
De Raad van State heeft in een advies (nr. 78.759/3 van 5 februari 2026) bijzonder kritische opmerkingen gemaakt over het ontwerp van koninklijk besluit van de Arizona-regering tot hervorming van bepaalde btw‑tarieven. Dit maakt dat het voorstel moeilijk juridisch staande is te houden. Dit is het zoveelste bewijs dat de speelruimte voor fiscaal politieke beslissingen juridisch beperkt is, en dat de politiek zich hier rekenschap van moet geven.
De moeizame fiscaal politieke akkoorden van de Arizona-regering geraken maar moeilijk aan de juridisch eindmeet. In de zoektocht naar de nodige miljarden werd beslist om ook in de BTW in te grijpen. In het oorspronkelijke voorstel werd gedacht om het algemene BTW-tarief van 21 naar 22% te verhogen, maar dit botste op verzet van bepaalde coalitiepartners in de regering. Als alternatief werd dan beslist om het verlaagde BTW-tarief op cultuur, sport en ontspanning en op afhaalmaaltijden te verhogen van 6% naar 12%. Op zich geen probleem, ware het niet dat in het ultieme voorstel van de regering tal van uitzonderingen op deze piste werden voorzien. De Raad van State, aan wie werd gevraagd om advies te geven op het regeringsvoorstel, was dan ook in zijn advies van 5 februari 2026 bijzonder kritisch voor het creëren van nieuwe subcategorieën in de BTW.
De Raad van State heeft het regeringsvoorstel vooral bekeken vanuit het beginsel van fiscale neutraliteit, het fiscaal legaliteitsbeginsel en het fiscaal gelijkheidsbeginsel. Volgens het principe van de fiscale neutraliteit moeten "soortgelijke" goederen en diensten "die tot concurrentie kunnen leiden" aan hetzelfde BTW tarief worden onderworpen. Het fiscaal legaliteitsbeginsel voorziet dat fiscale regelgeving helder en voorzienbaar moet zijn voor de belastingplichtigen. Het fiscaal gelijkheidsbeginsel tot slot bepaalt dat er ongelijk belast mag worden, voor zover daar objectieve en redelijk te verantwoorden criteria voor zijn.
De Raad van State begint met een positieve noot door te stellen dat een aantal maatregelen in het regeringsvoorstel wel te verantwoorden zijn. het gaat om de BTW-verhoging op pesticiden en fytofarmaceutische producten (12% → 21%), de BTW-verhoging op gemeubeld logies en kamperen (6% → 12%) en de BTW-verlaging op niet‑alcoholische dranken in restaurant- en cateringdiensten (21% → 12% ).
Voor de BTW-verhoging op toegang tot cultuur, sport en vermaak (6% → 12%) en de BTW-verhoging op bepaalde meeneemmaaltijden en bereide voedingsmiddelen (6% → 12%) is de Raad van State heel wat minder positief. De Raad van State stelt vast dat het regeringsvoorstel een onderscheid maakt tussen enerzijds straattheater, ballet, circus, opera, klassieke muziek waar het BTW-tarief 6% blijft, en anderzijds alle andere culturele, sport- en ontspanningsactiviteiten (concerten, films, musea, fitness, festivals enz.) waar het BTW-tarief tot 12% wordt verhoogd.
Op de vraag naar de verantwoording van dit onderscheid, antwoordde de vertegenwoordiger van de regering, dat het verlaagde BTW-tarief van 6 % betrekking heeft op “voorstellingen of opvoeringen met een actieve betrokkenheid van uitvoerende kunstenaars” op het oog heeft, terwijl “eerder passieve voorstellingen of opvoeringen” aan het verlaagde btw-tarief van 12 % zullen worden onderworpen. Op de opmerking van de Raad van State dat er ook gemengde voorstellingen of opvoeringen bestaan, antwoordde de vertegenwoordiger van de regering dat er "bij een gemengde programmatie het tarief van 6 pct. van toepassing zal zijn op theater- en straattheatervoorstellingen, balletvoorstellingen, opvoeringen van opera en klassieke muziek en circusvoorstellingen, en het tarief van 12 pct. op andere culturele activiteiten".
Dit kon de Raad van State niet overtuigen en in het advies werd dan ook gesteld dat het gemaakte onderscheid is onduidelijk, willekeurig en niet objectief is, en daarnaast ook niet te verantwoorden is.
2. Het verhoogd tarief voor bepaalde meeneemmaaltijden
Ook de voorgestelde regeling om het BTW-tarief op bepaalde meeneemmaaltijden te verhogen van 6% naar 12% stuit op heel wat kritiek van de Raad van State. In het regeringsvoorstel is voorzien dat het BTW-tarief verhoogd voor: "bereide maaltijden en bereide voedingsmiddelen die doorgaans bestemd zijn om te worden gegeten als onderdeel van een maaltijd, die bestemd zijn om zonder verdere bereiding door de klant doorgaans te worden gegeten en een beperkte houdbaarheidstermijn hebben."
Wat hieronder moet worden verstaan wordt ook verduidelijkt:
In haar analyse komt de Raad van State op een nogal plastische wijze tot de conclusie dat deze regeling ingaat tegen het principe van de fiscale neutraliteit en geen verantwoording kan bieden voor de ongelijke fiscale behandeling.
Zo komt men bijvoorbeeld tot de conclusie dat een kaasschotel op zichzelf (nog) niet als een volwaardige maaltijd wordt beschouwd, aangezien dat dat doorgaans maar het geval is indien er brood bij wordt geserveerd. Hierdoor zou het 6% tarief behouden blijven.
Ook was er nogal wat animo over de vraag wat moet worden verstaan onder maaltijden die doorgaans als middag- of avondeten worden genuttigd, en hoe zich dat dan verhoudt tot ontbijt. Zo komt men tot de conclusie dat ontbijtkoeken en croissants aan 6% BTW blijven, maar het "nuttigen" van een ontbijtburger in een fastfood-restaurant onder het tarief van 12% valt, omdat dit iets is wat "doorgaans" niet als ontbijt wordt gegeten.
En ook de vraag wat men onder een "bereide maaltijd" moet verstaan was nogal verassend. Zo wordt gesteld dat ambachtelijk roomijs een bereide maaltijd is (12%), maar een frisco, cornetto of magnum niet. (6%) En wie een ice-tea aan een foodtruck bestelt zou volgens het regeringsvoorstel 12% moeten betalen als de uitbater de drank in een bekertje giet en voorziet van ijsblokjes en een citroenschijf. Wie echter een blikje ice-tea van de uitbater krijgt moet 6% betalen, en dit ook als de uitbater het "lipje" van het blikje reeds heeft open getrokken.
Iedereen met wat gezond verstand, beseft dat dit juridisch allemaal geen stand kan houden.
Binnen de regering beseft men ondertussen ook dat het voorstel geen kans op slagen maakt. Zowel premier De Wever, als vice-premier Vandenbroucke, hebben reeds in de pers verklaard dat men "terug naar de tekentafel" gaat. Dit is een wijze beslissing. Het heeft inderdaad weinig zin om een regeling in te voeren die juridisch op losse schroeven staat en sowieso aangevochten zal worden. Indien men het risico op een juridisch fiasco niet wil lopen en tevens ook de budgettaire doelstelling wil halen, doet men er goed aan te kiezen voor de eenvoud. Dit wil zeggen een minieme, doch globale verhoging van de BTW-tarieven. Dit kan een verhoging van het 21% tarief zijn, maar evenzeer een verhoging van het 6% en 12%-tarief.
Het voordeel van een dergelijke maatregel is dat dit een zeer brede maatregel is, die van hoog tot laag zal gelden en onmiddellijk veel inkomsten oplevert voor de Schatkist. Het nadeel is dan weer dat de BTW ook een onderdeel uitmaakt van de consumptieprijzen, en dus mee in rekening wordt gebracht om te bepalen of de spilindex wordt overschreden en de lonen moeten worden geïndexeerd. Maar daar had de regering al een oplossing voor, met name... een (gedeeltelijke) indexsprong.