
De nieuwe aankomende deadline van 31 maart 2026 voor het indienen van de aangifte en de betaling van de patrimoniumtaks is de ideale gelegenheid om wat dieper in te gaan op enkele recente ontwikkelingen rond deze jaarlijkse taks.
Via de wet van 28 december 2023 “houdende diverse fiscale bepalingen” werd in 2024 de patrimoniumtaks voor vzw’s, ivzw’s en private stichtingen grondig hervormd. Het oude vlakke tarief van 0,17% werd toen vervangen door nieuwe progressieve tarieven en een hogere voetvrijstelling.
Sinds 2024 gelden de volgende progressieve tarieven:
Dit betekent dat (i)vzw’s en private stichtingen, waarvan de belastbare bezittingen 50.000 EUR niet overschrijden, aan de patrimoniumtaks (en bijhorende aangifteplicht) ontsnappen, terwijl instellingen met hogere bezittingen meer belasting betalen.
Daarnaast werd de uitsluiting voor buitenlands onroerend goed geschrapt, al voorzag de wetgever een wettelijke voorkoming van dubbele belasting. Wanneer het betrokken vastgoed in het buitenland aan een gelijkaardige (patrimonium)taks onderworpen is, wordt de Belgische patrimoniumtaks op dit vastgoed verminderd met de buitenlandse belasting (omgerekend in euro op de betaaldatum), mits aan bepaalde formaliteiten wordt voldaan.
Om de impact van de nieuwe progressieve tarieven op bepaalde te ondersteunen sectoren te milderen, voerde de wetgever in 2024 een belastingvermindering in voor enkele specifieke sectoren, met name:
op voorwaarde dat meer dan de helft van hun omzet betrekking heeft op handelingen die btw-vrijgesteld zijn op grond van artikel 44, §2, 1°, 2°, 3°, 4°, a) en 9° W. BTW.
2. De maatwerkbedrijven die opgericht of erkend zijn door de bevoegde gewestelijke regering of instelling, zonder voorwaarde op vlak van omzet.
3. De medische huizen bedoeld in artikel 32, §1, tweede lid van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, met name ‘zorgverleners of een groep van zorgverleners die geneeskundige verstrekkingen verlenen die betaald worden volgens de regels vastgesteld in uitvoering van artikel 52, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, alsook de andere medische huizen, geïntegreerde gezondheidsverenigingen en wijkgezondheidscentra erkend door de bevoegde gewest- of gemeenschapsoverheid, terug zonder voorwaarde op vlak van omzet.
4. De instellingen die dierenasielen beheren en erkend zijn overeenkomstig de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren of het Waalse Dierenwelzijnwetboek.
5. De centra voor private archieven die erkend zijn door de bevoegde gemeenschapsregering of -instelling, en
6. De patrimoniuminstellingen, met name de instellingen waarvan minstens 75% van de bezittingen wordt aangewend door een instelling zoals bedoeld in (1) tot (5) hierboven. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de aparte ‘patrimonium-vzw’s’ waarin zorginstellingen hun infrastructuur vaak onderbrengen.
Voor al deze sectoren wordt de belastbare waarde van hun bezittingen verminderd met 62,3%, zodat slechts 37,7% van de waarde van hun bezittingen wordt belast. Hierdoor betalen deze instellingen nooit meer dan (afgerond) 0,17% op hun bezittingen. Dit stemt overeen met het vroegere vaste tarief. Op die manier hoopte de federale regering de toegang tot onder meer de zorgverlening en de sport- en cultuursector niet duurder te maken.
Enkele instellingen die niet in aanmerking kwamen voor deze belastingvermindering, gooiden echter roet in het eten. Deze instellingen oordeelden dat de progressieve tariefstructuur en de neutralisering ervan voor bepaalde sectoren:
Op basis van deze argumentatie startten een aantal rechtspersonen – die buiten de hierboven vermelde neutralisering vielen – een procedure voor het Grondwettelijk Hof op. Het Hof weerhield echter enkel de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
De neutralisatie van de progressieve tariefstructuur voor bepaalde sectoren maakt een schending uit van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
In zijn arrest nr. 159/2025 dd. 4 december 2025 heeft het Hof onderzocht of het verschil in behandeling tussen de rechtspersonen die van een gedeeltelijke vrijstelling genieten en deze die daarvan uitgesloten zijn, gesteund is op een objectief criterium en redelijk verantwoord is.
Het gelijkheidsbeginsel verzet er zich namelijk tegen dat personen die zich ten aanzien van de betwiste wetsbepaling in een wezenlijk verschillende situatie bevinden, toch gelijk worden behandeld, dan wel op verschillende wijze worden behandeld ook bevinden ze zich in een identieke situatie tegenover de betrokken wetsbepaling en dit zonder redelijke verantwoording.
Het Hof beklemtoont dat de wetgever vrijstellingen en fiscale verminderingen redelijk moet kunnen verantwoorden. Wanneer de verantwoording van een vrijstelling of een vermindering dermate ruim is dat zij in werkelijkheid ook voor andere categorieën van belastingplichtigen geldt dan degenen die de vrijstelling of de vermindering genieten, kunnen die andere categorieën niet op willekeurige wijze hetzelfde voordeel worden ontzegd.
Volgens het Hof kunnen de elementen die in de parlementaire voorbereiding worden aangevoerd, niet redelijk verantwoorden dat de vermindering van de belastbare grondslag enkel voor de betrokken sectoren geldt. Op basis van die elementen kan men immers geen onderscheid maken tussen de belastingplichtigen uit die sectoren en andere vergelijkbare belastingplichtigen. Daarom vernietigt het Hof de betrokken wetsbepaling wegens schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. De progressieve tariefstructuur blijft echter gehandhaafd.
Om echter te vermijden dat meerdere categorieën van belastingplichtigen met terugwerkende kracht worden geconfronteerd met een onvoorziene fiscale last, en om de wetgever toe te laten een nieuwe regeling aan te nemen, handhaaft het Hof evenwel de gevolgen van de vernietigde bepaling tot uiterlijk 31 december 2026.
Concreet betekent dit dat de aangifte in te dienen tegen 31 maart 2026 nog volgens de huidige regeling mag opgemaakt worden met gedeeltelijke vermindering ten belope van 62,30% voor de wettelijk opgesomde sectoren. Het valt dan ook af te wachten hoe de wetgever tegemoet gaat komen aan de kritiek van het Grondwettelijk Hof.
De huidige regels blijven onverkort gelden tot uiterlijk 31 december 2026, waarna de wetgeving aangepast moet worden.
Nieuw aangifteformulier
Recentelijk heeft de fiscale administratie een nieuw aangifteformulier ter beschikking gesteld dat ofwel digitaal kan ingevuld, getekend en ingediend worden via MyMinfin onder de vorm van een op te laden pdf-bestand, dan wel op papier en per post. Tevens kan er met een Biztax-mandaat gewerkt worden. Dat biedt flexibiliteit voor professionele tussenpersonen die meerdere entiteiten vertegenwoordigen.