
Er was een tijd – en die ligt nog niet zo ver achter ons – waarin cryptoactiva zich in een juridische en fiscale schemerzone bevonden. De enige juridische handvaten waaraan de belastingplichtige zich kon vasthouden waren federale rulings waarin de rulingcommissie zich diende uit te spreken in zeer specifieke casussen.
De rulingcommissie nam in die specifieke casussen ook veelal een strenge houding in. In haar nieuwsbrief van 30 januari 2018 verkondigde zij nog dat op basis van de ingediende prefilings en aanvragen, beleggingen in cryptomunten ‘doorgaans’ een speculatief karakter hebben. De rulingcommissie is haar standpunten op basis van een vragenlijst, voortschrijdend inzicht en toegenomen kennis verder gaan verfijnen. In recente rulings werd echter nog het strenge standpunt ingenomen dat van zodra er meer dan 25 % van het totale roerend vermogen van de belastingplichtige geïnvesteerd wordt in cryptomunten, er geen sprake kan zijn van normaal beheer. Ook op het vlak van het aantal transacties dat er jaarlijks m.b.t. de betrokken cryptobeleggingen zou mogen worden verricht, stelt de rulingcommissie zich bijzonder streng op. Deze beslissingen moeten zoals gezegd wel steeds gekaderd worden binnen de specifieke context van de aanvrager, maar zetten alvast de toon in het debat met de fiscale administratie.
Daarnaast kan ook nog worden teruggegrepen naar een aantal antwoorden van de minister n.a.v. verschillende parlementaire vragen. Op basis van deze antwoorden weten we zo inmiddels dat bepaalde cryptorekeningen ook in de aangifte personenbelasting gemeld moeten worden. Ook die verplichting was geruime tijd onduidelijk.
Onder de nieuwe meerwaardebelasting op financiële activa zal hier met ingang van 1 januari 2026 dus enige verandering in komen aangezien crypto’s uitdrukkelijk in het nieuwe regime worden opgenomen.
De nieuwe meerwaardebelasting zal kort samengevat van toepassing zijn op de meerwaarden die gerealiseerd worden naar aanleiding van (i) de overdracht onder “bezwarende titel” van (ii) financiële activa, voor zover deze (iii) kadert binnen het normaal beheer van privévermogen. Onder financiële activa worden ook uitdrukkelijk crypto’s begrepen, die bijgevolg onderworpen zullen worden aan een minimale 10% taxatie (ontwerp art. 90, eerste lid, 9° WIB). Er geldt evenwel een (beperkte) voetvrijstelling van EUR 10.000,00 die gedeeltelijk kan worden overgedragen tot een maximum van EUR 15.000,00, hetgeen voor menig cryptobelegger die een buy-and-hold strategie toepast veelal een magere troost zal zijn.
Het nieuwe meerwaardebelastingregime definieert cryptoactiva als financiële activa met als determinerend criterium dat ze voor betalings- of investeringsdoeleinden gebruikt kunnen worden (ontwerp art. 92, §1, c) WIB). Deze definitie kan dus ook niet-inwisselbare tokens (zgn. NFT’s) die bijvoorbeeld rechten vertegenwoordigen op verzamelobjecten, spellen, kunstwerken, fysieke eigendommen of financiële documenten) omvatten. Men zal dus steeds moeten kijken of deze gebruikt worden voor betalings-of investeringsdoeleinden.
Deze nieuwe meerwaardebelasting zal bovendien op elke vervreemding van cryptoactiva (i.e., elke omzetting in een andere cryptoactiva of fiat currency) van toepassing zijn. Ook het aanwenden van cryptoactiva voor de aankoop van goederen wordt aangemerkt als een realisatie van die cryptoactiva.
De nieuwe regeling zal van toepassing zijn op de meerwaarden die worden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026. Omdat historische meerwaarden niet worden belast zijn specifieke regels opgenomen om de waarde te bepalen op 31 december 2025. De historisch opgebouwde meerwaarden zouden dus niet onder de nieuwe meerwaardebelasting vallen. Om dit te faciliteren wordt gewerkt met een zogenaamd “fotomoment”: de waarde van de portefeuille op 31 december 2025 of een hogere aanschaffingswaarde (ontwerp art. 102, §4, 3° WIB). Enkel de meerwaarden die nadien worden gerealiseerd, zullen effectief belast worden. Dat impliceert dat het correct vastleggen en documenteren van die waarde cruciaal wordt.
Specifiek voor cryptoactiva wordt in de memorie van toelichting verduidelijkt dat indien cryptoactiva ‘om niet’ verkregen worden (bv. in geval van airdrops), de (nihil) waarde op het ogenblik van toekenning aan de belastingplichtige als aanschaffingswaarde in aanmerking genomen moet worden.
De minister schrijft hier een opvallend pragmatische houding voor. In plaats van complexe waarderingsregels op te leggen — wat in de context van crypto, met zijn vele exchanges en prijsverschillen, snel onwerkbaar zou worden — zou volgens hem in principe een eenvoudige screenshot van een tradingplatform als bewijs kunnen volstaan.
Airdrops daarentegen volgen een ander traject: ze worden in principe niet belast op het moment van ontvangst, maar pas bij latere verkoop — waarbij de aanschaffingswaarde vaak nul is, zodat de volledige opbrengst belastbaar wordt.
Voor cryptoactiva die onder het toepassingsgebied vallen, maar waar toch geen waarde voor beschikbaar is op het fotomoment, zal de belastingplichtige wel nog beroep moeten doen op een bedrijfsrevisor of accountant om een waardering te laten opmaken. De vraag die zich daar stelt is uiteraard hoe die bedrijfsrevisor of accountant die waarde dan wel zal moeten gaan bepalen.
Indien de aanschaffingswaarde van het cryptoactief niet kan worden aangetoond, zal bij een latere kwalificerende overdracht, de ontvangen prijs (“volledige verkoopprijs”) worden belast.
Opnieuw, het zal dus van dermate belang zijn om de waarde op het fotomoment, alsook desgevallend de historische aankoopprijs, te documenteren en deze stukken goed te bewaren.
Neen, dit is “niet” het einde van het debat. Belangrijk voor de toepassing van de nieuwe meerwaardebelasting is dat het telkens moet gaan om meerwaarden die zijn verwezenlijkt buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid en binnen het kader van normale verrichtingen van het beheer van privévermogen. Een meerwaarde die niet past binnen het “normale beheer van het privévermogen” of die voortvloeit uit een “speculatieve handeling” zal daarentegen in toepassing van artikel 90, lid 1, 1° WIB92 worden belast tegen het tarief van 33% en onderworpen zijn aan de aanvullende gemeentebelasting
Meerwaarden op financiële activa die kaderen binnen de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige zullen bovendien ook belastbaar blijven als beroepsinkomen.
In tegenstelling tot de vereenvoudiging van het huidige belastingstelsel die werd beoogd, zal de nieuwe meerwaardebelasting dus geen einde stellen aan het bestaande debat, de bestaande interpretatieproblemen en rechtsonzekerheid. Het was op deze rechtsonzekerheid dat de verschillende vragen van het parlementslid betrekking hadden. Wanneer is een transactie met crypto’s te beschouwen als speculatief en wanneer als normaal beheer?
Dit effect zal bovendien nog worden versterkt door de bijhorende aangifteplicht waardoor het risico op discussie met de fiscale administratie m.b.t. de fiscale behandeling van meerwaarden die werden gerealiseerd op cryptoactiva (en ook andere financiële activa) tot en met 31 december 2025 nog zal verhogen. Indien het standpunt werd ingenomen dat de cryptobeleggingen binnen het criterium van normaal beheer vallen, diende de over deze beleggingen gerealiseerde meerwaarden niet in de aangifte te worden opgenomen en waren ze dus ook niet zichtbaar. Onder het nieuwe regime zal dit vanaf inkomstenjaar 2026 (aanslagjaar 2027) dus veranderen.
De Minister van Financiën stelt nu uitdrukkelijk dat crypto’s ‘geen “vies” of “apart” ding zijn’. Volgens de Minister sluit de inclusie van crypto’s in het nieuwe meerwaardebelastingregime volledig aan bij de overige reglementaire kaders die van toepassing zijn op cryptoactiva en waarbij in belangrijke mate een reglementaire gelijkschakeling bestaat tussen financiële instrumenten en cryptoactiva. Enkel in uitzonderlijke situaties, zou er sprake kunnen zijn van een taxatie onder abnormaal beheer aan 33%. Ze kan slechts worden toegepast wanneer meerdere factoren samen aantonen dat het gedrag van de belastingplichtige buiten het normale vermogensbeheer valt.
Waar in de praktijk bleek dat tot nu toe soms één element – een hoog aantal transacties, het gebruik van geleend geld, of een aanzienlijk investeringsbedrag – volstond om een dossier in de richting van speculatie te duwen, wordt nu dus expliciet gesteld dat geen enkel criterium op zich doorslaggevend is. De bewijslast is bovendien ook gelegen bij de fiscale administratie.
Dit standpunt van de Minister, dat crypto investeringen in de regel niet als speculatief moeten worden beschouwd, is positief en kan o.i. ook doorgetrokken worden naar het verleden. Dit zou dus betekenen dat meerwaarden gerealiseerd over crypto transacties vooraf aan 1 januari 2026 in de regel als normaal beheer moeten worden beschouwd en bijgevolg vrijgesteld van belastingen.
Ofschoon de Minister in zijn aanhef expliciet stelt dat een parlementaire bespreking integraal deel uitmaak van een wetsontwerp en dat aan deze toelichting een ‘zeker gewicht’ moet worden gegeven over wat de ratio legis is van deze wet, blijft het een feit dat men al dan niet bewust het debat omtrent normaal beheer wou laten blijven bestaan.
Ook op het vlak van de afbakening van wat precies onder “cryptoactiva” valt, blijven er grijze zones bestaan. Zo wijst de minister erop dat bepaalde NFT’s — met name diegene die niet dienen als investering of betaalmiddel — buiten het toepassingsgebied kunnen vallen. Eveneens een bijzonder interessante passage in de parlementaire bespreking betreft de meer atypische crypto-transacties — denk aan “token burns”, “sacrifice”-mechanismen of andere vormen van overdracht zonder duidelijke tegenprestatie. De minister erkent zonder omwegen dat deze moeilijk in bestaande fiscale categorieën te vatten zijn. Dat opent de deur voor interpretatie en, onvermijdelijk, voor toekomstige discussies.
Daarnaast regelt deze nieuwe meerwaardebelasting één bepaald aspect van de fiscaliteit op crypto’s, zijnde de fiscale behandeling van gerealiseerde meerwaarden. Inkomsten uit staking of liquidity provision, zijn daarentegen volgens de algemene regels niet te beschouwen als meerwaarden, maar mogelijks wel als interesten of andere types van roerende inkomsten en vallen dus onder het regime van roerende inkomsten.
Voor wie actief is in crypto — of dat overweegt — blijft één constante overeind: goed advies maakt het verschil tussen een opportuniteit en een risico.
***