• FR
  • NL
  • EN

Circulaire 2026/C/49 betreffende de interim handelsovereenkomst betreffende de handel tussen de Europese Unie en Chili

De Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen publiceerde op 30/03/2026 de Circulaire 2026/C/49 betreffende de interim handelsovereenkomst betreffende de handel tussen de Europese Unie en Chili.

Circulaire 2026/C/49 betreffende de interim handelsovereenkomst betreffende de handel tussen de Europese Unie en Chili.

Inhoudstafel

Circulaire 2025/C/49 betreffende de interim handelsovereenkomst betreffende de handel tussen de Europese Unie en Chili

Inleiding

1. Deel I: Algemeen

1.1. Wettelijke basis

1.2. Definities

1.3. Algemene principes – oorsprongsregels

1.3.1.Toepasselijke algemene vereisten voor producten van oorsprong

1.3.2.............................................Cumulatie

1.3.3........................Geheel en al verkregen producten

1.3.4...........................................Toleranties

1.3.5.........................Ontoereikende be- of verwerking

1.3.6..........................In aanmerking te nemen eenheid

1.3.7.......Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

1.3.8...............................Stellen of assortimenten

1.3.9.....................................Neutrale elementen

1.3.10. Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen

1.3.11. Gescheiden boekhouding voor onderling vervangbare materialen

1.3.12. Geretourneerde producten

1.3.13. Niet-wijziging

1.3.14. Tentoonstellingen

1.4. Algemene principes – Oorsprongsprocedure

1.4.1...............Verzoek om preferentiële tariefbehandeling

1.4.2...................................Attest van oorsprong

1.4.3..............Geringe afwijkingen en geringe vergissingen

1.4.4.Aan de importeur bekende informatie (Importer’s knowledge)

1.4.5...................Verplichting tot bewaren van gegevens

1.4.6.Vrijstellingen van de vereisten met betrekking tot attesten van oorsprong

1.4.7..............................................Controle

1.4.8............................Administratieve samenwerking

1.4.9...............Wederzijdse bijstand bij fraudebestrijding

1.4.10. Weigering van toekenning van de preferentiële tariefbehandeling

1.4.11. Vertrouwelijkheid

1.4.12. Restituties en verzoeken om preferentiële tariefbehandeling na invoer

1.4.13. Administratieve maatregelen en sancties

2. Deel II: Het systeem van geregistreerde exporteur

2.1. Registratie van exporteurs en vrijstelling van registratieplicht

2.2. Verplichtingen van de autoriteiten

2.3. Toegangsrechten tot de databank

2.4. Gegevensbescherming

2.5. Bekendmaking

2.6. Verplichtingen van exporteurs

3. Deel III: Oorsprongsbewijzen en praktische bepalingen

3.1. Het attest van oorsprong

3.1.1. Algemene voorwaarden betreffende het attest van oorsprong

3.1.2..............De formulering van het attest van oorsprong

3.1.3.Het attest van oorsprong bij meervoudige zendingen van identieke producten

3.1.4..................Geldigheid van het attest van oorsprong

3.1.5.....Vervanging van een bewijs van preferentiële oorsprong

3.2. Aan de importeur bekende informatie

3.3. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling na invoer

3.3.1.............Attest van oorsprong voor een enkele zending

3.3.2.Attest van oorsprong voor meervoudige zendingen van identieke producten

3.3.3.....................Aan de importeur bekende informatie

3.4. Overgangsbepalingen

3.5. Samenvatting gebruik van de oude en nieuwe oorsprongsbewijzen

3.6. Te gebruiken codes op de douaneaangifte

4. Deel IV: Verificatie

4.1. Verificatieprocedure Interim handelsovereenkomst

4.2. Vertrouwelijkheid van informatie

4.2.1..................Door de exporteur verstrekte informatie

4.2.2................Rechten en verplichtingen van de partijen

4.3. Verificatieprocedure Associatieovereenkomst

5. Deel V: Voorafgaande besluiten en beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

5.1. Voorafgaande besluiten

5.2. De beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

6. Deel VI: Andere bepalingen

6.1. ‘Drawback’

6.2. Ceuta en Melilla

6.3. Subcomité ‘Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels'

6.4. Aanvullende inlichtingen en contactpunten

6.4.1..........................Aanvullende informatiebronnen:

6.4.2...............................................Contact

6.5. Opheffingsbepalingen

7. BIJLAGEN

Bijlage I: Aantekeningen met betrekking tot toleranties die gelden voor textiel

Bijlage II: Aanvraag tot registratie als geregistreerd exporteur

Bijlage III: informatie betreffende Chileense elektronische handtekeningen


Inleiding

§ 1. Op 20 december 2024 werd de nieuwe Interimovereenkomst betreffende de handel tussen de Europese Unie en de Republiek Chili gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie: PB L 2024/2953. Deze interim handelsovereenkomst is in werking getreden op 1 februari 2025 ([1]).

De Europese Unie (hierna EU) en Chili waren al verbonden door een associatieovereenkomst die in 2002 werd gesloten en in februari 2003 in werking trad. Deze associatieovereenkomst bevatte o.m. algemene regels die de handelsrelaties tussen de EU en Chili regelden en oorsprongsregels waarmee goederen rechtenvrij of tegen een verlaagd recht konden worden ingevoerd. Beide partijen wensten de associatieovereenkomst te moderniseren en verdiepen.

De associatieovereenkomst tussen de EU en Chili wordt vervangen door twee parallelle rechtsinstrumenten: de Geavanceerde Kaderovereenkomst (Advanced Framework Agreement of AFA) en de interim handelsovereenkomst (Interim Trade Agreement of ITA). Beide rechtsinstrumenten zijn op 13 december 2023 ondertekend. Het Europees Parlement heeft er op 29 februari 2024 mee ingestemd.

Bedoeling is om de interim handelsovereenkomst in te trekken en te vervangen door de Geavanceerde Kaderovereenkomst zodra deze in werking treedt.

De nieuwe interim handelsovereenkomst (hierna: ITA) schrapt de meeste van de resterende invoerrechten op goederen, wat zou moeten leiden tot een toename van de uitvoer van de EU naar Chili. De EU is immers de op twee na grootste handelspartner van Chili en bijna 99,9% van de uitvoer uit de EU zal na de inwerkingtreding van de ITA vrij van rechten zijn.

Deze verlaging of afschaffing van de douanerechten wordt uitgewerkt in artikel 2.5 en bijlage 2 ITA:

ARTIKEL 2.5
Verlaging of afschaffing van douanerechten

'1. Tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald, verlaagt elke partij haar douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere partij of schaft die af overeenkomstig haar lijst in bijlage 2.

2. Voor de toepassing van lid 1 is het basistarief van de douanerechten het basistarief dat voor elk goed is vastgesteld in de lijsten in bijlage 2.

3. Indien een partij het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verlaagt, dan geldt de lijst in bijlage 2 van die partij voor de verlaagde rechten. Indien een partij het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verlaagt tot een tarief dat lager is dan is dan het basistarief voor een bepaalde tariefpost, berekent die partij het toegepaste preferentiële tarief door de tariefverlaging toe te passen op het verlaagde toegepaste meestbegunstigingsrecht, waarbij zij de relatieve preferentiemarge voor die specifieke tariefpost aanhoudt zolang het toegepaste meestbegunstigingsrecht lager is dan het basistarief. De relatieve preferentiemarge voor een specifieke tariefpost in elke afbouwperiode komt overeen met het verschil tussen het basistarief zoals vastgesteld in de lijst in bijlage 2 van die partij en het toegepaste recht voor die tariefpost volgens die lijst, gedeeld door dat basistarief en uitgedrukt als percentage.

4. De partijen plegen op verzoek van een partij overleg om te bezien of de in de lijsten in bijlage 2 vastgestelde douanerechten versneld kunnen worden verlaagd of afgeschaft. De Handelsraad kan, gelet op dat overleg, een besluit vaststellen om bijlage 2 te wijzigen om de verlaging of afschaffing van dat tarief te versnellen.’

Om gebruik te kunnen maken van de verlaging of afschaffing van invoerrechten moeten de voorwaarden worden nageleefd die zijn opgenomen in hoofdstuk 3 ITA: 'Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures’.

In dit hoofdstuk worden de gebruikelijke definities en de regels van oorsprong behandeld die onder andere de begrippen ‘product van oorsprong’, ‘toereikende productie’, ‘tolerantie’, ‘cumulatie’, enz. bepalen. Vervolgens worden de oorsprongsprocedures toegelicht, welk bewijs van oorsprong van toepassing is, hoe het bewijs moet worden gebruikt, de geldigheidsduur ervan, de verificatieprocedures, enz.

De ITA voorziet eveneens in een modernisering van deze preferentiële oorsprongsregels en een wijziging van de bewijzen van oorsprong waardoor producten van oorsprong uit de EU of Chili in aanmerking komen voor een preferentiële tariefbehandeling wanneer zij in de andere partij worden ingevoerd.

De bepalingen van hoofdstuk 3 ITA worden aangevuld met hoofdstuk 4 dat betrekking heeft op douanezaken en de bevordering van de handel, evenals met een aantal bijlagen, met name:

Deze circulaire heeft tot voornaamste doel om de belangrijkste oorsprongsregels en -procedures uit hoofdstuk 3 ITA en de bijlagen inzake oorsprong toe te lichten.

1. Deel I: Algemeen

1.1. Wettelijke basis

§ 2. De EU-Chili ITA is op 1 februari 2025 in werking getreden. Het Besluit (EU) 2024/3016 van 18 maart 2024 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Interimovereenkomst betreffende de handel tussen de Europese Unie en de Republiek Chili werd gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU L nr. 3016 van 20 december 2024.

De volgende delen ITA hebben betrekking op de preferentiële oorsprongsregels:

 Hoofdstuk 3 over 'Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures';

 Hoofdstuk 4 over 'Douane en handelsbevordering ';

 Bijlagen 3-A tot 3-E.

§ 3. Ook de volgende Europese verordeningen zijn van toepassing:

 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het Douanewetboek van de Unie (DWU);

 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het Douanewetboek van de Unie (DWU DA);

 Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Douanewetboek van de Unie (DWU IA).

In het bijzonder zijn voor deze circulaire de volgende artikelen relevant:

 Artikel 14 DWU: ‘Verstrekking van inlichtingen door de douaneautoriteiten’;

 Artikel 26 DWU: ‘Geldigheid van beschikkingen in de gehele Unie’;

 Artikel 33 DWU: ‘Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen’;

 Artikel 34 DWU: 'Beheer van beschikkingen aangaande bindende inlichtingen’;

 Artikel 56, lid 3 DWU: ‘Gemeenschappelijk douanetarief en -toezicht’;

 Artikel 64 DWU: ‘Preferentiële oorsprong van goederen’;

 Artikel 117 DWU: ‘Invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht’;

 Artikel 170 DWU: 'Indienen van een douaneaangifte';

 Artikel 16 DWU IA: 'Aanvraag voor een beschikking betreffende een bindende inlichting';

 Artikel 18 DWU IA: 'Mededeling van BOI-beschikkingen';

 Artikel 61 DWU IA: 'Leveranciersverklaringen en het gebruik ervan’;

 Artikel 62 DWU IA: 'Langlopende leveranciersverklaring’;

 Artikel 63 DWU IA: 'De opstelling van leveranciersverklaringen’;

 Artikel 64 DWU IA: 'Afgifte van het inlichtingenblad INF 4’;

 Artikel 65 DWU IA: ‘Administratieve samenwerking tussen de lidstaten’;

 Artikel 66 DWU IA: ‘Controle van de leveranciersverklaringen’;

 Artikel 68 DWU IA: ‘Registratie van exporteurs buiten het kader van het SAP-stelsel van de Unie’;

 Artikel 69 DWU IA: 'Vervanging van oorsprongsdocumenten die buiten het kader van het SAP-stelsel van de Unie zijn afgegeven of opgesteld’.

1.2. Definities

§ 4. Voor de toepassing van deze circulaire worden in artikel 3.1 van de ITA de volgende definities gegeven:

‘indeling: de indeling van een product of materiaal onder een bepaald hoofdstuk, onder een bepaalde post of postonderverdeling van het geharmoniseerd systeem;

zending: producten die gelijktijdig van één exporteur naar één geadresseerde worden verzonden of die vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument voor de verzending van de exporteur naar de geadresseerde, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur;

douaneautoriteit:

i) voor Chili, de nationale douanedienst; en

ii) voor de Europese Unie, de voor douanezaken bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douanediensten alsook alle andere autoriteiten van de lidstaten die belast zijn met de toepassing en de handhaving van de douanewetgeving;

exporteur: een in een partij gevestigde persoon die overeenkomstig de wet- en regelgeving van die partij het product van oorsprong uitvoert of produceert en een attest van oorsprong opstelt;

identieke producten: producten die in elk opzicht overeenstemmen met de in de productomschrijving omschreven producten; de productomschrijving op het handelsdocument dat is gebruikt om een attest van oorsprong op te stellen voor meerdere zendingen moet nauwkeurig genoeg zijn om dat product duidelijk te identificeren, en ook om identieke producten die vervolgens op basis van dat attest worden ingevoerd, duidelijk te identificeren;

importeur: een persoon die het product van oorsprong invoert en daarvoor om preferentiële tariefbehandeling verzoekt;

materiaal: elke stof die wordt gebruikt bij de productie van een product, met inbegrip van alle ingrediënten, grondstoffen, bestanddelen of onderdelen;

product: het resultaat van productie, zelfs indien het is bedoeld om later als materiaal voor de productie van een ander product te worden gebruikt; en

productie: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage’.

1.3. Algemene principes – oorsprongsregels

1.3.1. Toepasselijke algemene vereisten voor producten van oorsprong

§ 5. Artikel 3.2 van de ITA betreffende de algemene vereisten bevat de drie regels die het mogelijk maken om te bepalen of een product van oorsprong is. Een product moet naargelang het geval:

Als een product de oorsprongsstatus heeft verkregen, worden de niet van oorsprong zijnde materialen die zijn gebruikt bij de productie van het product als van oorsprong beschouwd wanneer dat product als materiaal in een ander product wordt verwerkt.

De verkrijging van de oorsprongsstatus moet zonder onderbreking worden afgehandeld op het grondgebied van een partij.

1.3.2. Cumulatie

§ 6. De ITA voorziet in volgende twee vormen van cumulatie:

De voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn uiteengezet in 3 a) tot en met e) van artikel 3.3 ITA en luiden als volgt:

a) ‘elke partij een geldende handelsovereenkomst heeft waarbij een vrijhandelsruimte met dat derde land is ingesteld overeenkomstig artikel XXIV van de GATT 1994;

b) de oorsprong van de in dit lid bedoelde materialen wordt bepaald in overeenstemming met de oorsprongsregels die van toepassing zijn in het kader van:

i) de handelsovereenkomst van de Europese Unie waarbij een vrijhandelsruimte met dat derde land is ingesteld, indien het betrokken materiaal wordt gebruikt voor de productie van een product in Chili; en

ii) de handelsovereenkomst van Chili waarbij een vrijhandelsruimte met dat derde land is ingesteld, indien het betrokken materiaal wordt gebruikt voor de productie van een product in de Europese Unie;

c) tussen die partij en dat derde land een regeling inzake adequate administratieve douanesamenwerking van kracht is die de volledige uitvoering van dit hoofdstuk waarborgt, met inbegrip van de bepalingen inzake het gebruik van passende documenten betreffende de oorsprong van materialen, en die partij de andere partij in kennis stelt van die regeling;

d) de in die partij uitgevoerde productie of verwerking van de materialen ingrijpender is dan een of meer van de in artikel 3.6 genoemde behandelingen; en

e) de partijen gaan akkoord met alle andere toepasselijke voorwaarden’.

De partij die deze uitgebreide cumulatie wil toepassen, moet een kennisgeving sturen naar het EU-Chili Subcomité voor Douane, Handelsbevordering en Oorsprongsregels, dat vervolgens het voorstel zal onderzoeken en zijn aanbeveling zal sturen naar het Handelscomité.

Het EU-Chili Subcomité kan ook aan het Handelscomité aanbevelen dat bepaalde materialen die afkomstig zijn uit bepaalde derde landen, als van oorsprong uit een partij kunnen worden beschouwd, mits zij voldoen aan de bovengenoemde voorwaarden.

Naast de Andeslanden kunnen deze materialen ook afkomstig zijn uit een van de volgende Centraal-Amerikaanse landen: Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Panama.

Opgelet! Bij de inwerkingtreding van de Interimovereenkomst kan de uitgebreide cumulatie nog niet worden toegepast. Mocht deze vorm van cumulatie in de toekomst door het Handelscomité worden goedgekeurd, dan zal dit worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU.

1.3.3. Geheel en al verkregen producten

§ 7. De volgende producten worden beschouwd als volledig in een partij verkregen:

'a) aldaar gekweekte of geoogste planten en producten van het plantenrijk;

b) aldaar geboren en gehouden levende dieren;

c) producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren;

d) aldaar, maar niet buiten de uiterste grenzen van de territoriale wateren van die partij, door jacht, vangst met vallen en strikken, bevissing, verzamelen of vangen verkregen producten;

e) producten afkomstig van aldaar geboren en opgefokte geslachte dieren;

f) producten afkomstig van aquacultuur aldaar, indien aquatische organismen, met inbegrip van vis, weekdieren, schaaldieren, andere ongewervelde waterdieren en waterplanten zijn geboren of opgefokt uit uitgangsmateriaal zoals eieren, hom en kuit, visbroed, pootvis of larven, door ingrepen in het kweek- en groeiproces teneinde de productie te vergroten, zoals het uitzetten, voeren, of beschermen tegen predatoren;

g) aldaar ontgonnen of gewonnen minerale of andere van nature voorkomende stoffen, niet vallende in punten a) tot en met f), betreft;

h) producten van de zeevisserij en andere buiten een territoriale zee door een vaartuig van die partij uit de zee gewonnen producten;

i) producten die, uitsluitend uit de in punt h) bedoelde producten, aan boord van een fabrieksschip van die partij zijn vervaardigd;

j) producten die buiten een territoriale zee door een partij of een persoon van een partij uit de zeebodem of ondergrond zijn gewonnen, op voorwaarde dat die partij of die persoon van die partij het recht heeft die zeebodem of ondergrond te bewerken;

k) resten of afval van productie aldaar of van gebruikte producten aldaar verzameld, voor zover die producten alleen nog voor de terugwinning van grondstoffen kunnen worden gebruikt; en

l) producten die aldaar uitsluitend uit de in punten a) tot en met k) bedoelde producten zijn vervaardigd.

§ 8. Onder ‘vaartuig van een partij’ respectievelijk ‘fabrieksschip van een partij’ in § 7, punten h) en i), wordt verstaan een vaartuig respectievelijk fabrieksschip dat:

a) in een lidstaat of in Chili is geregistreerd;

b) onder de vlag van een lidstaat of van Chili vaart; en

c) aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

i) het is voor meer dan 50 % eigendom van natuurlijke personen van een lidstaat of van
Chili, of
ii) het is eigendom van rechtspersonen die:

A) hun hoofdkantoor en hun belangrijkste economische activiteit in een lidstaat of in Chili hebben, en

B) voor meer dan 50 % eigendom zijn van personen van een van die partijen’.

1.3.4. Toleranties

§ 9. De tolerantieregels laten toe om af te wijken van de voorwaarden voor toereikende productie opgenomen in bijlage 3-B ITA. Een product kan bijvoorbeeld niet voldoen aan de productspecifieke regels in bijlage 3-B van de ITA doordat er (te veel) niet van oorsprong zijnde materialen worden gebruikt.

§ 10. Wanneer een product niet voldoet aan de productspecifieke regels in bijlage 3-B van de Interimovereenkomst doordat er niet van oorsprong zijnde materialen worden gebruikt, kan het alsnog van oorsprong uit een partij worden beschouwd, op voorwaarde dat:

§ 11. De toleranties kunnen niet worden toegepast indien:

1.3.5. Ontoereikende be- of verwerking

§ 12. De ITA bevat een limitatieve lijst van behandelingen die als ontoereikend worden beschouwd om oorsprong te verlenen aan de producten. Dit wil zeggen dat wanneer enkel één of meerdere van deze be -of verwerkingen worden uitgevoerd op niet van oorsprong zijnde materialen tijdens het fabricageproces, deze niet volstaan om oorsprong te verlenen. Zo zijn behandelingen zoals het schoonmaken, het verpakken, ... ontoereikend om oorsprong aan de goederen te verlenen.

Volgende behandelingen zijn ontoereikend om een product als van oorsprong uit een partij te beschouwen:

a) ’behandelingen zoals drogen, invriezen, pekelen en andere soortgelijke behandelingen die uitsluitend bedoeld zijn om producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;

b) het splitsen of samenvoegen van colli;

c) het wassen, schoonmaken of verwijderen van stof, roest, olie, verf of dergelijke;

d) het strijken of persen van textielstoffen en textielwaren;

e) het eenvoudig schilderen of polijsten;

f) ontvliezen of doppen en geheel of gedeeltelijk vermalen van rijst; polijsten en glanzen van granen en rijst;

g) het kleuren of aromatiseren van suiker of vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van kristalsuiker in vaste vorm;

h) het pellen, ontpitten of schillen van noten, vruchten of groenten;

i) aanscherpen, eenvoudig vermalen of versnijden;

j) zeven, sorteren, classificeren of assorteren;

k) eenvoudig plaatsen in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;

l) aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;

m) eenvoudig plaatsen in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, bevestigen op kaarten of platen en alle andere;

n) eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel en het uit elkaar nemen van producten;

o) het eenvoudig toevoegen van water, verdunnen, drogen of denatureren van producten;

p) slachten van dieren.

§ 13. Voor de toepassing van de ITA worden behandelingen als eenvoudig beschouwd wanneer voor het uitvoeren daarvan geen bijzondere vaardigheden noch speciaal daarvoor gemaakte of geïnstalleerde machines, toestellen of uitrustingsstukken nodig zijn.

1.3.6. In aanmerking te nemen eenheid

§ 14. De in aanmerking te nemen eenheid is het bijzondere product dat bij de indeling van het product in het GS als basiseenheid wordt beschouwd.

Wanneer een zending bestaat uit een aantal identieke producten die onder dezelfde post van het GS zijn ingedeeld, moet elk product afzonderlijk worden beschouwd.

1.3.7. Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

§ 15. De bepalingen van Hoofdstuk 3 van de ITA zijn van toepassing op toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen die bij materieel, machines of een voertuig worden geleverd en die deel uitmaken van de normale uitrusting en in de prijs zijn inbegrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht; zij worden geacht een geheel te vormen met het materieel, de machines, apparaten of voertuigen.

Deze toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen worden niet in aanmerking genomen bij de bepaling van de oorsprong van het product, behalve wat de berekening van de maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen betreft indien voor het product een maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen als vastgestelde regel in bijlage 3-B geldt.

1.3.8. Stellen of assortimenten

§ 16. Een stel of assortiment dat is ingedeeld overeenkomstig de algemene regel nr. 3 voor de interpretatie van het GS, wordt als van oorsprong uit een partij beschouwd wanneer alle samenstellende delen ervan van oorsprong uit die partij zijn.

Wanneer het stel of assortiment bestaat uit van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde samenstellende delen, dan kan het als van oorsprong zijnde uit de partij worden beschouwd op voorwaarde dat de waarde van de niet van oorsprong zijnde samenstellende delen ervan niet meer bedraagt dan 15% van de prijs af fabriek (EXW) van het stel of assortiment.

1.3.9. Neutrale elementen

§ 17. Om de oorsprong van een product te bepalen, wordt er geen rekening gehouden met de oorsprong van bepaalde elementen die bij de productie van dat product mogelijk zijn gebruikt. Deze elementen worden 'neutrale elementen’ genoemd.

Het betreft de volgende elementen:

a) brandstof, energie, katalysatoren en oplosmiddelen;

b) materieel, apparatuur en benodigdheden voor het testen of inspecteren van de producten;

c) machines, werktuigen, matrijzen en gietvormen;

d) vervangingsonderdelen en materialen voor het onderhoud van materieel en gebouwen;

e) smeermiddelen, vetten, samenstellende materialen en andere materialen die worden gebruikt bij de productie of om materieel en gebouwen te laten functioneren;

f) handschoenen, brillen, schoeisel, kleding, veiligheidsuitrusting en benodigdheden;

g) alle andere materialen die niet in het product zijn verwerkt, maar waarvan kan worden aangetoond dat het gebruik een onderdeel van de productie van het product is.

1.3.10. Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen

§ 18. Met betrekking tot verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen bepaalt de ITA het volgende:

'1. Indien verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen waarin het product is verpakt voor detailhandelsverkoop krachtens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem samen met het product zijn ingedeeld, worden zij bij het bepalen van de oorsprong van het product buiten beschouwing gelaten, behalve wat de berekening van de maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen betreft indien voor het product een maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen als vastgesteld in bijlage 3-B geldt.

2. Bij de bepaling of een product van oorsprong is uit een partij wordt geen rekening gehouden met het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen die worden gebruikt ter bescherming van een product tijdens het vervoer’.

1.3.11. Gescheiden boekhouding voor onderling vervangbare materialen

§ 19. De ITA voorziet in de toepassing van een gescheiden boekhouding voor onderling vervangbare materialen.

Indien er zowel van oorsprong zijnde als niet van oorsprong zijnde onderling vervangbare materialen worden gebruikt bij de be- of verwerking van een product, dan kan de vaststelling van de oorsprong van de gebruikte materialen gebeuren op basis van de methode van gescheiden boekhouding. Wanneer deze methode wordt toegepast hoeven de onderling vervangbare materialen niet in fysiek gescheiden voorraden te worden bijgehouden.

‘Onderling vervangbare materialen’ zijn materialen van dezelfde soort en handelskwaliteit, met dezelfde technische en fysieke kenmerken en waartussen geen onderscheid mogelijk is zodra zij in het eindproduct zijn opgenomen.

De methode van gescheiden boekhouding wordt in overeenstemming met een voorraadbeheersysteem toegepast op grond van in de partij algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen.

De gebruikte methode voor gescheiden boekhouding moet ervoor zorgen dat te allen tijde het aantal producten dat als van oorsprong uit een partij kan worden beschouwd, niet groter is dan het aantal dat zou zijn verkregen door de fysieke scheiding van de voorraden tijdens de opslag.

§ 20. Een verzoek om deze toestemming te verkrijgen moet eerst worden verstuurd naar da.ops.douane1@minfin.fed.be waarna de regionale bevoegde douanedienst zal onderzoeken of de exporteur of producent in aanmerking komt voor deze vergunning.

1.3.12. Geretourneerde producten

§ 21. Wanneer een partij een product van oorsprong uit die partij naar een derde land exporteert en het derde land beslist om het betrokken product te retourneren, dan zal dit product als niet van oorsprong zijnde worden beschouwd. Het is echter mogelijk om die beschouwing te wijzigen door aan de douaneautoriteit van de partij aan te tonen dat het geretourneerde product:

 hetzelfde is als het uitgevoerde product, en

 terwijl het zich in dat derde land bevond of toen het werd uitgevoerd, geen andere behandelingen heeft ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om het in goede staat te bewaren.

1.3.13. Niet-wijziging

§ 22. De niet wijzigingsregel houdt in dat producten waarvan werd aangegeven dat ze van preferentiële oorsprong zijn, niet mogen worden gewijzigd, getransformeerd of worden onderworpen aan andere behandelingen dan degene die noodzakelijk zijn om de goede staat ervan te garanderen tussen het moment waarop ze worden uitgevoerd en voordat ze voor binnenlands gebruik worden aangegeven.

§ 23. Het toevoegen of aanbrengen van merken, etiketten, verzegelingen of andere documentatie om te waarborgen dat aan de specifieke interne vereisten van de partij van invoer wordt voldaan, is evenwel toegestaan.

Verder mogen zendingen in een derde land worden gesplitst, op voorwaarde dat de splitsing door de exporteur of onder zijn verantwoordelijkheid plaatsvindt en op voorwaarde dat de zendingen in dat derde land onder douanetoezicht blijven.

Als blijkt dat een product in een derde land moet worden opgeslagen of tentoongesteld, dan zal het in het betrokken derde land onder douanetoezicht moeten blijven.

§ 24. In geval van twijfel of aan de hierboven vermelde voorwaarden werd voldaan, kan de douane aan de importeur verzoeken om te bewijzen dat hij aan de voorwaarden voldoet. Dit bewijs kan met alle middelen worden geleverd, waaronder:

 vervoersovereenkomsten zoals cognossementen; of

 feitelijk/concreet bewijsmateriaal zoals merktekens of nummering van de colli; of

 een certificaat van niet-manipulatie; of

 ander bewijsmateriaal betreffende het product zelf.

1.3.14. Tentoonstellingen

§ 25. Op producten van oorsprong die voor een tentoonstelling naar een derde land zijn verzonden en die na de tentoonstelling voor invoer in een partij zijn verkocht, zijn bij die invoer de bepalingen van deze Overeenkomst van toepassing voor zover ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

'a) een exporteur die producten vanuit een partij naar het derde land van de tentoonstelling heeft verzonden en die daar heeft tentoongesteld;;

b) de exporteur de producten heeft verkocht of op andere wijze heeft afgestaan aan een geadresseerde in een van de partijen;

c) de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan, zijn verzonden; en

d) de producten sinds hun verzending naar de tentoonstelling niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond’.

Er moet op de gebruikelijke wijze een attest van oorsprong worden opgesteld en ingediend bij de douaneautoriteiten van de partij van invoer. Op dat bewijs moeten de naam en het adres van de tentoonstelling zijn vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd ten aanzien van de aard van de producten en de omstandigheden waaronder ze werden tentoongesteld.

Deze bepaling is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden. Tijdens deze gebeurtenissen blijven de producten onder douanetoezicht.

1.4. Algemene principes – Oorsprongsprocedure

1.4.1. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling

§ 26. De preferentiële tariefbehandeling wordt door de importerende partij toegekend aan een product van oorsprong uit de andere partij op basis van een verzoek dat wordt ingediend door de importeur. De importeur is derhalve verantwoordelijk voor de juistheid van het verzoek en de naleving van de voorwaarden die zijn voorzien.

§ 27. Een verzoek om preferentiële tariefbehandeling wordt gedaan op basis van:

a) een door de exporteur overeenkomstig artikel 3.17 opgesteld attest van oorsprong;

b) de aan de importeur bekende informatie volgens de in artikel 3.19 vastgestelde voorwaarden

§ 28. Het verzoek om preferentiële tariefbehandeling alsook de grondslag waarop het berust (= het oorsprongsbewijs) worden in de douaneaangifte ten invoer opgenomen en dit overeenkomstig de wet- en regelgeving van de partij van invoer.

§ 29. De importeur die op basis van een attest van oorsprong om preferentiële tariefbehandeling verzoekt, moet dit attest bewaren en moet de douaneautoriteit van de partij van invoer desgevraagd een kopie daarvan kunnen verstrekken.

1.4.2. Attest van oorsprong

§ 30. Het attest van oorsprong kan door de exporteur van het product worden opgesteld op basis van informatie waaruit blijkt dat het product van oorsprong is. Deze informatie beschrijft onder meer de oorsprong van de materialen die zijn gebruikt bij de productie van het product. De exporteur is verantwoordelijk voor de juistheid van het attest van oorsprong en van de door hem verstrekte informatie.

Indien de exporteur redenen heeft om aan te nemen dat het attest van oorsprong onjuiste informatie bevat of op dergelijke informatie is gebaseerd, stelt hij de importeur onmiddellijk in kennis van eventuele wijzigingen die van invloed zijn op de oorsprongsstatus van het product. In dat geval corrigeert de importeur de aangifte ten invoer en betaalt hij eventuele verschuldigde douanerechten.

§ 31. De te gebruiken tekst van het attest van oorsprong is terug te vinden in bijlage 3-D van de ITA. Deze tekst moet worden vermeld op een factuur of ander handelsdocument waarop het product van oorsprong voldoende duidelijk is omschreven om het te kunnen identificeren.

De douaneautoriteiten van de partij van invoer mogen van de importeur geen vertaling van het attest van oorsprong verlangen.

§ 32. Een attest van oorsprong afgegeven in kader van de EU-Chili ITA is twaalf maanden geldig vanaf de datum waarop het werd opgesteld.

§ 33. Een attest van oorsprong kan worden gebruikt voor:

 één enkele zending van een of meer in een partij ingevoerde producten; of

 meerdere zendingen van identieke producten die worden ingevoerd in een partij binnen de in het attest van oorsprong aangegeven periode van maximaal twaalf maanden.

§ 34. De invoerende partij staat, op verzoek van de importeur en met inachtneming van de eventuele voorschriften van de invoerende partij, één attest van oorsprong toe voor niet-gemonteerde of gedemonteerde producten in de zin van algemene regel 2 a) van het geharmoniseerd systeem, ingedeeld onder de afdelingen XV tot en met XXI van het geharmoniseerd systeem, indien die producten in deelzendingen worden ingevoerd.

1.4.3. Geringe afwijkingen en geringe vergissingen

§ 35. De douaneautoriteit van de partij van invoer mag een verzoek om preferentiële tariefbehandeling niet afwijzen wegens geringe afwijkingen tussen het attest van oorsprong en de documenten die bij het douanekantoor worden ingediend, noch wegens geringe vergissingen in het attest van oorsprong.

1.4.4. Aan de importeur bekende informatie (Importer’s knowledge)

§ 36. De inhoud van artikel 3.19 ITA betreffende de aan de importeur bekende informatie luidt als volgt:

“1. De partij van invoer kan, in haar wet- en regelgeving, voorwaarden vaststellen om te bepalen welke importeurs een verzoek om preferentiële tariefbehandeling mogen baseren op de aan de importeur bekende informatie.

2. Niettegenstaande lid 1 is de aan de importeur bekende informatie dat een product van oorsprong is, gebaseerd op informatie waaruit blijkt dat het product voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus.“

§ 37. Het concept ‘aan de importeur bekende informatie’, ook gekend als “importer’s knowledge”, wordt verder uitgewerkt in §§ 102 tot en met 112 van deze circulaire.

1.4.5. Verplichting tot bewaren van gegevens

§ 38. Een importeur die verzoekt om preferentiële tariefbehandeling voor een in de partij van invoer ingevoerd product bewaart gedurende ten minste drie jaar na de datum van het verzoek om preferentiële behandeling van het product:

 het door de exporteur opgesteld attest van oorsprong als het verzoek op een oorsprongsverklaring werd gebaseerd; of

 alle documenten waaruit blijkt dat het product voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus, als het verzoek op aan de importeur bekende informatie werd gebaseerd.

§ 39. Een exporteur die een attest van oorsprong opstelt, bewaart gedurende ten minste vier jaar na het opstellen van dat attest, een kopie van dat attest en alle andere documenten waaruit blijkt dat het product voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus.

Alle documenten die door de importeur of exporteur moeten worden bewaard, mogen in elektronische vorm worden opgeslagen.

1.4.6. Vrijstellingen van de vereisten met betrekking tot attesten van oorsprong

§ 40. Producten die in colli door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, worden als producten van oorsprong toegelaten zonder dat een bewijs van oorsprong vereist is, op voorwaarde dat die producten niet als handelsgoederen worden ingevoerd en bij hun aangifte verklaard is dat zij aan de vereisten van dit hoofdstuk voldoen, en er over de juistheid van die verklaring geen twijfel bestaat.

§ 41. Invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de ontvangers, de reizigers of de leden van hun gezin wordt niet als invoer van handelsgoederen aangemerkt indien noch de aard, noch de hoeveelheid van de goederen op commerciële doeleinden wijst, op voorwaarde dat de ingevoerde producten geen deel uitmaken van invoer waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die afzonderlijk is verricht om te ontkomen aan het vereiste inzake een attest van oorsprong.

§ 42. De totale waarde van de in §41 vermelde producten mag niet meer bedragen dan:

Voor invoer in de Europese Unie:

 500 euro voor colli die door particulieren aan particulieren worden verzonden.

 1.200 euro voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Voor invoer in Chili:

een bedrag dat overeenkomt met 500 euro in de valuta van de partij voor colli die door particulieren aan particulieren worden verzonden;

 een bedrag dat overeenkomt met een waarde van 1.200 euro in de valuta van de partij voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

1.4.7. Controle

§ 43. Artikel 3.22 ITA bepaalt de procedure die de douaneautoriteit van de partij moet volgen om te bepalen of een product aan de oorsprongsregel voldoet en om te controleren of het recht op een preferentiële tariefbehandeling correct is.

§ 44. De douaneautoriteit van de partij van invoer die een verzoek om informatie stuurt naar de importeur mag niet meer dan de informatie vragen die nodig is om de verificatie correct uit te voeren.

De door de douaneautoriteit gevraagde informatie kan ten hoogste betrekking hebben op de volgende elementen:

a) ‘het attest van oorsprong, indien het verzoek om preferentiële behandeling op een attest van oorsprong werd gebaseerd; en

b) informatie over het voldoen aan de oorsprongscriteria, te weten:

i) als het oorsprongscriterium ‘volledig verkregen’ is, de toepasselijke categorie (zoals oogst, ontginning, bevissing) en plaats van productie;

ii) als het oorsprongscriterium is gebaseerd op een wijziging in tariefindeling, een lijst van alle niet van oorsprong zijnde materialen, met inbegrip van het tariefindelingsnummer ervan (in 2, 4 of 6 cijfers, afhankelijk van het oorsprongscriterium);

iii) als het oorsprongscriterium is gebaseerd op een waardemethode, de waarde van het eindproduct evenals de waarde van alle bij de productie gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen;

iv) als het oorsprongscriterium is gebaseerd op gewicht, het gewicht van het eindproduct alsook het gewicht van de desbetreffende in het eindproduct gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen; en

v) als het oorsprongscriterium is gebaseerd op een specifiek productieprocedé, een beschrijving van dat specifieke procedé.

§ 45. Wanneer de importeur de gevraagde informatie verstrekt, kan hij daaraan alle andere informatie toevoegen die hij met het oog op de verificatie nuttig acht.

§ 46. Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een door de exporteur opgesteld attest van oorsprong, kan de importeur dat attest van oorsprong verstrekken of kan hij de douaneautoriteit van de partij van invoer meedelen dat hij niet in staat is om de in § 44, onder b) van deze circulaire gevraagde informatie rechtstreeks te verstrekken.

§ 47. Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling werd gebaseerd op aan de importeur bekende informatie, dan kan de douaneautoriteit van de partij van invoer die de verificatie verricht de importeur om aanvullende informatie verzoeken die zij noodzakelijk acht om de oorsprongsstatus van het product te controleren. Indien nodig kan de douaneautoriteit van de partij van invoer de importeur eveneens om specifieke documentatie en informatie verzoeken.

§ 48. Als de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling wordt geschorst in afwachting van de resultaten van de verificatie, stelt de douaneautoriteit van de partij van invoer de importeur voor het product vrij te geven, zij het onder voorbehoud van passende conservatoire maatregelen, waaronder waarborgen. De schorsing wordt zo snel mogelijk opgeheven indien de douaneautoriteiten van mening zijn dat na de verificatie de preferentie kan worden toegekend.

1.4.8. Administratieve samenwerking

§ 49. De douaneautoriteiten van de partijen werken samen om te controleren of het product van oorsprong is en voldoet aan de voorwaarden.

§ 50. Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een attest van oorsprong, kan de douaneautoriteit van de partij van invoer die de verificatie verricht, indien zij dit nodig acht, aanvullende informatie vragen aan de douaneautoriteit van de partij van uitvoer om de oorsprongsstatus van de goederen te controleren en/of om na te gaan of aan de andere vereisten van de ITA is voldaan.

Alvorens over te gaan tot deze administratieve samenwerking dient de douaneautoriteit die de verificatie verricht eerst bij de importeur de in § 43-44 van deze circulaire vermelde informatie opvragen (waarvan minstens het attest van oorsprong vereist is). Vervolgens moet het verzoek worden verstuurd binnen de twee jaar te rekenen vanaf de datum van het verzoek om preferentiële behandeling.

§ 51. Dit verzoek bevat de volgende informatie:

§ 52. De douaneautoriteit van de partij van uitvoer die het verzoek om informatie ontvangt, moet van haar kant de volgende elementen verstrekken:

§ 53. De douaneautoriteit van de uitvoerende partij verstrekt bepaalde documenten niet zonder toestemming van de exporteur.

§ 54. Alle gevraagde informatie, met inbegrip van eventuele ondersteunende documenten en alle andere verwante informatie over de verificatie, moet bij voorkeur elektronisch worden uitgewisseld tussen de douaneautoriteiten van de partijen.

§ 55. De partijen verstrekken elkaar de coördinatoren van hun respectieve douaneautoriteiten en elke wijziging daarvan binnen 30 dagen na de wijziging.

1.4.9. Wederzijdse bijstand bij fraudebestrijding

§ 56. Bij een vermoede inbreuk op de bepalingen van de ITA, verlenen de partijen elkaar wederzijdse administratieve bijstand in overeenstemming met het Protocol inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken bij de interim handelsovereenkomst.

1.4.10. Weigering van toekenning van de preferentiële tariefbehandeling

§ 57. De douaneautoriteit van de partij van invoer kan, naargelang de situatie, de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling weigeren.

De termijnen waarna de douaneautoriteiten van het land van invoer de preferentiële tariefbehandeling kunnen weigeren zijn als volgt:

 Drie maanden na de datum van het eerste verzoek om informatie zoals bedoeld indien binnen die termijn:

 Drie maanden na de datum van een aanvullend verzoek om informatie indien er gebruik wordt gemaakt van ‘importer’s knowledge’ en er binnen die termijn:

 Tien maanden na een verzoek om informatie op grond van de administratieve samenwerking en er binnen die termijn:

§ 58. Als de importeur een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indient voor een product, maar wanneer hij niet voldoet aan de andere voorwaarden van hoofdstuk 3 van de ITA dan die welke betrekking hebben op de oorsprongsstatus van het product, dan kan de douaneautoriteit van de partij van invoer de preferentiële tariefbehandeling weigeren.

§ 59. Als de douaneautoriteit van de partij van uitvoer aan de douaneautoriteit van de partij van invoer een advies heeft overgemaakt waarin de oorsprongsstatus wordt bevestigd, maar deze laatste gegronde redenen heeft om de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling te weigeren, dan moet ze de douaneautoriteit van de partij van uitvoer binnen twee maanden na ontvangst van dat advies in kennis stellen van deze weigering.

§ 60. In geval van een dergelijke kennisgeving vindt binnen drie maanden na de datum van de kennisgeving op verzoek van een partij overleg plaats. De partijen kunnen de termijn voor overleg in onderlinge overeenstemming per geval verlengen. Als de termijn voor overleg is verstreken, dan kan de douaneautoriteit van de partij van invoer uitsluitend weigeren de preferentiële tariefbehandeling toe te kennen wanneer zij daartoe over voldoende gronden beschikt en nadat zij de importeur in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.

1.4.11. Vertrouwelijkheid

§ 61. De vertrouwelijke aard van alle informatie die van de andere partij wordt verkregen, moet worden gerespecteerd en die informatie moet worden beschermd tegen elke mogelijke vorm van openbaarmaking in overeenstemming met de wet- en regelgeving van elke partij.

Zo mag alle informatie die door de autoriteiten van de partij van invoer wordt verkregen, uitsluitend voor de toepassing van hoofdstuk 3 van de ITA worden gebruikt.

Tenzij onder deze titel anders is bepaald, ziet elke partij erop toe dat de vertrouwelijke informatie die wordt verzameld, niet wordt gebruikt voor andere doeleinden dan het beheer en de handhaving van besluiten en bepalingen met betrekking tot de oorsprong van producten en douanezaken, tenzij de persoon of de partij die de vertrouwelijke informatie heeft verstrekt, daarvoor toestemming heeft gegeven.

Een partij kan evenwel toestaan dat verzamelde informatie wordt gebruikt in administratieve, rechterlijke of buitengerechtelijke procedures die zijn ingeleid wegens niet-naleving van douanegerelateerde wet- en regelgeving waarmee aan dit hoofdstuk uitvoering wordt gegeven. Bovendien moet de partij de persoon of partij die de betrokken informatie heeft verstrekt, vooraf van die gebruikmaking in kennis stellen.

1.4.12. Restituties en verzoeken om preferentiële tariefbehandeling na invoer

§ 62. Elke partij bepaalt dat een importeur na invoer kan verzoeken om preferentiële tariefbehandeling en om restitutie van het teveel betaalde recht voor een product indien:

a) ‘de importeur op het tijdstip van invoer geen verzoek om preferentiële tariefbehandeling heeft ingediend;

b) het verzoek niet later dan twee jaar na de datum van invoer wordt ingediend; en

c) het betrokken product op het tijdstip van invoer in het kader op het grondgebied van de partij in aanmerking kwam voor preferentiële tariefbehandeling’.

Als voorwaarde voor een preferentiële tariefbehandeling op basis van een verzoek overeenkomstig lid 1, kan de partij van invoer verlangen dat de importeur:

a) ‘een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indient overeenkomstig de wet- en regelgeving van de partij van invoer;

b) in voorkomend geval het attest van oorsprong verstrekt; en

c) aan alle andere toepasselijke vereisten van dit hoofdstuk heeft voldaan alsof de importeur ten tijde van de invoer om preferentiële tariefbehandeling had verzocht.

1.4.13. Administratieve maatregelen en sancties

§ 63. Elke partij legt in overeenstemming met haar wet- en regelgeving administratieve maatregelen en, in voorkomend geval, sancties op aan ieder:

 die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel een preferentiële tariefbehandeling voor een product te verkrijgen; of

 die niet aan de verplichtingen inzake bewaarplicht voldoet; of

 die weigert toegang te verlenen aan de douaneautoriteiten die een verificatie uitvoeren in de bedrijfsruimten met oog op de controle van de gegevens en de inspectie van de bij de productie van het product gebruikte infrastructuur; of

 die een verzoek om preferentiële tariefbehandeling in de douaneaangifte niet corrigeert en het douanerecht niet betaalt zoals vereist, als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling was gebaseerd op onjuiste informatie.

2. Deel II: Het systeem van geregistreerde exporteur

2.1. Registratie van exporteurs en vrijstelling van registratieplicht

§ 64. Zoals vermeld in §27 is één van de twee opties om preferentiële tariefbehandeling te vragen het indienen van een attest van oorsprong dat is opgesteld door de exporteur in het land van oorsprong.

EU-exporteurs moeten beschikken over een REX-identificatienummer (REX = Registered Exporter System) indien zij zendingen met goederen van preferentiële EU-oorsprong met een waarde van meer dan 6.000 euro willen uitvoeren naar Chili. Dit nummer moet op het attest van oorsprong worden vermeld.

De marktdeelnemers in de EU die reeds zijn geregistreerd in de REX-database van de Europese Commissie om andere bewijzen van oorsprong die een REX-nummer dragen op te maken in kader van andere preferentiële overeenkomsten, kunnen het aan hen toegekende REX-nummer blijven gebruiken. Er hoeft dus geen uitbreiding van het gebruik van dat nummer te worden aangevraagd.

§ 65. Sinds 25 januari 2021 vervangt een nieuwe uitsluitend digitale procedure de papieren registratieprocedure (aanvraag in pdf-formaat verstuurd per e-mail). De marktdeelnemers aan wie nog geen REX-nummer is toegekend, kunnen het voortaan aanvragen via het portaal van de douanediensten van de Unie van DG TAXUD dat bestemd is voor de marktdeelnemers. Via dit portaal kunnen de marktdeelnemers zich inschrijven en hun inschrijving raadplegen.

Meer informatie over de registratieprocedure is beschikbaar via deze link:

https://financien.belgium.be/nl/douane_accijnzen/ondernemingen/facilitatie/rex-de-zelfcertificatie

§ 66. Het REX-nummer bestaat uit de ISO-code van het land (twee letters), gevolgd door ‘REX’, gevolgd door een reeks van maximaal 30 alfanumerieke tekens.

In België ziet het identificatienummer er als volgt uit: BEREXBE1234567890123.

De registratie is geldig vanaf de datum waarop onze bevoegde dienst de volledige registratieaanvraag ontvangt.

Het kan gebeuren dat de exporteur die de oorsprong moet bewijzen en die beschikt over een REX-nummer, wordt vertegenwoordigd door een andere exporteur die zal instaan voor de uitvoervoerformaliteiten en die eveneens een REX-nummer heeft. In zulk geval moet het REX-nummer van de exporteur inzake oorsprong worden gebruikt en niet het nummer van de vertegenwoordiger.

Wanneer het bedrag van de geëxporteerde goederen minder dan 6.000 euro bedraagt, dan wordt de exporteur vrijgesteld van de registratieplicht.

§ 67. De registratie in de REX-database van een exporteur die in de EU is gevestigd, is geldig voor het volledige douanegebied van de Unie zoals bepaald in artikel 26 van de DWU. Het REX-nummer mag worden gebruikt voor de export van producten in de verschillende lidstaten en niet alleen in de lidstaat waar het nummer werd uitgereikt.

Zoals eerder vermeld, hoeft een EU-exporteur zich slechts één keer te laten registreren in de REX-database. Vervolgens kan hij zijn REX-nummer gebruiken voor alle preferentiële overeenkomsten op grond waarvan de REX-registratie verplicht is. Indien de exporteur dus al is geregistreerd, onder meer in het kader van het Stelsel van Algemene Tariefpreferenties (SAP), hoeft hij zich niet meer opnieuw te registreren in het kader van deze nieuwe Overeenkomst.

2.2. Verplichtingen van de autoriteiten

§ 68. De verplichtingen die de autoriteiten moeten naleven, zijn beschreven in artikel 80 van het DWU IA. De Commissie heeft het systeem voor de registratie van exporteurs die bevoegd zijn om een verklaring inzake de oorsprong van goederen af te geven (het REX-systeem) opgezet en op 1 januari 2017 beschikbaar gesteld.

In België is de Dienst Operationele Expertise – Douane 1 (Oorsprong) van de centrale component van de Administratie Operations bevoegd voor de controle van de aanvraagformulieren die onmiddellijk een nummer van geregistreerd exporteur toekent aan de exporteur of, in voorkomend geval, aan de wederverzender van de goederen. Dat nummer van geregistreerd exporteur wordt vervolgens in het systeem gecodeerd, samen met de registratiegegevens die op het aanvraagformulier zijn ingevuld. Bij de invoering van deze gegevens geeft de dienst de begindatum van geldigheid van de REX-registratie in.

Het registratienummer en de begindatum van de geldigheid worden daarna meegedeeld aan de exporteur of wederverzender van de goederen.

Indien de Dienst Operationele Expertise – Douane 1 (Oorsprong) van mening is dat de gegevens in de aanvraag onvolledig zijn, moet hij de exporteur daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen.

Deze dienst is ook verantwoordelijk voor het bijwerken van de gegevens die in het REX-systeem zijn geregistreerd.

2.3. Toegangsrechten tot de databank

§ 69. Aangezien het systeem is opgezet door de Commissie, moet die ervoor zorgen dat toegang tot het REX-systeem wordt geboden in overeenstemming met artikel 82 van het DWU IA.

De Commissie heeft toegang tot alle gegevens.

De douaneautoriteiten van de lidstaten hebben toegang om de gegevens te raadplegen die door henzelf, door de douaneautoriteiten van andere lidstaten, en door de bevoegde autoriteiten van andere landen die het REX-systeem toepassen, werden geregistreerd.

Die toegang tot de gegevens dient voor de verificatie van douaneaangiften overeenkomstig artikel 188 van de DWU of voor de controles a posteriori overeenkomstig van artikel 48 van de DWU.

2.4. Gegevensbescherming

§ 70. De geregistreerde exporteurs krijgen informatie over:

 de rechtsgrond van de verwerkingen waarvoor de gegevens bestemd zijn;

 de bewaringstermijn van de gegevens.

Deze informatie wordt meegedeeld via een advies dat wordt bijgevoegd bij het ’verzoek tot registratie als geregistreerd exporteur’.

Elke bevoegde douaneautoriteit in een lidstaat die gegevens in het REX-systeem invoert, wordt beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking van die gegevens. De AADA wordt met andere woorden beschouwd als verantwoordelijke. Om te garanderen dat de geregistreerde exporteur zijn rechten kan laten gelden, wordt de Commissie echter beschouwd als gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van alle gegevens.

De rechten van de geregistreerde exporteur op het vlak van de verwerking van de gegevens die zijn opgeslagen in het REX-systeem en die worden verwerkt in het kader van de nationale systemen, worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetgeving ter omzetting van de Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.

De rechten van de geregistreerde exporteur met betrekking tot de verwerking van zijn registratiegegevens door de Commissie worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725.

Elk verzoek van een geregistreerd exporteur om het recht op toegang, rectificatie, uitwissen of afschermen van gegevens overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 uit te oefenen, wordt ingediend bij en onderzocht door de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens.

Wanneer een geregistreerd exporteur een dergelijk verzoek bij de Commissie indient zonder een poging te hebben gedaan zijn rechten bij de verwerkingsverantwoordelijke te doen gelden, stuurt de Commissie dat verzoek door naar de verwerkingsverantwoordelijke van de geregistreerde exporteur.

Wanneer de geregistreerde exporteur er niet in slaagt zijn rechten te doen gelden bij de verwerkingsverantwoordelijke, kan hij zijn verzoek indienen bij de Commissie, die dan als verwerkingsverantwoordelijke optreedt. De Commissie is immers gemachtigd om de gegevens te rectificeren, te wissen of te blokkeren.

De nationale toezichthoudende gegevensbeschermingsautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werken, elk binnen de grenzen van hun eigen bevoegdheden, samen en zorgen voor een gecoördineerd toezicht op de registratiegegevens.

Zo kunnen zij:

 relevante informatie uitwisselen;

 elkaar bijstaan in de uitvoering van controles en inspecties;

 problemen behandelen bij de uitlegging of toepassing van het DWU IA;

 zich buigen over problemen bij de uitoefening van het onafhankelijk toezicht of bij de uitoefening van de rechten van betrokkenen;

 geharmoniseerde voorstellen voor gemeenschappelijke oplossingen voor problemen opstellen; en

 indien nodig het bewustzijn over gegevensbeschermingsrechten bevorderen.

2.5. Bekendmaking

§ 71. Met instemming van de exporteur zal de Commissie de volgende informatie voor het publiek beschikbaar stellen:

 de naam van de geregistreerde exporteur;

 het adres van de plaats waar de geregistreerde exporteur is gevestigd;

 de contactgegevens zoals vermeld in vak 2 van het formulier;

 een indicatieve beschrijving van de goederen die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling, samen met een indicatieve lijst van posten of hoofdstukken van het GS, zoals vermeld in vak 4 van het formulier;

 het EORI-nummer of TIN-nummer (identificatienummer handelaar) van de geregistreerde exporteur.

De exporteur kan tijdens de online registratie zijn toestemming geven om zijn gegevens te publiceren. De weigering om deze toestemming te verlenen vormt geen geldige reden om de registratie van de exporteur te weigeren.

§ 72. De volgende gegevens zijn altijd toegankelijk voor het publiek, zonder voorafgaande toestemming van de exporteur:

 het nummer van geregistreerd exporteur;

 de begindatum van de geldigheid van de registratie;

 indien van toepassing, de datum van intrekking van de registratie;

 een vermelding of de registratie ook van toepassing is op uitvoer naar Noorwegen of Zwitserland;

 de datum van de laatste synchronisatie tussen het REX-systeem en de openbare website.

2.6. Verplichtingen van exporteurs

§ 73. Artikel 91 van de DWU IA somt op aan welke verplichtingen exporteurs en geregistreerde exporteurs moeten voldoen. Zo moeten ze:

 een passende boekhouding voeren met betrekking tot de productie en levering van goederen die voor preferentiële behandeling in aanmerking komen;

 alle bewijsstukken bewaren in verband met de materialen die zij bij de vervaardiging gebruiken;

 alle douanedocumenten bewaren in verband met de materialen die zij bij de vervaardiging gebruiken;

 de administratie in verband met de attesten van oorsprong die zij hebben opgesteld bewaren, alsook de rekeningen in verband met de van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde materialen, vervaardiging en voorraden. Die administratie moet worden bewaard gedurende een periode van drie jaar vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de attesten van oorsprong werden opgesteld, of langer indien het nationale recht dit vereist.

Die administratie mag in elektronisch formaat worden bewaard, zolang het aan de hand daarvan mogelijk is de materialen die bij de vervaardiging van de uitgevoerde producten zijn gebruikt, te traceren en hun oorsprong te bevestigen.

Hogervermelde verplichtingen zijn ook van toepassing op de door leveranciers aan exporteurs afgegeven leveranciersverklaringen met betrekking tot de oorsprong van de goederen die zij hebben geleverd.

3. Deel III: Oorsprongsbewijzen en praktische bepalingen

3.1. Het attest van oorsprong

3.1.1. Algemene voorwaarden betreffende het attest van oorsprong

§ 74. Een attest van oorsprong kan worden opgesteld voor:

 een eenmalige zending van één of meerdere producten die in het gebied van een partij worden geïmporteerd; of

 meerdere zendingen van identieke producten die binnen een periode, vermeld op het attest van oorsprong, in een partij worden geïmporteerd, waarbij deze periode niet langer dan 12 maanden mag zijn.

§ 75. Een attest kan worden afgegeven door een exporteur op basis van informatie en documentatie die aantonen dat het desbetreffende product van oorsprong is, inclusief de oorsprongsstatus van de materialen die werden gebruikt tijdens de productie ervan mocht dit van toepassing zijn.

§ 76. De exporteur is een persoon die zich op het grondgebied van een partij (EU of Chili) bevindt en die, in overeenstemming met de wet- en regelgeving van die partij, het product van oorsprong uitvoert of produceert. De exporteur hoeft het product van oorsprong dus niet zelf te hebben geproduceerd. Hij kan ook een handelaar zijn die het product van oorsprong exporteert zolang hij maar voldoet aan de bepalingen van de Overeenkomst.

De exporteur is verantwoordelijk voor de juistheid van het attest van oorsprong en de informatie die erop wordt vermeld.

§ 77. Het bestaat uit een voorgeschreven tekst en blanco velden die door de exporteur moeten worden ingevuld op basis van de informatie in de voetnoten (zie bijlage 3-C van de ITA). De tekst kan worden getypt, afgedrukt, gestempeld of met de hand geschreven op een factuur of ander handelsdocument (bijv. paklijst, afleveringsnota, pro forma factuur) waarop de exporteur en de producten van oorsprong in voldoende detail zijn beschreven om ze te kunnen identificeren in de nomenclatuur van het GS. Eventuele niet-oorsprongsproducten die op het document staan, moeten duidelijk worden onderscheiden van de oorsprongsproducten.

§ 78. Er bestaat geen specifieke methode om afzonderlijk niet-van oorsprong zijnde producten te identificeren. De toelichting in bijlage 3-E van de ITA geeft echter aan dat het volgende mogelijk is:

 “Door tussen haakjes achter elk artikel op het commerciële document aan te geven of de producten al dan niet van oorsprong zijn;

 Door twee rubrieken op de factuur op te nemen, namelijk één voor oorsprongsproducten en één voor niet-oorsprongsproducten, en de producten onder de juiste rubriek te vermelden; of

 Door elk product een nummer toe te wijzen en de nummers te vermelden die betrekking hebben op oorsprongsproducten en die betrekking hebben op niet-oorsprongsproducten.”

§ 79. Het attest van oorsprong mag ook worden opgesteld op een fotokopie van de factuur of van het commercieel document. Ook de achterzijde van de factuur of ander commercieel document is aanvaardbaar.

Het document moet de naam en het volledige adres van de exporteur en de ontvanger vermelden, evenals een gedetailleerde beschrijving van de producten, zodat deze geïdentificeerd kunnen worden. De datum waarop het attest van oorsprong is opgesteld, moet alleen worden vermeld als deze verschilt van de datum van de factuur of het andere commerciële document. Als de tariefindeling wordt vermeld op de factuur of het andere commerciële document, moet deze bij voorkeur ten minste op het niveau van de GS-post op vier cijfers) worden aangegeven. De brutomassa (in kg) of een andere passende meeteenheid, zoals liters of kubieke meters, van alle producten van oorsprong moet eveneens, indien van toepassing, worden aangegeven.

§ 80. Het attest van oorsprong kan door de exporteur op een apart vel papier worden opgesteld, al dan niet met een briefhoofd van de exporteur. Als de verklaring op een apart vel papier wordt opgesteld, moet dit vel deel uitmaken van de factuur of het andere commerciële document door middel van een verwijzing van de factuur of het andere commerciële document naar het aparte vel papier of vice versa.

Als de factuur of een ander commercieel document meerdere pagina’s bevat, moet elke pagina genummerd zijn en moet het totale aantal pagina’s worden vermeld. Een apart vel met het attest van oorsprong kan naar die factuur of ander commercieel document verwijzen.

§ 81. Het attest van oorsprong kan ook worden opgemaakt op een etiket dat permanent aan de factuur of een ander commercieel document is bevestigd, mits er geen twijfel bestaat over het feit dat het etiket door de exporteur is bevestigd.

§ 82. Hoewel het attest van oorsprong door de exporteur moet worden opgesteld en de exporteur verantwoordelijk is voor het verstrekken van voldoende detail om het product van oorsprong te identificeren, is er geen voorwaarde met betrekking tot de identiteit of de vestigingsplaats van de persoon die de factuur of het andere commerciële document invult, op voorwaarde dat dat document de exporteur duidelijk identificeert.

Als het niet mogelijk is voor de exporteur om attest van oorsprong op de factuur of het andere commerciële document te vermelden, kan een factuur of ander commercieel document van een derde land worden gebruikt, bijvoorbeeld wanneer een zending van producten van oorsprong in een derde land wordt gesplitst onder de voorwaarden van Artikel 3.14 (Niet-wijziging).

§ 83. Referentienummer en handtekening EU-exporteurs:

EU-exporteurs moeten hun geldige REX-nummer vermelden in het attest van oorsprong.

Exporteurs die niet in het REX-systeem zijn geregistreerd, mogen echter alleen attesten van oorsprong opstellen voor zendingen van producten van oorsprong met een waarde van niet meer dan 6 000 EUR.

In beide gevallen is de ondertekening van het attest van oorsprong niet vereist.

Operatoren uit de Europese Unie die reeds zijn geregistreerd in het REX-systeem van de Commissie in kader van eerdere preferentiële regelingen, kunnen het aan hen toegewezen REX-nummer blijven gebruiken. Er moet dus geen uitbreiding van het gebruik van dit nummer worden gevraagd.

Operatoren die nog niet over een REX-nummer beschikken kunnen dit vanaf 25 januari 2021 aanvragen via de EU Customs Trader Portal van DG TAXUD. Via dit portaal kunnen bedrijven zich registreren en hun registratie raadplegen. Meer informatie over de registratieprocedure kan hier worden teruggevonden: Geregistreerd exporteur (REX) - Zelfcertificatie | FOD Financiën

Gedetailleerde informatie over de wijze waarop u zich kunt registreren in het REX-systeem wordt beschreven in § 64 e.v. van deze circulaire of is beschikbaar op de website van DG TAXUD: REX – Registered Exporter system - European Commission.

§ 84. Referentienummer en handtekening Chileense exporteurs:

De Nationale Douanedienst van Chili zal van exporteurs vereisen dat zij hun Belastingidentificatienummer (in het Spaans vaak aangeduid als “Rol Único Tributario” of “RUT”) opnemen als referentienummer in de attesten van oorsprong, ongeacht de waarde van de producten van oorsprong in de zending. Het RUT volgt deze structuur: XX.XXX.XXX - Y, waarbij “X” altijd een getal is en “Y” een controlenummer of letter (bijvoorbeeld: 12.345.678-9, of 98.765.432-K). Het is belangrijk op te merken dat hoewel de RUT traditioneel wordt geschreven met een punt (“.”) tussen de duizendtallen en een koppelteken (“-”) voor het controlecijfer, het ontbreken van deze leestekens de geldigheid niet beïnvloedt. Bv., '123456789' of '98765432K' zijn nog steeds aanvaardbaar als geldige RUT-formaten.

Het nummer kan normaal gezien worden geraadpleegd via volgende website: Consultar Situación Tributaria De Terceros

Het attest van oorsprong moet steeds de naam en een (elektronische) handtekening van de Chileense exporteur bevatten, ongeacht de waarde van de oorsprongsgoederen die in de zending zijn opgenomen. Zie ook bijlage III van deze circulaire voor meer informatie betreffende de Chileense elektronische handtekeningen.

3.1.2. De formulering van het attest van oorsprong

§ 85. De verschillende taalversies van de tekst van het attest van oorsprong die op de factuur of een ander handelsdocument moet worden aangebracht en de toelichtingen zijn opgenomen in bijlage 3-C van de ITA. De douaneautoriteiten van de partij van invoer zullen geen vertaling van het attest van oorsprong eisen. De voorgeschreven tekst mag in geen enkel geval worden gewijzigd. Enkel de blanco velden moeten conform de voetnoten worden ingevuld. De voetnoten zelf hoeven niet te worden overgenomen.

Nederlandse versie

‘(Periode: van ………………. tot en met ………………(1))

De exporteur van de goederen waarop dit document van toepassing is (referentie van de exporteur nr. … (2)) verklaart dat, behoudens uitdrukkelijke andersluidende vermelding, deze goederen van preferentiële oorsprong uit ... zijn (3).

……………………………………………………………………………………………….…………………..

(Plaats en datum)(4)

...……………………………………………………………………………………………………………………

(Naam van de exporteur(5))

Verklarende noten

(1) Wanneer het attest van oorsprong wordt opgesteld voor meerdere zendingen van dezelfde producten van oorsprong in de zin van artikel 3:17, vijfde lid, punt b) van deze Overeenkomst: de periode gedurende welke het attest van oorsprong van toepassing dient te zijn. Die periode mag niet meer dan 12 maanden bedragen. Alle producten moeten binnen de aangegeven periode worden ingevoerd. Dit veld mag leeg blijven indien een periode niet van toepassing is.

(2) Vermeld het referentienummer aan de hand waarvan de exporteur kan worden geïdentificeerd. Voor de exporteurs van de Europese Unie is dit het overeenkomstig de wet- en regelgeving van de Europese Unie toegewezen nummer. Voor de exporteur van Chili is dat het overeenkomstig de wet- en regelgeving van Chili toegewezen nummer. Wanneer de exporteur geen nummer heeft, mag dit veld leeg blijven.

(3) Vermeld de oorsprong van het product: Chili of de Europese Unie (EU). Wanneer het attest van oorsprong geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla in de zin van artikel 3.29 van deze Overeenkomst, geeft de exporteur dat door middel van de letters ‘CM’ duidelijk aan op het document waarop de verklaring wordt gesteld.

(4) Plaats en datum kunnen achterwege blijven indien de informatie op het document zelf is aangegeven

(5) Indien de exporteur niet hoeft te ondertekenen, hoeft ook diens naam niet te worden vermeld’.

§ 86. Aanvulling bij voetnoot 3: EU-exporteurs moeten de oorsprong van hun producten aangeven met de woorden "Europese Unie", "EU" of een equivalente term in de officiële taalversies van de EU. Lidstaten mogen niet worden vermeld. Chileense exporteurs moeten "Chili" of “CL” vermelden. Een dubbele vermelding zoals "Europese Unie / Chili" is niet toegestaan, aangezien EU-exporteurs geen Chileense oorsprong kunnen verklaren en vice versa.

§ 87. Als de exporteur die het attest van oorsprong heeft opgesteld, redenen heeft om te geloven dat het onjuiste informatie bevat of gebaseerd is op dergelijke informatie, moet hij de importeur onmiddellijk (schriftelijk) informeren over elke wijziging die invloed heeft op de oorsprongsstatus van het product. In dit geval moet de importeur de invoeraangifte corrigeren en de toepasselijke douanerechten betalen die verschuldigd zijn.

3.1.3. Het attest van oorsprong bij meervoudige zendingen van identieke producten

§ 88. De ITA voorziet dat een attest van oorsprong ook kan worden gebruikt voor meerdere zendingen van identieke producten en dit binnen een termijn van maximum twaalf maanden.

Met identieke producten worden producten bedoeld die in alle opzichten overeenkomen met de producten die in de productomschrijving zijn beschreven en die hun oorsprong onder dezelfde omstandigheden hebben verkregen. Dit heeft als voordeel dat exporteurs slechts één attest van oorsprong moeten opstellen voor al deze zendingen van identieke producten binnen de op het attest bepaalde termijn.

§ 89. De procedure om preferentiële tariefbehandeling te vragen met een attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke goederen verschilt van het standaard attest van oorsprong voor een enkele zending.

In de praktijk moet het attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten worden geplaatst op de factuur of op een ander handelsdocument met betrekking tot de eerste zending van de identieke producten. Voor de latere zendingen moeten er geen nieuwe oorsprongsattesten worden opgesteld tot de termijn is verlopen. De importeur moet steeds het initiële attest van oorsprong kunnen voorleggen. In het gegevenselement ‘12 03 001 000’ (het vroegere vak 44) van de invoeraangifte moet voor de eerste en alle daaropvolgende zendingen de code ‘U124’ worden ingegeven, samen met de referentie van het document waarop het oorsprongsattest is geplaatst.

§ 90. Het attest van oorsprong voor meervoudige zendingen gebruikt hetzelfde model als het oorsprongsattest voor een enkele zending. Het belangrijkste verschil is dat de termijn bovenaan het attest moet worden ingevuld. De datum moet steeds dag, maand en jaartal vermelden. Het attest zal dan drie datums bevatten:

§ 91. Het kan ook voorvallen dat de eerste zending bestaat uit meerdere producten waarbij het de bedoeling is dat diezelfde producten meerdere malen zullen worden ingevoerd binnen een bepaalde periode (bijvoorbeeld, onderdelen voor de productie van wagens of ingrediënten bedoeld voor de farmaceutische industrie). Ook hiervoor mag een attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke goederen worden opgesteld, zelfs al worden bij de navolgende zendingen niet steeds alle goederen uit de eerste zending ingevoerd.

Voorbeeld: Een importeur voert een eerste zending in bestaande uit twintig verschillende onderdelen voor wagens. De exporteur plaatst op hun factuur een attest van meerdere zendingen van identieke goederen. De tweede zending bestaat uit twintig identieke onderdelen; de derde zending bestaat uit zes van de twintig onderdelen; de vierde zending uit vijftien van de twintig onderdelen; etc. De importeur kan voor al deze zendingen preferentiële tariefbehandeling vragen aangezien het telkens gaat om identieke goederen die reeds deel uitmaakten van de eerste zending.

§ 92. Het is evenwel niet toegestaan om het attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke goederen te gebruiken voor goederen die geen deel uitmaken van de eerste zending waarop het attest betrekking heeft, zelfs al gaat het ook om identieke producten die herhaaldelijk worden ingevoerd.

Voorbeeld: Een importeur voert een eerste zending in bestaande uit twintig verschillende onderdelen voor wagens. De exporteur plaatst op hun factuur een attest van meerdere zendingen van identieke goederen, maar voegt (al dan niet retroactief) een lijst toe van vijftig onderdelen waarvan er dertig geen deel uitmaakten van de eerste zending. De importeur kan op basis van het initiële attest van oorsprong van meerdere zendingen van identieke goederen géén preferentiële tariefbehandeling vragen voor deze dertig onderdelen aangezien ze geen deel uitmaakten van de eerste zending. In dergelijke gevallen moet men per zending een attest van oorsprong op de factuur of op het gebruikte handelsdocument vermelden.

§ 93. Een exporteur in de EU hoeft niet geregistreerd te zijn om een attest van oorsprong voor meerdere zendingen op te stellen wanneer elke zending afzonderlijk – waarop het attest van oorsprong betrekking heeft – niet meer dan 6.000 EUR bedraagt. Dit is ongeacht de totale waarde van alle zendingen samen in de periode waarop het attest van oorsprong betrekking heeft. Van zodra de waarde van één zending evenwel meer dan 6.000 EUR bedraagt, dient hiervoor ofwel een nieuw attest voor de zending afzonderlijk te worden opgesteld, of er moet een nieuw attest voor meerdere zendingen van identieke producten worden afgegeven. Om bovenstaande problemen te vermijden, adviseren we om steeds een REX-nummer te vermelden.

§ 94. Een attest van oorsprong voor meervoudige zendingen moet door de exporteur worden ingetrokken als niet langer aan de voorwaarden voor het gebruik ervan wordt voldaan. De intrekking moet samen met het oorspronkelijke attest van oorsprong voor meerdere zendingen worden geregistreerd. Wanneer de intrekking geregistreerd is, moet een nieuw attest van oorsprong worden opgesteld indien de geleverde producten opnieuw producten van oorsprong zijn.

§ 95. Het attest van oorsprong voor meervoudige zendingen van identieke goederen kan worden gebruikt als basis voor de preferentiële tariefbehandeling van invoeraangiftes die worden aanvaard tussen de begin- en einddatum die op het attest van oorsprong zijn vermeld. Invoeraangiften waarvan de data niet binnen de geldigheidsduur van het attest van oorsprong vallen, kunnen geen preferentiële tariefbehandeling genieten op basis van dat attest. Als het attest van oorsprong bv. een periode vermeldt voor zendingen van 1 maart 2025 tot en met 31 oktober 2025, dan kan dit attest niet worden gebruikt voor een zending van identieke goederen die wordt ingevoerd op 15 november 2025.

§ 96. De importeurs moeten altijd het attest van oorsprong aan de douaneautoriteiten kunnen voorleggen. De omschrijving van de producten van oorsprong in het document dat wordt gebruikt om het attest van oorsprong op te stellen en in de documenten die de daaropvolgende zendingen vergezellen, moet voldoende nauwkeurig zijn om de betrokken producten gemakkelijk te kunnen identificeren en vergelijken.

3.1.4. Geldigheid van het attest van oorsprong

§ 97 Een attest van oorsprong, zowel voor een enkele zending als voor meerdere zendingen van identieke goederen, is één jaar geldig vanaf de datum waarop het is opgesteld. Het moet binnen deze termijn worden ingediend om de preferentiële tariefbehandeling te verzoeken, hetzij wanneer de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, hetzij in het geval van een terugbetaling of kwijtschelding van de douanerechten indien de goederen reeds in het vrije verkeer zijn gebracht.

Indien een attest van oorsprong wordt opgesteld na de invoer van de goederen, moet er rekening worden gehouden met de bepalingen uit §108.

3.1.5. Vervanging van een bewijs van preferentiële oorsprong

§ 98. Hoewel dit niet in de ITA wordt vermeld, kan het attest van oorsprong binnen de Europese Unie worden vervangen. Aangezien het hier gaat om een interne regel van de Europese Unie is de wettelijke grondslag met betrekking tot de vervanging van het bewijs van preferentiële oorsprong opgenomen in artikel 69 DWU IA.

Wanneer producten van oorsprong waarop een bewijs van preferentiële oorsprong betrekking heeft dat eerder is afgegeven of opgesteld voor de toepassing van een preferentiële tariefmaatregel nog niet voor het vrije verkeer zijn vrijgegeven en onder toezicht van een douanekantoor in de Unie zijn geplaatst, kan het oorspronkelijk oorsprongsattest door een of meer vervangende oorsprongsattesten worden vervangen om alle of een deel van die producten naar een andere plaats in de Europese Unie te zenden.

§ 99. Het vervangende attest van oorsprong moet worden opgesteld in dezelfde vorm als het oorspronkelijke oorsprongsattest; in het kader van de Overeenkomst tussen de EU en Chili moet daarbij de tekst worden gebruikt die is opgenomen in §85 bij deze Circulaire.

§ 100. Wie dat vervangende oorsprongsdocument opstelt, hangt af van de totale waarde van de producten van oorsprong in de oorspronkelijke zending. Zo kan een vervangend document worden opgesteld door:

 een toegelaten of geregistreerd exporteur in de EU, die de goederen doorzendt, ongeacht de waarde van de producten van oorsprong die deel uitmaken van de oorspronkelijke zending;

 een niet-toegelaten of niet-geregistreerd wederverzender van goederen in de EU wanneer de totale waarde van de producten van oorsprong in de op te splitsen oorspronkelijke zending niet hoger is dan 6.000 euro;

 een niet-toegelaten of niet-geregistreerd wederverzender van goederen in de Europese Unie wanneer de totale waarde van de producten van oorsprong in de op te splitsen oorspronkelijke zending hoger is dan 6.000 euro en er bij het vervangende oorsprongsdocument een kopie van het oorspronkelijke oorsprongsdocument is gevoegd.

§ 101. Wanneer overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, tweede lid, DWU IA, een wederverzender niet toegelaten noch geregistreerd is en de waarde van de producten van oorsprong in de op te splitsen oorspronkelijke zending hoger is dan 6.000 EUR en het om welke reden dan ook onmogelijk is om een kopie van het oorspronkelijke oorsprongsdocument bij te voegen (bijvoorbeeld in het geval van een handelsgeheim), dan mag dat document in de vorm van een certificaat EUR.1 worden afgeleverd door het douanekantoor dat voor de goederen bevoegd is.

3.2. Aan de importeur bekende informatie

§ 102. Het concept van ‘aan de importeur bekende informatie’ of ‘importer’s knowledge’ is gebaseerd op de commerciële relatie tussen de exporteur en de importeur. Een importeur die ervan gebruik wil maken, moet van de exporteur de nodige informatie en documentatie aangaande de oorsprong van het product bekomen. Wanneer de importeur in de partij van invoer de tariefpreferentie aanvraagt moet hij op basis van die informatie kunnen bewijzen dat de ingevoerde producten van oorsprong zijn. Met aan de importeur bekende informatie kunnen importeurs er dus voor kiezen om tariefpreferenties aan te vragen op basis van de informatie waarover zij beschikken over de preferentiële oorsprong van de goederen die zij invoeren.

§ 103. Aan de importeur bekende informatie veronderstelt dat de exporteur van het product dit bewijs aan de importeur verstrekt in de vorm van bewijsstukken of bescheiden. Daarbij kan het gaan om bedrijfsgevoelige informatie van de exporteur, zoals prijsberekeningen, materiaallijsten en leveranciersinformatie. De informatie waarover hij beschikt, moet nauwkeurig en tastbaar bewijs zijn dat het product als van oorsprong kan worden beschouwd en bij controle kan worden overgelegd. De importeur moet beschikken over documenten aan de hand waarvan de douaneautoriteit van het land van invoer de oorsprong van de goederen kan controleren. De importeur moet de bewijsstukken of bescheiden waaruit de preferentiële oorsprong van de producten blijkt, voor minstens 3 jaar vanaf de datum van invoer bewaren. Bovendien kunnen de ondersteunende documenten, hetzij origineel, hetzij in de vorm van een kopie, zowel elektronisch (bijv. PDF, Excel, Word) als op papier worden bewaard.

§ 104. Wanneer EU-importeurs ervoor kiezen om aan de importeur bekende informatie toe te passen, moeten zij met de exporteur de nodige afspraken maken om de nodige informatie en documenten te bekomen waaruit de preferentiële oorsprong van de ingevoerde goederen blijkt.

§ 105. Mocht de importeur gebruik maken van een douanevertegenwoordiger, wordt hem bovendien aangeraden de voorwaarden voor het gebruik van aan de importeur bekende informatie te formaliseren om aanspraak te maken op de tariefpreferentie in het dienstencontract of het vertegenwoordigingsmandaat.

§ 106. Mocht de importeur in de partij van invoer vaststellen dat hij, vóórdat hij het verzoek om preferentiële tariefbehandeling heeft ingediend, niet over de nodige informatie zal kunnen beschikken, dan mag de exporteur in de partij van uitvoer alsnog een attest van oorsprong opstellen en aan de importeur bezorgen. Dit kan voorkomen wanneer de exporteur van mening is dat bepaalde informatie vertrouwelijk is.

§ 107. Een door de exporteur opgesteld attest van oorsprong mag niet worden gebruikt als bewijsstuk in het kader van ‘importer’s knowledge’. Indien de exporteur beschikt over een correct en geldig attest van oorsprong raden we steeds aan om tariefpreferenties aan te vragen op basis van dat attest in plaats van op ‘importer’s knowledge’.

§ 108. De importeur die gebruikmaakt van aan de importeur bekende informatie hoeft niet in de REX-databank te worden geregistreerd.

§ 109. De bij te houden informatie heeft voornamelijk betrekking op de oorsprongscriteria en de naleving van de desbetreffende oorsprongsregels:

 als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een specifiek productieprocedé, een specifieke beschrijving van dat procedé;

 als het oorsprongscriterium ‘volledig verkregen’ was, de toepasselijke categorie (zoals oogst, ontginning, bevissing) en plaats van productie;

 als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een waardemethode, de waarde van het product alsmede de waarde van alle bij de productie gebruikte niet van oorsprong zijnde of, waar nodig om de naleving van de voorwaarde met betrekking tot waarde vast te stellen, van oorsprong zijnde materialen

 als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op gewicht, het gewicht van het product alsmede het gewicht van de desbetreffende in het product verwerkte niet van oorsprong zijnde of, waar nodig om de naleving van de voorwaarde met betrekking tot gewicht vast te stellen, van oorsprong zijnde materialen;

 als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een wijziging in tariefindeling, een lijst van alle niet van oorsprong zijnde materialen, met inbegrip van het tariefindelingsnummer ervan overeenkomstig het geharmoniseerd systeem (in twee, vier of zes cijfers, afhankelijk van de oorsprongscriteria).

§ 110. De documenten of gegevens die moeten worden verstrekt om aan de importeur bekende informatie aan te tonen, zijn afhankelijk van de respectieve oorsprongscriteria en andere toepasselijke oorsprongsregels. De douane kan ook de lokalen bezoeken, bijvoorbeeld om rechtstreeks toegang te krijgen tot de administratie. In het geval van verbonden ondernemingen kan toegang tot de administratie van de exporteur op deze manier mogelijk zijn.

De bewijsstukken omvatten handelsdocumenten en andere documenten die door de exporteur zijn verstrekt, documenten die zijn afgegeven door andere overheidsinstanties in de EU of in derde landen, of openbaar beschikbare informatie.

§ 111. De volgende niet-uitputtende lijst bevat de documenten of bescheiden die eventueel kunnen worden overgelegd:

 Voorbeelden van handelsdocumenten en andere documenten waarover de exporteur beschikt, zijn onder meer:

 Voorbeelden van documenten die door andere overheidsinstanties zijn afgegeven, zijn:

 Voorbeelden van openbaar beschikbare informatie die kan helpen bij het vaststellen van de door de importeur verstrekte informatie zijn:

§112. Een importeur moet over volledige en correcte informatie en documentatie beschikken voor de desbetreffende producten indien hij gebruik wenst te maken van aan de importeur bekende informatie. Een spreadsheet, foto’s van het productieproces of een leveranciersverklaring alleen zullen het dus niet mogelijk maken om de processen of de plaats van productie te beoordelen. Zij moeten worden aangevuld met commerciële of contractuele documenten en informatie. Wanneer de importeur de producten verkrijgt van een leverancier die ze niet heeft vervaardigd, mag hij geen aanspraak maken op tariefpreferenties op basis van aan de importeur bekende informatie, tenzij hij van die leverancier-wederverkoper de documenten en informatie kan verkrijgen die nodig zijn om de kennis van de importeur aan te tonen. Het is evenmin voldoende om over een soort van verklaring te beschikken waarin de exporteur zegt dat de producten van oorsprong zijn volgens een bepaald criterium.

De ontvankelijkheid van de documenten wordt overgelaten aan het oordeel van de controlerende douanediensten.

3.3. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling na invoer

§ 113 In de Europese Unie wordt een verzoek om preferentiële tariefbehandeling normaal gezien ingediend op het moment dat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, maar het verzoek kan ook betrekking hebben op een terugbetaling of kwijtschelding van reeds betaalde invoerrechten bij vroegere ingevoerde zendingen. De indiening van een verzoek om preferentiële tariefbehandeling na de invoer is voorzien in artikel 3.27 van de ITA.

Op grond van dit artikel kunnen importeurs een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indienen als ze dat niet hebben gedaan op het moment van het in het vrije verkeer brengen van de goederen en niet later dan twee jaar na die datum.

Wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling gebaseerd is op een attest van oorsprong, moet het verzoek bovendien worden ingediend binnen de geldigheidsduur van het attest, zijnde twaalf maanden.

3.3.1. Attest van oorsprong voor een enkele zending

§ 114. Het attest van oorsprong kan op eender welk moment worden opgesteld, dus zowel vóór, op moment van als na de uitvoer van de betreffende producten.

De exporteur moet evenwel nog steeds rekening houden met de geldigheidstermijn van 12 maanden. Van zodra deze termijn is verlopen, kan het attest van oorsprong niet meer worden gebruikt als basis voor een verzoek om preferentiële tariefbehandeling. Hoewel het attest van oorsprong in principe apart gedateerd moet zijn, is het eveneens toegelaten dat men hiervoor verwijst naar de factuurdatum of de datum van het handelsdocument. Wanneer de exporteur echter in het kader van een terugbetalingsdossier een attest van oorsprong plaatst op een factuur die meer dan 12 maanden oud is zonder deze apart te dateren, zal dit attest moeten worden afgewezen wegens een verlopen geldigheidstermijn. Er kan immers enkel worden verwezen naar de initiële factuurdatum. Daarom is het belangrijk dat het attest van oorsprong dat na de invoer wordt opgesteld ook apart wordt gedateerd. Op deze manier kunnen dergelijke problemen worden vermeden.

3.3.2. Attest van oorsprong voor meervoudige zendingen van identieke producten

§ 115. Een attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten kan achteraf worden opgesteld en ingediend, afhankelijk van het feit of de importeur al dan niet reeds een verzoek om preferentiële tariefbehandeling heeft ingediend.

§ 116. Scenario 1:

Er werd reeds een verzoek om preferentiële tariefbehandeling ingediend voor één of meerdere zendingen van identieke producten zonder dat een attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten op dat moment bestond.

Voor deze zendingen kan er geen attest voor meerdere zendingen van identieke producten worden opgesteld. Er wordt dan immers een situatie gecreëerd waarbij er geen attest van oorsprong bestond op het moment van het verzoek om preferentiële tariefbehandeling. Het attest kan niet met terugwerkende kracht worden toegepast wanneer er al een verzoek werd ingediend. Met andere woorden, het attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten heeft geen retroactieve werking.

Voorbeeld:

Een Chileense exporteur begint op 1 mei 2025 met de uitvoer van zendingen van identieke producten naar zijn EU-klant, maar heeft hiervoor nog geen attest van oorsprong voor meerdere zendingen opgesteld. De EU-importeur klaart deze zendingen direct in en vraagt eveneens direct de preferentiële tariefbehandeling in de veronderstelling dat het attest zal worden opgestuurd. Uiteindelijk stelt de Chileense exporteur pas op 1 augustus 2025 een attest van oorsprong op met als begindatum 1 mei 2025 en als einddatum 30 april 2026. Dit attest kan niet gebruikt worden voor de eerdere zendingen waarvoor reeds preferenties werden gevraagd. Het kan echter wel worden gebruikt voor de identieke zendingen die vanaf de datum van opstellen (1 augustus) worden ingevoerd zolang de opgegeven termijn niet wordt overschreden.

Voor de zendingen die reeds werden ingevoerd kan er nog preferentiële tariefbehandeling worden gevraagd op basis van een attest van oorsprong per zending.

§ 117. Scenario 2:

Er werden verschillende zendingen van identieke producten ingevoerd zonder dat de preferentiële tariefbehandeling werd gevraagd. In dat geval kan er wel nog een attest van oorsprong voor meerdere zendingen achteraf worden opgesteld om de preferenties te vragen voor deze eerdere zendingen. Afhankelijk van de termijn die wordt ingevuld, kan het attest ook worden gebruikt voor toekomstige zendingen van identieke producten zolang de maximale termijn van 12 maanden niet wordt overschreden.

De begindatum moet verwijzen naar de datum van de eerste zending die zonder preferentie werd ingevoerd of naar een eerder tijdstip, bijvoorbeeld het tijdstip van uitvoer.

De einddatum kan verwijzen naar een zending die al is ingevoerd zonder gebruik te hebben gemaakt van preferenties of naar een toekomstige zending van identieke producten die nog zal worden ingevoerd na de datum van opstellen van het oorsprongsattest. In ieder geval moeten alle invoeren die onder de regeling zullen vallen, plaatsvinden binnen de aangegeven periode.

De importeur mag dan retroactief een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indienen vanaf de datum waarop het attest van oorsprong werd opgesteld.

Voorbeeld:

Een EU-importeur voert in de periode mei, juni en juli 2025 chemische producten in zonder dat er preferenties werden gevraagd. De eerste zending werd ingevoerd op 20 mei 2025. De Chileense exporteur stelt op 1 september 2025 een attest van oorsprong voor meerdere zendingen op met als startdatum de datum van invoer in de EU. Aangezien er nog zendingen gepland zijn, geeft de Chileense exporteur als einddatum 19 mei 2026 op. De EU-importeur kan op basis van dit attest vanaf 1 september 2025 een terugbetalingsdossier opstarten en de preferenties vragen voor de zendingen die sinds 20 mei 2025 werden ingevoerd. Hij kan datzelfde attest eveneens gebruiken voor de toekomstige zendingen van identieke producten tot en met 19 mei 2026.

§ 118. Voor wat betreft de uiterste termijn om het attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten in te dienen, is hetzelfde principe van toepassing zoals beschreven in §113.

3.3.3. Aan de importeur bekende informatie

§ 119. Aangezien er bij aan de importeur bekende informatie geen mogelijkheid is voorzien om administratieve samenwerking op te starten, kan een verzoek om preferentiële tariefbehandeling tot drie jaar vanaf het ontstaan van de douaneschuld worden ingediend.

3.4. Overgangsbepalingen

§ 120. Een verzoek om preferentiële tariefbehandeling mag worden ingediend voor goederen van oorsprong die voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk 3 van de ITA en die, op de datum van inwerkingtreding van de Interimovereenkomst, in transit zijn of zich in tijdelijke opslag bevinden in een douaneopslagplaats of een vrije zone in de EU of Chili, op voorwaarde dat een attest van oorsprong aan de douaneautoriteiten van de invoerende partij wordt overgelegd.

In tegenstelling tot andere overeenkomsten, voorziet de ITA niet in een specifieke termijn waarbinnen een attest van oorsprong kan worden ingediend voor goederen die vallen onder de overgangsbepalingen.

De importeur kan in de praktijk een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indienen tot 2 jaar na de inwerkingtreding van de ITA, oftewel tot en met 31 januari 2027; hetzij op het moment dat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, hetzij later in overeenstemming met artikel 3.27, lid 1, onder b). Het verzoek om preferentiële tariefbehandeling kan worden ingediend op basis van een attest van oorsprong dat vanaf de inwerkingtreding van de Interimovereenkomst is opgesteld, dat wil zeggen niet eerder dan 1 februari 2025.

Let op! Aan de importeur bekende informatie kan niet worden gebruikt om preferentiële tariefbehandeling aan te vragen voor goederen die zich in transit of tijdelijk opslag in een douaneopslagplaats of in een vrijhandelszone binnen de EU of Chili bevinden (d.w.z. op 1 februari 2025).

3.5. Samenvatting gebruik van de oude en nieuwe oorsprongsbewijzen

§ 121.

Voor 1 februari 2025

Na 1 februari 2025

3.6. Te gebruiken codes op de douaneaangifte

§ 122. De preferentiële tariefbehandeling wordt in de praktijk gevraagd door op de douaneaangifte een bepaalde combinatie van codes in te vullen in de daartoe bestemde gegevenselementen (G.E) of vakken.

Voor wat betreft de Interim handelsovereenkomst zijn de volgende codes van toepassing:

G.E. 16 09 000 000 (vak 34) – land van preferentiële oorsprong:

 ISO-landcode ‘CL’: met deze code wordt aangegeven dat de goederen van Chileense preferentiële oorsprong zijn.

G.E. 14 11 000 000 (vak 36) - preferentiecode:

 300: verzoek om preferentiële tariefbehandeling

G.E. 12 03 002 000 (vak 44) - bewijsstukken:

 U123 : attest van oorsprong;

 U124 : attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten. Deze code moet steeds worden gekoppeld aan de referentie van het oorspronkelijke handelsdocument waarop het initiële oorsprongsattest wordt gebruikt.

 U125 : wanneer het verzoek is gebaseerd op aan de importeur bekende informatie of ‘Importer’s knowledge’.

§ 123. Voor wat betreft de uitvoer kunnen volgende codes worden vermeld:

G.E. 16 08 000 000 (vak 34):

 ISO-landcode van EU-lidstaat van oorsprong

G.E. 12 03 001 000 (vak 44):

 U123: wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling in Chili is gebaseerd op een oorsprongsattest voor één enkele zending.

 U124: wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling in Chili gebaseerd is op een oorsprongsattest voor meerdere zendingen van identieke producten.

De code U125 hoeft niet te worden vermeld op de exportaangifte. In dit geval legt de exporteur geen specifieke verklaring over de oorsprong af. Hij hoeft de relevante informatie enkel door te geven aan de importeur van de andere partij.

Voor meer informatie kunt u terecht op de website van AGD&A - Gegevensvereisten voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus: Toelichtingen voor de gegevenssets | FOD Financiën (belgium.be).

4. Deel IV: Verificatie

4.1. Verificatieprocedure Interim handelsovereenkomst

§ 124. De douaneautoriteit van de partij van invoer kan een verificatie verrichten om vast te stellen of een product van oorsprong is en of aan de andere vereisten met betrekking tot oorsprong opgenomen in de ITA is voldaan.

Wanneer de douaneautoriteit van de partij van invoer aan de hand van de verificatie kan vaststellen dat aan alle voorwaarden voor de toekenning van een preferentiële tariefbehandeling is voldaan, kent zij de preferentiële tariefbehandeling voor de betrokken producten zo spoedig mogelijk toe.

Omgekeerd kan de douaneautoriteit, indien zij tijdens het verificatieproces tot de conclusie komt dat niet aan alle voorwaarden voor de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling is voldaan, de preferentiële tariefbehandeling weigeren in overeenstemming met artikel 3.25, lid 1 en 2 ITA.

De verificatieprocedure kan worden gestart op basis van een risicobeoordelingsmethode, met inbegrip van een willekeurige selectie, naar aanleiding van een verzoek om tariefbehandeling door de importeur, hetzij in de douaneaangifte voor het vrije verkeer, hetzij achteraf in een verzoek om terugbetaling.

De douaneautoriteit van de partij van invoer kan de verificatie verrichten hetzij op het tijdstip van de douaneaangifte ten invoer (dus vóór de vrijgave van de producten), hetzij na de vrijgave van de producten verrichten.

De vrijgave van producten kan worden onderworpen aan het stellen van een garantie of het nemen van andere passende beschermende maatregelen.

De verificatieprocedure hangt af van de wijze waarop de preferentiële tariefbehandeling werd aangevraagd::

§ 125. Het verzoek om een preferentiële tariefbehandeling gebaseerd is op een attest van oorsprong:

De douaneautoriteit van de partij van invoer vraagt de importeur om het attest van oorsprong en om eventuele andere bewijsstukken (artikel 3.22, onder b), van de ITA) die zij noodzakelijk acht. De importeur kan ook alle andere informatie toevoegen die hij met het oog op de verificatie nuttig acht. Er moet binnen de drie maanden te rekenen vanaf de datum van het verzoek om inlichtingen een antwoord worden gegeven, zo niet kan de preferentiële tariefbehandeling voor de betrokken producten worden geweigerd.

Indien de douaneautoriteit van de partij van invoer een antwoord ontvangt van de importeur – minstens een kopie van het attest van oorsprong – kan zij de autoriteit van de partij van uitvoer in het kader van de procedure voor administratieve samenwerking een verzoek om inlichtingen toezenden. Dit verzoek moet worden ingediend binnen de twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop de preferentiële tariefbehandeling werd aangevraagd; dat wil zeggen hetzij de datum van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van het (de) betrokken product(en), hetzij de datum van het verzoek om kwijtschelding/terugbetaling.

Indien een verzoek om inlichtingen wordt ingediend in het kader van de administratieve samenwerking, moet de douaneautoriteit van de partij van uitvoer antwoorden binnen een termijn van 10 maanden. Indien binnen deze termijn geen antwoord is ontvangen of indien de oorsprong van de producten aan de hand van de ontvangen informatie niet kan worden bevestigd, kan de douaneautoriteit van de partij van invoer de preferentiële tariefbehandeling weigeren.

§ 126. Het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op de aan de importeur bekende informatie:

De douaneautoriteit van de partij van invoer vraagt de inlichtingen rechtstreeks aan de importeur. De importeur kan alle andere inlichtingen toevoegen die hij met het oog op de verificatie nuttig acht en moet binnen de drie maanden te rekenen vanaf de datum van het verzoek om inlichtingen een antwoord geven.

Indien de importeur niet binnen deze termijn antwoordt of indien de verstrekte inlichtingen niet bevestigen dat de goederen van oorsprong zijn, kan de douaneautoriteit van de partij van invoer de preferentiële tariefbehandeling weigeren.

Wanneer de verstrekte inlichtingen onvoldoende zijn om de oorsprong van de producten te bevestigen, maar de douaneautoriteit van de partij van invoer van oordeel is dat de importeur aanvullende inlichtingen kan verstrekken om de oorsprong te bevestigen, kan zij deze specifieke documenten en inlichtingen opvragen.

De importeur beschikt over een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van het verzoek. Indien echter binnen deze termijn geen antwoord is ontvangen of indien de importeur aanvullende inlichtingen verstrekt, maar alle informatie tezamen nog steeds onvoldoende is om te bevestigen dat de goederen van oorsprong zijn, kan de douaneautoriteit van de partij van invoer het verzoek om een preferentiële tariefbehandeling afwijzen.

In het kader van de aan de importeur bekende informatie is er geen administratieve samenwerking met de partij van uitvoer. De importeur moet dus aan alle verplichtingen voldoen en als hij deze niet nakomt en de gevraagde informatie niet verstrekt, kan dit leiden tot weigering van de preferentiële tariefbehandeling en eventueel tot administratieve maatregelen of sancties.

4.2. Vertrouwelijkheid van informatie

4.2.1. Door de exporteur verstrekte informatie

§ 127. Voor het vaststellen van de preferentiële oorsprong van een product is gedetailleerde informatie nodig, die vertrouwelijk kan zijn, aangezien openbaarmaking van dergelijke informatie de commerciële belangen van de betrokken exporteur zou kunnen schaden. Dit betekent dat de exporteur bepaalde informatie mogelijk niet met de importeur wil delen, maar ook dat de douaneautoriteiten van beide partijen de verzamelde informatie volledig vertrouwelijk moeten behandelen.

De exporteur is vrij om te bepalen welke informatie over de oorsprong van de producten hij met de importeur deelt, indien van toepassing. De exporteur kan besluiten:

 geen vertrouwelijke informatie te delen. In dat geval zal de importeur waarschijnlijk een preferentiële tariefbehandeling moeten aanvragen op basis van een attest van oorsprong, of

 voldoende informatie, met inbegrip van vertrouwelijke informatie, met de importeur te delen, zodat deze laatste zijn aanvraag kan baseren op aan de importeur bekende informatie. Deze informatie moet beschikbaar zijn op het moment dat de aanvraag wordt ingediend.

Wanneer de invoerende partij via administratieve samenwerking de uitvoerende partij verzoekt om een verificatie van de oorsprong van het product, is het aan de exporteur om, overeenkomstig artikel 3.23, lid 6, van de ITA, te beslissen of de documentatie die hij aan de douaneautoriteit van de uitvoerende partij verstrekt, door die autoriteit mag worden doorgestuurd naar de douaneautoriteit van de invoerende partij.

Directe verzoeken om informatie van de douaneautoriteit van de invoerende partij aan de exporteur, of deelname aan bezoeken aan de bedrijfsruimten van de exporteur zijn niet mogelijk.

4.2.2. Rechten en verplichtingen van de partijen

§ 128. Artikel 3.26 van de ITA verplicht elke partij om de vertrouwelijkheid van informatie die door de andere partij wordt verstrekt op grond van hoofdstuk 3 inzake oorsprongsregels en oorsprongsprocedures, te beschermen tegen openbaarmaking en het gebruik ervan te beperken tot de doeleinden van dit hoofdstuk. Niet-naleving van deze bepalingen, voor beide partijen binnen de grenzen van hun eigen wetgeving inzake gegevensbescherming, vormt een schending van de verplichtingen uit hoofde van de ITA.

Gevoelige informatie omvat doorgaans de beschrijving en uitleg van het productieproces die voldoende is om de oorsprong van het product vast te stellen.

Vertrouwelijke informatie die door de douaneautoriteiten van de importerende partij is verkregen, mag worden gebruikt in administratieve, gerechtelijke of quasi-gerechtelijke procedures wegens niet-naleving van de vereisten van hoofdstuk 3 inzake oorsprongsregels en oorsprongsprocedures. Er bestaat een verplichting tot voorafgaande kennisgeving aan de persoon of partij die de informatie heeft verstrekt.

De zogenaamde “doelbindingsclausule” houdt in dat alle informatie door elke partij uitsluitend mag worden gebruikt voor het beheer en de handhaving van beslissingen en vaststellingen met betrekking tot de oorsprong en douanezaken, behalve met toestemming van de persoon of partij die de vertrouwelijke informatie heeft verstrekt.

4.3. Verificatieprocedure Associatieovereenkomst

§ 129. In het geval van goederen die nog preferentiële tariefbehandeling hebben genoten op basis van de associatieovereenkomst, zijn de bepalingen uit Bijlage III – Definitie van het begrip “producten van oorsprong” en regelingen voor administratieve samenwerking uit die associatieovereenkomst van toepassing.

5. Deel V: Voorafgaande besluiten en beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

5.1. Voorafgaande besluiten

§ 130. Voor de toepassing van artikel 4.14 van de ITA wordt onder ‘voorafgaand besluit’ begrepen een schriftelijk besluit dat voorafgaand aan de invoer van een goed waarop de aanvraag betrekking heeft aan een aanvrager wordt verstrekt en waarin wordt beschreven welke behandeling de partij ten tijde van de invoer op het goed zal toepassen.

Dit artikel stelt dat elke partij, via haar douaneautoriteit, een besluit vooraf kan uitbrengen waarin de behandeling wordt omschreven die zal worden toegepast op goederen waarvoor een verzoek om informatie werd ingediend. De aanvrager dient een schriftelijk verzoek in met alle nodige informatie, op papier of in elektronische vorm, in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de partij die het besluit vaststelt. De bevoegde autoriteit die de aanvraag heeft ontvangen, neemt een besluit en deelt deze binnen de vastgestelde termijn mee aan de aanvrager.

Deze besluiten vooraf kunnen betrekking hebben op de tariefindeling van de goederen, de oorsprong van de goederen, met inbegrip van de kwalificatie daarvan als goederen van oorsprong uit hoofde van de bovenstaande bepalingen, of enige andere door de partijen overeengekomen aangelegenheid, in het bijzonder wat betreft de methode of de criteria die moeten worden toegepast om de douanewaarde van de goederen te bepalen.

Elke partij maakt ten minste het volgende bekend:

5.2. De beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

§ 131. Een economische operator kan op basis van artikel 33 DWU een beschikking betreffende een bindende inlichting inzake oorsprong aanvragen bij de bevoegde douaneautoriteiten.

Er kan een BOI worden aangevraagd als er twijfel bestaat over de bepaling van de oorsprong en om rechtszekerheid te verkrijgen over een preferentiële oorsprongsbepaling. In de BOI wordt aangegeven of de goederen al dan niet als product van oorsprong kunnen worden beschouwd.

Deze voorafgaande beschikkingen zijn afkomstig van de bevoegde douaneautoriteiten en zijn enkel bindend voor het vaststellen van de oorsprong van de goederen:

 voor de douaneautoriteiten jegens de houder van de beschikking ten aanzien van de goederen waarvoor de douaneformaliteiten worden vervuld na de datum waarop de beschikking van kracht wordt;

 voor de houder van de beschikking jegens de douaneautoriteiten, met ingang van de datum waarop hem mededeling van de beschikking wordt gedaan of wordt geacht te zijn gedaan.

BOI-beschikkingen gelden voor een periode van drie jaar vanaf de datum waarop de beschikking van kracht wordt.

De houder van een BOI moet kunnen aantonen dat de goederen en de omstandigheden die voor het verkrijgen van de oorsprong bepalend zijn, in elk opzicht overeenstemmen met de in de beschikking omschreven goederen en omstandigheden.

Er is geen specifieke voorwaarde in de wetgeving die vereist dat de economische operator die een BOI-beslissing aanvraagt, gevestigd moet zijn in het douanegebied van de Unie. Een Chileense exporteur kan dus eveneens een BOI aanvragen voor zijn goederen die zullen worden ingevoerd in de EU. Indien de exporteur niet over een EORI-nummer beschikt in overeenstemming met artikel 9, lid 2 DWU, kan hij zich laten vertegenwoordigen.

Wat België betreft, kunnen aanvragen inzake preferentiële oorsprong per mail worden ingediend en opgestuurd naar het volgende adres: da.ops.douane1@minfin.fed.be.

6. Deel VI: Andere bepalingen

6.1. ‘Drawback’

§ 132. De interim handelsovereenkomst bevat geen bepalingen die betrekking hebben op de drawback-regel. Hierdoor is drawback toegestaan. Indien niet van oorsprong zijnde materialen worden gebruikt bij de vervaardiging van een product in de EU, kunnen deze materialen bijgevolg in aanmerking komen voor teruggave of vrijstelling van de invoerrechten wanneer deze producten de preferentiële oorsprong EU hebben verkregen en in het kader van de preferenties naar Chili worden uitgevoerd. Dit geldt voornamelijk voor de marktdeelnemers die goederen in de EU onder de regeling actieve veredeling be- of verwerken en wanneer het eindproduct als gevolg van deze be- of verwerking de preferentiële oorsprong uit de EU verkrijgt.

6.2. Ceuta en Melilla

§ 133. In de Overeenkomst zijn Ceuta en Melilla uitgesloten uit de term ‘partij’.

Toch is bepaald dat uit Chili afkomstige producten die worden ingevoerd in Ceuta of Melilla genieten van een preferentiële tariefbehandeling net zoals producten die naar de rest van de Europese Unie worden geïmporteerd.

Omgekeerd genieten producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla die in Chili worden ingevoerd dezelfde douanebehandeling als producten geïmporteerd uit en van oorsprong uit de EU.

Hieruit volgt dat de oorsprongsregels, de oorsprongsprocedures en de bepalingen aangaande cumulatie die in deze Circulaire worden beschreven eveneens van toepassing zijn op de uitvoer uit Chili naar Ceuta en Melilla en op de uitvoer uit Ceuta en Melilla naar Chili.

De cumulatiebepalingen zijn ook van toepassing op de in- en uitvoer van producten tussen de EU, Chili, Ceuta en Melilla.

Bovendien worden Ceuta en Melilla in het kader van de Overeenkomst als één grondgebied beschouwd.

6.3. Subcomité ‘Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels'

§ 134. Het subcomité ‘Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels’ werd aangesteld ingevolge artikel 33.4, lid 1 van de Overeenkomst dat verantwoordelijk is voor de daadwerkelijke toepassing en werking van volgende taken gerelateerd aan Hoofdstuk 3 van de Overeenkomst, en dit bovenop haar andere verantwoordelijkheden (zie artikel 4.20 van de Overeenkomst):

Het subcomité heeft de volgende taken:

a) ‘evalueren van en zo nodig doen van passende aanbevelingen aan het Handelscomité over:

i) de toepassing en werking van dit hoofdstuk; en

ii) eventuele door een partij voorgestelde wijzigingen van dit hoofdstuk en van bijlagen 3-A tot en met 3-E;

b) het doen van suggesties aan het Handelscomité over de vaststelling van toelichtingen om de toepassing van dit hoofdstuk te vergemakkelijken; en

c) het behandelen van alle andere aangelegenheden met betrekking tot dit hoofdstuk waarover de partijen het eens zijn.

6.4. Aanvullende inlichtingen en contactpunten

6.4.1. Aanvullende informatiebronnen:

§ 135. Om te weten te komen welke preferentiële tariefregels en specifieke regels op uw product van toepassing zijn, raadpleegt u de Access2Markets applicatie: https://trade.ec.europa.eu/access-to-markets/nl/home. Met de tool “ROSA” van “My Trade Assistant” kunt u stap voor stap controleren of het product in kwestie in aanmerking komt voor een preferentiële tariefbehandeling.

Verdere tarifaire informatie kan worden teruggevonden via de webapplicatie TARBEL:

https://financien.belgium.be/nl/E-services/tarbel.

Om meer te weten te komen over de interim handelsovereenkomst tussen de EU en Chili, kunt u de pagina hierover bezoeken op de website van de Europese Commissie: EU trade relations with Chile. Daarnaast heeft DG TAXUD in samenwerking met de EU-lidstaten een leidraad opgesteld over de toepassing van de oorsprongsregels. Dit document is beschikbaar via de volgende website : https://taxation-customs.ec.europa.eu/customs/international-affairs/third-countries/latin-america_en (alleen beschikbaar in het Engels).

6.4.2. Contact

§ 136. Voor verdere juridische vragen kunt u contact opnemen met de dienst Douanewetgeving op volgend e-mailadres: da.lex.douane@minfin.fed.be.

6.5. Opheffingsbepalingen

§ 137. Behoudens voor verificatiedoeleinden is Omzendbrief D.I. 561 - D.D. 244.129 van 24 november 2005 niet meer van toepassing.

Voor de Administrateur-generaal van de douane en accijnzen
De Adviseur-generaal,
Jo LEMAIRE

Interne ref.: D.I. 561/DD 022.069


7. BIJLAGEN

Bijlage I: Aantekeningen met betrekking tot toleranties die gelden voor textiel

(Bijlage 3-A – Aantekening 6 tot 8 van de interim handelsovereenkomst betreffende de handel tussen de Europese Unie en de Republiek Chili)

'Aantekening 6 : Definities van termen gebruikt in afdeling XI in bijlage 3-B

Voor de toepassing van productspecifieke oorsprongsregels wordt verstaan onder:

a) ‘synthetische of kunstmatige vezels’: kabel van synthetische of kunstmatige filamenten, synthetische of kunstmatige stapelvezels of afval daarvan, van de posten 55.01 tot en met 55.07;

b) ‘natuurlijke vezels’: andere dan synthetische of kunstmatige vezels. Het gebruik ervan is beperkt tot het stadium vóór het spinnen, met inbegrip van afval, en omvat, tenzij anders vermeld, ook vezels die zijn gekaard, gekamd of anderszins bewerkt, doch niet gesponnen; „natuurlijke vezels” omvat paardenhaar van post 05.11, zijde van de posten 50.02 en 50.03, wol, fijn of grof haar van de posten 51.01 tot en met 51.05, katoen van de posten 52.01 tot en met 52.03 en andere plantaardige vezels van de posten 53.01 tot en met 53.05;

c) ‘bedrukken’: techniek waarmee aan een textielsubstraat door middel van digitale, zeef-, wals- of transfertechnieken een permanente objectief te beoordelen functie, zoals kleur, ontwerp of technische prestatie, wordt verleend, en

d) ‘bedrukken (als zelfstandige bewerking)’: techniek waarmee aan een textielsubstraat door middel van digitale, zeef-, wals- of transfertechnieken een permanente objectief te beoordelen functie, zoals kleur, ontwerp of technische prestatie, wordt verleend, samen met ten minste twee bewerkingen (voorbewerking of afwerking, zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanent finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen, scheren, schroeien, droogtrommelproces, spanproces, vermalen, stomen en krimpen alsook nat decatiseren), mits de waarde van alle gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen niet hoger is dan 50 % van de prijs af fabriek of 45 % van de fob-prijs van het product.

Aantekening 7: Toleranties voor producten die twee of meer basistextielmaterialen bevatten

1. Voor de toepassing van deze aantekening wordt onder basistextielmaterialen verstaan:

a) zijde;

b) wol;

c) grof haar;

d) fijn haar;

e) paardenhaar (crin);

f) katoen;

g) papier en materiaal voor het vervaardigen van papier;

h) vlas;

i) hennep;

j) jute en andere bastvezels;

k) sisal en andere textielvezels van het geslacht Agave;

l) kokosvezels, abaca, ramee en andere plantaardige textielvezels;

m) synthetische filamenten;

n) kunstmatige filamenten;

o) filamenten die elektriciteit geleiden;

p) synthetische stapelvezels van polypropyleen;

q) synthetische stapelvezels van polyester;

r) synthetische stapelvezels van polyamide;

s) synthetische stapelvezels van polyacrylonitril;

t) synthetische stapelvezels van polyimide;

u) synthetische stapelvezels van polytetrafluorethyleen;

v) synthetische stapelvezels van polyfenyleensulfide;

w) synthetische stapelvezels van polyvinylchloride;

x) andere synthetische stapelvezels;

y) kunstmatige stapelvezels;

z) andere stapelvezels;

aa) garen van polyurethaan met soepele segmenten van polyether, al dan niet omwoeld;

bb) garen van polyurethaan met soepele segmenten van polyester, al dan niet omwoeld;

cc) producten van post 56.05 (metaalgarens) met strippen bestaande uit een kern van aluminiumfolie of van kunststoffolie, al dan niet bedekt met aluminiumpoeder, met een breedte van niet meer dan 5 mm, welke kern met behulp van een doorzichtig of gekleurd kleefmiddel is bevestigd tussen twee strippen kunststof;

dd) andere producten van post 56.05;

ee) glasvezels; en

ff) metaalvezels.

2. Wanneer in bijlage 3B naar deze aantekening wordt verwezen, zijn de in kolom 2 genoemde vereisten bij wijze van tolerantie niet van toepassing op bij de productie van een product gebruikte niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen, mits:

a) het product twee of meer basistextielmaterialen bevat, en

b) het gewicht van de niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen samen niet hoger is dan 10 % van het totale gewicht van alle gebruikte basistextielmaterialen. Bijvoorbeeld:

Voor een weefsel van wol van post 51.12 bevattende garen van wol van post 51.07, synthetisch garen van stapelvezels van post 55.09 en andere materialen dan basistextielmaterialen, mag niet van oorsprong zijnd garen van wol dat niet aan de vereisten van bijlage 3B voldoet of niet van oorsprong zijnd synthetisch garen dat niet aan de vereisten van bijlage 3B voldoet, of een combinatie van beide, worden gebruikt, mits het totale gewicht ervan niet hoger is dan 10 % van het gewicht van alle basistextielmaterialen.

3. Onverminderd punt 2, onder b), bedraagt de tolerantie voor producten bevattende 'garen van polyurethaan, met soepele segmenten van polyether, al dan niet omwoeld' ten hoogste 20 %. Het percentage van de andere niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen mag evenwel niet meer dan 10 % bedragen.

4. Onverminderd punt 2, onder b), bedraagt de tolerantie voor producten bevattende 'strippen bestaande uit een kern van aluminiumfolie of van kunststoffolie, al dan niet bedekt met aluminiumpoeder, met een breedte van niet meer dan 5 mm, welke kern met behulp van een doorzichtig of gekleurd kleefmiddel is bevestigd tussen twee strippen kunststof' ten hoogste 30 %. Het percentage van de andere niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen mag evenwel niet meer dan 10 % bedragen.

Aantekening 8 : Andere toegestane afwijkingen voor bepaalde textielproducten

1. Wanneer in bijlage 3B naar deze aantekening wordt verwezen, mogen niet van oorsprong zijnde textielmaterialen (met uitzondering van voeringen en tussenvoeringen) die niet voldoen aan de in kolom 2 van de lijst genoemde vereisten voor een geconfectioneerd textielproduct, worden gebruikt, mits deze onder een andere post vallen dan het product en de waarde ervan niet hoger is dan 8 % van de prijs af fabriek of de FOB-prijs van het product.

2. Niet van oorsprong zijnde materialen die niet onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 zijn ingedeeld, mogen zonder beperking worden gebruikt bij de productie van textielproducten die onder hoofdstuk 61, 62 of 63 zijn ingedeeld, ongeacht of zij textiel bevatten.

Bijvoorbeeld:

Wanneer uit hoofde van een vereiste van bijlage 3B voor een bepaald textielartikel (zoals een pantalon) garen moet worden gebruikt, dan sluit dit het gebruik van niet van oorsprong zijnde artikelen van metaal (zoals knopen) niet uit, omdat artikelen van metaal niet zijn ingedeeld in de hoofdstukken 50 tot en met 63. Om dezelfde reden is het gebruik van niet van oorsprong zijnde ritssluitingen toegelaten, al bevatten deze normalerwijze ook textiel.

3. Wanneer een vereiste van bijlage 3B bestaat in een maximumwaarde voor niet van oorsprong zijnde materialen wordt bij de berekening van de waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen rekening gehouden met de waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen die niet zijn ingedeeld in de hoofdstukken 50 tot en met 63.

Bijlage II: Aanvraag tot registratie als geregistreerd exporteur

Ten behoeve van de stelsels van algemene tariefpreferenties van de Europese Unie, Noorwegen, Zwitserland en Turkije (1)

of

in het kader van de CETA of andere vrijhandelsovereenkomsten die werden afgesloten door de EU en die berusten op zelfcertificatie (REX).


(1) Dit aanvraagformulier is gemeenschappelijk voor de SAP-stelsels van vier entiteiten: de Unie (EU), Noorwegen, Zwitserland en Turkije ('de entiteiten') Opgemerkt zij dat de landen en producten in de respectieve SAP-stelsels van deze entiteiten kunnen verschillen. Daarom is een afgegeven registratie alleen te gebruiken voor uitvoer in het kader van het SAP-stelsel of de SAP-stelsels waarin uw land als een begunstigd land wordt beschouwd.

(2) De vermelding van het EORI-nummer is verplicht voor EU-exporteurs en wederverzenders. Voor exporteurs in begunstigde landen, Noorwegen, Zwitserland en Turkije is de vermelding van het TIN verplicht.

(3) Wanneer aanvragen tot registratie als geregistreerde exporteur of andere uitwisselingen van informatie tussen geregistreerde exporteurs en bevoegde autoriteiten in begunstigde landen of douaneautoriteiten in de lidstaten worden gedaan door elektronische technieken voor gegevensverwerking te gebruiken, wordt de in de vakken 5, 6 en 7 genoemde handtekening en stempel vervangen door een elektronische authenticatie.

  • Bijlage 3-A: aantekeningen bij de productspecifieke oorsprongsregels;
  • Bijlage 3-B: productspecifieke oorsprongsregels;
  • Bijlage 3-C: attest van oorsprong;
  • Bijlage 3-D: gezamenlijke verklaringen;
  • Bijlage 3-E: toelichting.
  • geheel zijn verkregen in de EU of Chili (zie § 7 van deze circulaire);
  • uitsluitend uit materialen van oorsprong uit die partij zijn geproduceerd; en
  • vervaardigd zijn met gebruikmaking van niet-oorsprongsmaterialen, mits zij een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is om te voldoen aan de specifieke oorsprongsregels die zijn opgenomen in bijlage 3-B bij de ITA.
  • Bilaterale cumulatie met enkel materialen van oorsprong uit één van beide partijen. Een product van oorsprong uit één van de partijen wordt beschouwd als van oorsprong uit de andere partij indien het daar bewerkt wordt, mits ze in die partij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan de in artikel 3.6 van de Interimovereenkomst vermelde ontoereikende be- of verwerkingen;
  • Uitgebreide cumulatie waarbij materialen die van oorsprong zijn uit een land waarmee de EU een vrijhandelsakkoord heeft in overeenstemming met artikel XXIV van de GATT, kunnen worden gebruikt in de vervaardiging van een product in het begunstigde land. Uitgebreide cumulatie houdt in dat materialen die zijn geclassificeerd in hoofdstuk 3 van het Geharmoniseerd Systeem (hierna GS genoemd) en die worden gebruikt in de productie van ingeblikte tonijnproducten die onder onderverdeling 1604.14 van het GS vallen, als van oorsprong uit een partij kunnen worden beschouwd indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
  • de waarde van de bij de productie van de betreffende producten gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen niet hoger is dan 10 % van de prijs af fabriek (EXW) van die producten, met uitzondering van de onder de GS-hoofdstukken 50 tot en met 63 ingedeelde producten. Ter verduidelijking, de tolerantie van 10% geldt enkel voor niet van oorsprong zijnde materialen die niet voldoen aan de vereisten in bijlage 3-B;
  • in afwijking van de vorige alinea mag voor de producten die onder de onderverdelingen 1602.31, 1602.32, 1602.41 en 1602.50 van het geharmoniseerd systeem worden ingedeeld, de waarde niet meer bedragen dan 15% van de prijs af fabriek (EXW) van het product;
  • de specifieke toleranties bepaald in de aantekeningen 7 en 8 van bijlage 3-A voor producten die zijn ingedeeld in de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het GS kunnen worden toegepast.
  • de waarde of het gewicht van de bij de productie van een product gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen hoger is dan een van de in bijlage 3-B voorgeschreven percentages voor de maximumwaarde of het maximumgewicht van niet van oorsprong zijnde materialen;
  • de producten volledig zijn verkregen in een partij in de zin van artikel 3.4, tenzij een bepaalde productspecifieke regel in bijlage 3-B vereist dat de bij de productie van een product gebruikte materialen volledig moeten zijn verkregen in een partij.
  1. 'het attest van oorsprong of een kopie daarvan;
  2. de identiteit van de douaneautoriteit waarvan het verzoek afkomstig is;
  3. de naam van de te controleren exporteur;
  4. het onderwerp en de reikwijdte van de controle; en
  5. indien van toepassing, andere relevante documenten’.
  1. ‘de gevraagde documentatie, voor zover beschikbaar;
  2. een advies inzake de oorsprongsstatus van het product;
  3. de omschrijving van het gecontroleerde product en de voor de toepassing van de oorsprongsregels geldende tariefindeling;
  4. een beschrijving van en een toelichting bij het productieprocedé ter staving van de oorsprongsstatus van het product;
  5. informatie over de manier waarop de verificatie van de oorsprongsstatus van het product uit hoofde van lid 4 is verricht; en
  6. indien van toepassing, bewijsstukken’.
  • geen antwoord werd verstrekt (= geen reactie), zowel bij toepassing van een oorsprongsattest of van aan de importeur bekende informatie; of
  • in het geval van een verzoek om preferentiële behandeling gebaseerd op een attest, dit attest niet werd verstrekt; of
  • in kader van aan de importeur bekende informatie de door de importeur verstrekte informatie onvoldoende is om te bevestigen dat het product van oorsprong is.
  • geen antwoord wordt verstrekt; of
  • de verstrekte informatie onvoldoende is om te bevestigen dat het product van oorsprong is;
  • geen antwoord wordt verstrekt door de douaneautoriteit van de exporterende partij; of
  • informatie wordt verstrekt die niet volstaat om te bevestigen dat het product van oorsprong is.
  1. de datum waarop het werd opgesteld door de exporteur
  2. de datum waarop de termijn begint (= startdatum); en
  3. de datum waarop de termijn eindigt en dewelke niet later mag zijn dan 12 maanden vanaf de startdatum (= einddatum).
  • materiaalstaat/productiekaart (een volledige lijst van materialen, onderdelen en onderdelen en een beschrijving van het productieproces dat nodig is om een product te vervaardigen);
  • facturen/pro-formafacturen, inkoop-/verkooporders, leveringsbonnen, paklijsten;
  • contracten;
  • uittreksels uit het boekhoudsysteem;
  • technische fiches, productietekeningen, foto's;
  • documenten van derden, bv. cognossementen.
  • uittreksels uit registers/registers;
  • sanitaire, veterinaire, mijnbouw-, nalevingsdocumenten enz.;
  • inspectiegegevens van andere overheidsinstanties;
  • een geografische aanduiding;
  • door het partnerland afgegeven oorsprongs- of rubriceringsbeschikkingen (BOI, BTI);
  • een intellectuele-eigendomstitel;
  • douaneaangiften ten uitvoer, enz.
  • informatie over scheepsregisters;
  • informatie over handelsregisters;
  • scheepvaartbewegingen;
  • financiële overzichten;
  • statistische gegevens over de landen, de productie of de producenten;
  • websites van de exporteurs;

EUR.1 (inclusief duplicaten en retroactief afgegeven certificaten) afgegeven onder de Associatieovereenkomst

Factuurverklaring opgesteld onder de Associatieovereenkomst

Attest van oorsprong

Aan de importeur bekende informatie

Goederen vrijgegeven voor het vrije verkeer met preferenties voor 1/2/2025

Ja

Ja

N/A

N/A

EUR.1 (inclusief duplicaten en retroactief afgegeven certificaten) afgegeven onder de Associatieovereenkomst

Factuurverklaring opgesteld onder de Associatieovereenkomst

Attest van oorsprong

Aan de importeur bekende informatie

Goederen in het vrij verkeer gebracht met preferenties na 1/2/2025

N/A 

N/A 

Ja

Ja

Goederen in transit, tijdelijke opslag in entrepot of in een vrije zone (art. 3.32)

op 1/2/2025, in het vrij verkeer gebracht met preferentie na 1/2/2025

N/A 

N/A 

Ja

Neen

Goederen in het vrij verkeer gebracht voor 1/2/2025 zonder preferenties en waarvoor na 1/2/2025 preferenties worden gevraagd op basis van artikel 173 DWU 

Ja

Ja

N/A 

N/A 

  • het attest van oorsprong; of
  • aan de importeur bekende informatie.
  • ‘de vereisten voor het aanvragen van een voorafgaande beslissing, met inbegrip van de te verstrekken informatie en het formaat;
  • de termijn waarbinnen zij een voorafgaande beslissing zal afgeven, en
  • de periode gedurende welke de voorafgaande beslissing geldig is. ‘

1. Naam, adres en land van de uitvoerder, gegevens, EORI of identificatienummer van de operator (TIN) (2).

2. Aanvullende gegevens, met inbegrip van telefoon- en faxnummer, alsook het e-mailadres, in voorkomend geval (optioneel).

3. Aangeven of de hoofdactiviteit productie of verkoop is.

4. Gelieve een indicatieve omschrijving te geven van de goederen die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling, samen met een indicatieve lijst van de posten van het geharmoniseerde systeem (of de hoofdstukken wanneer bedoelde goederen onder meer dan twintig posten van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld).

5. Verbintenissen van een exporteur

Ondergetekende verklaart:

● dat bovenstaande gegevens juist zijn;



● dat een eerdere registratie niet werd ingetrokken of, als dit wel het geval is geweest, dat de omstandigheden die tot deze intrekking hebben geleid, zijn verholpen;



● zich ertoe te verbinden slechts attesten van oorsprong op te stellen voor goederen die voor de preferentiële behandeling in aanmerking komen en die aan de oorsprongsregels van het stelsel van algemene preferenties voldoen;



● zich ertoe te verbinden een passende boekhouding te voeren over de productie/levering van goederen die voor de preferentiële behandeling in aanmerking komen en deze boekhouding ten minste drie jaar te bewaren vanaf het eind van het kalenderjaar waarin het attest van oorsprong is opgemaakt;



● zich ertoe te verbinden de bevoegde autoriteit na verkrijging van het nummer van geregistreerd exporteur onmiddellijk in kennis te stellen van eventuele wijzigingen in zijn registratiegegevens;



● zich ertoe te verbinden samen te werken met de bevoegde autoriteit;


● zich ertoe te verbinden te aanvaarden dat de door hem opgestelde attesten van oorsprong worden gecontroleerd, onder meer door administratieve controles aan zijn bedrijfsruimten door de Europese Commissie of de autoriteiten van de lidstaten en de autoriteiten van Noorwegen, Zwitserland en Turkije (enkel van toepassing op exporteurs uit begunstigde SAP-landen);



● zich ertoe te verbinden te verzoeken om intrekking van zijn registratie in het systeem zodra hij niet langer aan de voorwaarden voldoet om goederen in het kader van het stelsel uit te voeren;



● zich ertoe te verbinden te verzoeken om intrekking van zijn registratie in het systeem zodra hij niet langer voornemens is deze goederen in het kader van het stelsel uit te voeren.

Plaats, datum en handtekening van de gemachtigde ondertekenaar, naam en functie (3)

6. Toestemming van de exporteur voor de bekendmaking van de door hem verstrekte gegevens op de openbare website



De ondergetekende wordt hierbij meegedeeld dat de in zijn aanvraag verstrekte gegevens op de openbare website aan het publiek kunnen worden bekendgemaakt. De ondergetekende aanvaardt de bekendmaking van deze gegevens op de openbare website. De ondergetekende kan zijn toestemming om deze gegevens op de openbare website bekend te maken, intrekken door een verzoek te sturen naar de voor de registratie verantwoordelijke bevoegde autoriteiten.


Plaats, datum en handtekening van de gemachtigde ondertekenaar, naam en functie (3)

7. Vak bestemd voor de bevoegde autoriteit

De aanvrager is geregistreerd onder het volgende nummer:

Registratienummer:----------------------------

Datum van registratie------------------------------------

Datum vanaf wanneer de registratie geldig is---------------------

Handtekening en stempel (3)--------------------------------


Bijlage III: informatie betreffende Chileense elektronische handtekeningen

"In Chili worden elektronische handtekeningen geregeld door wet nr. 19.799 betreffende elektronische documenten, elektronische handtekeningen en certificeringsdiensten voor dergelijke handtekeningen. Een elektronische handtekening stelt de ontvanger van een elektronisch document in staat om de auteur ervan formeel te identificeren en kan worden gebruikt voor de afgifte van verschillende documenten. Veelvoorkomende toepassingen zijn onder meer eenvoudige volmachten, overeenkomsten of consensuele contracten.

De 2 types elektronische handtekeningen die door de Chileense wetgeving worden erkend, zijn als volgt:

Simple Electronic Signature (FES) of eenvoudige elektronische handtekening : dit is elke methode waarmee een persoon in een elektronisch document kan worden geïdentificeerd. Voorbeelden van een eenvoudige elektronische handtekening zijn een gescande afbeelding van een handtekening, een pincode of een e-mail met de naam van de afzender.

Advanced Electronic Signature (FEA) of geavanceerde elektronische handtekening : deze wordt gemaakt met behulp van een cryptografisch sleutelsysteem en vereist een digitaal certificaat dat is afgegeven door een door de staat erkende aanbieder. Deze handtekening wordt vaak gebruikt in contracten en juridische overeenkomsten, gerechtelijke procedures, financiële transacties en andere toepassingen.

Het verschil tussen een eenvoudige en een geavanceerde handtekening is dat de eenvoudige handtekening de bewijskracht heeft van een onderhandse akte, terwijl de geavanceerde handtekening de bewijskracht heeft van een openbare akte. De eenvoudige handtekening is gelijk aan een met de hand ondertekend document, terwijl de geavanceerde handtekening, in termen van bewijskracht, gelijk is aan een document waarvan de handtekening notarieel is bekrachtigd.

Hoe ze eruitzien, hangt af van het document en het type handtekening dat wordt gebruikt.

Een eenvoudige elektronische handtekening kan er bijvoorbeeld als volgt uitzien:

Een geavanceerde elektronische handtekening kan er als volgt uitzien:

[1] Interimovereenkomst betreffende de handel tussen de Europese Unie en de Republiek Chili (europa.eu)

Mots clés

Articles recommandés

Fiscaliteit
Circulaire | Instructies
F.F.F.

Circulaire 2024/C/78 betreffende de Economische Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan

Gepubliceerd op 11 Dec 2024 bij 07:05
Lezen 108min