Circulaire 2025/C/11 over de opheffing van de forfaitaire beroepskosten voor burgemeesters, schepenen, OCMW-voorzitters en voorzitters van het bijzonder comité voor de sociale dienst

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting publiceerde op 18/03/2025 de Circulaire 2025/C/11 over de opheffing van de forfaitaire beroepskosten voor burgemeesters, schepenen, OCMW-voorzitters en voorzitters van het bijzonder comité voor de sociale dienst.

Beroepskosten voor burgemeesters, schepenen, OCMW-voorzitters en voorzitters van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Opheffing van het bijzonder kostenforfait.


1. Het Federaal regeerakkoord 2025-2029 bevat op het vlak van de fiscaliteit een luik 'Vereenvoudiging – afbouw stelsels en koterijen'.

In het kader van deze vereenvoudig voorziet het regeerakkoord dat een aantal belastingverminderingen, uitzonderingen en vrijstellingen zullen verdwijnen, waaronder de verhoogde aftrek van beroepskosten voor lokale mandaten (1).

Deze circulaire geeft gevolg aan die laatste beslissing.

(1) Zie blz. 38 van het Federaal regeerakkoord 2025-2029, te raadplegen op Belgium.be.

2. Daarom wordt de bestaande administratieve regeling (2), waarbij burgemeesters, schepenen, OCMW-voorzitters en voorzitters van het bijzonder comité voor de sociale dienst een bijzonder forfait als beroepskosten van de bezoldigingen van hun mandaat mogen aftrekken, opgeheven.

(2) Overeenkomstig de bepalingen van nr. 51/39, Com.IB 92, zoals die zijn gewijzigd met de circulaire nr. Ci.RH.243/545.622 van 26.03.2002 en de circulaire 2020/C/37 van 28.02.2020.

3. Ter herinnering, voor de berekening van de belasting worden de netto beroepsinkomsten vastgesteld door de bruto beroepsinkomsten te verminderen met de beroepskosten:

- ofwel de werkelijke kosten overeenkomstig art. 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92)

- ofwel de forfaitaire kosten overeenkomstig art. 51, WIB 92.

Geen van voormelde wettelijke bepalingen voorziet in de toepassing van een bijzonder kostenforfait voor die mandaten.

4. Het voorgaande wordt eveneens bevestigd door de rechtspraak.

De rechtbank van eerste aanleg heeft in een vonnis namelijk het volgende opgenomen (3): 'De heffing van de belastingen vindt haar grondslag enkel in de wet, die van openbare orde is, en niet in akkoorden of bestuurlijke omzendbrieven of commentaren. Een bijzonder kostenforfait voor schepenen naast het kostenforfait bepaald in artikel 51, WIB 92 en/of de werkelijke beroepskosten bepaald in artikel 49 WIB 1992, is door de wet niet voorzien. Een commentaar kan en mag de wet niet wijzigen'. Dit werd in hoger beroep bevestigd (4).

(3) Vonnis van 20.01.2020 van de rechtbank van eerste aanleg,
West-Vlaanderen, afdeling Brugge
.
(4) Arrest van 12.10.2021 van het hof van beroep van Gent, 2020/AR/900.

5. Uit het Federaal regeerakkoord 2025-2029 blijkt duidelijk de wil om de wettelijke fiscale bepalingen ter zake, conform het legaliteitsbeginsel, voortaan strikt toe te passen.

De toepassing van dat bijzonder kostenforfait wordt bijgevolg vanaf het inkomstenjaar 2025 opgeheven.

6. Het voorgaande impliceert dat de burgemeesters, schepenen, OCMW-voorzitters en voorzitters van het bijzonder comité voor de sociale dienst voortaan, net zoals dat voor alle andere belastingplichtigen het geval is, ofwel hun werkelijke, bewezen beroepskosten van de bezoldigingen van hun mandaat mogen aftrekken, ofwel kunnen opteren voor het wettelijk forfait als bedoeld in art. 51, WIB 92 (5).

(5) Met dien verstande uiteraard dat wanneer de betrokkene ook nog andere bezoldigingen als werknemer verkrijgt een combinatie van het wettelijk forfait als bedoeld in art. 51, WIB 92 met de aftrek van werkelijke, bewezen beroepskosten binnen de bezoldigde activiteiten niet mogelijk is.

7. Voor het inkomstenjaar 2024 en vorige blijft het bijzonder kostenforfait wel nog van toepassing.

Interne ref.: 739.787/2


Mots clés

Articles recommandés