• FR
  • NL
  • EN

Circulaire 2026/C/43 betreffende de wijzigingen aangebracht door de wet van 10.02.2026 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde / ​Algemene Administratie van de inning en de invordering publiceerde op 18/03/2026 de Circulaire 2026/C/43 betreffende de wijzigingen aangebracht door de wet van 10.02.2026 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Eerste commentaar met betrekking tot de wet van 10.02.2026 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Inhoudstafel

1. Inleiding
2. Verplichtingen met betrekking tot de uitreiking van gestructureerde elektronische facturen

2.1. Wettelijke bepalingen
2.2. Commentaar

2.2.1. Opheffing van de verplichting voor niet in België gevestigde belastingplichtigen
2.2.2. Verwijzing naar de Europese normen
2.2.3. Technische of materiële onmogelijkheid van de bestemmeling om de gestructureerde elektronische factuur te ontvangen
2.2.4. Wijziging artikel 53quater, § 1, van het Btw-Wetboek

3. Herzieningen van de in aftrek gebrachte btw met betrekking tot bedrijfsmiddelen en diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan bedrijfsmiddelen worden toegeschreven

3.1. Wettelijke bepalingen
3.2. Commentaar

4. Nieuwe btw-ketting

4.1. Wettelijke bepalingen
4.2. Commentaar

4.2.1. Kennisgeving van het voorstel van vervangende aangifte en van de definitief vervangende aangifte
4.2.2. Teruggaaf

4.2.2.1. Prioritaire aanwending van het belastingoverschot bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek
4.2.2.2. Artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek
4.2.2.3. Moratoriuminteresten

5. Bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen

5.1. Wettelijke bepalingenc
5.2. Commentaar

6. Bijzondere regeling voor landbouwondernemers

6.1. Wettelijke bepalingen
6.2. Commentaar

6.2.1. Ontheffing van de verplichting op het stuk van facturering – draagwijdte

6.2.1.1. Handelingen waarvoor de ontheffing geldt
6.2.1.2. Handelingen waarvoor de ontheffing niet geldt

6.2.2. Uitzonderingen op de ontheffing
6.2.3. Cumul van de landbouwregeling met andere regelingen

7. Technische wijzigingen in de nationale wetgeving

7.1. Wettelijke bepalingen
7.2. Commentaar

7.2.1. Wijziging artikel 56 en 56bis van het Btw-Wetboek
7.2.2. Wijziging van het koninklijk besluit nr. 20

8. Inwerkingtreding

8.1. Wettelijke bepaling
8.2. Commentaar

1. Inleiding

Deze circulaire becommentarieert de wijzigingen aangebracht aan het Btw-Wetboek door de wet van 10.02.2026 houdende diverse bepalingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde (BS 20.02.2026) (hierna 'de wet van 10.02.2026').

Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

De wet omvat acht hoofdstukken:

- Algemene bepalingen (Hoofdstuk 1).

- Verplichtingen met betrekking tot de uitreiking van gestructureerde elektronische facturen (Hoofdstuk 2).

- Herziening van de in aftrek gebrachte btw met betrekking tot bedrijfsmiddelen en diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan bedrijfsmiddelen worden toegeschreven (Hoofdstuk 3.

- Nieuwe btw-ketting (Hoofdstuk 4).

- Bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen (Hoofdstuk 5).

- Bijzondere regeling voor landbouwondernemers (Hoofdstuk 6.

- Technische wijzigingen in de nationale wetgeving (Hoofdstuk 7 van de wet).

- Inwerkingtreding (Hoofdstuk 8).

De wet van 10.02.2026 wijzigt meer in het bijzonder de artikelen 1bis, 48, 53, 53quater, 56, 56bis, 56ter, 56undecies, 57, 76, 83bis en 91 van het Btw-Wetboek.

De wet van 10.02.2026 wijzigt daarnaast:

- artikel 6 van de wet van 06.02.2024 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de invoering van de verplichting tot elektronische facturering betreft

- artikel 6 en 9 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

- de Nederlandse tekst van rubriek XXXVII, § 7, derde lid, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (technische wijziging).

2. Verplichtingen met betrekking tot de uitreiking van gestructureerde elektronische facturen

2.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 3 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'Artikel 1bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 16 oktober 2022 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 november 2023, wordt aangevuld met de bepaling onder 12°, luidende:

"12° Richtlijn 2014/55/EU: de Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake elektronische facturering bij overheidsopdrachten".'

Artikel 4 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 53, § 2bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 februari 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in het eerste lid, 1°, a), worden de woorden "of 3°" opgeheven;

2° in het tweede lid, worden de woorden "de Europese semantische en syntactische normen EN 16931-1 en CEN/TS 16931-2" vervangen door de woorden "de Europese norm voor elektronische facturering en de lijst van syntaxen ervan op grond van Richtlijn 2014/55/EU";

3° in het vijfde lid, worden de woorden "of 3°" opgeheven;

4° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende:

"De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige is er niet toe gehouden een gestructureerde elektronische factuur uit te reiken of te laten uitreiken wanneer de bestemmeling van die in deze paragraaf bedoelde gestructureerde elektronische factuur om technische redenen niet in staat is om die factuur zelf of via een derde in zijn naam en voor zijn rekening te ontvangen. De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige blijft in dat geval echter onderworpen aan de verplichting om een factuur uit te reiken overeenkomstig paragraaf 2".'

Artikel 5 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 53quater, § 1, tweede lid, ingevoegd bij de wet van 7 maart 2002 en vervangen bij de wet van 23 november 2023, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:

"3° de leveringen van goederen en de diensten die plaatsvinden in België maar die uitsluitend worden verricht voor een buiten België gevestigde inrichting van de in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen, tenzij die belastingplichtigen in België zijn gevestigd;".'

Artikel 6 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 6 van de wet van 6 februari 2024 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de invoering van de verplichting tot elektronische facturering betreft, wordt het tweede lid opgeheven.'.

2.2. Commentaar

De wet van 06.02.2024 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de invoering van de verplichting tot elektronische facturering betreft (hierna: 'de wet van 06.02.2024') (BS 20.02.2024) voert een veralgemeende verplichting tot het uitreiken van gestructureerde elektronische facturen tussen belastingplichtigen in.

De wet van 10.02.2026 brengt een aantal wijzigen aan in de verplichting tot het uitreiken en ontvangen van gestructureerde elektronische facturen.

2.2.1. Opheffing van de verplichting voor niet in België gevestigde belastingplichtigen

Zowel in het eerste als in het vijfde lid van artikel 53, § 2bis, van het Btw-Wetboek wordt de verwijzing naar het btw-identificatienummer van de niet in België gevestigde belastingplichtigen (artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek) opgeheven.

Deze aanpassing is noodzakelijk om de betrokken bepalingen qua toepassingsgebied ratione personae in overeenstemming te brengen met de artikelen 218 en 232 van Richtlijn 2006/112/EG zoals gewijzigd door artikel 1 van de Richtlijn (EU) 2025/516 van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de btw-regels voor het digitale tijdperk (hierna 'de ViDA-richtlijn').

Uitreikingsverplichting

Artikel 53, § 2bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek regelt de verplichting tot het uitreiken van gestructureerde elektronische facturen.

Het was oorspronkelijk de bedoeling dat de in België gevestigde belastingplichtigen, met uitzondering evenwel van dergelijke belastingplichtige op wie de forfaitaire regeling bedoeld in artikel 56 van datzelfde Wetboek van toepassing is en de gefailleerde belastingplichtigen ten aanzien van de activiteit waarvoor hij failliet is verklaard, te verplichten om ook een gestructureerde elektronische factuur uit te reiken als zijn belastingplichtige afnemer een niet in België gevestigde belastingplichtige was die voor btw-doeleinden in België geïdentificeerd is overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek.

Artikel 53, § 2bis, van het Btw-Wetboek wordt in die zin aangepast zodat de verplichting om gestructureerde elektronische facturen uit te reiken niet meer van toepassing is wanneer de medecontractant weliswaar over een Belgisch btw-identificatienummer beschikt maar niet in België is gevestigd.

De verplichting blijft daarentegen gelden wanneer de medecontractant een buitenlandse belastingplichtige is die over een Belgisch btw-identificatienummer beschikt op grond van artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek. Dat is met name het geval wanneer de medecontractant een buitenlandse belastingplichtige is die in België over en vaste inrichting beschikt.

Ter zake wordt er evenwel op gewezen dat het uitsluitend de buitenlandse belastingplichtige is die hier te lande over een vaste inrichting voor uitgaande handelingen beschikt (meer in het bijzonder wegens levering van goederen en/of diensten in België, andere dan diegene die krachtens artikel 44 zijn vrijgesteld) die op grond van artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek in België voor btw-doeleinden wordt geïdentificeerd.

De buitenlandse belastingplichtige die hier te lande uitsluitend over een vaste inrichting voor inkomende handelingen beschikt wordt niet geïdentificeerd voor btw-doeleinden op grond van artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

Hetgeen voorafgaat houdt in dat er geen verplichting is tot het uitreiken van een gestructureerde elektronische factuur indien de medecontractant een buitenlandse belastingplichtige is die hier te lande uitsluitend over een vaste inrichting voor inkomende handelingen beschikt.

De Belgische belastingplichtigen die ertoe gehouden zijn gestructureerde elektronische facturen uit te reiken dienen op grond van de door hun medecontractant meegedeelde informatie na te gaan of die al dan niet in België gevestigd is in de zin als voorafgaat. Slechts in dat geval zal door de administratie aan hun medecontractant immers een btw-identificatienummer op grond van artikel 50, § 1, eerste lid, 1° van het Btw-Wetboek zijn toegekend. In voorkomend geval zijn bedoelde Belgische belastingplichtigen ertoe gehouden een gestructureerde elektronische factuur uit te reiken.

Wanneer een belastingplichtige in België een vaste inrichting heeft waarvoor hij in België is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, kan het voor een leverancier of dienstverlener daarnaast bijzonder moeilijk zijn te bepalen of de handeling die hij voor de belastingplichtige verricht, daadwerkelijk wordt verricht voor die vaste inrichting in België, dan wel voor een andere inrichting of de hoofdzetel buiten België. Om de verplichtingen inzake elektronische facturering voor leveranciers en dienstverleners op dat vlak te vereenvoudigen is artikel 53quater, § 1, van het Btw-Wetboek, dat de verplichting inhoudt tot het meedelen van het btw-identificatienummer, eveneens gewijzigd (zie in dat verband titel 2.2.4. 'Wijziging artikel 53quater, § 1, van het Btw-Wetboek', hierna).

Ontvangstverplichting

Artikel 53, § 2bis, vijfde lid, van het Btw-Wetboek regelt de verplichting tot het ontvangen van gestructureerde elektronische facturen.

Artikel 53, § 2bis, vijfde lid, 1°, van het Btw-Wetboek wordt in die zin aangepast zodat de verplichting om gestructureerde elektronische facturen te ontvangen niet meer van toepassing is ten aanzien van de niet in België gevestigde belastingplichtige die voor btw-doeleinden in België is geïdentificeerd op basis van artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek.

2.2.2. Verwijzing naar de Europese normen

De manier waarop werd verwezen in artikel 53, § 2bis, tweede lid, van het Btw-Wetboek naar de Europese normen inzake semantiek en syntax wordt gewijzigd om die verwijzing volledig af te stemmen op de manier waarop daarnaar wordt verwezen in artikel 218 van Richtlijn 2006/112/EG, in de versie zoals gewijzigd door de ViDA-richtlijn.

In artikel 1bis van het Btw-Wetboek wordt onder het punt 12° bovendien de verkorte verwijzing toegevoegd naar Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16.04.2014 inzake elektronische facturering bij overheidsopdrachten, die onderdeel uitmaakt van de verwijzing naar de Europese technische normen inzake elektronische facturering die in artikel 53, § 2bis, van datzelfde Wetboek hernomen.

2.2.3. Technische of materiële onmogelijkheid van de bestemmeling om de gestructureerde elektronische factuur te ontvangen

Op grond van artikel 53, § 2bis, zesde lid (nieuw), van het Btw-Wetboek is de in het eerste lid van diezelfde paragraaf bedoelde belastingplichtige er niet toe gehouden een gestructureerde elektronische factuur uit te reiken of te laten uitreiken wanneer de bestemmeling van die in deze paragraaf bedoelde gestructureerde elektronische factuur om technische redenen niet in staat is om die factuur zelf of via een derde in zijn naam en voor zijn rekening te ontvangen.

Rekening houdend met de noodzakelijke interactie tussen de uitreiker van de gestructureerde elektronische factuur en de ontvanger ervan, kan het feit dat de bestemmeling zijn verplichtingen niet is nagekomen niet tot gevolg hebben dat de uitreiker die al het mogelijke heeft gedaan om zijn eigen verplichtingen na te komen een overtreding wordt ten laste gelegd.

Deze belastingplichtige blijft in dat geval echter onderworpen aan de verplichting om een factuur uit te reiken in niet-gestructureerde vorm overeenkomstig artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek. Dit kan met name op papier of in elektronische maar niet-gestructureerde vorm (bv. in Word- of pdf-formaat).

Artikel 53, § 2bis, zesde lid (nieuw), van het Btw-Wetboek heeft eerst en vooral betrekking op de louter informatica-technische onmogelijkheid voor de bestemmeling om dergelijke gestructureerde elektronische facturen te ontvangen. Dat kan gaan om de afwezigheid van de nodige informaticamiddelen of om een technische panne van het gebruikte systeem.

De bepaling kan ook betrekking hebben op een materiële onmogelijkheid die in het bijzonder een gevolg is van de niet-identificatie voor btw-doeleinden van de bestemmeling van de factuur die verhindert om dergelijke facturen aan die bestemmeling uit te reiken of ook met het feit dat die bestemmeling niet herkend wordt binnen het transmissienetwerk voor de gestructureerde elektronische facturen, wat eveneens aan de verzending van dergelijke facturen in de weg staat.

Artikel 53, § 2bis, zesde lid (nieuw), van het Btw-Wetboek ontslaat de ontvanger van de factuur niet van de verplichting hem opgelegd door artikel 53, § 2bis, vijfde lid, 1°, van het Btw-Wetboek om gestructureerde elektronische facturen te kunnen ontvangen in het formaat waarin ze werden uitgereikt.

2.2.4. Wijziging artikel 53quater, § 1, van het Btw-Wetboek

De verplichting om gestructureerde elektronische facturen uit te reiken tussen belastingplichtigen voor handelingen die in België plaatsvinden, is opgebouwd rond de verplichting voor de belastingplichtige afnemer om aan zijn leverancier of dienstverlener zijn in België aan hem toegekend btw-identificatienummer mee te delen.

De link tussen de verplichting tot het uitreiken van elektronische facturen en de verplichting tot het meedelen van het Belgisch btw-identificatienummer wordt gerealiseerd door artikel 53, § 2bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

Er is uitsluitend een verplichting tot het uitreiken van elektronische facturen op grond van door artikel 53, § 2bis, van het Btw-Wetboek wanneer de belastingplichtige afnemer van goederen of diensten er toe gehouden is zijn identificatienummer bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek mede te delen.

Op grond van artikel 53quater, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek zijn de belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° en 3°, of § 3, van datzelfde Wetboek voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, ertoe gehouden hun btw-identificatienummer aan hun leveranciers of hun dienstverrichters en aan hun klanten mee te delen (hoofdregel).

In afwijking van deze hoofdregel mogen de belastingplichtigen bedoeld in artikel 53quater, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek hun btw-identificatienummer niet meedelen aan hun leveranciers en dienstverrichters ten aanzien van de in het tweede lid van diezelfde paragraaf bedoelde handelingen.

Aldus mochten de in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen, op grond van artikel 53quater, § 1, tweede lid, 3° (oud), van het Btw-Wetboek, hun hiervoor bedoeld btw-identificatienummer niet meedelen voor de aan hen verstrekte diensten die plaatsvinden in België maar worden verricht voor een buiten België gevestigde inrichting van de in datzelfde eerste lid bedoelde belastingplichtigen.

Artikel 53quater, § 1, tweede lid, 3° (oud), van het Btw-Wetboek wordt gewijzigd zodat bedoelde belastingplichtigen, afnemers van goederen en diensten, voortaan, in afwijking van artikel 53quater, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, hun btw-identificatienummer niet mogen meedelen aan hun leveranciers en dienstverrichters ten aanzien van de leveringen van goederen en de diensten die plaatsvinden in België maar die uitsluitend worden verricht voor een buiten België gevestigde inrichting van de in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen, tenzij die belastingplichtigen in België zijn gevestigd (artikel 53quater, § 1, tweede lid, 3° (nieuw), van het Btw-Wetboek).

Belastingplichtigen die in België zijn gevestigd

De administratie kent aan belastingplichtigen die in België zijn gevestigd een btw-identificatienummer toe dat de letters BE bevat op grond van op grond van artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (met uitzondering evenwel van aan belastingplichtigen bedoeld in artikel 8 en 8bis van het Btw-Wetboek bedoelde belastingplichtigen en van aan belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen en diensten verrichten bedoeld in artikel 44 van het Btw-Wetboek).

De uitzondering op de mededelingsplicht van het btw-identificatienummer bedoeld in artikel 53quater, § 1, tweede lid, 3° (nieuw), van het Btw-Wetboek is voortaan niet meer van toepassing indien de afnemer in België is gevestigd (zie bewoordingen 'tenzij die belastingplichtigen in België zijn gevestigd' in fine van deze bepaling).

De belastingplichtige, afnemer van goederen of diensten, moet worden geacht in België te zijn gevestigd in de zin als bedoeld in artikel 53quater, § 1, tweede lid, 3° (nieuw), van het Btw-Wetboek wanneer hij hier te lande de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd.

Behoudens toepassing van een andere uitzonderingsbepaling op de mededelingsplicht van het Btw-Wetboek is een dergelijke in België gevestigde belastingplichtige, afnemer van goederen en diensten, er voortaan bijgevolg steeds toe gehouden zijn btw-identificatienummer mede te delen aan zijn leverancier of dienstverrichter. De uitzondering op de mededelingsplicht bedoeld in artikel 53quater, § 1, tweede lid, 3° (nieuw), van het Btw-Wetboek kan in dat geval immers geen toepassing vinden.

De reden van deze wijziging moet worden gezocht in het feit dat wanneer een belastingplichtige in België een vaste inrichting heeft waarvoor hij in België is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, het voor een leverancier of dienstverlener bijzonder moeilijk kan zijn om te bepalen of de handeling die hij voor de belastingplichtige verricht, daadwerkelijk wordt verricht voor die vaste inrichting in België, dan wel voor een andere inrichting of de hoofdzetel buiten België en het bijgevolg tevens bijzonder moeilijk kan zijn voor de leverancier of dienstverrichter om te bepalen of er op grond van artikel 53, § 2bis, eerste lid, 1°, a), van het Btw-Wetboek in zijnen hoofde een verplichting bestaat tot het uitreiken van een gestructureerde elektronische factuur.

Voorbeeld 1

Een belastingplichtige A met hoofdvestiging in België verhuurt een voertuig voor een korte periode (15 dagen) aan een bedrijf B met hoofdvestiging in Frankrijk. Dit bedrijf B heeft in België een vaste inrichting B' die niet bij de transactie betrokken is. Deze dienst vindt overeenkomstig artikel 21, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek in België plaats. B moet aan A zijn Belgisch btw-identificatienummer meedelen dat aan zijn vaste inrichting B' is toegekend, ondanks dat de dienst uitsluitend is verricht voor de hoofdinrichting in Frankrijk.

Voorbeeld 2

Een belastingplichtige B met hoofdvestiging in Frankrijk is aannemer van werk in onroerende staat en richt in België een gebouw op voor een belastingplichtige. Belastingplichtige B koopt in België constructiematerialen aan bij A met het oog op oprichting van het desbetreffende gebouw in België. Belastingplichtige B heeft in België een vaste inrichting B' met als activiteit de verhuur van onroerende goederen gelegen in België. B' is niet betrokken bij de transactie. B moet aan A zijn Belgisch Btw-identificatienummer meedelen dat aan zijn vaste inrichting B' is toegekend, ondanks dat de levering van goederen uitsluitend is verricht voor de hoofdinrichting in Frankrijk.

Voorbeeld 3

Een belastingplichtige met hoofdzetel in Frankrijk heeft een vaste inrichting in België en is op grond van artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek in België voor btw-doeleinden geïdentificeerd.

Wanneer een Belgische belastingplichtige goederen levert of diensten verstrekt aan een dergelijke belastingplichtige met vaste inrichting in België is de uitzonderingsbepaling bedoeld in artikel 53quater, § 1, tweede lid, 3° (nieuw), van het Btw-Wetboek op de mededelingsplicht niet van toepassing en dient de afnemer, behoudens toepassing van een andere uitzondering op de mededelingsplicht, het Belgisch btw-identificatienummer mede te delen aan de leverancier of dienstverrichter.

Aldus geldt in het geval van een levering van goederen bijvoorbeeld dat, wanneer de goederen worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier naar een inrichting van de Franse belastingplichtige in Frankrijk, deze laatste belastingplichtige - in toepassing van 53quater, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek - zijn Belgisch btw-identificatienummer niet mag meedelen, aangezien de goederen zijn verzonden of vervoerd vanuit een lidstaat van de Gemeenschap naar een andere lidstaat dan België onder de voorwaarden van artikel 138, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG (dit geldt evenwel niet indien, in het kader van de toepassing van het intracommunautaire driehoeksverkeer, aan de voorwaarden van artikel 25quinquies, § 3, derde lid, van het Btw-Wetboek is voldaan).

Aldus geldt tevens dat wanneer de levering van goederen of de diensten in een andere Lidstaat dan België plaatsvinden de afnemer zijn Belgisch btw-identificatienummer niet mag meedelen op grond van artikel 53quater, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek.

Belastingplichtigen die niet in België zijn gevestigd

De uitzondering op de mededelingsplicht van het btw-identificatienummer bedoeld in 53quater, § 1, tweede lid, 3° (nieuw), van het Btw-Wetboek blijft daarentegen van toepassing ten aanzien van belastingplichtigen die niet in België zijn gevestigd en die in België geïdentificeerd zijn op grond van artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, of § 3 van het Btw-Wetboek en voor zover er uiteraard aan de voorwaarden voor toepassing van dat artikel is voldaan.

Voor deze belastingplichtigen geldt de uitzondering op de mededelingsplicht bedoeld in artikel 53quater, § 1, tweede lid, 3° (nieuw), van het Btw-Wetboek voortaan niet meer enkel voor diensten, maar eveneens voor de leveringen van goederen. De uitzondering op de mededelingsplicht is ten aanzien van dergelijke belastingplichtigen van toepassing van zodra bedoelde handelingen plaatsvinden in België maar uitsluitend worden verricht voor een buiten België gevestigde inrichting.

3. Herzieningen van de in aftrek gebrachte btw met betrekking tot bedrijfsmiddelen en diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan bedrijfsmiddelen worden toegeschreven

3.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 7 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 48, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 14 oktober 2018, worden het tweede en het derde lid vervangen als volgt:

"Voor de door de Koning bepaalde belasting geheven van onroerende bedrijfsmiddelen en diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, beloopt het herzieningstijdperk evenwel vijftien jaar en heeft de herziening elk jaar plaats tot beloop van een vijftiende van het bedrag van die belasting.

In afwijking van het eerste en het tweede lid, beloopt het herzieningstijdvak vijfentwintig jaar ten aanzien van de door de Koning bepaalde belasting geheven van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met inbegrip van het bijhorend terrein en van diensten die betrekking hebben op die gebouwen of gedeelten van gebouwen die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, wanneer die gebouwen of gedeelten van gebouwen worden verhuurd onder de voorwaarden van artikel 44, § 3, 2°, d), en wordt de herziening elk jaar, al naargelang het geval, verricht tot beloop van een vijfde of een vijfentwintigste van het bedrag van die belasting".'

Artikel 8 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'Artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de programmawet van 27 april 2007, wordt vervangen als volgt:

"Art. 6. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder bedrijfsmiddelen, de bedrijfsmiddelen en de diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, waarvoor de aftrek van belasting onderworpen is aan herziening overeenkomstig artikel 48, § 2, van het Wetboek.

In het eerste lid worden bedoeld, de lichamelijke goederen, de zakelijke rechten bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek en de diensten die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen.

In het eerste lid worden niet bedoeld, verpakkingsmiddelen, klein materieel, klein gereedschap en kantoorbehoeften, wanneer die goederen voldoen aan de door de minister van Financiën gestelde criteria.

De in dit artikel bedoelde bepalingen gelden eveneens voor de toepassing van de artikelen 12, § 1, en 19, § 2, van het Wetboek".'

Artikel 9 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 9 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 mei 2019 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2019, worden de paragrafen 2 en 3 vervangen als volgt:

"§ 2. Ten aanzien van de belasting geheven van onroerende bedrijfsmiddelen en van diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, wordt dit tijdvak evenwel op vijftien jaar gebracht overeenkomstig artikel 48, § 2, tweede lid, van het Wetboek.

Voor de toepassing van het eerste lid, wordt bedoeld de belasting geheven van:

1° de handelingen die strekken of bijdragen tot de oprichting van gebouwen of gedeelten van gebouwen;

2° de verkrijging van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met het bijhorend terrein;

3° de verkrijging van een in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek bedoeld zakelijk recht op gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met het bijhorend terrein;

4° de in artikel 19, § 2, derde lid, van het Wetboek bedoelde werken in onroerende staat op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvan de gevolgen een economische levensduur hebben die overeenkomt met die van een nieuw opgericht gebouw.

§ 3. In afwijking van de paragrafen 1 en 2, bedraagt het herzieningstijdvak vijfentwintig jaar ten aanzien van de belasting geheven van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met het bijhorend terrein en van diensten op die gebouwen of gedeelten van gebouwen die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, die worden verhuurd onder de voorwaarden van artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek.

Voor de toepassing van het eerste lid, wordt bedoeld de belasting geheven van:

1° de handelingen die strekken of bijdragen tot de oprichting van een gebouw of gedeelten van gebouwen;

2° de verkrijging van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met het bijhorend terrein;

3° de verkrijging van een in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek bedoeld zakelijk recht op gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met het bijhorend terrein;

4° de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid, van het Wetboek op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvan de gevolgen een economische levensduur hebben die overeenkomt met die van een nieuw opgericht gebouw".'

Artikel 10 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'De Koning kan de artikelen 6 en 9 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals vervangen of gewijzigd bij de artikelen 8 en 9, wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.'

3.2. Commentaar

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft een belangrijk arrest gewezen met betrekking tot de herziening van de betaalde en in aftrek gebrachte (of in dit geval niet in aftrek gebrachte) belasting bij de aanschaf van bepaalde diensten met betrekking tot onroerende bedrijfsmiddelen. Dit arrest is gewezen op 12.09.2024 in de Belgische zaak, C-243/23, Drebers, EU:C:2024:736.

De administratieve interpretatie betreffende de werkzaamheden aan bestaande onroerende bedrijfsmiddelen is ervan uitgegaan dat voor de belastingplichtige niet het herzieningstijdvak van vijftien jaar van toepassing was, wanneer deze werkzaamheden niet tot de oprichting van een nieuw gebouw hadden geleid, maar enkel hadden geleid tot de verbetering en renovatie van het bestaande gebouw, zodat het herzieningstijdvak van vijf jaar moest worden toegepast.

Het Hof van Justitie oordeelt dat artikel 190 van Richtlijn 2006/112/EG (De lidstaten kunnen diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan investeringsgoederen worden toegeschreven, als investeringsgoederen beschouwen), gelezen in samenhang met artikel 187 van deze richtlijn (Voor investeringsgoederen wordt de herziening gespreid over een periode van vijf jaar en voor onroerende investeringsgoederen kan de herzieningsperiode worden verlengd) en in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit moet worden geïnterpreteerd in de zin dat:

- het zich verzet tegen een nationale regeling inzake herziening van de btw-aftrek op grond waarvan de verlengde herzieningsperiode die overeenkomstig dat artikel 187 is vastgesteld voor onroerende investeringsgoederen, niet van toepassing is op bouwwerkzaamheden die aan btw worden onderworpen als diensten in de zin van deze richtlijn, die een aanzienlijke uitbreiding en/of een grondige renovatie van het gebouw waarop deze werkzaamheden betrekking hebben met zich meebrengen en waarvan de gevolgen een economische levensduur hebben die overeenkomt met die van een nieuw gebouw

- het rechtstreekse werking heeft, zodat de belastingplichtige zich voor de nationale rechter tegenover de bevoegde belastingautoriteit op dit artikel kan beroepen teneinde de verlengde herzieningsperiode die is vastgesteld voor onroerende investeringsgoederen, toe te passen op de voor hem verrichte bouwwerkzaamheden die aan btw zijn onderworpen als diensten in de zin van deze richtlijn, ingeval deze autoriteit op grond van een nationale regeling heeft geweigerd om die herzieningsperiode toe te passen.

Dit arrest staat op gespannen voet met de Belgische regelgeving inzake herzieningen van de btw geheven van bedrijfsmiddelen (in de strikte zin of, wanneer het diensten betreft, gelijkgesteld met bedrijfsmiddelen).

Het onderscheid dat het Hof van Justitie maakt tussen het herzieningsmechanisme met betrekking tot dergelijke renovatie- of uitbreidingswerken enerzijds en de regels inzake het begrip nieuwe gebouwen na verbouwingswerken voor de toepassing van de btw-vrijstelling voor de levering van dergelijke gebouwen na die werken (artikel 44, § 3, 1°, a), van het Wetboek) anderzijds, vereist dat die twee problematieken worden gescheiden, daar waar de traditionele rechtsleer een verband legde tussen die verschillende regels.

Het is derhalve nodig om de regelgeving inzake de herziening van het recht op aftrek met betrekking tot onroerende bedrijfsmiddelen en diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, te wijzigen om die in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Hof van Justitie.

Wijziging artikel 48, § 2 van het Btw-Wetboek

Artikel 48, § 2, alinea 2 en 3 van de Btw-Wetboek worden als volgt gewijzigd:

'Voor de door de Koning bepaalde belasting geheven van onroerende bedrijfsmiddelen en diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, beloopt het herzieningstijdperk evenwel vijftien jaar en heeft de herziening elk jaar plaats tot beloop van een vijftiende van het bedrag van die belasting.

In afwijking van het eerste en het tweede lid, beloopt het herzieningstijdvak vijfentwintig jaar ten aanzien van de door de Koning bepaalde belasting geheven van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met inbegrip van het bijhorend terrein en van diensten die betrekking hebben op die gebouwen of gedeelten van gebouwen die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, wanneer die gebouwen of gedeelten van gebouwen worden verhuurd onder de voorwaarden van artikel 44, § 3, 2°, d), en wordt de herziening elk jaar, al naargelang het geval, verricht tot beloop van een vijfde of een vijfentwintigste van het bedrag van die belasting.'.

De benadering van het Hof van Justitie moet worden toegepast op diensten die betrekking hebben op onroerende bedrijfsmiddelen die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, zowel wat de onroerende investeringsgoederen betreft die worden gebruikt in het kader van de economische activiteit van de belastingplichtige (herzieningstermijn van vijftien jaar) als de gebouwen en gedeelten van gebouwen die worden verhuurd ingevolge optie, overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek (herzieningstermijn van vijfentwintig jaar).

Wijziging artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 3

Artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 3 wordt, ingevolge de herstructurering ervan, derhalve vervangen om aan te geven dat voor de toepassing van dat koninklijk besluit nr. 3 onder 'bedrijfsmiddelen' wordt verstaan, de bedrijfsmiddelen (in de strikte zin) en de diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, waarvoor de aftrek van belasting onderworpen is aan herziening overeenkomstig artikel 48, § 2, van het Wetboek. De andere bepalingen van dit artikel 6 blijven ongewijzigd.

Deze verduidelijking in artikel 6 maakt het mogelijk de wijziging te vermijden van een hele reeks bepalingen in dit koninklijk besluit die nog steeds verwijzen naar het begrip 'bedrijfsmiddel(en)' in de strikte zin, terwijl overeenkomstig de recente rechtspraak van het Hof van Justitie daaronder zowel bedrijfsmiddelen in de strikte zin als diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven moeten worden begrepen, aangezien België krachtens artikel 190 van Richtlijn 2006/112/EG een dergelijke gelijkstelling mag uitvoeren.

Wijziging artikel 9, §§ 2 en 3 van het koninklijk besluit nr. 3

De paragrafen 2 en 3 van artikel 9 van koninklijk besluit nr. 3, betreffende de herzieningstermijn van de belasting die geheven is op onroerende bedrijfsmiddelen, worden vervangen.

Artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3 heeft betrekking op de herzieningstermijn van vijftien jaar voor onroerende bedrijfsmiddelen en de diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, in overeenstemming met de zienswijze van het Hof van Justitie.

De terugkerende verwijzing naar 'diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven' is een letterlijke overname van de formulering die wordt gehanteerd in artikel 190 van Richtlijn 2006/112/EG.

Zoals blijkt uit het arrest C-243/23 is het Hof van Justitie van oordeel dat met name 'bouwwerkzaamheden die aan btw worden onderworpen als diensten in de zin van de btw-richtlijn, die een aanzienlijke uitbreiding en/of een grondige renovatie van het gebouw waarop deze werkzaamheden betrekking hebben met zich meebrengen en waarvan de gevolgen een economische levensduur hebben die overeenkomt met die van een nieuw gebouw' moeten worden beschouwd als diensten die kenmerken vertonen die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven.

In het licht daarvan zullen in de praktijk bouwwerkzaamheden op ad hoc basis moeten worden getoetst aan de concrete invulling die het Hof van Justitie aldus heeft gegeven aan de formulering gehanteerd in artikel 190 van Richtlijn 2006/112/EG, zoals overgenomen in het Wetboek.

In concreto kan al worden verwezen naar de feitelijke omstandigheden die aan de grondslag lagen van het geschil dat aanleiding heeft gegeven tot het arrest C-243/23, waarin het met name ging om bouwwerkzaamheden:

- die meerdere jaren hebben geduurd

- die in hun geheel beschouwd hebben geleid tot een belangrijke renovatie van een gebouw

- die tevens hetzelfde gebouw hebben uitgebreid, met name door er een glazen bijgebouw en een liftkoker aan toe te voegen

- die een belangrijke omvang hadden

- die aanleiding hebben gegeven tot gevolgen die, met name gelet op de omvang ervan, dezelfde economische levensduur hebben als een nieuw gebouw.

In dat kader preciseert artikel 9, § 2, tweede lid (nieuw), van het koninklijk besluit nr. 3 dat die herzieningstermijn van vijftien jaar van toepassing is op de belasting geheven van welbepaalde specifieke handelingen. Naast de drie soorten handelingen die al door die bepaling werden gevat (en die ter verduidelijking lichtjes werden geherformuleerd, weliswaar zonder enige inhoudelijke wijziging), worden nu ook, in het licht van de voormelde verduidelijking in het arrest C-243/23 van het Hof van Justitie, 'de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid, van het Wetboek op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvan de gevolgen een economische levensduur hebben die overeenkomt met die van een nieuw opgericht gebouw' gevat.

Artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit nr. 3 heeft vervolgens betrekking op de herzieningstermijn van vijfentwintig jaar voor gebouwen of delen van gebouwen, desgevallend met het bijhorend terrein, die worden verhuurd onder de voorwaarden van artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek (belaste onroerende verhuur middels optie).

In die bepaling worden dezelfde wijzigingen aangebracht. Ze heeft voortaan derhalve ook betrekking op de belasting geheven van 'de diensten met betrekking tot deze gebouwen of delen van gebouwen, die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven' en meer bepaald (in haar nieuwe tweede lid, 4°) op 'de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid, van het Wetboek op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvan de gevolgen een economische levensduur hebben die overeenkomt met die van een nieuw opgericht gebouw'.

Er is nu een machtiging aan de Koning verleend waardoor de artikelen 6 en 9 van koninklijk besluit nr. 3 in de toekomst kunnen worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of ingetrokken bij koninklijk besluit, zoals overigens het geval is voor alle bepalingen van dit koninklijk besluit nr. 3.

Opmerking:

Dit betreft een eerste commentaar. De administratie zal op een later tijdstip een meer uitgebreide toelichting publiceren.

4. Nieuwe btw-ketting

4.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 11 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 53, § 1ter, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 12 maart 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° de inleidende zin van het vierde lid wordt vervangen als volgt:

"Het in het eerste lid bedoelde voorstel van vervangende aangifte wordt aan de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige ter kennis gebracht bij gewone brief, en heeft uitwerking op de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de aanbieder van de universele postdienst overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst. Het bevat de volgende vermeldingen:";

2° het zesde lid wordt vervangen als volgt:

"Wanneer de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige de in het vijfde lid bedoelde aangifte niet heeft ingediend binnen de erin vermelde termijn, wordt de vervangende aangifte definitief en worden die aangifte en het verschuldigde bedrag aan belasting zoals vastgesteld in het in het eerste lid bedoelde voorstel van vervangende aangifte, aan de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige ter kennis gebracht bij gewone brief die de in het vierde lid bedoelde vermeldingen omvat. Die kennisgeving heeft uitwerking op de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de aanbieder van de universele postdienst overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst".'

Artikel 12 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 76 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:

"§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt, wanneer het bedrag van de belasting die overeenkomstig de artikelen 45 tot en met 48 voor aftrek in aanmerking komt tijdens het aangiftetijdvak van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte in dat tijdvak meer bedraagt dan het bedrag aan belastingen dat verschuldigd is door de overeenkomstig artikel 50 voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige die tot indiening van die aangifte gehouden is, het overschot op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn in artikel 55, §§ 1 of 2, bedoelde aansprakelijke vertegenwoordiger teruggegeven, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden en nadere regels, uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op het aangiftetijdvak van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte.

De Koning bepaalt de gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde termijn van drie maanden kan worden verminderd, alsook de termijn waarbinnen het overschot wordt teruggegeven.

Het in het eerste lid bedoelde overschot wordt evenwel slechts teruggegeven wanneer alle in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangiften met betrekking tot de laatste zes maanden die voorafgaan aan het aangiftetijdvak van de aangifte die aanleiding heeft gegeven tot het overschot, alsmede die laatste aangifte, zijn ingediend binnen de termijn en volgens de nadere regels, opgelegd in uitvoering van die bepaling.

Indien het een belastingplichtige betreft die wordt vertegenwoordigd door een overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, vooraf erkende persoon, wordt het in het eerste lid bedoelde verzoek ingediend door die vooraf erkende persoon.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde overschot niet wordt teruggevraagd of wanneer geheel of gedeeltelijk niet aan de voorwaarden voor teruggaaf is voldaan, wordt dat overschot naar de in artikel 83bis bedoelde Provisierekening btw van de belastingplichtige overgeschreven, voor zover dat overschot niet voorafgaandelijk wordt aangewend ter aanzuivering van een belastingschuld van die belastingplichtige, die in hoofde van de administratie een zekere, opeisbare en vaststaande schuldvordering vormt, of niet het voorwerp uitmaakt van een in het zesde lid bedoelde inhouding.

Het in het eerste lid bedoelde overschot, zonder onderscheid al naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf, wordt ingehouden:

1° tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die belastingplichtige in het voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is;

2° wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat één of meerdere aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, voor daaraan voorafgaande aangiftetijdvakken gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan;

3° wanneer de belastingplichtige niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, bedoelde termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt die toelaten om de waarachtigheid van dat overschot te verantwoorden.

Voor de toepassing van de in het zesde lid bedoelde inhouding, wordt, behoudens tegenbewijs, de door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek opgelegde voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De in het zesde lid bedoelde inhouding geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze inhouding";

2° in paragraaf 2, wordt het derde lid vervangen als volgt:

"Het voor teruggaaf vatbaar overschot wordt ingehouden:

1° tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die persoon in het voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is;

2° wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat één of meerdere aangiften bedoeld in artikel 53ter, 1°, voor daaraan voorafgaande aangiftetijdvakken gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan;

3° wanneer de persoon niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, bedoelde termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt die toelaten om de waarachtigheid van dat overschot te verantwoorden".'

Artikel 13 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 83bis, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 2023, worden de woorden "een in artikel 76, § 1, zesde lid, bedoelde inhouding" vervangen door de woorden "een in artikel 76, § 1, vijfde of zesde lid, bedoelde aanwending of inhouding".'

Artikel 14 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 91 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 20 november 2022 en gewijzigd bij de wet van 28 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in paragraaf 4, wordt het vierde lid vervangen als volgt:

"Er is echter geen moratoriuminterest verschuldigd:

1° voor de periode vanaf het tijdstip dat de terug te geven belasting het voorwerp uitmaakt van een in artikel 76, § 1, zesde lid, 3°, of § 2, derde lid, 3°, bedoelde inhouding uiterlijk tot op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de belastingplichtige de in artikel 76, § 1, zesde lid, 3° of § 2, derde lid 3°, bedoelde gegevens heeft meegedeeld ;

2° wanneer de administratie niet over de noodzakelijke gegevens beschikt om de terug te betalen sommen te vereffenen overeenkomstig het eerste lid, 1°, voor de periode vanaf het tijdstip waarop de sommen hadden moeten zijn uitbetaald indien de administratie over de voormelde gegevens had beschikt, tot het einde van de maand volgend op de maand waarin die noodzakelijke gegevens aan de administratie zijn meegedeeld";

2° in paragraaf 5, wordt het vierde lid vervangen als volgt:

"Er is echter geen moratoriuminterest verschuldigd wanneer:

1° de teruggave voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een geldboete, verleend bij wijze van genade;

2° de belasting waarvan de teruggaaf het voorwerp uitmaakt van de in het eerste lid bedoelde ingebrekestelling, het voorwerp uitmaakt van een in artikel 76, § 1, zesde lid, 3°, bedoelde inhouding, voor de periode vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze ingebrekestelling uiterlijk tot op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de belastingplichtige de in artikel 76, § 1, zesde lid, 3°, bedoelde gegevens heeft meegedeeld;

3° de administratie niet over de noodzakelijke gegevens beschikt om de terug te betalen sommen te vereffenen overeenkomstig het eerste lid en deze gegevens door haar niet met redelijke inspanningen kunnen worden verkregen, voor de periode vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de sommen hadden moeten zijn uitbetaald op grond van een ingebrekestelling van de administratie indien zij over de noodzakelijke gegevens had beschikt, tot het einde van de maand volgend op de maand waarin de noodzakelijke gegevens om de terug te betalen sommen te vereffenen aan de administratie zijn meegedeeld".'

4.2. Commentaar

4.2.1. Kennisgeving van het voorstel van vervangende aangifte en van de definitief vervangende aangifte

Artikel 53, § 1ter, vierde lid, van het Btw-Wetboek voorziet momenteel dat het voorstel van vervangende aangifte ter kennis wordt gebracht van de belastingplichtige per aangetekende zending en dat die kennisgeving uitwerking heeft op de derde werkdag volgend op de afgifte van die zending bij de aanbieder van de universele postdienst.

Artikel 53, § 1ter, vierde lid, van het Btw-Wetboek wordt gewijzigd derwijze dat de kennisgeving van het voorstel van vervangende aangifte voortaan plaatsvindt per gewone brief. De desbetreffende kennisgeving heeft nog steeds uitwerking op de derde werkdag na de afgifte van deze brief bij de aanbieder van de universele postdienst, maar dit voortaan behoudens tegenbewijs van de geadresseerde.

Concreet voert deze regel een wettelijk weerlegbaar vermoeden (een zogenaamd vermoeden 'juris tantum') in dat de kennisgeving is ontvangen de derde werkdag die volgt op de afgifte van de brief bij de postdienst. De belastingplichtige is echter vrij om aan te tonen dat hij deze brief op een latere datum heeft ontvangen.

Dit bewijs kan door alle middelen van recht worden geleverd. De ontvanger van deze kennisgeving kan zich bijvoorbeeld beroepen op problemen met de postbedeling in zijn regio, op een fout in het adres, of op het feit dat hij gedurende meerdere weken afwezig was bijvoorbeeld wegens hospitalisatie, enz.

De aanvangsdatum voor de berekening van de termijn van één maand om het voorstel van vervangende aangifte te betwisten bedoeld in artikel 53, § 1ter, vijfde lid, van het Btw-Wetboek is bijgevolg hetzij de derde werkdag na de afgifte van desbetreffende brief aan de aanbieder van de universele postdienst, hetzij een latere datum indien de belastingplichtige aantoont dat hij deze brief op een latere datum heeft ontvangen.

Dezelfde wijziging wordt aangebracht in artikel 53, § 1ter, zesde lid, van het Btw-Wetboek met betrekking tot de kennisgeving van de definitieve vervangende aangifte wanneer de belastingplichtige niet binnen de bovengenoemde termijn van een maand gevolg heeft gegeven aan de kennisgeving van het voorstel tot vervangende aangifte.

De belastingplichtige beschikt over een termijn van zes maanden om bezwaar in te dienen tegen de definitief vervangende aangifte, dit te rekenen vanaf de datum dat de kennisgeving van die aangifte uitwerking heeft (zie artikel 17bis, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1).

Rekening houdend met artikel 53, § 1ter, zesde lid (nieuw), van het Btw-Wetboek is de aanvangsdatum voor de berekening van deze bezwaartermijn van zes maanden hetzij de derde werkdag vanaf de datum van afgifte aan de aanbieder van de universele postdienst van de brief waarmee de definitief vervangende aangifte ter kennis wordt gebracht, hetzij een latere datum indien de belastingplichtige aantoont dat hij de brief waarmee de definitief vervangende aangifte hem ter kennis werd gebracht op een latere datum heeft ontvangen.

De wijziging van artikel 53, § 1ter, vierde en zesde lid, van het Btw-Wetboek is gelijkaardig aan hetgeen is opgenomen in artikel 53bis, § 1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. In verband met die laatste bepaling heeft het Hof van Cassatie reeds geoordeeld dat het tegenbewijs dat de geadresseerde dient te leveren geen betrekking heeft op het tijdstip waarop hij daadwerkelijk van de brief heeft kennisgenomen, maar op het tijdstip waarop die brief op zijn woonplaats werd aangeboden, zodat hij daarvan naar alle waarschijnlijkheid heeft kunnen kennisnemen (Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.17.0153.F van 14.02.2019).

4.2.2. Teruggaaf

4.2.2.1. Prioritaire aanwending van het belastingoverschot bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek

De prioritaire aanwending van het belastingoverschot bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek voor het aanzuiveren van een schuldvordering in hoofde van de administratie die zeker, opeisbaar en vaststaand is, is thans enkel voorzien in artikel 8/1, § 3, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Bedoelde bepalingen inzake de prioritaire aanwending zijn van toepassing zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige voor de teruggaaf heeft geopteerd of niet.

Het principe van de prioritaire aanwending van het belastingoverschot welke voortvloeit uit een periodieke btw-aangifte wordt thans uitdrukkelijk voorzien in artikel 76, § 1, vijfde lid, van het Btw-Wetboek, zowel wat het geval betreft dat de voorwaarden voor de teruggaaf niet zijn vervuld als het geval dat het belastingoverschot niet werd teruggevraagd.

Overeenkomstig artikel 76, § 1, vijfde lid (nieuw), van het Btw-Wetboek wordt, wanneer het in het eerste lid bedoelde overschot niet wordt teruggevraagd of wanneer geheel of gedeeltelijk niet aan de voorwaarden voor teruggaaf is voldaan, dat overschot naar de in artikel 83bis van het Btw-Wetboek bedoelde Provisierekening btw van de belastingplichtige overgeschreven, voor zover dat overschot niet voorafgaandelijk wordt aangewend ter aanzuivering van een belastingschuld van die belastingplichtige, die in hoofde van de administratie een zekere, opeisbare en vaststaande schuldvordering vormt, of niet het voorwerp uitmaakt van een in het zesde lid van datzelfde artikel bedoelde inhouding.

Tevens wordt artikel 83bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek aangepast derwijze dat er in wordt aangegeven dat het btw-krediet slechts op de Provisierekening btw wordt ingeschreven in zoverre dat btw-krediet niet het voorwerp uitmaakt van de respectievelijk in artikel 76, § 1, vijfde of zesde lid, van het Btw-Wetboek bedoelde aanwending of inhouding (en niet alleen van de in artikel 76, § 1, zesde lid, van het Btw-Wetboek bedoelde inhouding, zoals voorzien door de bij de wet van 12.03.2023 ingevoegde tekst).

Er wordt tenslotte aan herinnerd dat wanneer de belastingplichtige voor de teruggaaf van het hiervoor bedoelde belastingoverschot heeft geopteerd en er aan de voorwaarden voor de teruggaaf is voldaan artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004 de administratie toelaat om dat overschot vóór zijn effectieve teruggaaf, zonder formaliteit en naar keuze van de bevoegde ambtenaar, aan te wenden tot betaling van de door de belastingplichtige verschuldigde sommen waarvan de inning en invordering worden verzekerd door de Federale Overheidsdienst Financiën of door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, door of krachtens een bepaling met kracht van wet.

4.2.2.2. Artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek

Artikel 76, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek bevat de regels voor de inhouding van btw-kredieten in geval van indiening van een bijzondere btw-aangifte zoals bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek.

Aangezien de ondertekende bijzondere btw-aangifte geldt als aanvraag om teruggaaf (zie artikel 8/3, eerste lid, in fine, van het koninklijk besluit nr. 4) worden in de inleidende zin van deze bepaling de woorden 'zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf' geschrapt.

Bovendien wordt in deze bepaling elke verwijzing naar het begrip 'belastingplichtige' vervangen door een bredere verwijzing naar het begrip 'persoon'.

4.2.2.3. Moratoriuminteresten

Artikel 91, § 4, van het Btw-Wetboek

Artikel 76, § 1, zesde lid, 3°, en § 2, derde lid, 3°, van het Btw-Wetboek bepalen dat het voor teruggaaf vatbare overschot wordt ingehouden wanneer de belastingplichtige of de persoon die om terugbetaling ervan verzoekt, niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, van datzelfde Wetboek bedoelde termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt die toelaten om de waarachtigheid van dat overschot te verantwoorden.

Artikel 91, § 4, vierde lid (nieuw), van het Btw-Wetboek voorziet in dat verband in een nieuw geval van opschorting van de verschuldigdheid van de in die paragraaf bedoelde moratoriuminteresten.

De verschuldigdheid van de moratoriuminterest wordt opgeschort wanneer er door de administratie een inhouding wordt verricht in toepassing van artikel 76, § 1, zesde lid, 3°, en § 2, derde lid, 3°, van het Btw-Wetboek voor de periode vanaf het tijdstip dat de terug te geven belasting het voorwerp uitmaakt van bedoelde inhouding uiterlijk tot op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de belastingplichtige de in artikel 76, § 1, zesde lid, 3° of § 2, derde lid 3°, bedoelde gegevens heeft meegedeeld.

Deze termijn van drie maanden komt overeen met de termijn die van toepassing zou zijn geweest in het kader van een verzoek tot teruggaaf van het btw-krediet in goede en behoorlijke vorm, waarbij de administratie vanaf het begin over voldoende informatie zou hebben beschikt om de waarachtigheid van dit btw-krediet te controleren.

Artikel 91, § 5, van het Btw-Wetboek

Wanneer het ingehouden belastingoverschot bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een aanvraag tot teruggaaf in de periodieke btw-aangifte of wanneer er niet aan de voorwaarden voor teruggaaf is voldaan, maar het later het voorwerp uitmaakt van een aanvraag tot teruggaaf wordt de verschuldigdheid van de moratoriuminterest bedoeld in artikel 91, § 5, van het Btw-Wetboek, gelijkaardig aan hetgeen is voorzien in artikel 91, § 4, van het Btw-Wetboek, opgeschort.

In dat geval begint de termijn te lopen vanaf de eerste dag waarop er in principe moratoire interesten verschuldigd zijn, met name de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de administratie in gebreke werd gesteld door middel van dagvaarding of een daarmee gelijkgestelde akte om die terugbetaling te bekomen en loopt deze termijn uiterlijk tot op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de belastingplichtige de in artikel 76, § 1, zesde lid, 3°, van het Btw-Wetboek bedoelde gegevens heeft meegedeeld.

5. Bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen

5.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 15 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'Artikel 56bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en vervangen bij de wet van 21 maart 2024, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:

"§ 4. De belastingplichtigen die de vrijstellingsregeling genieten, kunnen de belasting geheven van de goederen en diensten die ze gebruiken om hun handelingen te verrichten met vrijstelling van de belasting, niet in aftrek brengen”.'

Artikel 16 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 56ter, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 maart 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

"Wanneer de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige zijn activiteit aanvangt in de loop van een kalenderjaar, wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag verminderd in evenredigheid met het aantal verlopen dagen tussen 1 januari van het betrokken kalenderjaar en de datum van aanvang van de activiteit";

2° het vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt vervangen als volgt:

"De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige die de vrijstellingsregeling wenst toe te passen, stelt voorafgaandelijk de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in kennis van zijn voornemen".'

Artikel 17 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 56undecies van hetzelfde Wetboek , ingevoegd bij de wet van 21 maart 2024, worden de woorden "56ter, § 1, vierde lid" vervangen door de woorden "56ter, § 1, vijfde lid".'

5.2. Commentaar

De wet van 21.03.2024 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen (BS 09.04.2024) heeft Richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad van 18.02.2020 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen en Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en uitwisseling van inlichtingen voor doeleinden van toezicht op de juiste uitvoering van de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen omgezet.

Richtlijn 2020/285 heeft deze bijzondere vrijstellingsregeling grondig gewijzigd en is opgenomen in de artikelen 56bis tot en met 56undecies van het Btw-Wetboek.

Deze wijzigingen zullen nader worden toegelicht in een afzonderlijke circulaire.

6. Bijzondere regeling voor landbouwondernemers

6.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 18 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 57 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 maart 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° paragraaf 1bis wordt vervangen als volgt:

"§ 1bis. De in paragraaf 1 bedoelde landbouwondernemer is er ten aanzien van die werkzaamheid niet toe gehouden de verplichtingen na te leven die op het stuk van facturering, aangifte en voldoening van de belasting, aan belastingplichtigen zijn opgelegd, met uitzondering van de verplichtingen die voortvloeien uit de intracommunautaire handelingen die hij verricht en met uitzondering van de factureringsverplichting ten aanzien van de in paragraaf 5, eerste lid, 2°, bedoelde handeling";

2° er wordt een paragraaf 1quater ingevoegd, luidende:

"§ 1quater. Zonder het voordeel van deze bijzondere regeling te verliezen voor de in paragraaf 1 bedoelde handelingen die hij in de uitoefening van zijn economische activiteit verricht, mag de landbouwondernemer andere handelingen verrichten wanneer hij voor die handelingen aan de in artikel 56ter, § 1, bedoelde bijzondere regeling onderworpen is”;

3° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt:

"§ 6. Deze regeling is niet van toepassing wanneer de activiteit door de landbouwondernemer wordt uitgeoefend onder de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die niet erkend is als landbouwonderneming bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen";

4° in paragraaf 9 wordt het eerste lid vervangen als volgt:

"De landbouwondernemer die de in paragraaf 1ter, eerste lid, of paragraaf 1quater bedoelde voorwaarden niet vervult of die andere dan de in paragrafen 1, derde lid, 1ter en 1quater bedoelde handelingen verricht, verliest het voordeel van deze bijzondere regeling voor zijn gehele economische activiteit. In dat geval is hij onderworpen aan de normale regeling van de belasting voor zijn gehele economische activiteit".'

6.2. Commentaar

6.2.1. Ontheffing van de verplichting op het stuk van facturering – draagwijdte

6.2.1.1. Handelingen waarvoor de ontheffing geldt

Artikel 57, § 1bis (oud), van het Btw-Wetboek voorzag in algemene bewoordingen dat de landbouwondernemer die de bijzondere landbouwregeling toepast ten aanzien van de in artikel 57, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek bedoelde handelingen er niet toe gehouden is de verplichtingen na te leven die op het stuk van facturering, aangifte en voldoening van de belasting aan belastingplichtigen zijn opgelegd, met uitzondering van de verplichtingen die voortvloeien uit de intracommunautaire handelingen die hij verricht.

Artikel 57, § 1bis (oud), van het Btw-Wetboek is vervangen, maar de bepaling blijft, wat de draagwijdte van de ontheffing betreft, ongewijzigd (zie evenwel de titel 'Uitzonderingen op de ontheffing' hierna, welke de wijziging op de uitzonderingen op de ontheffing toelicht).

Landbouwondernemers blijven derhalve grotendeels uitgesloten van de verplichting om facturen uit te reiken (en dus eveneens van de verplichting om gestructureerde elektronische facturen uit te reiken krachtens artikel 53, § 2bis, van het Btw-Wetboek) die worden opgelegd aan belastingplichtigen. De ontheffing van de factureringsverplichtingen (en dus eveneens van de verplichting om gestructureerde elektronische facturen uit te reiken) heeft betrekking op de in artikel 57, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek bedoelde leveringen van goederen en diensten verricht door landbouwondernemers die de bijzondere landbouwregeling toepassen.

Deze ontheffing wordt ondervangen door het feit dat de leveringen van goederen en de diensten verricht door een landbouwondernemer die de bijzondere landbouwregeling toepast worden gedocumenteerd aan de hand van aankoopborderellen die door de afnemer van de goederen en diensten moeten worden uitgereikt overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 22 van 15.09.1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Deze aankoopborderellen dienen sinds 01.01.2026 te worden uitgereikt aan de landbouwer in een gestructureerde elektronische vorm (zie in dat verband de circulaire nr. 2026/C/15 van 13.01.2026).

Landbouwondernemers moeten in staat zijn, zelf of via een derde in hun naam en voor hun rekening, om gestructureerde elektronische facturen te ontvangen. De verplichting om gestructureerde elektronische facturen te ontvangen is onverkort op hen van toepassing (zie memorie van toelichting bij de wet van 10.02.2026, Parl. Doc., Kamer, Zitting 56, Doc. 1205/1, blz. 38).

Hetzelfde geldt uiteraard voor de handelingen verricht door landbouwondernemers die in aanmerking komen voor de toepassing van de bijzondere landbouwregeling maar waarvoor de landbouwondernemer zelf ervoor kiest om die bijzondere regeling niet toe te passen.

6.2.1.2. Handelingen waarvoor de ontheffing niet geldt

Wanneer een landbouwondernemer andere handelingen verricht, waarvoor de bijzondere landbouwregeling niet kan worden toegepast, maar die wel kunnen worden verricht zonder het voordeel van de landbouwregeling te verliezen, zal de landbouwondernemer daarvoor de normale btw-regeling of de in artikel 56ter, § 1, van het Btw-Wetboek, bedoelde vrijstellingsregeling toepassen.

Voor dergelijke handelingen zullen de verplichtingen inzake facturering (en dus eveneens de verplichting om gestructureerde elektronische facturen uit te reiken) onverkort op de landbouwondernemer van toepassing zijn.

6.2.2. Uitzonderingen op de ontheffing

Artikel 57, § 1bis (oud), in fine, van het Btw-Wetboek voorzag, wat de ontheffing van de factureringsverplichtingen betreft, in hoofde van de landbouwondernemer die de bijzondere landbouwregeling toepast ten aanzien van de in artikel 57, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek bedoelde handelingen, in een uitzondering.

De landbouwondernemer kon de ontheffing van de factureringsverplichting niet toepassen voor de verplichtingen die voortvloeien uit de intracommunautaire handelingen die hij verricht.

Deze uitzondering op de ontheffing van de factureringsverplichting ('met uitzondering van de verplichtingen die voortvloeien uit de intracommunautaire handelingen die hij verricht'), zoals opgenomen in artikel 57, § 1bis (oud), van het Btw-Wetboek, was evenwel niet volledig.

Desbetreffende uitzondering op de ontheffing van de factureringsverplichting hield geen rekening met artikel 57, § 5, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, dat voorziet in het beginsel van de terugbetaling van het bedrag van de forfaitaire compensatie die de klant heeft betaald aan de forfaitaire landbouwers voor 'de leveringen van landbouwproducten die worden verricht onder de voorwaarden van artikel 39 van het Btw-Wetboek, aan een belastingplichtige koper die buiten de Gemeenschap is gevestigd, in de mate dat deze landbouwproducten door de koper gebruikt worden voor het verrichten van handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden, of om diensten te verstrekken die geacht worden in België plaats te vinden en waarvoor de belasting overeenkomstig artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek door de ontvanger verschuldigd is'. Deze handelingen, die – net als de in deze bepaling opgesomde intracommunautaire handelingen – de uitreiking van een factuur vereisen (zie artikel 4bis van het koninklijk besluit nr. 22), betreffen de uitvoer van goederen en geen intracommunautaire handelingen.

Artikel 57, § 1bis (oud), van het Btw-Wetboek werd vervangen om die bepaling aan te vullen met de verplichting om een factuur uit te reiken voor de in artikel 57, § 5, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde handelingen.

6.2.3. Cumul van de landbouwregeling met andere regelingen

Artikel 57, § 1ter, eerste lid, van het Btw-Wetboek

Artikel 57, § 1ter, eerste lid, van het Btw-Wetboek bepaalt de voorwaarden waaronder een landbouwondernemer andere handelingen mag verrichten dan die welke in beginsel uitsluitend onder die bijzondere regeling vallen, zonder het voordeel van deze regeling te verliezen, met name dat:

- de bedoelde handelingen uit hun aard zijn verbonden met zijn hoofdactiviteit als landbouwondernemer (zoals geconcretiseerd in artikel 57, § 1ter, tweede lid, van het Btw-Wetboek)

- de omzet, exclusief btw, van die handelingen bedraagt gedurende het lopende kalenderjaar en bedroeg gedurende het voorafgaande kalenderjaar niet meer dan 30 % van de totale omzet van de landbouwondernemer.

Artikel 57, § 1quater (nieuw) van het Btw-Wetboek

Daarnaast laat de bijzondere regeling nog een ander geval toe van cumul van de handelingen die onder die bijzondere regeling vallen (artikel 57, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek) met andere handelingen, met name wanneer de landbouwondernemer voor die andere handelingen de in artikel 56ter, § 1, van het Btw-Wetboek bijzondere regeling toepast (de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen).

Dit laatste toepassingsgeval kon evenwel slechts via een interpretatie a contrario worden afgeleid van artikel 57, § 6, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek dat in fine in een uitzondering voorzag op het principe dat landbouwondernemers 'onderworpen blijven aan alle verplichtingen van belastingplichtigen' (bedoeld is dat ze voor hun volledige activiteit het voordeel van de bijzondere regeling verliezen) wanneer ze reeds belastingplichtige zijn wegens de uitoefening van een andere werkzaamheid.

Om dit geval op een meer ondubbelzinnige wijze te regelen wordt naar analogie met paragraaf 1ter, een nieuwe paragraaf 1quater in artikel 57 van het Btw-Wetboek ingevoegd waarin dit geval uitdrukkelijk wordt opgenomen.

Artikel 57, § 1quater (nieuw), van het Btw-Wetboek bepaalt dat, zonder het voordeel van deze bijzondere regeling te verliezen voor de in paragraaf 1 bedoelde handelingen die hij in de uitoefening van zijn economische activiteit verricht, de landbouwondernemer andere handelingen mag verrichten wanneer hij voor die handelingen aan de in artikel 56ter, § 1, bedoelde bijzondere regeling onderworpen is.

Daarnaast wordt artikel 57, § 6, van het Btw-Wetboek vervangen waarbij:

- enerzijds het eerste lid, 2°, van die § 6 wordt opgeheven omdat de gevallen van toegelaten cumul tussen handelingen die onder deze bijzondere regeling vallen en andere handelingen volledig worden afgedekt door de § 1ter en de nieuwe § 1quater. De gevolgen van de combinatie tussen handelingen die onder deze bijzondere regeling vallen en andere handelingen dan die die worden afgedekt door de § 1ter en de nieuwe § 1quater (met name verlies van het voordeel van de bijzondere regeling voor de volledige activiteit van de landbouwondernemer) zijn opgenomen in artikel 57, § 9, van het Btw-Wetboek. In artikel 57, § 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek moet dus enkel het geval worden behouden waarbij de activiteit van een landbouwer wordt uitgeoefend onder de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die niet erkend is als landbouwonderneming bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. In dat geval is de bijzondere landbouwregeling namelijk niet van toepassing, ook niet als de landbouwondernemer uitsluitend handelingen verricht die bedoeld zijn in artikel 57, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek

- anderzijds het tweede en het derde lid worden opgeheven, omdat ze, rekening houdend met § 1ter en § 9 (nieuw), van het artikel 57, van het Btw-Wetboek juridisch overbodig zijn geworden.

Tenslotte wordt artikel 57, § 9, eerste lid, van het Btw-Wetboek vervangen om rekening te houden met de invoeging van een nieuwe § 1quater in dat artikel. Aldus geeft artikel 57, § 9, eerste lid (nieuw), van het Btw-Wetboek ondubbelzinnig aan dat een landbouwondernemer het voordeel van de bijzondere regeling voor landbouwondernemers voor zijn gehele economische activiteit verliest als hij andere dan in artikel 57, § 1, derde lid, bedoelde handelingen verricht, tenzij die worden verricht in de omstandigheden zoals omschreven in artikel 57, § 1ter, van het Btw-Wetboek of in artikel 57, § 1quater (nieuw), van het Btw-Wetboek.

7. Technische wijzigingen in de nationale wetgeving

7.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 19 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 56, § 1, eerste lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "in de horecasector" opgeheven.'

Artikel 20 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In artikel 56bis, § 2, tweede lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en vervangen bij de wet van 21 maart 2024, worden de woorden "in de horecasector" opgeheven.'

Artikel 21 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'In de Nederlandse tekst van rubriek XXXVII, § 7, derde lid, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006 en vervangen door de wet van 18 juli 2025, worden de woorden "wordt ten aanzien van elke individuele wooneenheid van het project slechts in aanmerking genomen in evenredigheid met aan het aantal wooneenheden van het project" vervangen door de woorden "wordt ten aanzien van elke individuele wooneenheid van het project slechts in aanmerking genomen in evenredigheid met het aantal wooneenheden van het project".'

7.2. Commentaar

7.2.1. Wijziging artikel 56 en 56bis van het Btw-Wetboek

Het koninklijk besluit van 24.04.2024 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30.12.2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, wat het gebruik van het geregistreerde kassasysteem betreft, heeft het koninklijk besluit van 30.12.2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem moet voldoen gewijzigd, met name door de verwijzing naar 'in de horecasector' in het opschrift van dat besluit op te heffen in anticipatie op de mogelijke uitbreiding van het toepassingsgebied ervan naar andere sectoren.

De artikelen 56 en 56bis van het Btw-Wetboek worden eveneens reeds in die zin gewijzigd.

7.2.2. Wijziging van het koninklijk besluit nr. 20

Een taalkundige correctie in de Nederlandse tekst van rubriek XXXVII, § 7, derde lid, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven door in het vervangen tekstgedeelte het overbodig woord 'aan' weg te laten is aangebracht.

8. Inwerkingtreding

8.1. Wettelijke bepaling

Artikel 22 van de wet van 10.02.2026 luidt als volgt:

'De artikelen 3, 4, hoofdstukken 3 en 4, en artikel 16, 1°, treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.'

8.2. Commentaar

De bepalingen van de wet van 10.02.2026 treden in werking op de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. op 02.03.2026 met uitzondering van de volgende bepalingen, die in werking treden op de dag van publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. op 20.02.2026:

- de artikelen 3 en 4 die betrekking hebben op de verplichting tot elektronische facturering

- de bepalingen opgenomen onder hoofdstuk 3 welke betrekking hebben op de herziening van de aftrek van btw met betrekking tot bedrijfsmiddelen en diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan bedrijfsmiddelen worden toegeschreven

- de bepalingen opgenomen onder hoofdstuk 4 welke betrekking hebben op de nieuwe btw-ketting

- artikel 16, 1°, dat betrekking heeft op de berekening van het drempelbedrag van 25.000 euro in het kader van de toepassing van de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen bij aanvang van de activiteit in de loop van een kalenderjaar.

Aangezien deze wijzigingen betrekking hebben op het herzieningsmechanisme van de in aftrek gebrachte btw en dit herzieningsmechanisme werkt op basis van kalenderjaren (zie in dit verband artikel 9 van koninklijk besluit nr. 3), zijn de nieuwe regels inzake herzieningen (zie tweede streepje hiervoor) van toepassing op elke relevante wijziging in het gebruik van de bedoelde diensten die plaatsvindt vanaf het huidige kalenderjaar, ongeacht de datum waarop het belastbare feit en de opeisbaarheid van de belasting met betrekking tot deze verrichtingen zich hebben voorgedaan, mits uiteraard:

- de aftrek op het ogenblik van inwerkingtreding van de nieuwe wet voor de belastingplichtige niet definitief verworven is op grond van de huidige regels

- de herziening van de belasting nog binnen de herzieningstermijn valt op basis van deze nieuwe regels.

Aangezien het hier gaat om een procedurele regel, heeft zij uitwerking vanaf haar inwerkingtreding, en dat ook op situaties die onder de vroegere regelgeving zijn ontstaan maar waarvan de gevolgen nog voortduren, voor zover zij de verworven rechten van de belastingplichtigen niet aantast. De administratie kan zich met andere woorden niet beroepen op deze nieuwe regel om een herzieningsverplichting ten voordele van de Schatkist te doen herleven, wanneer een dergelijke verplichting op grond van de oude regels reeds definitief was uitgedoofd. Daarentegen kan, in de hypothese van een herziening ten voordele van de belastingplichtige zoals in het geschil dat aanleiding gaf tot het hierboven vermelde arrest van het Hof van Justitie, een dergelijke herziening ten voordele van de belastingplichtige zich wel nog voordoen op grond van de nieuwe regels voor de nog niet verlopen jaren van de herzieningsperiode.

Interne ref.: 142.750

Mots clés

Articles recommandés