
Het doel om tegen 2050 klimaatneutraal te zijn, zal de vraag naar elektriciteit tot ongekende hoogtes doen stijgen: het stroomverbruik zou meer dan verdubbelen van 88 TWh in 2020 naar 202 TWh in 2050. In een eerdere studie van september 2025 heeft het FPB aan de hand van drie scenario’s onderzocht hoe de elektriciteitsproductie hieraan kan voldoen. Deze drie scenario’s verschillen in de mate waarin nucleaire energie en offshore windenergie – in de Belgische Exclusieve Economische Zone (EEZ) en daarbuiten – worden uitgerold. De analyse van die scenario’s toont, onder andere, dat de kostenoptimale mix voor België gediversifieerd is, met technisch maximale capaciteiten voor zowel kernenergie als offshore wind, naast omvangrijke investeringen in zonne-energie en onshore windenergie.
Als gevolg van de noodzaak om gebouwen te renoveren en nieuwe verwarmingsapparatuur te installeren stijgen de energiekosten voor de huishoudens en de dienstensector aanvankelijk. Vervolgens vallen ze echter terug om tegen 2040 ver onder het historische niveau uit te komen. De verwerkende nijverheid vertoont, afhankelijk van de bedrijfstak, een grote variatie in de evolutie van de energiekosten: zo zouden de kosten in de chemische sector, met een verdrievoudiging ten opzichte van het niveau van 2005, veel sterker stijgen dan gemiddeld in de industrie.
Deze publicatie verkent daarnaast twee extra scenario’s om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken. In het ene scenario wordt maximaal ingezet op een koolstofheffing (belasting op CO2-uitstoot). Een tweede scenario bekijkt hoe gedragsaanpassingen om ons energieverbruik terug te dringen en maatschappelijke evoluties het energiesysteem kunnen beïnvloeden.
In dit scenario zou de CO2-taks voor transport, gebouwen en lichte industrie tegen 2030 naar 140 euro per ton oplopen, en 500 euro per ton benaderen tegen 2050. Dat zou leiden tot overheidsontvangsten uit emissiehandel die variëren van 4 tot 5 miljard euro per jaar tussen 2030 en 2040.
In dit scenario wordt bekeken hoe gedragsaanpassingen en maatschappelijke evoluties, zoals een vermindering in autogebruik en bewoonbare oppervlakte en ontwikkelingen in de circulaire economie, het energiesysteem beïnvloeden. In vergelijking met een scenario zonder die ingrijpende veranderingen zouden de energiekosten geleidelijk dalen naarmate het gedrag verandert. Tegen 2050 zouden de besparingen in het energiesysteem bijna 14 miljard euro per jaar bedragen; het totale elektriciteitsgebruik zou met 18% dalen.
Die besparingen moeten echter worden afgewogen tegen de kosten van dergelijke veranderingen. Die kosten houden verband met het nutsverlies dat ontstaat als mensen gedwongen worden hun gedrag aan te passen.
Baudouin Regout, Commissaris bij het Federaal Planbureau: “Deze studie wil de samenleving en de beleidsmakers handvaten aanreiken om een geïnformeerd debat te hebben over de belangrijkste keuzes in de energietransitie die ons te wachten staan. De omvang, het tempo en zelfs de noodzaak van een vermindering van de CO2-uitstoot is uiteindelijk een maatschappelijke keuze. Hoe houd je de transitie betaalbaar en als er middelen nodig zijn, waar komen die dan vandaan? Welke groepen gezinnen en bedrijven zullen hun gedrag moeten aanpassen? Ook dat zijn keuzes die de samenleving moet maken.”
We sluiten af met enkele kanttekeningen. De analyses zijn gebaseerd op het PRIMES-model, dat ook door de Europese Commissie wordt gebruikt voor haar toekomstverkenningen. Dat model is een partieel evenwichtsmodel voor energiesystemen, waarbij een aantal cruciale gedragsaannames en parameters onveranderd worden gehouden (wat niet geldt voor de mix van energietechnologieën). Toekomstige technologiekosten worden constant verondersteld over de tijd, waardoor besparingen door innovatie op lange termijn uitgesloten zijn. De landbouwsector valt buiten de scope van onze analyse.