• FR
  • NL
  • EN

De fiscale dadendrang van Arizona botst met de rule of law.

​De Arizona-regering is ondertussen één jaar aan de slag. En het moet worden gezegd, het was tot op heden geen walk in the park. Niettegenstaande er in het regeerakkoord van de regering toch vrij duidelijke en heldere keuzes werden gemaakt, blijkt de uitvoering van dit regeerakkoord veel minder evident. Zeker op fiscaal vlak is dat het geval, waar de zoektocht naar een politiek compromis botst op juridische beperkingen.

De Arizona-regering is ondertussen één jaar aan de slag. En het moet worden gezegd, het was tot op heden geen walk in the park. Niettegenstaande er in het regeerakkoord van de regering toch vrij duidelijke en heldere keuzes werden gemaakt, blijkt de uitvoering van dit regeerakkoord veel minder evident, en zeker op fiscaal vlak is dat het geval. Iedereen die de politiek een klein beetje volgt, zal zich wel de moeilijke onderhandelingen herinneren van het Zomerakkoord en de daaropvolgende begrotingsbesprekingen. En wat nog moeilijker blijkt te zijn, is de politieke besluitvorming uiteindelijk in wetteksten gieten. Op fiscaal vlak geldt immers nog altijd de regel no taxation without representation, hetgeen betekent dat fiscale beslissingen uiteindelijk altijd door het parlement moeten worden bekrachtigd.

Wat men hierbij blijkt te vergeten, is dat fiscale regelgeving maar mogelijk is binnen een zeer specifiek kader. De regering heeft met andere woorden geen absolute vrijgeleide om fiscale beslissingen te nemen en deze slaafs door het parlement te laten goedkeuren. Zo werkt het niet. Tussen droom en daad staan immers wetten in de weg, en praktische bezwaren. En op dat vlak heeft de Arizona-regering wel een probleem. Het lijkt erop dat de regering door de euforie na het bereiken van een politiek compromis, de fiscale rule of law uit het oog verliest. Dit zorgt niet alleen voor heel wat wrevel op het terrein in fiscaal wonderland, ook in politieke middens en bij instellingen zoals de Raad van State weerklinkt de kritiek steeds luider, temeer de regering De Wever de kritiek achteloos lijkt weg te wuiven. Zo reageerde Minister van Financiën Jan Jambon in de Kamercommissie Financiën op de vraag of hij iets wou doen aan het feit dat private equity niet wordt onderworpen aan de nieuwe meerwaardebelasting, met gevleugelde woorden: “wie zal leven, zal zien”.

Het wordt toch stilaan tijd dat men van de kant van de regering, maar evenzeer aan de kant van het parlement, beseft dat er grenzen zijn aan de politieke vrijheid op fiscaal vlak. Zo moet de regering onder andere rekening houden met de Belgische staatsstructuur en de fiscale bevoegdheden van de gewesten, met de rechten en verplichtingen uit de Grondwet en met tal van Europese regels die het vrij verkeer in de Europese Unie mogelijk maken. Het miskennen van deze regels zorgt ervoor dat de fundamenten van fiscale regelgeving vrij wankel worden, met alle (budgettaire) gevolgen van dien.

En zo zijn er ondertussen wel wat voorbeelden van hoe het vooral niet moet. Zo is er het BTW-débacle rond cultuur en afhaalmaaltijden. Toen een politiek compromis over een simpele globale tariefverhoging van de BTW niet mogelijk bleek, is de regering haar pijlen beginnen richten op een tariefverhoging voor onder meer cultuur en afhaalmaaltijden. Op zich geen probleem zij het dat men ook in die sectoren uitzonderingen is beginnen voorzien, zoals theater en ballet versus een popconcert en maaltijden die men “doorgaans” als middagmaal of ontbijt eet. Een dergelijk onderscheid kan juridisch enkel maar als daar een redelijke verantwoording voor bestaat, hetgeen hier natuurlijk niet het geval is.

En ook de nakende meerwaardebelasting op financiële vaste activa is in hetzelfde bedje ziek. Het startvoorstel van de regering werd door de politieke strubbelingen dermate uitgehold met uitzonderingen, dat geheel juridisch bijzonder wankel is. Een aandeelhouder die minstens 20% van de aandelen van een bedrijf bezit krijgt een fiscale vrijstelling van 1 miljoen euro en wordt belast aan lagere opklimmende tarieven. Een aandeelhouder die minder dan 20% van de aandelen van een bedrijf bezit krijgt een vrijstelling van 10.000 euro en wordt vanaf de eerste belastbare euro aan een tarief van 10% belast. Of dat onderscheid redelijk verantwoord is, is nog maar zeer de vraag.

Het staat dus in de sterren geschreven dat als de regering op die manier verder gaat werken, zij zich mag verwachten aan tal van juridische procedures om de doorgevoerde fiscale discriminaties aan te vechten. En dat is geen goede zaak. Dit is vooreerst nefast voor de budgettaire doelstellingen van de regering. Indien fiscale wetgeving wordt vernietigd, dan gaan uiteraard ook de fiscale inkomsten voor de Schatkist verloren. Maar het is anderzijds ook nefast voor de fiscale burgerzin. Politici mogen dan wel denken dat het creëren van fiscale uitzonderingen hun electoraat zal plezieren, zij vergeten dat deze uitzonderingen voor minstens evenveel fiscale frustratie zorgt bij het ander deel van de bevolking. En dat schaadt dan weer het politiek vertrouwen en op termijn zelfs de democratie.

We kunnen veel begrip opbrengen voor de moeilijkheid om een politiek compromis te bereiken, maar veel minder voor het juridisch brodeerwerk die daar dan onmiskenbaar het gevolg van is. Dat besef moet toch stilaan doordringen. Fiscale wetten die uiteindelijk enkel maar goed nieuws zijn voor fiscalisten, zijn zonder onderscheid slechte wetten.



Mots clés

Articles recommandés