Circulaire | Instruction

Circulaire 2021/C/10 over het belastingkrediet ‘Proxi-lening’ in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting publiceerde op 10/02/2021 de circulaire 2021/C/10.

Deze circulaire bespreekt het bijzondere machtenbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering nr. 2020/045 van 19.06.2020 betreffende de Proxi-lening (BS 30.07.2020) en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot uitvoering van de Proxi-lening van 01.10.2020 (BS 08.10.2020).



INHOUDSTAFEL

1. Inleiding

2. Algemene bepalingen

3. Voorwaarden betreffende de partijen bij de 'Proxi-lening'

3.1. In hoofde van de kredietnemer

3.2. In hoofde van de kredietgever

3.3. Gesloten via een financieringsvehikel

4. Vormvoorwaarden en regels betreffende de 'Proxi-lening'

4.1. Bestaande en toekomstige schulden van de kredietnemer

4.2. Looptijd en terugbetaling

4.3. Begrenzingen

a. Totale bedrag in hoofdsom uitgeleend of ter beschikking gesteld

b. De door de kredietnemer verschuldigde interesten

4.4. Vervroegde terugbetaling

4.5. Registratie en schrapping

5. Bestemming van het kapitaal dat in het kader van de 'Proxi-lening' wordt geleend of ter beschikking wordt gesteld

6. Basis bewijslevering over de vorm en inhoud van de lening

7. Fiscale bepalingen

7.1. Jaarlijks belastingkrediet

a. Berekeningsgrondslagen

b. Berekening

c. Toekenning

d. Voorbeeld

e. Jaarlijkse bewijslevering

f. Weigering van een toekenning

g. Overlijden van de kredietgeve

h. Einde

7.2. Eenmalig belastingkrediet

a. Voorwaarden

b. Berekeningsgrondslag

c. Berekening

d. Toekenning

e. Bewijslevering

f. Weigering van een toekenning

g. Overlijden van de kredietgever

8. Toepassing in de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen)

9. Inwerkingtreding


1. INLEIDING

1. De COVID-19 gezondheidscrisis heeft aanzienlijke economische gevolgen voor veel ondernemingen en zelfstandigen.

Veel ondernemingen, zowel rechtspersonen als natuurlijke personen, hebben als gevolg van een daling van de economische activiteit van meerdere maanden dringend nood aan middelen, om hun cashflow aan te vullen of om bepaalde essentiële investeringen mogelijk te maken.

2. Gebaseerd op het model dat reeds in het Vlaams Gewest en het Waals Gewest wordt toegepast (1), heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest besloten om een instrument (‘Proxi-lening’) te lanceren dat de mogelijkheid biedt om de KMO-financieringskloof te dichten. Dit gebeurt door het mobiliseren van particulier spaargeld ten voordele van ondernemingen met behulp van fiscale stimulansen (belastingkredieten) die worden toegekend in het kader van die ‘Proxi-lening’, zoals ingevoerd door het Bijzondere machtenbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering nr. 2020/045 van 19.06.2020 over de ‘Proxi-lening’ (BS 30.07.2020) (hierna “het besluit nr. 2020/045 van 19.06.2020”).

(1) Vlaams Decreet van 19.05.2006 over de ‘Winwinlening’ (BS 30.06.2006) en Waals Decreet van 28.04.2016 over ‘Coup de pouce’ -leningen (BS 10.05.2016).


2. ALGEMENE BEPALINGEN

3. De ‘Proxi-lening’ is een kredietovereenkomst die tussen een kredietgever en een kredietnemer wordt gesloten, en die voldoet aan de voorwaarden en regels vastgelegd in het besluit nr. 2020/045 van 19.06.2020 en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot uitvoering van de Proxi-lening van 01.10.2020 (BS 08.10.2020) (hierna “het besluit van 01.10.2020”).

4. Onder ‘Kredietovereenkomst’ wordt verstaan:

- een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een kredietnemer krediet verleent of toezegt

- een lening waarbij een kredietgever aan een kredietnemer geldmiddelen ter beschikking stelt onder de verbintenis van terugbetaling door de kredietnemer.

5. Onder ‘kredietnemer’ wordt verstaan, een KMO die, in het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten, een kredietovereenkomst sluit.

6. Onder ‘kredietgever’ wordt verstaan een natuurlijk persoon die, buiten het kader van zijn handels- of beroepsactiviteiten, een kredietovereenkomst sluit.

7. Onder ‘KMO’ wordt verstaan een kleine, middelgrote of micro-onderneming

- als gedefinieerd in Bijlage I bij Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17.06.2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de art. en 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, met inbegrip van alle latere wijzigingen daarvan

- die de vorm heeft, hetzij van een rechtspersoon, hetzij van een zelfstandig natuurlijk persoon.


3. VOORWAARDEN BETREFFENDE DE PARTIJEN BIJ DE ‘PROXI-LENING’
3.1. In hoofde van de kredietnemer

8. Op de datum waarop de ‘Proxi-lening’ gesloten wordt, moet de kredietnemer

- als onderneming ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen

- een vestigingseenheid hebben in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.


3.2. In hoofde van de kredietgever

9. Op de datum waarop de ‘Proxi-lening’ gesloten wordt, moet de kredietgever

- een natuurlijk persoon zijn die de ‘Proxi-lening’ sluit buiten het kader van zijn handels- of beroepsactiviteiten

- geen werknemer zijn van de kredietnemer

- niet de echtgenoot of de wettelijk samenwonende partner van de kredietnemer zijn, indien deze laatste een zelfstandige is

- geen aandeelhouder zijn van de kredietnemer indien deze laatste een rechtspersoon is, noch benoemd zijn of optreden als bestuurder, zaakvoerder of in een vergelijkbaar mandaat binnen die rechtspersoon. Deze voorwaarde geldt ook voor zijn of haar echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner.

10. Gedurende de hele looptijd van de ‘Proxi-lening’, kan de kredietgever geen kredietnemer zijn bij een andere ‘Proxi-lening’.


3.3. Gesloten via een financieringsvehikel

11. De ‘Proxi-lening’ kan ook gesloten worden via een financieringsvehikel in de zin van art. 4, 7°, van de wet van 18.12.2016 tot regeling van de erkenning en de afbakening van crowdfunding en houdende diverse bepalingen inzake financiën (BS 20.12.2016) (Hierna ‘W. 18.12.2016’).

12. Het besluit van 01.10.2020 legt de na te leven voorwaarden vast opdat een lening gesloten via een dergelijk financieringsvehikel erkend kan worden als een ‘Proxi-lening’.

Zo wordt onder meer bepaald dat om de tussenpersoon te kunnen zijn van een ‘Proxi-lening’, dat financieringsvehikel moet

- worden gecontroleerd of beheerd door een door de FSMA vergund alternatieve-financieringsplatform, overeenkomstig de art. 5, § 3, en 28, § 1, W 18.12.2016

- aantonen dat het twee jaar actief is geweest als facilitator van leningen van particulieren aan ondernemingen

- voorafgaand een kaderovereenkomst afgesloten hebben met het Brussels Waarborgfonds (2).

(2) Opgericht bij de ordonnantie van 22.04.1999 tot wijziging van de wet van 04.08.1978 tot economische heroriëntering en tot oprichting van het Brussels Waarborgfonds (BS 14.10.1999).


4. VORMVOORWAARDEN EN REGELS BETREFFENDE DE ‘PROXI-LENING’
4.1. Bestaande en toekomstige schulden van de kredietnemer

13. De ‘Proxi-lening’ is achtergesteld zowel ten aanzien van de bestaande als van de toekomstige schulden van de kredietnemer.


4.2. Looptijd en terugbetaling

14. Deze lening heeft een looptijd van vijf of acht jaar en kan worden terugbetaald:

- in één keer na deze vijf of acht jaar; of

- volgens een maandelijkse, driemaandelijkse, zesmaandelijkse of jaarlijkse aflossingstabel, ondertekend door de kredietgever en kredietnemer, die wordt gevoegd bij de akte van de ‘Proxi-lening’.

15. De kredietnemer kan bovendien de ‘Proxi-lening’ vervroegd aflossen door een eenmalige betaling van het openstaande saldo in hoofdsom en interest, op voorwaarde dat deze mogelijkheid is vastgelegd in de bepalingen van de ‘Proxi-lening’.


4.3. Begrenzingen
A. TOTALE BEDRAG IN HOOFDSOM UITGELEEND OF TER BESCHIKKING GESTELD

16. Het totale bedrag, in hoofdsom, dat door een kredietgever uitgeleend of ter beschikking wordt gesteld in het kader van

- één of meer ‘Proxi-leningen’, overstijgt op geen enkel moment 200.000 euro, voor alle lopende ‘Proxi-leningen’ samen

- één of meer nieuwe ‘Proxi-leningen’, in de loop van hetzelfde kalenderjaar, overstijgt 50.000 euro niet (3).

(3) Tijdens de belastbare tijdperken 2020 en 2021 wordt dit bedrag verhoogd tot 75.000 euro in toepassing van de tijdelijke bepalingen vanwege de COVID-19 gezondheidscrisis (zie art. 8, 1ste lid van het besluit nr. 2020/045 van 19.06.2020).

17. Het totale bedrag, in hoofdsom, dat in het kader van één of meer ‘Proxi-leningen’ aan een kredietnemer wordt uitgeleend of ter beschikking wordt gesteld, mag op geen enkel moment 250.000 euro per kredietnemer overstijgen (4).

(4) Tijdens de belastbare tijdperken 2020 en 2021 wordt het bedrag verhoogd tot 300.000 euro in toepassing van de tijdelijke bepalingen vanwege de COVID-19 gezondheidscrisis (zie art. 8, 2de lid van het besluit nr. 2020/045 van 19.06.2020). Deze bepaling stelt ook dat in de daaropvolgende belastbare tijdperken de kredietnemer geen nieuwe ‘Proxi-lening’ kan sluiten tot het totaalbedrag, in hoofdsom, dat in het kader van één of meer ‘Proxi-leningen’ aan de kredietnemer wordt uitgeleend of ter beschikking wordt gesteld, kleiner is dan het plafond van 250.000 euro.


B. DE DOOR DE KREDIETNEMER VERSCHULDIGDE INTERESTEN

18. De door de kredietnemer verschuldigde interesten worden betaald op de overeengekomen vervaldagen.

19. Ze worden berekend door het in het kader van een ‘Proxi-lening’ geleende of ter beschikking gestelde bedrag aan de kredietnemer, na aftrek van het bedrag van de aflossingen die al werden terugbetaald, te vermenigvuldigen met de vaste rentevoet die werd vastgesteld in de akte van de ‘Proxi-lening’.

20. Die rentevoet mag niet hoger zijn dan de wettelijke rentevoet die van kracht is op datum waarop de ‘Proxi-lening’ gesloten wordt, en mag niet lager zijn dan de helft van dezelfde wettelijke rentevoet (5).

(5) Dit is de rentevoet gedefinieerd in art. 2, § 1, van de W 05.05.1865 betreffende de lening tegen interest.


4.4. Vervroegde terugbetaling

21. De kredietgever kan op eerste verzoek, bij een aangetekend schrijven gericht aan de kredietnemer, de ‘Proxi-lening’ vervroegd opeisbaar stellen bij de kredietnemer in de volgende situaties:

- faillissement, kennelijk onvermogen, of vrijwillige of gedwongen ontbinding of vereffening van de kredietnemer

- als de kredietnemer een zelfstandige is, in geval hij zijn activiteit vrijwillig stopzet of overdraagt

- als de kredietnemer een rechtspersoon is, ingeval deze laatste onder voorlopig bewindvoerder geplaatst wordt

- in geval van een achterstand van meer dan drie maanden in de betaling van de aflossingen van de hoofdsom of de interesten van de ‘Proxi-lening’ of

- in geval van schrapping van ambtswege van de ‘Proxi-lening’, wegens het niet naleven door de kredietnemer van de voorwaarden van het besluit nr. 2020/045 van 19.06.2020 en het besluit van 01.10.2020.

22. Als de kredietnemer een zelfstandige is, kan de kredietgever, in geval van overlijden van de kredietnemer, de ‘Proxi-lening’ op eerste verzoek vervroegd opeisbaar stellen bij de wettelijke erfgenamen van de kredietnemer.


4.5. Registratie en schrapping

23. Elke ‘Proxi-lening’ wordt geregistreerd door het Brussels Waarborgfonds, tenzij zij vaststelt dat aan één van de voorwaarden niet werd voldaan.

24. Deze registratie omvat het toekennen van een nummer aan de akte en het opnemen van de akte en van de desbetreffende ‘Proxi-lening’ in het ‘Proxi-leningregister’.

25. Het Brussels Waarborgfonds kan de inschrijving van de ‘Proxi-lening’ ook schrappen

- in het geval van een vervroegde aflossing zoals bedoeld in de nrs. 15 en 21

of

- als ze van oordeel is dat niet meer voldaan is aan de voorwaarden van het besluit nr. 2020/045 van 19.06.2020 en het besluit van 01.10.2020.


5. BESTEMMING VAN HET KAPITAAL DAT IN HET KADER VAN DE ‘PROXI-LENING’ WORDT GELEEND OF TER BESCHIKKING WORDT GESTELD

26. De middelen die aan de kredietnemer worden geleend of ter beschikking worden gesteld moeten uitsluitend worden gebruikt om de activiteit van de onderneming uit te voeren.

27. Dit impliceert dat de middelen integraal moeten worden aangewend door de kredietnemer in het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten als rechtspersoon of als zelfstandige, op een wijze die in het belang van de rechtspersoon is en rechtstreeks of onrechtstreeks bijdraagt tot de verwezenlijking van zijn maatschappelijk doel of, als het een zelfstandige betreft, op een wijze die hoofdzakelijk bijdraagt tot de verwezenlijking van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten.

28. De activiteit die het verstrekken door de kredietnemer van één of meer leningen of zekerheden omvat, kan niet gekwalificeerd worden als een ondernemingsdoel, tenzij het maatschappelijk doel van de kredietnemer uitsluitend of hoofdzakelijk de uitoefening van deze activiteit omvat.

29. De bovengenoemde middelen kunnen niet gebruikt worden om dividenden uit te keren of aandelen te verwerven.


6. BASIS BEWIJSLEVERING OVER DE VORM EN INHOUD VAN DE LENING

30. Om in aanmerking te komen voor de toepassing van de fiscale bepalingen opgenomen in titel 7 hieronder, moeten de kredietgever en de kredietnemer het bewijs leveren dat ze voldoen aan alle voorwaarden met betrekking tot de ‘Proxi-lening’.

Indien de ‘Proxi-lening’ wordt verstrekt door de tussenpersoon van een financieringsvehikel, maakt deze laatste aan het Brussels Waarborgfonds dit bewijs over.

In de praktijk moeten de ‘Proxi-leningen’ qua vorm en inhoud aan de volgende voorwaarden voldoen.

31. In het geval van ‘Proxi-leningen’ die rechtstreeks tussen een kredietgever en een kredietnemer worden gesloten, kan dit bewijs alleen geleverd worden als de ‘Proxi-lening’ werd vastgesteld in een onderhandse of authentieke akte.

Deze akte wordt opgesteld aan de hand van het modelformulier dat het Brussels Waarborgfonds ter beschikking stelt overeenkomstig de bepalingen van art. 7, §§ 2 tot 4 van het besluit van 01.10.2020.

32. In het geval dat de ‘Proxi-leningen’ worden verstrekt door de tussenpersoon van een financieringsvehikel, bestaat de lening uit twee akten:

- de eerste akte wordt gesloten tussen de kredietgever en het financieringsvehikel

- de tweede akte wordt gesloten tussen het financieringsvehikel en de kredietnemer.

Bij een akte gesloten tussen een financieringsvehikel en een kredietnemer kunnen verschillende akten, gesloten tussen kredietgevers en dit financieringsvehikel, worden gevoegd.

Het invoeren van de in deze akten opgenomen gegevens in het computersysteem van het Brussels Waarborgfonds kan aan het financieringsvehikel worden toevertrouwd.

Deze akten zijn opgesteld overeenkomstig de bepalingen van art. 8, §§ 3 tot 6 van het voornoemde besluit van 01.10.2020.


7. FISCALE BEPALINGEN

33. Het fiscaal voordeel, verbonden aan de ‘Proxi-lening’, dat is toegestaan aan de kredietgever, onderworpen aan de personenbelasting en gelokaliseerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overeenkomstig art. 5/1, § 2, van de Bijzondere Financieringswet van 16.01.1989 (6), neemt de vorm aan van een belastingkrediet.

(6) Bijzondere Financieringswet: de bijzondere wet van 16.01.1989 van de Gemeenschappen en de Gewesten, met inbegrip van alle latere wijzigingen.

34. Dit belastingkrediet wordt berekend op basis van de bedragen die de kredietgever uitgeleend of ter beschikking gesteld heeft in het kader van één of meer ‘Proxi-leningen’ en kan jaarlijks of eenmalig zijn.


7.1. Jaarlijks belastingkrediet
A. BEREKENINGSGRONDSLAGEN

35. Het jaarlijks belastingkrediet heeft betrekking op twee berekeningsgrondslagen bestaande elk uit het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen op 1 januari en 31 december van het belastbare tijdperk, met volgende verschilpunten:

(1) de eerste houdt enkel rekening met de leningen die tijdens hetzelfde belastbare tijdperk of één van de twee vorige zijn begonnen

(2) de tweede houdt enkel rekening met de andere leningen.

36. Indien de som van de hierboven genoemde berekeningsgrondslagen 200.000 euro overschrijdt, wordt deze van rechtswege tot dat bedrag verlaagd, door een verlaging van de tweede grondslag.


B. BEREKENING

37. Het jaarlijks belastingkrediet bedraagt 4% van het bedrag van de eerste grondslag, vermeerderd met 2,5% van het bedrag van de tweede grondslag, in voorkomend geval verminderd door toepassing van de in nr. 36 bedoelde regel.


C. TOEKENNING

38. Het jaarlijks belastingkrediet wordt toegestaan voor de looptijd van de ‘Proxi-lening’, te beginnen met het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de ‘Proxi-lening’ werd gesloten.

Het is echter zo dat de toekenning van het deel van het belastingkrediet dat wordt berekend op basis van de eerste grondslag (4%), beperkt is in de tijd. Het kan alleen worden toegekend voor het aanslagjaar dat betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de lening is gestart, alsmede voor de twee volgende aanslagjaren.

Het op de tweede grondslag berekende deel van het belastingkrediet (2,5%) kan worden toegekend voor de gehele resterende looptijd van de lening, maar vanaf het aanslagjaar dat betrekking heeft op het derde belastbare tijdperk dat volgt op het belastbare tijdperk waarin de lening is gestart.


D. VOORBEELD

39. Twee gehuwde belastingplichtigen (die aan een gemeenschappelijke aanslag zijn onderworpen) sluiten elk een ‘Proxi-lening’ van 75.000 euro af op 01.11.2020 voor een looptijd van 5 jaar, terugbetaalbaar in één keer op de vervaldag. De vastgestelde interesten worden daarentegen jaarlijks na vervallen termijn betaald. Alle voorwaarden met betrekking tot de toekenning van het belastingkrediet zijn voor de twee leningen vervuld.

Echtgenoot A sluit alleen een nieuwe ‘Proxi-lening’ van 50.000 euro af op 01.05.2023 voor een looptijd van 5 jaar, terugbetaalbaar in één keer op de vervaldag. De vastgestelde interesten worden daarentegen jaarlijks na vervallen termijn betaald. Alle voorwaarden met betrekking tot de toekenning van het belastingkrediet zijn voor die lening vervuld.

Het bedrag van het belastingkrediet moet als volgt worden berekend (in de veronderstelling dat de desbetreffende regelgeving onveranderd blijft).


Belastbaar tijdperk 2020

- in hoofde van echtgenoot A:

1ste grondslag: 37.500 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens het belastbaar tijdperk 2020) op 01.01.2020 en op 31.12.2020 (berekend als volgt: (0 + 75.000) / 2).

2de grondslag: 0 euro

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 1.500 euro, namelijk (37.500 * 4 %) + (0 * 2,5 %).

- in hoofde van echtgenoot B:

Hetzelfde belastingkrediet en zelfde berekeningswijze als voor echtgenoot A.

Belastbaar tijdperk 2021

- in hoofde van echtgenoot A:

1ste grondslag: 75.000 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens de belastbare tijdperken 2020 en 2021) op 01.01.2021 en op 31.12.2021 (berekend als volgt: (75.000 + 75.000) / 2).

2de grondslag: 0 euro

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 3.000 euro, namelijk (75.000 * 4 %) + (0 * 2,5%).

- in hoofde van echtgenoot B:

Hetzelfde belastingkrediet en zelfde berekeningswijze als voor echtgenoot A.

Belastbaar tijdperk 2022

Idem als voor het belastbaar tijdperk 2021.

Belastbaar tijdperk 2023

- in hoofde van echtgenoot A:

1ste grondslag: 25.000 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens de belastbare tijdperken 2021, 2022 en 2023) op 01.01.2023 en op 31.12.2023 (berekend als volgt: (0 + 50.000) / 2).

2de grondslag: 75.000 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens het belastbaar tijdperk 2020) op 01.01.2023 en op 31.12.2023 (berekend als volgt: (75.000 + 75.000) / 2).

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 2.875 euro, namelijk (25.000 * 4 %) + (75.000 * 2,5 %).

- in hoofde van echtgenoot B:

1ste grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken 2021, 2022 en 2023).

2de grondslag: 75.000 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens het belastbaar tijdperk 2020) op 01.01.2023 en op 31.12.2023 (berekend als volgt: (75.000 + 75.000) / 2).

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 1.875 euro, namelijk (0 * 4%) + (75.000 * 2,5%).

Belastbaar tijdperk 2024

- in hoofde van echtgenoot A:

1ste grondslag: 50.000 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens de belastbare tijdperken 2022, 2023 en 2024) op 01.01.2024 en op 31.12.2024 (berekend als volgt: (50.000 + 50.000) / 2).

2de grondslag: 75.000 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens de belastbare tijdperken 2020 en 2021) op 01.01.2024 en op 31.12.2024 (berekend als volgt: (75.000 + 75.000) / 2).

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 3.875 euro, namelijk (50.000 * 4%) + (75.000 * 2,5%).

- in hoofde van echtgenoot B:

1ste grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken 2022, 2023 en 2024).

2de grondslag: 75.000 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens de belastbare tijdperken 2020 en 2021) op 01.01.2024 en op 31.12.2024 (berekend als volgt: (75.000 + 75.000) / 2).

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 1.875 euro, namelijk (0 * 4%) + (75.000 * 2,5%).

Belastbaar tijdperk 2025

- in hoofde van echtgenoot A:

1ste grondslag: 50.000 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens de belastbare tijdperken 2023, 2024 en 2025) op 01.01.2025 en op 31.12.2025 (berekend als volgt: (50.000 + 50.000) / 2).

2de grondslag: 37.500 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens de belastbare tijdperken voorafgaand aan 2023) op 01.01.2025 en op 31.12.2025 (berekend als volgt: (75.000 + 0) / 2).

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 2.937,50 euro, namelijk (50.000 * 4%) + (37.500 * 2,5%).

- in hoofde van echtgenoot B:

1ste grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken 2023, 2024 en 2025).

2de grondslag: 37.500 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens de belastbare tijdperken voorafgaand aan 2023) op 01.01.2025 en op 31.12.2025 (berekend als volgt: (75.000 + 0) / 2).

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 937,50 euro, namelijk (0 * 4%) + (37.500 * 2,5%).

Belastbaar tijdperk 2026

- in hoofde van echtgenoot A:

1ste grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken 2024, 2025 en 2026).

2de grondslag: 50.000 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens de belastbare tijdperken voorafgaand aan 2024) op 01.01.2026 en op 31.12.2026 (berekend als volgt: (50.000 + 50.000) / 2). De lening afgesloten in 2020 en vervallen in 2025 komt natuurlijk niet meer voor in deze grondslag.

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 1.250 euro, namelijk (0 * 4 %) + (50.000 * 2,5 %).

- in hoofde van echtgenoot B:

1ste grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken 2024, 2025 en 2026).

2de grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken voorafgaand aan 2024, de lening afgesloten in 2020 is in 2025 vervallen).

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 0 euro, namelijk (0 * 4 %) + (0 * 2,5 %).

Belastbaar tijdperk 2027

- in hoofde van echtgenoot A:

1ste grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken 2025, 2026 en 2027).

2de grondslag: 50.000 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens de belastbare tijdperken voorafgaand aan 2025) op 01.01.2027 en op 31.12.2027 (berekend als volgt: (50.000 + 50.000) / 2). De lening afgesloten in 2020 en vervallen in 2025 komt natuurlijk niet meer voor in deze grondslag.

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 1.250 euro, namelijk (0 * 4 %) + (50.000 * 2,5 %).

- in hoofde van echtgenoot B:

1ste grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken 2025, 2026 en 2027).

2de grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken voorafgaand aan 2025, de lening afgesloten in 2020 is in 2025 vervallen).

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 0 euro, namelijk (0 * 4%) + (0 * 2,5%).

Belastbaar tijdperk 2028

- in hoofde van echtgenoot A:

1ste grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken 2026, 2027 en 2028).

2de grondslag: 25.000 euro, dit wil zeggen het rekenkundig gemiddelde van de som van de uitgeleende of ter beschikking gestelde bedragen (tijdens de belastbare tijdperken voorafgaand aan 2026) op 01.01.2028 en op 31.12.2028 (berekend als volgt: (50.000 + 0) / 2). De lening afgesloten in 2020 en vervallen in 2025 komt natuurlijk niet meer voor in deze grondslag.

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 625 euro, namelijk (0 * 4%) + (25.000 * 2,5%).

- in hoofde van echtgenoot B:

1ste grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken 2026, 2027 en 2028).

2ste grondslag: 0 euro (geen uitgeleend of ter beschikking gesteld bedrag tijdens de belastbare tijdperken voorafgaand aan 2026, de lening afgesloten in 2020 is in 2025 vervallen).

Het belastingkrediet voor deze echtgenoot bedraagt dus 0 euro, namelijk (0 * 4%) + (0 * 2,5%).

Belastbaar tijdperk 2029

Geen belastingkrediet in hoofde van de twee echtgenoten.


E. JAARLIJKSE BEWIJSLEVERING

40. Te rekenen vanaf het jaar volgend op het jaar waarin de ‘Proxi-lening’ is gesloten, houdt de kredietgever het bewijs ter beschikking van de federale belastingadministratie dat hij één of meer ‘Proxi-leningen’ had uitstaan tijdens het belastbare tijdperk, die voldoen aan de voorwaarden inzake vorm en inhoud zoals bedoeld in nrs. 30 tot 32 hiervoor.

41. De kredietgevers die recht hebben op het jaarlijks belastingvoordeel leveren dit bewijs meer bepaald door:

1° voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de ‘Proxi-lening’ werd gesloten, de geregistreerde ‘Proxi-lening’, haar eventuele aflossingstabel en de informatie bedoeld in art. 9, vierde lid, van dit besluit ter beschikking van de federale belastingadministratie te houden

2° in hun aangifte in de personenbelasting voor ieder belastbare tijdperk waarvoor een belastingkrediet gevraagd wordt, de som van alle geleende of ter beschikking gestelde bedragen op 1 januari en op 31 december van het betrokken belastbare tijdperk te vermelden in de daartoe in het aangifteformulier opgenomen vakken. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de bedragen van de leningen die werden gesloten tijdens het betrokken belastbare tijdperk en tijdens de twee voorgaande belastbare tijdperken, enerzijds, en de bedragen van de leningen die vroeger werden gesloten, anderzijds.

De vermelde bedragen zijn de bedragen na aftrek van de aflossingen die al op de referentiedata werden terugbetaald. Het zijn de werkelijke terugbetalingen die in aanmerking moeten worden genomen en niet de terugbetalingen zoals voorzien in het contract. Voor de vaststelling van het terugbetaald kapitaalbedrag, houdt de kredietgever, naast de aflossingstabel, de rekeninguittreksels die betrekking hebben op de uitgevoerde terugbetalingen, ter beschikking van de federale belastingadministratie voor het aanslagjaar waarin deze bedragen in aanmerking worden genomen in de berekening van de aangegeven bedragen

3° voor elk van de rechtverkrijgenden van een overleden kredietgever een afschrift van hetzij de verdelingsakte, hetzij een verklaring van de notaris die belast is met de verdeling, hetzij een verklaring ondertekend door alle erfgenamen waaruit de identiteit van de rechtverkrijgenden en het door hen verkregen deel van de ‘Proxi-lening’ duidelijk blijkt, ter beschikking van de federale belastingadministratie te houden.

Vanaf het aanslagjaar dat overeenstemt met het jaar van overlijden, hebben de bedragen die zij vermelden in toepassing van 2° voor de door de overledene toegekende ‘Proxi-lening’ betrekking op het door hen verkregen deel van de lening.


F. WEIGERING VAN EEN TOEKENNING

42. Het belastingkrediet wordt enkel verleend als de kredietgever per aanslagjaar het in de nrs. 40 en 41 bedoelde bewijs ter beschikking houdt van de federale belastingadministratie.

43. Het belastingkrediet wordt dus geweigerd voor het aanslagjaar waarvoor de bewijslevering ontbreekt, niet correct is, of onvolledig is.


G. OVERLIJDEN VAN DE KREDIETGEVER

44. Het recht op het jaarlijks belastingkrediet wordt bij overlijden van de kredietgever overgedragen aan zijn rechtverkrijgenden, in de verhouding dat zij de ‘Proxi-lening’ hebben verkregen (zie nr. 41, 3°).


H. EINDE

45. Het recht op het jaarlijks belastingkrediet vervalt vanaf het aanslagjaar dat verbonden is met het belastbare tijdperk waarin

- de kredietgever de ‘Proxi-lening’ vervroegd opeisbaar heeft gesteld (zie nrs. 21-22);

- de ambtshalve schrapping van de ‘Proxi-lening’ heeft plaatsgevonden (zie nr. 25).


7.2. Eenmalig belastingkrediet
A. VOORWAARDEN

46. Onverminderd de jaarlijkse belastingkredieten die reeds voor de voorgaande belastbare tijdperken werden toegekend, wordt aan de kredietgever een eenmalig belastingkrediet toegekend als aan de volgende vier cumulatieve voorwaarden is voldaan:

- in hoofde van de kredietnemer

  • failliet gaan, kennelijk onvermogend, of vrijwillige of gedwongen ontbinding, of vereffening tijdens de lening of binnen maximaal zes maanden na het einde van de looptijd van de lening
  • een deel of het geheel van de ‘Proxi-lening’ niet kunnen terugbetalen.

- in hoofde van de kredietgever

  • onderworpen zijn aan de personenbelasting, zoals gelokaliseerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overeenkomstig art. 5/1, § 2, van de Bijzondere Financieringswet van 16.01.1989
  • de ‘Proxi-lening’ opeisbaar hebben gesteld.
B. BEREKENINGSGRONDSLAG

47. De berekeningsgrondslag wordt samengesteld door het bedrag van de hoofdsom dat tijdens het belastbare tijdperk definitief verloren is gegaan.


C. BEREKENING

48. Het eenmalige belastingkrediet bedraagt 30 % van de grondslag bedoeld in nr. 47.


D. TOEKENNING

49. Het eenmalig belastingkrediet wordt toegekend voor het aanslagjaar dat verbonden is met het belastbare tijdperk waarin vaststaat dat een gedeelte of het geheel van de hoofdsom van de ‘Proxi-lening’ definitief verloren is.


E. BEWIJSLEVERING

50. De kredietgever levert het bewijs van het definitieve verlies van het geheel of een gedeelte van de hoofdsom van de ‘Proxi-lening’ (door een faillissement, kennelijk onvermogen, of vrijwillige of gedwongen ontbinding, of vereffening van de kredietnemer) met behulp van alle door het gemene recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

Hij houdt dit bewijs ter beschikking van de federale belastingadministratie.

51. De rechtverkrijgenden van een overleden kredietgever leveren elk het bewijs waaruit blijkt dat een gedeelte of het geheel van de hoofdsom van de ‘Proxi-lening’ definitief is verloren gegaan (door faillissement, kennelijk onvermogen, of vrijwillige of gedwongen ontbinding, of vereffening van de kredietnemer) met behulp van alle door het gemene recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

Zij houden elk dit bewijs ter beschikking van de federale belastingadministratie, evenals een kopie van hetzij de verdelingsakte, hetzij een verklaring van de notaris die belast is met de verdeling, hetzij een verklaring ondertekend door alle erfgenamen, waaruit de identiteit van de rechtverkrijgenden en het door hen verkregen deel van de ‘Proxi-lening’ duidelijk blijkt.


F. WEIGERING VAN TOEKENNING

52. Het belastingkrediet wordt niet toegekend voor het aanslagjaar dat verbonden is met het belastbare tijdperk waarin de ambtshalve schrapping heeft plaatsgevonden (zie nr. 25).


G. OVERLIJDEN VAN DE KREDIETGEVER

53. Het recht op het eenmalig belastingkrediet wordt bij overlijden van de kredietgever overgedragen aan zijn rechtverkrijgenden, in de verhouding dat zij de ‘Proxi-lening’ hebben verkregen (zie nr. 51).


8. TOEPASSING IN DE BELASTING VAN NIET-INWONERS (NATUURLIJKE PERSONEN)

54. De bepalingen met betrekking tot de ‘Proxi-lening’ kunnen van toepassing zijn in de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen) (7), maar alleen op belastingplichtigen voor wie de belasting wordt berekend volgens art. 244, WIB 92 en die gelokaliseerd zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, d.w.z. niet-inwonende belastingplichtigen die:

- inwoners zijn van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en

- in België belastbare beroepsinkomsten hebben behaald of verkregen die ten minst 75% bedragen van het geheel van hun in het belastbare tijdperk betaalde of verkregen binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten, en

- in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gelokaliseerd volgens de bepalingen van de art. 248/2 en 248/3, WIB 92.

(7) In toepassing van art. 54/2 van de bijzondere wet van 16.01.1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.



55. De bepalingen met betrekking tot de ‘Proxi-lening’ treden in werking vanaf 15.10.2020.


Bron: Fisconetplus

Mots clés