
De Algemene administratie van de patrimoniumdocumentatie publiceerde op 13/02/2026 de Circulaire 2026/C/28 betreffende de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 juli 2025 houdende diverse wijzigingen aan het Wetboek der successierechten en aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Administratieve commentaren betreffende de ordonnantie van 17 juli 2025 inzake de materie van de successierechten – Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Inhoudstafel
2. Wijzigingen aan het Wetboek der successierechten
2.1. Verlenging van de verdachte periode van drie jaar naar vijf jaar
2.1.1. Niet-geregistreerde roerende schenkingen (art. 7, eerste lid W.Succ.)
2.1.3. Onderzoeksbevoegdheden (art. 100 W.Succ.)
2.1.4. Wettelijk vermoeden van eigendom (art. 108, tweede lid W.Succ.)
3. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
In het Belgisch Staatsblad van 24 juli 2025 is de ordonnantie van 17 juli 2025 houdende diverse wijzigingen aan het Wetboek der successierechten en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna "ordonnantie") gepubliceerd, zoals van toepassing in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Deze circulaire heeft enkel betrekking op de wijzigingen die zijn aangebracht in het Wetboek der successierechten (hierna "W.Succ."). De aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten aangebrachte wijzigingen worden besproken in de circulaire 2026/C/29.
Deze ordonnantie verlengt de duur van de "verdachte periode" met betrekking tot niet-geregistreerde roerende schenkingen door de erflater vóór zijn overlijden van drie naar vijf jaar.
Deze verlenging heeft een dubbel doel: enerzijds beoogt zij de belastbare grondslag te behouden en te vermijden dat, door middel van nalatenschapsplanning, de erflater kosteloos afstand doet van zijn roerende goederen met als doel de betaling van successierechten ten laste van zijn erfgenamen te vermijden. Daarom was de Brusselse wetgever van mening dat de termijn van drie jaar niet volstond om een aanzienlijke vermindering van het vermogen van bepaalde nalatenschappen door niet-geregistreerde schenkingen te vermijden. Anderzijds beoogt zij “de belastingplichtigen [aan te moedigen] om over te gaan tot de registratie van de schenkingen en in plaats van de keuze van belastingontwijking de voorkeur te geven aan de keuze van, fiscale maar ook burgerlijke, rechtszekerheid […], en tegelijkertijd het verhogen van de fiscale inkomsten die eraan verbonden zijn”. (1)
----------
(1) Parl. Br., Voorstel van ordonnantie houdende diverse wijzigingen aan het Wetboek der successierechten en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, Gewone zitting 2024-2025, A-138/1, p. 3 tot en met 5.
----------
Daarnaast werden verschillende artikelen waarvan het mechanisme nauw verband houdt met de “verdachte periode” eveneens aangepast. (2)
----------
(2) Parl. Br., Voorstel van ordonnantie houdende diverse wijzigingen aan het Wetboek der successierechten en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, Gewone zitting 2024-2025, A-138/1, p. 3 tot en met 5.
----------
Krachtens artikel 7, eerste lid W.Succ. worden niet-geregistreerde schenkingen - hetzij handgiften, hetzij onrechtstreekse schenkingen - die de erflater in de drie jaar vóór zijn overlijden heeft gedaan, beschouwd deel uit te maken van zijn nalatenschap. Artikel 2 van de ordonnantie verlengt de verdachte periode naar vijf jaar.
Artikel 8 W.Succ. houdt een wettelijke fictie in die bedoeld is om de sommen, renten of waarden die een persoon geroepen was kosteloos te ontvangen binnen de drie jaar vóór het overlijden van de erflater, terug te brengen in de nalatenschap van de erflater, ingevolge een in zijn voordeel opgenomen beding in een door de erflater gesloten overeenkomst. Een typisch voorbeeld van een derdenbeding is het levensverzekeringscontract.
De verlenging van de verdachte periode heeft ook betrekking op de termijn waarbinnen uitkeringen die vóór het overlijden zijn gedaan, worden geacht fictief deel uit te maken van het actief van de nalatenschap (art. 3 van de ordonnantie). Sommen, renten of waarden die een persoon in de vijf jaar (in plaats van drie jaar) vóór het overlijden van de erflater kosteloos heeft ontvangen ingevolge een beding ten gunste van derden opgenomen in een door de erflater gesloten overeenkomst, worden als legaten beschouwd (art. 8, tweede lid W.Succ.).
Artikel 100 W.Succ. stelt de Administratie in staat om na te gaan of de aangegeven nalatenschap volledig is en overeenstemt met de realiteit en dat aangevers geen verzuimen hebben begaan, met name door onder andere banken te vragen om niet-geregistreerde onrechtstreekse schenkingen op te sporen. Deze controle is strikt gereglementeerd en vereist een speciale toestemming van de administrateur-generaal van de Algemene administratie van de patrimoniumdocumentatie.
Met de verlenging van de verdachte periode van drie naar vijf jaar kan de administratie nu bankverrichtingen laten onderzoeken (of alle andere inlichtingen die nodig worden geacht om een correcte heffing van successierechten te verzekeren) voor de periode van vijf jaar vóór het overlijden zonder de feiten te moeten bepalen die het voorwerp uitmaken van de opzoeking (art. 4 van de ordonnantie).
Daarnaast kan de opzoeking nog steeds betrekking hebben op feiten vóór de verdachte periode, dat wil zeggen bij handelingen die zich voortaan meer dan vijf jaar vóór het openvallen van de nalatenschap hebben voorgedaan, maar, in dit geval, moeten in de toestemming dan wel de feiten worden bepaald die het voorwerp uitmaken van het onderzoek.
Artikel 108 W.Succ. stelt een wettelijk vermoeden in op grond waarvan de administratie, tot bewijs van het tegendeel, kan oordelen dat alle lichamelijke roerende goederen, contant geld en effecten aan toonder, waarvan zij bewijst (door middel van akten van eigendom die door de overledene ten gunste van de erflater of op zijn verzoek worden verleden) dat ze binnen de drie jaar vóór zijn overlijden deel uitmaakten van de nalatenschap van de erflater. Dit vermoeden is nu van toepassing over een periode van vijf jaar vóór het overlijden, na de verlenging van de "verdachte periode" voorzien in artikel 7 W.Succ. (art. 5 van de ordonnantie).
Concreet maakt deze bepaling het bijvoorbeeld mogelijk om ervan uit te gaan dat de verkoopprijs van een door de erflater verkocht onroerend goed tijdens de vijf jaar vóór zijn overlijden, deel uitmaakt van het actief van de nalatenschap. In dit geval kunnen de erfgenamen dit vermoeden echter weerleggen door te bewijzen dat de totale verkoopprijs van het verkochte onroerend goed geen deel meer uitmaakt van de nalatenschap, bijvoorbeeld omdat dit is uitgegeven of geschonken. Indien de schenking niet is geregistreerd en niet aan schenkingsrecht is onderworpen, maakt artikel 7 W.Succ. het mogelijk om dit opnieuw op te nemen in de nalatenschap voor taxatie, waardoor wordt voorkomen dat het vermoeden van artikel 108 W.Succ. te eenvoudig wordt weerlegd.
Dit weerlegbaar wettelijk vermoeden vormt een specifiek bewijsmiddel, aanvullend op de wettelijke fictie zoals voorzien in artikel 7 W.Succ., hetgeen de overeenstemming van de termijn van vijf jaar voor de twee bepalingen rechtvaardigt.
De ordonnantie is op 24 juli 2025 in werking getreden (art. 15 van de ordonnantie).
Echter is er voorzien dat de wijzigingen aangebracht in artikel 7 W.Succ. (zie 2.1.1. supra) van toepassing zijn op schenkingen en daarmee gelijkgestelde handelingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2026 (art. 12 van de ordonnantie). Concreet betekent dit dat de verlengde verdachte periode van 5 jaar van toepassing zal zijn op schenkingen die vanaf 1 januari 2026 zijn gedaan en die niet werden geregistreerd. Deze toepassing kan worden geïllustreerd aan de hand van de volgende voorbeelden:
Voorbeeld 1: Niet-geregistreerde schenking gedaan op 1 januari 2026, overlijden op 1 januari 2029. Het overlijden vindt plaats drie jaar na de schenking; deze wordt beschouwd deel uit te maken van de nalatenschap.
Voorbeeld 2: Niet-geregistreerde schenking gedaan op 1 maart 2026, overlijden op 28 februari 2030. Het overlijden vindt plaats drie jaar en elf maanden na de schenking; de schenking wordt beschouwd deel uit te maken van de nalatenschap.
Voorbeeld 3: Niet-geregistreerde schenking gedaan op 10 april 2026, overlijden op 9 april 2031. Het overlijden vindt plaats vier jaar en elf maanden na de schenking; de schenking wordt beschouwd deel uit te maken van de nalatenschap.
Daarnaast zijn de wijzigingen aangebracht in artikel 8, tweede lid W.Succ. (zie 2.1.2. supra) van toepassing op alle sommen, renten of waarden die dagtekenen vanaf 1 januari 2026 (art. 13 van de ordonnantie).
Tot slot, rekening houdende met de overgangsbepalingen die zijn vastgesteld voor de bedoelde goederen in respectievelijk de artikelen 7 en 8 W.Succ., zijn de wijzigingen aangebracht in artikel 108, tweede lid W.Succ. met betrekking tot het wettelijk vermoeden van eigendom (zie 2.1.4. supra) alleen van toepassing op akten verleden door de erflater in de vijf jaar vóór zijn overlijden indien de periode voor dergelijke goederen effectief kan worden verlengd naar vijf jaar (3) (art. 14 van de ordonnantie).
----------
(3) Parl. Br., Voorstel van ordonnantie houdende diverse wijzigingen aan het Wetboek der successierechten en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, Gewone zitting 2024-2025, A-138/1, p. 17.