordt in AES ingediend en moet voldoen aan de gegevensvereisten voor de vereenvoudigde aangifte ten uitvoer die zijn opgenomen in de “Toelichting voor gegevensset C1”.
Om aan te duiden dat er gebruik wordt gemaakt van een vereenvoudigde aangifte moet één van de volgende codes vermeld worden in G.E. 11 02 000 000 (Soort aangifte - aanvulling) van de vereenvoudigde aangifte:
Om aan te duiden dat een aanvullende aangifte wordt ingediend, wordt één van de volgende codes vermeld in G.E. 11 02 000 000 (Soort aangifte - aanvulling) van de aanvullende aangifte:
§ 20. Wanneer de vereenvoudigde aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer wordt ingediend vóór het aanbrengen van de goederen (code E of F), gebeurt het aanbrengen bij de douane d.m.v. een kennisgeving van aanbrengen, in AES, binnen 30 dagen na de indiening van de vooraf ingediende aangifte. De gegevens die in deze kennisgeving van aanbrengen moeten worden verstrekt in het kader van de vereenvoudigde aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer die vóór het aanbrengen van de goederen worden ingediend, zijn opgenomen in de “Toelichting voor gegevensset C2”.
§ 21. De procedure voor het gebruik van de vereenvoudigde aangifte ten uitvoer voor de uitvoer van bulkgoederen wordt toegelicht in de nota “Werkwijze voor de bulkprocedure bij uitvoer”
§ 22. Alle informatie over de vereenvoudigde aangifte is opgenomen in de Circulaire 2024/C/76 betreffende de vereenvoudigde aangifte.
De andere vereenvoudigingen voorzien in de artikelen 177 t/m 187 van het DWU (zoals de gecentraliseerde vrijmaking en EIDR) zijn ook van toepassing op de douaneregeling uitvoer en op wederuitvoer, maar worden in deze Circulaire niet nader toegelicht. Hiervoor wordt verwezen naar de volgende circulaires:
§ 23. Overeenkomstig artikel 137 van de DWU DA kunnen aangiften ten uitvoer mondeling worden gedaan voor de volgende goederen:
a) goederen zonder handelskarakter;
b) goederen met een handelskarakter, mits de waarde ervan niet meer dan 1 000 EUR bedraagt of de nettomassa ervan niet hoger is dan 1 000 kg;
c) in het douanegebied van de Unie geregistreerde vervoermiddelen die bestemd zijn om te worden wederingevoerd, alsook de reserveonderdelen, het toebehoren en de uitrusting van deze vervoermiddelen;
d) landbouwdieren (huisdieren) die worden uitgevoerd bij de overbrenging van een landbouwbedrijf uit de Unie naar een derde land en die in aanmerking komen voor vrijstelling van rechten krachtens artikel 115 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;
e) producten verkregen door landbouwproducenten op in de Unie gelegen landerijen, die in aanmerking komen voor vrijstelling van rechten krachtens de artikelen 116, 117 en 118 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;
f) zaaigoed uitgevoerd door landbouwproducenten om te worden gebruikt op in derde landen gelegen landerijen, dat in aanmerking komt voor vrijstelling van rechten krachtens de artikelen 119 en 120 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;
g) foerage en voedermiddelen voor dieren tijdens de uitvoer, die in aanmerking komen voor de vrijstelling van rechten krachtens artikel 121 van Verordening (EG) nr. 1186/2009.
§ 24. De douaneaangifte tot uitvoer kan mondeling worden gedaan, wanneer onderstaande goederen (zoals opgenomen in artikel 136, lid 1 van de DWU DA) bestemd zijn om te worden wederingevoerd:
a) laadborden, containers en vervoermiddelen, en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van die laadborden, containers en vervoermiddelen, zoals bedoeld in de artikelen 208 t/m 216 van de DWU DA;
b) persoonlijke bezittingen en goederen voor sportdoeleinden zoals bedoeld in artikel 219 van de DWU DA;
c) welzijnsgoederen voor zeelieden, gebruikt aan boord van een schip in de internationale zeevaart zoals bedoeld in artikel 220, onder a) van de DWU DA;
d) medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal zoals bedoeld in artikel 222 van de DWU DA;
e) dieren zoals bedoeld in artikel 223 van de DWU DA, op voorwaarde dat zij zijn bestemd voor het weiden of verweiden of voor werk als trek-, rij- of lastdier;
f) materiaal zoals bedoeld in artikel 224, onder a) van de DWU DA;
g) door een arts benodigde instrumenten en apparaten voor het verlenen van zorg aan een zieke in afwachting van een orgaantransplantatie, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 226, lid 1 van de DWU DA;
h) materiaal voor hulpverlening bij rampen dat wordt gebruikt bij maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van rampen of dergelijke situaties in het douanegebied van de Unie;
i) draagbare muziekinstrumenten en als toebehoren fungerende instrumenten, apparaten en toestellen als bedoeld in hoofdstuk 92, aantekening 1, punt b), van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87, wanneer dat toebehoren samen met de draagbare muziekinstrumenten wordt vervoerd en gebruikt en wanneer de draagbare muziekinstrumenten en toebehoren tijdelijk worden ingevoerd door reizigers en bestemd zijn om te worden gebruikt als beroepsuitrusting;
j) verpakkingsmiddelen die gevuld of leeg worden ingevoerd en bestemd zijn om gevuld of leeg te worden wederuitgevoerd, voorzien van onuitwisbare en niet-verwijderbare merktekens ter identificatie van een binnen of buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon;
j bis) beveiligings- en volgapparatuur voor goederen die in een verpakking is geplaatst of aan een verpakking is bevestigd;
k) radio- en televisieproductie- en -uitzendingsapparatuur alsook speciaal voor radio- en televisieproductie en -uitzending ingerichte voertuigen en de apparatuur daarvan, ingevoerd door openbare of particuliere organisaties die buiten het douanegebied van de Unie gevestigd zijn en erkend zijn door de douaneautoriteiten die de tijdelijke invoer van deze apparatuur en voertuigen hebben toegestaan;
l) andere goederen, wanneer de douaneautoriteiten dit toestaan.
§ 25. Bij de aanzuivering van een regeling tijdelijke invoer voor de in § 24 bedoelde goederen kan de aangifte tot wederuitvoer mondeling worden gedaan.
§ 26. Bij deze vorm van aangifte doen wordt geen expliciete aangifte bij een douanekantoor gedaan. Het overschrijden van de grens van het douanegebied van de Unie wordt aangemerkt als de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer.
A) Handelingen die worden geacht een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer te vormen
§ 27. De enkele overschrijding van de grens van het douanegebied van de Unie door de goederen wordt geacht een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer te vormen in één van de volgende situaties:
§ 28. Door uitgang uit het douanegebied van de Unie wordt brievenpost geacht voor uitvoer of wederuitvoer te zijn aangegeven.
§ 29. Door uitgang uit het douanegebied van de Unie worden goederen in een postzending, waarvan de waarde niet meer dan 1 000 EUR bedraagt en waarvoor geen uitvoerrechten verschuldigd zijn, geacht te zijn aangegeven voor uitvoer.
§ 30. Goederen in een expreszending waarvan de waarde niet meer dan 1 000 EUR bedraagt en waarvoor geen uitvoerrechten zijn verschuldigd, worden geacht te zijn aangegeven voor uitvoer door aanbrenging bij het douanekantoor van uitgang, mits de gegevens in het vervoersdocument en/of de factuur beschikbaar zijn voor en door de douaneautoriteiten zijn aanvaard.
§ 31. Goederen die in het kader van militaire activiteiten onder dekking van een NAVO-formulier 302 worden vervoerd of gebruikt, worden geacht voor uitvoer of wederuitvoer te zijn aangegeven door aanbrenging bij de douane overeenkomstig § 99, mits de gegevens in het NAVO-formulier 302 zijn aanvaard door en beschikbaar zijn voor de douaneautoriteiten.
Dit formulier kan worden ingediend met behulp van andere middelen dan elektronische
gegevensverwerkingstechnieken.
§ 32. Goederen die in het kader van militaire activiteiten onder dekking van een EU-formulier 302 worden vervoerd of gebruikt, worden geacht voor uitvoer of wederuitvoer te zijn aangegeven door aanbrenging bij de douane overeenkomstig § 99,mits de gegevens in bijlage 52-01 zijn aanvaard door en beschikbaar zijn voor de douaneautoriteiten.
Dit formulier kan worden ingediend met behulp van andere middelen dan elektronische
gegevensverwerkingstechnieken.
B) Goederen die worden geacht te zijn aangegeven voor wederuitvoer door de enkele overschrijding van de grens van het douanegebied van de Unie
§ 33. De in de § 24, punten a) tot en met d) en h) tot en met j bis), bedoelde goederen worden geacht te zijn aangegeven voor wederuitvoer door de enkele overschrijding van de grens van het douanegebied van de Unie, waarbij de regeling tijdelijke invoer wordt aangezuiverd, wanneer er geen aangifte op andere wijze is gedaan.
§ 34. Goederen onder dekking van een NAVO-formulier 302 of een EU-formulier 302 worden geacht te zijn aangegeven voor wederuitvoer overeenkomstig de §§ 31 en 32 wanneer er geen aangifte op andere wijze is gedaan.
C) Goederen die worden geacht te zijn aangegeven voor uitvoer door de enkele overschrijding van de grens van het douanegebied van de Unie
§ 35. De volgende goederen worden geacht te zijn aangegeven voor uitvoer door de enkele
overschrijding van de grens van het douanegebied van de Unie wanneer er geen aangifte op andere wijze is gedaan:
a) de in § 23 bedoelde goederen;
b) draagbare muziekinstrumenten en als toebehoren fungerende instrumenten, apparaten en
toestellen als bedoeld in hoofdstuk 92, aantekening 1, punt b), van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87, wanneer dat toebehoren samen met de draagbare muziekinstrumenten wordt vervoerd en gebruikt en wanneer de draagbare muziekinstrumenten en toebehoren tijdelijk worden uitgevoerd door reizigers en bestemd zijn om te worden gebruikt door reizigers;
c) brievenpost (zie § 28);
d) goederen in een post- of expreszending, waarvan de waarde niet meer dan 1 000 EUR bedraagt en waarvoor geen uitvoerrechten zijn verschuldigd (zie de §§ 29 en 30);
e) organen en ander menselijk of dierlijk weefsel of menselijk bloed dat in geval van nood geschikt is voor permanente transplantatie, implantatie of transfusie;
f) goederen onder dekking van een NAVO-formulier 302 of een EU- formulier 302 (zie de §§ 31 en 32).
§ 36. De aangever wordt, op zijn verzoek, toegestaan één of meer gegevens in de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer te wijzigen nadat deze door de douane is aanvaard. De wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de douaneaangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.
§ 37. Dergelijke wijzigingen worden niet toegestaan als het verzoek daartoe wordt gedaan na één van de volgende gebeurtenissen:
a) de douaneautoriteiten hebben de aangever in kennis gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;
b) de douaneautoriteiten hebben vastgesteld dat de gegevens van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer onjuist zijn;
c) de douaneautoriteiten hebben de goederen vrijgegeven.
§ 38. Op verzoek van de aangever kan, binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer, worden toegestaan dat die aangifte wordt gewijzigd na vrijgave van de goederen, zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de douaneregeling uitvoer of voor de wederuitvoer kan nakomen.
§ 39. De richtsnoeren van de Europese Commissie in de “Guidance on Export and Exit out of the European Union” verduidelijken dat in principe alle gegevens in een aangifte kunnen worden gewijzigd, op voorwaarde dat de gewijzigde aangifte betrekking heeft op de goederen die onder de oorspronkelijke aangifte vallen. Er wordt echter opgemerkt dat er in de praktijk gevallen kunnen zijn waarin het niet mogelijk is om de aangifte te wijzigen, bijvoorbeeld wanneer de aangever moet worden gewijzigd of wanneer een wijziging tot gevolg heeft dat een onderdeel van het MRN-nummer wordt gewijzigd (bijvoorbeeld de gevraagde douaneregeling).
§ 40. Op verzoek van de aangever maken de douaneautoriteiten een reeds aanvaarde aangifte ten uitvoer of aangifte tot wederuitvoer ongeldig in elk van de volgende gevallen:
a) indien voldoende wordt aangetoond dat de goederen onmiddellijk onder een andere douaneregeling of onder wederuitvoer zullen worden geplaatst;
b) indien voldoende wordt aangetoond dat ten gevolge van bijzondere omstandigheden de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling uitvoer of onder wederuitvoer niet meer gerechtvaardigd is.
Indien de douaneautoriteiten de aangever evenwel in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, kan het verzoek tot ongeldigmaking van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer slechts worden aanvaard nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden.
§ 41. De aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer wordt niet ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven, tenzij anders is bepaald.
Overeenkomstig artikel 148 van de DWU DA wordt de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven, op een met redenen omkleed verzoek van de aangever, in elk van de volgende gevallen:
§ 42. Indien de goederen die voor uitvoer of wederuitvoer zijn vrijgegeven, naar hun aard verschillen van de goederen die bij het douanekantoor van uitgang zijn aangebracht, maakt het douanekantoor van uitvoer de betrokken aangifte ongeldig.
§ 43. Wanneer het douanekantoor van uitvoer, na een periode van 150 dagen vanaf de datum van vrijgave van de goederen voor de douaneregeling uitvoer of voor de wederuitvoer, geen informatie over het uitgaan van de goederen heeft ontvangen noch een bewijs dat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten hebben, kan dat kantoor de betrokken aangifte ongeldig maken.
§ 44. Wanneer de voor uitvoer of wederuitvoer vrijgegeven goederen niet langer bestemd zijn om het douanegebied van de Unie te verlaten, deelt de aangever dit onmiddellijk mee aan het douanekantoor van uitvoer.
In dat geval maakt het douanekantoor van uitvoer de betrokken aangifte onmiddellijk ongeldig en maakt het, in voorkomend geval, de bevestiging van het uitgaan van goederen die is gedaan overeenkomstig artikel 334, lid 1 van de DWU IA ongeldig.
§ 45. Wanneer een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer vereist was maar de goederen uit het douanegebied van de Unie zijn gebracht zonder een dergelijke aangifte, dient de exporteur een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer achteraf in. Deze aangifte wordt ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de exporteur is gevestigd. Dat douanekantoor bevestigt het uitgaan van de goederen aan de exporteur, op voorwaarde dat
§ 46. Wanneer voor wederinvoer bestemde Uniegoederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten maar niet langer voor wederinvoer zijn bestemd, en een ander soort douaneaangifte zou zijn gebruikt als er geen voornemen tot wederinvoer was geweest, kan de exporteur bij het douanekantoor van uitvoer een aangifte ten uitvoer achteraf indienen die de oorspronkelijke aangifte vervangt. Dat douanekantoor bevestigt het uitgaan van de goederen aan de aangever.
Voorbeeld: Goederen zijn tijdelijk uitgevoerd onder de regeling passieve veredeling omdat ze bestemd waren om opnieuw in de Unie te worden ingevoerd, maar deze goederen zijn vervolgens buiten het douanegebied van de Unie gebleven.
§ 47. Aangiften die achteraf in AES worden ingediend, worden aangeduid met de code ’R‘ in G.E. 11 02 000 000 (Soort aangifte - aanvulling).
§ 48. Wanneer een aangifte ten uitvoer of een aangifte tot wederuitvoer vereist was maar de goederen uit het douanegebied van de Unie zijn gebracht zonder een dergelijke aangifte, kan die aangifte ten uitvoer of die aangifte tot wederuitvoer achteraf worden ingediend met behulp van andere middelen voor de uitwisseling van informatie dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken.
§ 49. Overeenkomstig artikel 134 van de DWU DA zijn de algemene bepalingen betreffende het plaatsen van goederen onder de douaneregeling uitvoer, zoals opgenomen in punt 2.1 van deze Circulaire, en de bepalingen betreffende de formaliteiten voor het uitgaan van goederen, zoals opgenomen in punt 4 van deze Circulaire, ook van toepassing op verzendingen van goederen naar de gebieden met een bijzonder fiscaal regime.
§ 50. De in AES ingediende aangifte voor de verzending van goederen in het kader van de handel met gebieden met een bijzonder fiscaal regime moet voldoen aan de gegevensvereisten zoals opgenomen in de ’Toelichting voor gegevensset B4‘.
§ 51. Bij het plaatsen van goederen onder de douaneregeling uitvoer of bij hun wederuitvoer moet de exporteur vermeld worden op de aangifte ten uitvoer of op de aangifte tot wederuitvoer.
Om te bepalen wie de exporteur is, wordt in dit punt de definitie van ’exporteur‘ opgenomen, en worden de voorwaarden voor de toepassing van deze definitie verduidelijkt.
§ 52. De in artikel 1, punt 19) van de DWU DA opgenomen definitie van exporteur luidt als volgt:
’a) een particulier die goederen bij zich draagt die het douanegebied van de Unie zullen verlaten, wanneer deze goederen deel uitmaken van zijn persoonlijke bagage;
b) in andere gevallen, wanneer a) niet van toepassing is:
i) een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die de macht heeft om te beslissen en beslist heeft dat de goederen dat douanegebied zullen verlaten;
ii) de Unie gevestigde persoon die partij is bij de overeenkomst op grond waarvan goederen dat douanegebied zullen verlaten.’
§ 53. Wanneer de exporteur een particulier is overeenkomstig punt a) van de definitie van exporteur, gelden er geen voorwaarden met betrekking tot de vestiging op het grondgebied van de Unie of het handelskarakter van de goederen. In alle andere gevallen bedoeld in punt b) van de definitie moet de exporteur gevestigd zijn in het douanegebied van de Unie in de zin van de definitie van ’in het douanegebied van de Unie gevestigd persoon‘ in bijlage 1 van deze circulaire.
Een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die als exporteur is vermeld, moet zijn EORI-nummer vermelden in het G.E. 13 01 017 000 (Identificatienummer van de exporteur) van de aangifte ten uitvoer of van de aangifte tot wederuitvoer. Wanneer deze persoon niet beschikt over een EORI-nummer (zoals bijvoorbeeld een particulier), dan moeten enkel zijn naam en zijn adresgegevens vermeld worden in het G.E. 13 01 016 000 (Naam van de exporteur) en het G.E. 13 01 018 000 (Adres van de exporteur).
Marktdeelnemers die hun statutaire zetel of hoofdbestuur in een derde land hebben maar beschikken over een vaste inrichting in het douanegebied van de Unie hebben, worden geacht in de Unie te zijn gevestigd en kunnen bijgevolg als exporteur optreden. De adresgegevens van de vaste inrichting in het douanegebied van de Unie worden niet vermeld op de aangifte ten uitvoer maar moeten geregistreerd worden in de EORI-databank (deze registratie zal echter pas mogelijk zijn vanaf 1 maart 2027).
Opgelet : de vereiste voor de exporteur om in het douanegebied van de Unie gevestigd te zijn, is niet van toepassing in het geval van wederuitvoer van niet-Uniegoederen.
§ 54. Overeenkomstig punt b) i) van de definitie van exporteur moet de exporteur in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn, en daarnaast moet de exporteur de macht hebben om te beslissen dat de goederen buiten het douanegebied van de Unie zullen worden gebracht en beslist hebben dat de goederen dat douanegebied zullen verlaten.
De macht om te beslissen dat de goederen buiten het douanegebied van de Unie moeten worden gebracht, moet ondubbelzinnig voortvloeien uit de handelingen van de partijen die zijn betrokken bij de transactie op basis waarvan de goederen het douanegebied van de Unie verlaten.
De zinsnede ’en beslist hebben dat de goederen dat douanegebied zullen verlaten‘ verwijst naar een feitelijke actie dat de beschikkingsmacht werd uitgeoefend: bijvoorbeeld door de rol van exporteur aan te nemen, heeft deze persoon ook aangenomen dat het zijn of haar recht is te beschikken tot uitvoer van de goederen. De overeenkomst tussen partijen om één van hen aan te wijzen met de beschikkingsmacht om te beslissen dat de goederen worden uitgevoerd, kan elke vorm aannemen die in het burgerlijk recht van de betrokken lidstaat is voorzien.
Voor de volmacht om op te treden als exporteur wanneer de macht om te beslissen dat de goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten bij een buiten de Unie gevestigde persoon ligt volgens de overeenkomst waarop de uitvoer is gebaseerd (bijvoorbeeld de koper) maar deze persoon beslist om een machtiging te verlenen aan een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon, waardoor deze laatste persoon de macht heeft om te beslissen dat de goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten, moet de nationale code 4024 vermeld worden in het G.E. 12 03 002 000 (Soort bewijsstuk) van de aangifte ten uitvoer en gelinkt worden in het G.E. 12 03 001 000 (Referentienummer van het bewijsstuk) aan het nummer (of kenmerk) en de datum van de volmacht.
§ 55. Wanneer de exporteur niet kan bepaald worden op basis van § 51, dan is de exporteur, overeenkomstig de bepalingen van punt b) ii) van de definitie van exporteur: ‘eender welke in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die partij is bij de overeenkomst op grond waarvan goederen dat douanegebied zullen verlaten.’
In dat geval moeten de betrokken zakenpartners contractuele of zakelijke afspraken maken om de persoon aan te duiden die als exporteur zal optreden, op voorwaarde dat de aangeduide persoon in het douanegebied van de Unie is gevestigd en de rol van exporteur aanvaardt.
§ 56. Alle informatie met betrekking tot de definitie van exporteur, de toelichtingen bij de voorwaarden om als exporteur te kunnen optreden, de bepalingen inzake btw en de informatie over de gegevens die op de aangifte ten uitvoer of op de aangifte tot wederuitvoer moeten worden vermeld, zijn te vinden in de ’Informatienota over de definitie van exporteur’.
§ 57. Wat de bevoegde kantoren bij uitvoer betreft, moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de douanekantoren van uitvoer en anderzijds de douanekantoren van uitgang. In dit punt wordt ingegaan op de bevoegdheden van de douanekantoren van uitvoer, terwijl de bevoegdheden van de douanekantoren van uitgang worden behandeld in punt 4.1 van deze Circulaire.
§ 58. De aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer wordt ingediend bij het douanekantoor van uitvoer. Meer bepaald zijn de volgende douanekantoren bevoegd:
a) het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de exporteur is gevestigd;
b) het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen voor uitvoer worden verpakt of geladen;
c) een ander douanekantoor in de betrokken lidstaat dat om administratieve redenen bevoegd is voor de handelingen in kwestie.
Op nationaal niveau bepaalt artikel 5, punt 3° van de AWDA dat de minister van Financiën of zijn afgevaardigde de routes vaststelt die goederen bij het verlaten van het land moeten volgen. Rekening houdend met de in dat artikel opgenomen bepalingen is de douaneafhandeling bij uitvoer of wederuitvoer in België toegestaan zowel bij het hoofdzakelijk bevoegde douanekantoor als bij een douanekantoor van uitgang waarlangs de goederen het douanegebied van de Europese Unie verlaten, met name Antwerpen, Gent, Zeebrugge, Zaventem, Grâce-Hollogne (Bierset) en Charleroi (Gosselies).
Voor de gevallen b) en c) geven de richtsnoeren van de Europese Commissie de volgende voorbeelden:
Voor het geval b) kan het laden mogelijks op verschillende plaatsen gebeuren. Indien goederen voor uitvoer of wederuitvoer op verschillende plaatsen worden geladen, kan de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer worden ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is voor het toezicht op de plaats waar de laatste lading is gebeurd, d.w.z. de plaats waar de volledige lading voor het eerst kan worden aangebracht.
§ 59. Wanneer de waarde van de goederen niet hoger is dan 3 000 EUR per zending en per aangever en de goederen niet aan verboden of beperkingen zijn onderworpen, is ook het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats van uitgang van de goederen uit het douanegebied van de Unie, bevoegd om goederen onder de douaneregeling uitvoer of onder wederuitvoer te plaatsen, en dit naast de in de § 58 genoemde douanekantoren.
§ 60. Wanneer sprake is van onderaanneming, is ook het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de onderaannemer is gevestigd, bevoegd om de goederen onder de douaneregeling uitvoer of onder wederuitvoer te plaatsen, en dit naast de in de §§ 58 en 59 genoemde douanekantoren.
In dit verband geven de richtsnoeren van de Europese Commissie het volgende voorbeeld: wanneer bedrijf A, dat verantwoordelijk is voor de uitvoer van machines uit de EU, de productie uitbesteedt aan bedrijf B, kan de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer worden ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar bedrijf B is gevestigd.
§ 61. Wanneer de omstandigheden van een individueel geval dit rechtvaardigen, is ook een ander douanekantoor dat beter is gesitueerd om de goederen bij de douane aan te brengen, bevoegd om de goederen onder de douaneregeling uitvoer of onder wederuitvoer te plaatsen.
§ 62. Mondelinge douaneaangiften ten uitvoer en tot wederuitvoer worden gedaan op het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats van uitgang van de goederen.
§ 63. De Europese wetgeving vereist in principe dat alle goederen die het douanegebied van de Unie verlaten, worden onderworpen aan een ’risicoanalyse inzake veiligheid (safety and security)’. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van een douanecontrole vóór hun vertrek, of zelfs voordat ze aan boord van een schip worden geladen (in het geval van containervervoer over zee). De hiervoor vereiste veiligheidsgegevens worden verstrekt d.m.v. een aangifte vóór vertrek.
Punt 3 behandelt de formaliteiten die moeten worden vervuld voordat goederen het douanegebied van de Unie verlaten, met name:
§ 64. Goederen die het douanegebied van de Unie gaan verlaten, gaan vergezeld van een aangifte vóór vertrek die binnen een specifieke termijn bij het bevoegde douanekantoor wordt ingediend voordat de goederen uit het douanegebied van de Unie worden gebracht behalve wanneer wordt afgezien van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen.
§ 65. Van de in lid 64 bedoelde verplichting wordt afgezien:
a) in het geval van vervoermiddelen en de daarmee vervoerde goederen die uitsluitend door de territoriale wateren of het luchtruim van het douanegebied van de Unie worden vervoerd zonder dat er een tussenstop in dit gebied wordt gemaakt; of
b) in andere specifieke gevallen die naar behoren zijn gerechtvaardigd door het soort goederen of het soort vervoer of die voortvloeien uit verplichtingen uit hoofde van internationale overeenkomsten.
§ 66. De onder § 65 ,punt b) bedoelde specifieke gevallen die naar behoren zijn gerechtvaardigd door het soort goederen of het soort vervoer, worden uiteengezet in artikel 245 van de DWU DA.
De voornaamste gevallen zijn de volgende:
a) elektrische energie;
b) goederen die via een pijpleiding vertrekken;
c) brievenpost;
d) goederen die worden vervoerd krachtens de Akten van de Wereldpostunie;
e) roerende goederen en voorwerpen zoals omschreven in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009, mits zij niet op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;
f) goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers;
(…)
§ 67. M.b.t. de onder § 65 punt b) bedoelde specifieke gevallen die voortvloeien uit verplichtingen uit hoofde van internationale overeenkomsten, is het indienen van een aangifte vóór vertrek evenmin vereist voor goederen uitgevoerd naar Andorra, Noorwegen of Zwitserland (inclusief Liechtenstein) overeenkomstig de van kracht zijnde overeenkomsten inzake veiligheid tussen de Europese Unie en deze landen. Deze landen vormen met de Europese Unie één veiligheidsgebied waardoor er voor rechtstreeks naar deze landen vervoerde goederen geen aangifte vóór vertrek moet worden gedaan (opgelet: IJsland behoort niet tot het veiligheidsgebied van de Unie). De verplichting om bij uitvoer een aangifte ten uitvoer of bij wederuitvoer een aangifte tot wederuitvoer te doen, blijft echter wel bestaan
§ 68. De termijnen voor het indienen van een aangifte vóór vertrek, zoals opgenomen in artikel 244 van de DWU DA, kunnen als volgt worden samengevat:
VERVOER OVER ZEE | TERMIJN | |
| Uiterlijk 24 uur voordat zij in het vaartuig worden geladen waarmee zij het douanegebied van de Unie zullen verlaten. | |
2. In containers vervoerde goederen tussen het douanegebied van de Unie en:
| Uiterlijk 2 uur voor het vertrek uit een haven in het douanegebied van de Unie. | |
3. In containers vervoerde goederen tussen de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira of de Canarische Eilanden en een gebied buiten het douanegebied van de Unie, wanneer de reistijd minder dan 24 uur bedraagt | Uiterlijk 2 uur voor het vertrek uit een haven in het douanegebied van de Unie. | |
4. Niet in containers vervoerde goederen | Uiterlijk 2 uur voor het vertrek uit een haven in het douanegebied van de Unie. | |
VERVOER DOOR DE LUCHT | Uiterlijk 30 minuten voor het vertrek uit een luchthaven in het douanegebied van de Unie. |
VERVOER OVER DE WEG
| Uiterlijk één uur voordat de goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten. |
VERVOER OVER DE BINNENWATEREN | Uiterlijk één uur voordat de goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten. |
VERVOER PER SPOOR | TERMIJN |
| Uiterlijk één uur voor de aankomst van de goederen op de plaats waarvoor het douanekantoor van uitgang bevoegd is. |
| Uiterlijk 2 uur voordat de goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten. |
§ 69. In de volgende situaties is de termijn voor de indiening van de aangifte vóór vertrek die welke geldt voor het actieve vervoermiddel dat wordt gebruikt om het douanegebied van de Unie te verlaten:
a) wanneer de goederen bij het douanekantoor van uitgang zijn aangekomen op een ander vervoermiddel vanwaaruit zij worden overgeladen vóór het verlaten van het douanegebied van de Unie (intermodaal vervoer);
b) wanneer de goederen bij het douanekantoor van uitgang zijn aangekomen op een vervoermiddel dat zelf wordt vervoerd op een actief vervoermiddel bij het verlaten van het douanegebied van de Unie (gecombineerd vervoer).
§ 70. De in de leden 68 en 69 bedoelde termijnen zijn niet van toepassing in geval van overmacht.
§ 71. Wanneer wordt vastgesteld dat goederen die het douanegebied van de Unie zullen verlaten niet zijn gedekt door een aangifte vóór vertrek, moet voor het uitgaan van de goederen een dergelijke aangifte worden ingediend, tenzij ontheffing van de verplichting om een dergelijke aangifte in te dienen van toepassing is.
§ 72. Binnen het toepassingsgebied van deze Circulaire, gebeurt de aangifte vóór vertrek in één van onderstaande vormen:
a) een aangifte ten uitvoer overeenkomstig § 7;
b) een aangifte tot wederuitvoer overeenkomstig § 8;
c) een summiere aangifte bij uitgaan overeenkomstig § 77.
§ 73. Wanneer de aangifte vóór vertrek de vorm aanneemt van een aangifte ten uitvoer, betekent dit dat bij het indienen van de aangifte ten uitvoer (gegevensset B1) ook de ‘veiligheidsgegevens’ (gegevenssets A1 of A2 - zie § 79) op een gecombineerde wijze worden verstrekt. Om aan te duiden dat de veiligheidsgegevens tegelijk met deze aangifte worden verstrekt, moet code 2 worden vermeld in G.E. 11 07 000 000 (Veiligheid) in gegevensset B1.
§ 74. Wanneer de aangifte vóór vertrek de vorm aanneemt van een vereenvoudigde aangifte ten uitvoer, betekent dit dat bij het indienen van de vereenvoudigde aangifte ten uitvoer (gegevensset C1) ook de ‘veiligheidsgegevens’ (gegevenssets A1 of A2 - zie § 79) op een gecombineerde wijze worden verstrekt. Om aan te duiden dat de veiligheidsgegevens tegelijk met deze aangifte worden verstrekt, moet code 2 worden vermeld in G.E. 11 07 000 000 (Veiligheid) in gegevensset C1.
§ 75. Wanneer de aangifte vóór vertrek de vorm aanneemt van een aangifte tot wederuitvoer, betekent dit dat bij het indienen van de aangifte tot wederuitvoer (gegevensset B1) ook de ‘veiligheidsgegevens’ (gegevenssets A1 of A2 - zie § 79) op een gecombineerde wijze worden verstrekt. Om aan te duiden dat de veiligheidsgegevens tegelijk met deze aangifte worden verstrekt, moet code 2 worden vermeld in G.E. 11 07 000 000 (Veiligheid) in gegevensset B1.
§ 76. Alle informatie over de veiligheidsgegevens die moeten worden vermeld op de verschillende soorten aangiften vóór vertrek, evenals de mogelijke combinaties van gegevenssets, vindt u in de ‘Informatienota betreffende G.E. 11 07 000 000 (Veiligheid)’.
§ 77. Indien goederen het douanegebied van de Unie verlaten, en er op het douanekantoor van uitvoer geen aangifte ten uitvoer of aangifte tot wederuitvoer is ingediend als aangifte vóór vertrek, wordt bij het douanekantoor van uitgang een summiere aangifte bij uitgaan (hierna ‘EXS’ genoemd) ingediend.
§ 78. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat deze aangifte wordt ingediend bij een ander douanekantoor, mits dat kantoor de benodigde gegevens onmiddellijk elektronisch doorgeeft aan of ter beschikking stelt aan het douanekantoor van uitgang.
§ 79. De EXS, die in AES wordt ingevoerd, moet voldoen aan de gegevensvereisten die zijn opgenomen in de ‘Toelichting voor gegevensset A1’ of de ‘Toelichting voor gegevensset A2’, opgesteld op basis van de bijlage B van de DWU DA en van de DWU IA.
§ 80. De EXS wordt ingediend door de vervoerder.
De definitie van vervoerder in de context van het uitgaan is opgenomen in de bijlage I bij deze circulaire.
Niettegenstaande de verplichtingen van de vervoerder kan de EXS worden ingediend door één van de volgende personen i.p.v. door de vervoerder:
a) de exporteur of ontvanger van de goederen of een andere persoon in wiens naam of voor wiens rekening de vervoerder handelt;
b) eenieder die in staat is de goederen bij het douanekantoor van uitgang aan te brengen of te doen aanbrengen.
§ 81. De douaneautoriteiten kunnen aanvaarden dat gebruik wordt gemaakt van handels-, haven- of vervoersinformatiesystemen voor het indienen van een EXS, op voorwaarde dat deze de noodzakelijke gegevens voor de aangifte bevatten en dat deze gegevens binnen een specifieke termijn beschikbaar zijn, voordat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten.
§ 82. De douaneautoriteiten kunnen ermee instemmen dat i.p.v. een EXS een kennisgeving wordt ingediend en toegang wordt verleend tot de gegevens van de EXS in het computersysteem van de marktdeelnemer.
§ 83. De aangever wordt, op diens aanvraag, toegestaan één of meer van de gegevens in de EXS te wijzigen nadat deze is ingediend. In dit verband wordt in de richtsnoeren van de Europese Commissie ‘Guidance on Export and Exit out of the European Union’ gepreciseerd dat de gegevens betreffende de aangever, de douanevertegenwoordiger en het douanekantoor van uitgang en uitvoer niet kunnen worden gewijzigd.
Een wijziging van de EXS is niet meer mogelijk na één van de volgende feiten:
a) de douaneautoriteiten hebben de persoon die de EXS heeft ingediend, in kennis gesteld van hun voornemen de goederen te controleren;
b) de douaneautoriteiten hebben geconstateerd dat één of meer gegevens van de EXS onjuist of onvolledig zijn;
c) de douaneautoriteiten hebben de goederen reeds vrijgegeven voor uitgaan.
§ 84. Indien de goederen waarvoor een EXS is ingediend, niet het douanegebied van de Unie verlaten, maken de douaneautoriteiten deze aangifte onmiddellijk ongeldig:
a) op verzoek van de aangever; of
b) indien na de indiening van de aangifte 150 dagen zijn verstreken.
§ 85. Wanneer goederen waarvoor een EXS is ingediend niet langer bestemd zijn om het douanegebied van de Unie te verlaten, deelt de persoon die de goederen weghaalt bij het douanekantoor van uitgang voor vervoer naar een plaats binnen het douanegebied van de Unie het douanekantoor van uitgang mee dat de goederen het douanegebied van de Unie niet zullen verlaten en specificeert hij het MRN van de EXS.
§ 86. Het douanekantoor waar de aangifte vóór vertrek is ingediend, zorgt er voor dat binnen een specifieke termijn een risicoanalyse op basis van die aangifte wordt verricht, hoofdzakelijk voor veiligheidsdoeleinden, en neemt de nodige maatregelen op basis van de resultaten van die risicoanalyse.
§ 87. Voordat de goederen worden vrijgegeven, wordt er een risicoanalyse verricht binnen een termijn die overeenkomt met de periode tussen het einde van de termijn voor het indienen van de aangifte vóór vertrek (zoals bepaald in de §§ 68 en 69) en het laden of het vertrek van de goederen, indien van toepassing.
§ 88. Wanneer een ontheffing van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen van toepassing is overeenkomstig § 66, wordt bij het aanbrengen van de goederen een risicoanalyse verricht op basis van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer voor deze goederen of, indien deze niet beschikbaar is, op basis van andere beschikbare informatie over de goederen.
§ 89. Naast de regels voor het bepalen van het douanekantoor van uitgang (punt 4.1) behandelt dit deel het geheel van de formaliteiten voor het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie, namelijk het douanetoezicht dat wordt ingesteld bij het douanekantoor van uitvoer en het aanbrengen van de goederen bij het douanekantoor van uitgang (punt 4.2), de vrijgave van de goederen met het oog op de uitgang en het fysieke uitgaan van de goederen (punt 4.3) en de bevestiging van de uitgang van de goederen door het douanekantoor van uitvoer aan de aangever of de exporteur (punt 4.4). Ten slotte worden de bepalingen behandeld betreffende goederen die het douanegebied van de Unie niet hebben verlaten (punt 4.5) en de opsporingsprocedure die door het douanekantoor van uitvoer wordt ingeleid wanneer dit niet in kennis is gesteld van het uitgaan van de goederen (punt 4.6).
§ 90. Tenzij de §§ 91 tot 96 van toepassing zijn, is het douanekantoor van uitgang het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie verlaten voor een bestemming buiten dat gebied.
§ 91. In het geval van goederen die het douanegebied van de Unie verlaten via een vaste transportinrichting, is het douanekantoor van uitgang het douanekantoor van uitvoer.
§ 92. Wanneer de goederen in een zeehaven op een schip worden geladen dat geen lijndienst onderhoudt zoals bedoeld in artikel 120 van de DWU DA voor vervoer naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie, is het douanekantoor van uitgang het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen in het schip worden geladen.
§ 93. Wanneer § 92 niet van toepassing is en de goederen worden geladen op een schip of een luchtvaartuig, zonder verdere overlading, voor vervoer over zee of door de lucht naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie, is het douanekantoor van uitgang het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen in het schip of luchtvaartuig worden geladen.
§ 94. Wanneer goederen na vrijgave voor uitvoer onder een regeling extern douanevervoer worden geplaatst, is het douanekantoor van uitgang het douanekantoor van vertrek van de regeling douanevervoer.
§ 95. Wanneer goederen na vrijgave voor uitvoer onder een andere regeling douanevervoer dan de regeling extern douanevervoer worden geplaatst, is het douanekantoor van uitgang het douanekantoor van vertrek van de regeling douanevervoer, op voorwaarde dat aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
a) het douanekantoor van bestemming van het douanevervoer is gelegen in een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer;
b) het douanekantoor van bestemming van het douanevervoer is gelegen op de grens van het douanegebied van de Unie en de goederen verlaten dat douanegebied nadat zij door een land of gebied buiten het douanegebied van de Unie zijn vervoerd.
§ 96. Op verzoek is het douanekantoor van uitgang het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen in het kader van een enkele overeenkomst voor vervoer uit het douanegebied van de Unie door een spoorwegmaatschappij, de posterijen, een luchtvaart- of scheepvaartmaatschappij ten laste worden genomen, op voorwaarde dat de goederen het douanegebied van de Unie per spoor, per post, door de lucht of over zee verlaten.
Dit beginsel is niet van toepassing op:
§ 97. Goederen die het douanegebied van de Unie verlaten, zijn onderworpen aan douanetoezicht en kunnen worden onderworpen aan douanecontroles. In voorkomend geval kunnen de douaneautoriteiten vaststellen langs welke route en binnen welke termijn de goederen het douanegebied van de Unie moeten verlaten.
§ 98. Bij vrijgave van de goederen, zendt het douanekantoor van uitvoer de gegevens van de aangifte ten uitvoer of van de aangifte tot wederuitvoer naar het opgegeven kantoor van uitgang. Deze gegevens worden gebaseerd op gegevens uit de, eventueel gewijzigde, aangifte ten uitvoer of aangifte tot wederuitvoer.
§ 99. Goederen die het douanegebied van de Unie verlaten, worden bij uitgaan bij de douane aangebracht door één van de volgende personen:
a) de persoon die de goederen uit het douanegebied van de Unie voert;
b) de persoon namens wie of voor wiens rekening de persoon die de goederen uit het douanegebied van de Unie voert, optreedt;
c) de persoon die zich belast met het vervoer van de goederen vóór het uitgaan ervan uit het douanegebied van de Unie.
Dit aanbrengen van goederen bij de douane bij het uitgaan kan gebeuren d.m.v. een ‘aankomstmelding’ in AES of door andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken overeenkomstig artikel 246 van de DWU DA.
§ 100. De persoon die de goederen bij uitgaan aanbrengt, moet met name:
a) het MRN van de aangifte ten uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer vermelden;
b) eventuele verschillen tussen de aangegeven en voor uitvoer vrijgegeven goederen en de aangebrachte goederen vermelden, met inbegrip van de gevallen waarin de goederen opnieuw zijn verpakt of in een container zijn geladen voordat zij bij het douanekantoor van uitgang zijn aangebracht;
c) wanneer slechts een gedeelte van de goederen waarop een aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer betrekking heeft, wordt aangebracht, ook de hoeveelheid van de daadwerkelijk aangebrachte goederen vermelden.
Wanneer deze goederen echter in colli of in containers worden aangebracht, deelt hij het aantal colli en, indien in containers vervoerd, de identificatienummers van de containers mee.
§ 101. Wanneer via een vaste transportinrichting vervoerde goederen via die inrichting het douanegebied van de Unie verlaten, worden deze goederen geacht bij de douane te zijn aangebracht wanneer zij in de vaste transportinrichting zijn geplaatst.
§ 102. Voor uitvoer of wederuitvoer aangegeven goederen kunnen worden aangebracht bij een ander douanekantoor van uitgang dan het kantoor dat in de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer is vermeld. Wanneer het feitelijke douanekantoor van uitgang in een andere lidstaat is gelegen dan het oorspronkelijk opgegeven douanekantoor, vraagt dat douanekantoor aan het douanekantoor van uitvoer om de gegevens van de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer.
§ 103. Wanneer goederen die het douanegebied van de Unie zullen verlaten aan douanecontroles worden onderworpen, onderzoekt het douanekantoor van uitgang de goederen op basis van de informatie die het ontvangt van het douanekantoor van uitvoer (‘overeenstemmingscontrole’).
§ 104. Wanneer de persoon die de goederen aanbrengt vaststelt of het douanekantoor van uitgang ontdekt dat er voor de voor uitvoer of wederuitvoer aangegeven goederen sprake is van een tekort wanneer de goederen bij het douanekantoor van uitgang worden aangebracht, informeert dit douanekantoor het douanekantoor van uitvoer over dit tekort.
§ 105. Wanneer de persoon die de goederen aanbrengt vaststelt of het douanekantoor van uitgang ontdekt dat er voor de bij het douanekantoor van uitgang aangebrachte goederen sprake is van een overmaat van de voor uitvoer of wederuitvoer aangegeven goederen, weigert het douanekantoor de uitgang van de goederen in overmaat totdat voor deze goederen een aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer is ingediend. Deze aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer kan bij het douanekantoor van uitgang worden ingediend.
§ 106. Wanneer de persoon die de goederen aanbrengt vaststelt of het douanekantoor van uitgang ontdekt dat de goederen die voor uitvoer of wederuitvoer zijn aangegeven, naar hun aard verschillen van de goederen die bij het douanekantoor van uitgang zijn aangebracht, weigert het douanekantoor van uitgang het uitgaan van deze goederen totdat voor deze goederen een aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer is ingediend, en informeert het douanekantoor van uitvoer. Deze aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer kan bij het douanekantoor van uitgang worden ingediend.
§ 107. Goederen die het douanegebied van de Unie verlaten, worden, indien van toepassing, aan het volgende onderworpen:
a) de terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten;
b) de betaling van restituties bij uitvoer;
c) de inning van uitvoerrechten;
d) de formaliteiten krachtens de vigerende voorschriften inzake andere heffingen;
e) de toepassing van verboden of beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van, onder meer, de openbare zedelijkheid, de openbare orde of de openbare veiligheid, de bescherming van de gezondheid en het leven van mens, dier of plant, de bescherming van het milieu, de bescherming van het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit en de bescherming van industriële of commerciële eigendom, inclusief controles op drugsprecursoren, goederen die inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten, en liquide middelen, alsmede de uitvoering van maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden en van handelspolitieke maatregelen.
§ 108. Goederen worden door de douaneautoriteiten voor uitgaan uit het douanegebied van de Unie vrijgegeven op voorwaarde dat deze goederen dit gebied verlaten in dezelfde staat als op het tijdstip dat:
a) de aangifte ten uitvoer of aangifte tot wederuitvoer was aanvaard; of
b) de EXS was ingediend.
§ 109. Wanneer goederen zijn vrijgegeven voor uitgaan, houdt het douanekantoor van uitgang er toezicht op totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
§ 110. De vervoerder deelt, in AES, het uitgaan van de goederen mee aan het douanekantoor van uitgang door al het volgende te verstrekken:
a) het unieke referentienummer van de zending of het referentienummer van het vervoersdocument;
b) wanneer de goederen in colli of in containers zijn aangebracht, het aantal colli en, indien in containers vervoerd, de identificatienummers van de container;
c) het MRN van de aangifte tot uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer, indien van toepassing.
De in de eerste alinea vastgestelde verplichting geldt niet voor zover de douaneautoriteiten via bestaande handels-, haven- of vervoersinformatiesystemen over deze informatie kunnen beschikken, noch in de situatie als bedoeld in § 96.
§ 111. Voor de toepassing van § 110 voorziet de persoon die de goederen aan de vervoerder overhandigt, de vervoerder van de in deze paragraaf bedoelde gegevens.
De vervoerder mag de goederen laden voor vervoer uit het douanegebied van de Unie wanneer hij over de in § 110 bedoelde informatie beschikt.
§ 112. Wanneer het douanekantoor van uitgang niet hetzelfde is als het douanekantoor van uitvoer, informeert het douanekantoor van uitgang het douanekantoor van uitvoer door het bericht ‘Resultaten bij uitgaan’ te verzenden, uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten over het uitgaan van de goederen.
In de gevallen zoals bedoeld in §§ 92 t/m 96 is de termijn voor het douanekantoor van uitgang om het douanekantoor van uitvoer te informeren over het uitgaan van de goederen echter de volgende:
a) in de gevallen zoals bedoeld in §§ 92 en 93, uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop het schip of luchtvaartuig waarin de goederen zijn geladen, de haven of luchthaven van lading heeft verlaten;
b) in de gevallen zoals bedoeld in § 94, uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de goederen onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst;
c) in de gevallen zoals bedoeld in § 95, uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de regeling douanevervoer is aangezuiverd;
d) in de gevallen zoals bedoeld in § 96, uiterlijk op de werkdag volgende op de dag waarop de goederen onder dekking van een enkele overeenkomst voor vervoer ten laste zijn genomen.
§ 113. Wanneer het douanekantoor van uitgang niet hetzelfde is als het douanekantoor van uitvoer en de uitgang van de goederen wordt geweigerd, stelt het douanekantoor van uitgang het douanekantoor van uitvoer uiterlijk in kennis op de werkdag volgende op de dag waarop de uitgang van de goederen is geweigerd.
§ 114. Wanneer door één aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer gedekte goederen naar een douanekantoor van uitgang worden vervoerd en het douanegebied van de Unie vervolgens als gevolg van onvoorziene omstandigheden als meer dan één zending verlaten, stelt het douanekantoor van uitgang het douanekantoor van uitvoer pas in kennis van het uitgaan van de goederen zodra alle goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
§ 115. In onvoorziene omstandigheden, wanneer door één aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer gedekte goederen naar een douanekantoor van uitgang worden vervoerd en het douanegebied van de Unie vervolgens via meer dan één douanekantoor van uitgang verlaten, kan een van de in § 99 genoemde personen het douanekantoor van uitgang waar de goederen voor het eerst zijn aangebracht, verzoeken het (de) andere douanekanto(o)r(en) van uitgang mee te delen vanwaaruit een deel van de goederen het douanegebied van de Unie zal verlaten. Elk douanekantoor van uitgang houdt toezicht op de fysieke uitgang van de goederen die het douanegebied van de Unie vanuit dat kantoor verlaten. Het (de) volgende douanekanto(o)r(en) van uitgang licht(en) het eerste douanekantoor van uitgang in over de goederen die het douanegebied van de Unie vanuit die kantoren hebben verlaten. Het eerste douanekantoor van uitgang en het (de) volgende douanekanto(o)r(en) van uitgang wisselen die inlichtingen uit in onderlinge overeenstemming en buiten AES. Het eerste douanekantoor van uitgang licht het douanekantoor van uitvoer in wanneer alle goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
§ 116. Wanneer goederen het douanegebied van de Unie verlaten in het geval zoals bedoeld in § 96, verstrekt de vervoerder op verzoek van de bevoegde douaneautoriteiten op de plaats van uitgang informatie over deze goederen. Deze informatie bestaat uit een van de volgende zaken:
a) het MRN van de aangifte ten uitvoer;
b) een kopie van de enkele vervoersovereenkomst voor de betrokken goederen;
c) het unieke referentienummer van de zending of het referentienummer van het vervoersdocument en wanneer de goederen in colli of in containers zijn aangebracht, het aantal colli en, indien in containers vervoerd, de identificatienummers van de container.
§ 117. Het douanekantoor van uitvoer bevestigt in AES in de volgende gevallen het uitgaan van de goederen aan de aangever of exporteur d.m.v. van een bericht ‘Kennisgeving van uitvoer’:
a) wanneer dit kantoor in kennis is gesteld van het uitgaan van de goederen door het douanekantoor van uitgang;
b) wanneer dit kantoor hetzelfde is als het douanekantoor van uitgang en de goederen zijn uitgegaan;
c) wanneer dit kantoor van oordeel is dat het overeenkomstig § 128 geleverde bewijs voldoende is.
§ 118. Wanneer het douanekantoor van uitvoer het uitgaan van de goederen overeenkomstig § 117, onder c), heeft bevestigd, stelt dit kantoor het douanekantoor van uitgang hiervan in kennis.
§ 119. Ter bevestiging van de uitgang van goederen kunnen andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt om het douanekantoor van uitvoer het bewijs te leveren dat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten hebben.
§ 120. Wanneer de voor uitvoer of wederuitvoer vrijgegeven goederen niet langer bestemd zijn om het douanegebied van de Unie te verlaten, deelt de aangever dit onmiddellijk mee aan het douanekantoor van uitvoer.
§ 121. Wanneer de goederen al bij het douanekantoor van uitgang zijn aangebracht, deelt de persoon die de goederen weghaalt bij het douanekantoor van uitgang voor vervoer naar een plaats binnen het douanegebied van de Unie, het douanekantoor van uitgang mee dat de goederen het douanegebied van de Unie niet zullen verlaten en specificeert hij het MRN van de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer.
§ 122. Wanneer in de in § 94 t/m 96 bedoelde gevallen een wijziging van de vervoersovereenkomst tot gevolg heeft dat douanevervoer dat buiten het douanegebied van de Unie had moeten eindigen binnen dit douanegebied eindigt, lichten de betrokken bedrijven of autoriteiten het douanekantoor van uitgang in over die wijziging en kunnen zij de gewijzigde overeenkomst alleen tot uitvoer leggen met voorafgaande overeenstemming van dat kantoor.
§ 123. Het douanekantoor van uitgang stelt het douanekantoor van uitvoer er in de in §§ 121 en 122 bedoelde gevallen van in kennis dat de goederen het douanegebied van de Unie niet hebben verlaten.
§ 124. In het geval van ongeldigmaking van de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer overeenkomstig §§ 42 en 43, informeert het douanekantoor van uitvoer de aangever en het opgegeven douanekantoor van uitgang van deze ongeldigmaking.
§ 125. Wanneer het douanekantoor van uitvoer 90 dagen na de vrijgave van de goederen voor uitvoer niet over het uitgaan van de goederen is geïnformeerd, kan het de aangever om informatie verzoeken over de datum waarop en het douanekantoor van uitgang vanwaaruit de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
§ 126. De aangever kan het douanekantoor van uitvoer op eigen initiatief informeren over de data waarop en de douanekantoren van uitgang vanwaaruit de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
§ 127. Wanneer de aangever het douanekantoor van uitvoer voorziet van informatie overeenkomstig §§ 125 en 126, kan hij het douanekantoor van uitvoer vragen de uitgang te bevestigen. Het douanekantoor van uitvoer vraagt daartoe om informatie over het uitgaan van de goederen aan het douanekantoor van uitgang, dat binnen tien dagen moet antwoorden.
Wanneer het douanekantoor van uitgang niet binnen deze termijn reageert, stelt het douanekantoor van uitvoer de aangever hiervan in kennis.
§ 128. Wanneer het douanekantoor van uitvoer de aangever meedeelt dat het douanekantoor van uitgang niet heeft gereageerd binnen de termijn zoals bedoeld in § 127, kan de aangever het douanekantoor van uitvoer het bewijs leveren dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
Dit bewijs kan met name worden geleverd door middel van één van de volgende stukken of een combinatie daarvan:
a) een kopie van de pakbon die door de geadresseerde buiten het douanegebied van de Unie is ondertekend of gewaarmerkt;
b) het betalingsbewijs;
c) de factuur;
d) de pakbon;
e) een document, ondertekend of gewaarmerkt door de marktdeelnemer die de goederen buiten het douanegebied van de Unie heeft gebracht;
f) een document, verwerkt door de douaneautoriteit van een lidstaat of een derde land in overeenstemming met de regels en procedures die in die staat of dat land van toepassing zijn;
g) de administratie van de marktdeelnemer waaruit de levering van goederen aan schepen, luchtvaartuigen of offshore installaties blijkt.
Deze lijst is niet exhaustief en andere bewijsmiddelen kunnen door de douaneautoriteiten worden aanvaard om te bevestigen dat de goederen het douanegebied van de Unie daadwerkelijk hebben verlaten.
§ 129. Indien niet-Uniegoederen als bedoeld in § 9, onder b) en c), het douanegebied van de Unie verlaten en er wordt ontheffing verleend van de verplichting om voor die goederen een EXS in te dienen, wordt een kennisgeving van wederuitvoer ingediend.
§ 130. De kennisgeving van wederuitvoer wordt ingediend bij het douanekantoor van uitgang van de goederen door de persoon die overeenkomstig § 99, belast is met het aanbrengen van de goederen bij de douane bij uitgaan.
Het douanekantoor van uitgang:
a) registreert de kennisgeving van wederuitvoer onmiddellijk na ontvangst ervan;
b) verstrekt een MRN aan de aangever;
c) geeft in voorkomend geval de goederen vrij voor uitgaan uit het douanegebied van de Unie.
§ 131. Wanneer overeenkomstig § 130 een kennisgeving van wederuitvoer wordt ingediend, is het douanekantoor van uitgang het kantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen in tijdelijke opslag zijn.
§ 132. De kennisgeving van wederuitvoer bevat de nodige gegevens om de tijdelijke opslag te beëindigen.
§ 133. De kennisgeving van wederuitvoer moet voldoen aan de gegevensvereisten die zijn opgenomen in de ’Toelichting voor gegevensset A3’, opgesteld op basis van de bijlage B van de DWU DA en van de DWU IA.
§ 134. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat gebruik wordt gemaakt van handels-, haven- of vervoersinformatiesystemen voor het indienen van een kennisgeving van wederuitvoer, op voorwaarde dat deze de noodzakelijke gegevens voor de kennisgeving bevatten en dat deze gegevens beschikbaar zijn voordat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten.
§ 135. De douaneautoriteiten kunnen ermee instemmen dat i.p.v. het indienen van een kennisgeving van wederuitvoer, een kennisgeving wordt ingediend en toegang wordt verleend tot de gegevens van een kennisgeving van wederuitvoer in het computersysteem van de marktdeelnemer.
§ 136. De aangever wordt, op diens verzoek, toegestaan een of meer gegevens in de kennisgeving van wederuitvoer te wijzigen nadat dit is ingediend.
Wijziging is niet meer mogelijk na één van de volgende feiten:
a) de douaneautoriteiten hebben de persoon die de kennisgeving van wederuitvoer heeft ingediend, in kennis gesteld van hun voornemen de goederen te controleren;
b) de douaneautoriteiten hebben geconstateerd dat een of meer gegevens van de kennisgeving van wederuitvoer onjuist of onvolledig zijn;
c) de douaneautoriteiten hebben de goederen reeds vrijgegeven voor uitgaan.
§ 137. Indien de goederen waarvoor een kennisgeving van wederuitvoer is ingediend, niet het douanegebied van de Unie verlaten, maken de douaneautoriteiten deze kennisgeving onmiddellijk ongeldig:
a) op verzoek van de aangever; of
b) indien na de indiening van de kennisgeving 150 dagen zijn verstreken.
§ 138. Wanneer goederen waarvoor een kennisgeving van wederuitvoer is ingediend niet langer bestemd zijn om het douanegebied van de Unie te verlaten, deelt de persoon die de goederen weghaalt bij het douanekantoor van uitgang voor vervoer naar een plaats binnen het douanegebied van de Unie het douanekantoor van uitgang mee dat de goederen het douanegebied van de Unie niet zullen verlaten en specificeert hij het MRN van de kennisgeving van wederuitvoer.
§ 139. Alle informatie m.b.t. de kennisgeving van wederuitvoer is opgenomen in de ’Informatienota over de kennisgeving van wederuitvoer’.
§ 140. Persoonsgegevens moeten worden verwerkt in overeenstemming met de wettelijke bepalingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Wat de verwerking van persoonsgegevens betreft, worden de in het elektronische systeem AES geregistreerde persoonsgegevens verwerkt met het oog op de toepassing van de douanewetgeving en andere wetgevingen waarnaar wordt verwezen in het DWU.
§ 141. Artikel 119 IRTA definieert de verwerkingsverantwoordelijke en verwerker voor de elektronische systemen:
a) de lidstaten treden op als verwerkingsverantwoordelijke zoals omschreven in artikel 4, punt 7, van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) en leven de in die verordening vastgestelde verplichtingen na. In België is de Federale Overheidsdienst Financiën verantwoordelijk voor de gegevensverwerking;
b) de Commissie treedt op als verwerker zoals omschreven in artikel 3, punt 12, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG en leeft de in die verordening vastgestelde verplichtingen na.
§ 142. De Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 september 2018) en de Wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 24 augustus 2018) zijn eveneens van toepassing.
§ 143. De bewaringstermijnen voor de systemen waarvoor de lidstaten verwerkingsverantwoordelijke zijn zoals omschreven in § 138, worden door die lidstaten vastgesteld, rekening houdend met de vereisten van de douanewetgeving. De lidstaten delen deze bewaringstermijnen mee aan de Commissie.
§ 144. Hierbij worden de volgende omzendbrieven ingetrokken:
Voor de Administrateur generaal van de douane en accijnzen
De Adviseur generaal,
J. LEMAIRE
---------------------------------------------
Réf. interne : D.I. 537.0 - D.D. 021.845
BIJLAGEN
Voor de toepassing van deze Circulaire verstaat men onder:
a) in het vrije verkeer brengen;
b) bijzondere regelingen;
c) uitvoer;
a) het wetboek en de op niveau van de Unie of op nationaal niveau vastgestelde bepalingen ter aanvulling of uitvoering ervan;
b) het gemeenschappelijk douanetarief;
c) de wetgeving betreffende de instelling van een Unieregeling inzake douanevrijstellingen;
d) internationale overeenkomsten houdende douanevoorschriften, voor zover deze van toepassing zijn in de Unie;
e) Verordening (EU) 2022/2399 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) en de bepalingen ter aanvulling of uitvoering daarvan;
a) een particulier die goederen bij zich draagt die het douanegebied van de Unie zullen verlaten, wanneer deze goederen deel uitmaken van zijn persoonlijke bagage;
b) in andere gevallen, wanneer a) niet van toepassing is:
i) een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die de macht heeft om te beslissen en beslist heeft dat de goederen dat douanegebied zullen verlaten;
ii) wanneer i) niet van toepassing is, eender welke in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die partij is bij de overeenkomst op grond waarvan goederen dat douanegebied zullen verlaten;
a) goederen die deel uitmaken van een door een particulier aan een particulier gerichte zending, wanneer de zending:
i) een incidenteel karakter draagt;
ii) goederen bevat die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de geadresseerde dan wel voor gebruik door leden van zijn gezin, mits uit de aard of de hoeveelheid van de goederen geen commerciële bijbedoelingen blijken;
iii) zonder enige vorm van betaling door de afzender aan de geadresseerde wordt gezonden;
b) goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, waarbij sprake is van:
i) een incidenteel karakter; en
ii) uitsluitend goederen die bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de reiziger dan wel voor gebruik door leden van zijn gezin, of goederen bestemd om als geschenk te worden aangeboden, mits uit de aard en de hoeveelheid van de goederen blijkt dat zij niet om commerciële redenen worden in- of uitgevoerd;
a) indien het een natuurlijk persoon betreft, eenieder die in het douanegebied van de Unie zijn normale verblijfplaats heeft,
b) indien het een rechtspersoon of een vereniging van personen betreft, elke persoon die zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of een vaste inrichting heeft in het douanegebied van de Unie;
a) het douanegebied van de Unie tijdelijk binnenkomt en daar niet zijn gewone verblijfplaats heeft; of
b) terugkeert naar het douanegebied van de Unie, waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, na tijdelijk buiten dat gebied te hebben verbleven; of
c) het douanegebied van de Unie, waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, tijdelijk verlaat; of
d) het douanegebied van de Unie, waar hij niet zijn gewone verblijfplaats heeft, na een tijdelijk verblijf verlaat;
a) de correcte toepassing van Unie- of nationale maatregelen in de weg staat;
b) de financiële belangen van de Unie en haar lidstaten schaadt; of
c) een gevaar vormt voor de veiligheid van de Unie en haar ingezetenen, de gezondheid van mens, dier of plant, het milieu of de consument;
a) goederen die geheel zijn verkregen in het douanegebied van de Unie zonder toevoeging van goederen die zijn ingevoerd uit landen of gebieden buiten het douanegebied van de Unie;
b) goederen die in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht uit landen of gebieden buiten dat gebied en die in het vrije verkeer zijn gebracht,
c) goederen die in het douanegebied van de Unie zijn verkregen of vervaardigd, hetzij uitsluitend uit goederen als bedoeld onder b), hetzij uit goederen als bedoeld onder a) en b);
i) bij gecombineerd vervoer, wanneer het actieve vervoermiddel dat het douanegebied van de Unie verlaat slechts een ander vervoermiddel vervoert dat, na de aankomst van het actieve vervoermiddel ter bestemming, zichzelf zal voortbewegen als een actief vervoermiddel, wordt onder ’vervoerder‘ de persoon verstaan die het vervoermiddel dat zichzelf zal voortbewegen, zal besturen, nadat het vervoermiddel dat het douanegebied van de Unie heeft verlaten ter bestemming is aangekomen;
ii) in het geval van zee- of luchtvervoer in het kader van een charterovereenkomst of een overeenkomst voor het delen van laadruimte wordt onder ’vervoerder‘ de persoon verstaan die een overeenkomst sluit en het cognossement of de luchtvrachtbrief afgeeft voor het feitelijke vervoer van de goederen uit het douanegebied van de Unie;