
De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde publiceerde op 20/01/2026 de Circulaire 2026/C/19 betreffende de herinvoering van een verlaagd btw-tarief voor de levering met plaatsing van warmtepompen.
Deze commentaar behandelt de herinvoering van een verlaagd btw-tarief van 6 % dat van toepassing is op de levering met plaatsing van warmtepompen voor woningen van minder dan 10 jaar oud vanaf 01.01.2026.
Inhoudstafel
1. Inleiding
2. Wettelijke bepaling
3. Welke handelingen worden beoogd?
3.1. Werk in onroerende staat en bepaalde ermee gelijkgestelde handelingen
3.2. In, op of in de onmiddellijke nabijheid van de woning
3.3. In welke gevallen geldt de tijdelijke maatregel alvast niet?
3.3.1. Koopovereenkomst (o.a. verkoop op plan) met betrekking tot de verkrijging van de woning
3.3.2. Werken uitgevoerd door meerdere aannemers
3.3.3. Loutere levering (aankoop) van de technische installatie
4. Welke installaties worden beoogd?
4.1. Soorten warmtepompen
4.2. Onderscheid specifiek en niet-specifiek gedeelte van de installatie
5. Wat zijn de vijf grondvoorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor de tijdelijke maatregel?
5.1.1. Beoogde gebouwen
5.1.2. Wie kwalificeert als een 'eindverbruiker'?
5.2. De woning moet hetzij uitsluitend, hetzij hoofzakelijk als privéwoning worden gebruikt
5.3. De eerste ingebruikneming van de woning vindt plaats in de loop van een kalenderjaar dat minder dan 10 jaar voorafgaat aan de eerste factuur met betrekking tot die handelingen
5.4. De installatie moet voldoen aan bepaalde referentienormen inzake uitstoot voorzien in de Europese reglementeringen
5.5. Verplichtingen inzake de factuur
6. Met betrekking tot welke periode is deze maatregel van toepassing?
7. Overige uitgesloten werken
7.1. Installaties uitsluitend bestemd voor zwembaden, sauna's en dergelijke
7.2. Onderhoud en herstelling van de technische installatie
De Belgische regering bevestigt in het regeerakkoord ook via een fiscale hervorming haar inzet voor de strijd tegen klimaatverandering en de transitie naar een koolstofneutrale economie.
Tegen die achtergrond werd er concreet beslist om een aantal goederen en diensten die kaderen in de transitie naar een koolstofneutrale economie (opnieuw) te onderwerpen aan een verlaagd btw-tarief.
Aldus herstelt dit besluit, met ingang van 01.01.2026 en voor een periode van vijf jaar, de regeling die overeenkomstig artikel 1quater/1 van koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven voorzag in een verlaagd btw-tarief van zes pct. voor handelingen die betrekking hebben op de levering met installatie van warmtepompen in, op of in de onmiddellijke nabijheid van gebouwen bestemd voor bewoning, maar die afliep op 31.12.2024.
De in artikel 1quater/1 van het koninklijk besluit nr. 20 voorziene beperking in de tijd wat de toepassing van het verlaagd tarief betreft, wordt daartoe vervangen, zonder dat er voor de rest enige inhoudelijke wijziging wordt aangebracht aan het materiële toepassingsgebied of aan de toepassingsvoorwaarden van die tarifaire gunstregeling.
Van de gelegenheid wordt tevens gebruikgemaakt om een kleine technische correctie aan te brengen met betrekking tot de verklaring die de aannemer op zijn factuur moet vermelden.
Volledigheidshalve wordt er op gewezen dat de invoering van deze maatregel een mogelijkheid is die geboden wordt door het nieuwe punt 22) van de bijlage III van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (zie richtlijn (EU) 2022/542 van de Raad van 05.04.2022 tot wijziging van richtlijnen 2006/112/EG en (EU) 2020/285 wat de btw-tarieven betreft (Publicatieblad van de Europese Unie van 06.04.2022).
Punt 22), voornoemd, voorziet in een mogelijkheid tot invoering van een verlaagd btw-tarief voor de: '(…) levering en installatie van zeer efficiënte emissiearme verwarmingssystemen die voldoen aan de benchmarks voor emissies (zwevende deeltjes) als vastgesteld in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie en in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1185 van de Commissie, en waaraan een EU-energielabel is toegekend waaruit blijkt dat is voldaan aan het criterium van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad.'
Belangrijke opmerking
Behalve wanneer expliciet vermeld, geldt deze commentaar enkel voor woningen die nog geen 10 jaar in gebruik zijn genomen. Voor woningen die minstens 10 jaar in gebruik zijn genomen, dient toepassing te worden gemaakt van de vaste regeling van het koninklijk besluit nr. 20 (rubriek XXXI, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20).
Daarnaast bevat het koninklijk besluit nr. 20 nog andere bepalingen die betrekking hebben op de onroerende sector. Er wordt verwezen naar de Btw-Commentaar, Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief, Hoofdstuk 7: Tarieven van de belasting.
Artikel 1 van het koninklijk besluit van 18.12.2025 (BS 31.12.2025) tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 wat de warmtepompen betreft bepaalt:
'Artikel 1quater/1 van het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27.03.2022 bekrachtigd bij de wet van 16.10.2022 en vervangen bij de wet van 22.12.2023, wordt vervangen als volgt:
§ 1. In afwijking van artikel 1 worden vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030 onderworpen aan het verlaagd tarief van zes pct., het werk in onroerende staat dat tot voorwerp heeft de levering met plaatsing van warmtepompen die bestemd zijn voor verwarming, ongeacht of ze ook voor koeling kunnen worden gebruikt, in, op of in de onmiddellijke nabijheid van woningen, met uitzondering van warmtepompen die worden gecombineerd met een ander verwarmingstoestel dat:
1° samen met de warmtepomp is aangesloten op hetzelfde gemeenschappelijke hydronische warmtedistributiesysteem;
2° gebruik maakt van een andere energiebron dan elektriciteit;
3° zowel afzonderlijk als gelijktijdig kan functioneren;
4° al dan niet gelijktijdig werd geïnstalleerd met de warmtepomp.
Wordt eveneens beoogd, in de mate waarin het geen werk in onroerende staat betreft in de zin van het eerste lid, de handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw of de plaatsing in de onmiddellijke nabijheid van een gebouw van de warmtepompen bedoeld in het eerste lid, als bestanddelen of het gedeelte van bestanddelen van sanitaire installatie of installatie voor centrale verwarming.
§ 2. De toepassing van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker in de zin van rubriek XXXI, §§ 1 en 2, van tabel A van de bijlage van dit besluit;
2° de handelingen hebben betrekking op een woning die, na de uitvoering ervan, daadwerkelijk hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt;
3° de handelingen worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in de loop van een kalenderjaar dat minder dan tien jaar voorafgaat aan de eerste factuur met betrekking tot die handelingen;
4° de warmtepompen die het voorwerp uitmaken van de in paragraaf 1 bedoelde handelingen voldoen aan de benchmarks voor emissies als respectievelijk vastgesteld in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft en in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1185 van de Commissie van 24 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp betreft voor toestellen voor lokale ruimteverwarming die vaste brandstoffen gebruiken, en waaraan een EU-energielabel is toegekend waaruit blijkt dat is voldaan aan het criterium van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU;
5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, maken melding van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen en bevatten de volgende vermelding:
"Btw-tarief: Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat (1) de werken worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat minder dan tien jaar voorafgaat aan de datum van de eerste factuur met betrekking tot die werken, (2) de woning, na uitvoering van die werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt en (3) de werken worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Wanneer minstens één van de onder (2) en (3) bedoelde voorwaarden niet is voldaan, zal het normale btw-tarief van 21 pct. van toepassing zijn en is de afnemer ten aanzien van die voorwaarden aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten.".
Behoudens samenspanning tussen de partijen, is de dienstverrichter ontslagen van de aansprakelijkheid ten aanzien van de in het eerste lid, 5°, bedoelde voorwaarden betreffende de vaststelling van het tarief, wanneer de afnemer de factuur niet schriftelijk betwist overeenkomstig het eerste lid, 5°.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde handelingen met betrekking tot de warmtepompen die uitsluitend instaan voor de warmtevoorziening van elementen van de woning die niet voor bewoning in de strikte zin worden gebruikt zoals zwembaden, sauna's en dergelijke installaties.'.
Het verlaagd btw-tarief geldt voor :
A. Het werk in onroerende staat (1) dat tot doel heeft de levering met plaatsing van warmtepompen in, op of in de onmiddellijke nabijheid van woningen, met uitzondering van warmtepompen die worden gecombineerd met een ander verwarmingstoestel dat:
1° samen met de warmtepomp is aangesloten op hetzelfde gemeenschappelijke hydronische warmteverdelingssysteem;
2° een andere energiebron dan elektriciteit gebruikt;
3° zowel afzonderlijk als gelijktijdig kan functioneren;
4° al dan niet gelijktijdig met de warmtepomp werd geïnstalleerd.
(1) Het verlaagd tarief is van toepassing op werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek. Concreet gaat het hier om de levering van roerende goederen en hun plaatsing in of op een woning (of in de onmiddellijke nabijheid ervan, maar ermee verbonden), zodanig dat deze roerende goederen uit hun aard onroerend worden.
B. In de mate waarin het geen werk in onroerende staat betreft, de handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering én de aanhechting aan een gebouw van warmtepompen als bestanddelen of de gedeelte van bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming.
Voor de leesbaarheid wordt hierna enkel gesproken van de 'werken' of de 'levering met plaatsing'.
In de mate dat er goederen worden gebruikt, kunnen deze slechts deel uitmaken van de werken en worden slechts belast op dezelfde wijze als de werken zelf, voor zover ze door dezelfde persoon in uitvoering van een zelfde contract worden geleverd en geplaatst, op zodanige wijze dat ze, door die plaatsing, worden ingelijfd in de onroerende structuur door zelf onroerende goederen uit hun aard te worden of deel te gaan uitmaken van de installatie voor centrale verwarming.
Het verlaagd btw-tarief is ook van toepassing op alle werkzaamheden die nodig zijn voor de plaatsing van de bedoelde technische installaties (voorbereiding van de werf, eventuele specifieke grondwerken zoals grondboringen, elektriciteits- en loodgieterswerkzaamheden, afwerking enz.). Deze werkzaamheden dienen evenwel aan de klant te worden gefactureerd door de belastingplichtige die de eigenlijke installatie levert en plaatst.
De technische installatie kan worden geïnstalleerd 'in, op of in de onmiddellijke nabijheid' van de woning.
Het plaatsen van de technische installatie in of op de woning behoeft geen verdere uitleg. Het spreekt evenwel voor zich dat hier sprake is van de woning die gebruik zal maken van de door de technische installatie gegenereerde elektriciteit en/of warmte.
Wanneer de plaatsing evenwel – in principe om technische en/of esthetische redenen – gebeurt op een andere plaats dan in of op de woning, dan dient deze plaatsing te gebeuren in de onmiddellijke nabijheid van de woning. De installatie kan bijvoorbeeld plaatsvinden in of op een bijgebouw van de woning zoals een garage, een bergruimte, een tuinhuis, carport, e.d. of nog in de tuin.
De plaatsing van de installatie op hetzelfde kadastraal perceel als de woning wordt sowieso aangenomen.
Het plaatsen van de technische installatie op een kadastraal perceel dat onmiddellijk grenst aan het kadastrale perceel van de woning wordt in principe ook aanvaard, mits de klant kan aantonen dat de betreffende installatie deel uitmaakt van zijn woning door het onmiddellijke nut dat ze voor die woning meebrengt en daarbij dus deel gaat uitmaken van de elektrische installatie, sanitaire installatie of installatie voor centrale verwarming van die woning.
Andere gevallen zijn in principe uitgesloten, maar kunnen aan de administratie worden voorgelegd.
De klant moet uiteraard rechten kunnen doen gelden op de plaats waar de installatie plaatsvindt (eigendom, opstalrecht, gebruiksrecht, huur, …).
De tijdelijke maatregel geldt niet wanneer de plaatsing van de technische installatie gebeurt in uitvoering van een koopovereenkomst met betrekking tot de verkrijging van de woning (zoals o.a. een levering van een woning in zijn toekomstige staat van afwerking via een formule 'verkoop op plan' of via een 'sleutel-op-de-deurcontract'). Dit veronderstelt inzonderheid dat de verkoopovereenkomst voorziet in de plaatsing van een warmtepomp.
In dat geval dient de prijs van de installatie te worden begrepen in de maatstaf van heffing met betrekking tot de levering van de woning waarover, in de regel, het normale btw-tarief van 21 % dient te worden toegepast (2).
Een verkoop op plan waarbij een woning in haar toekomstige staat van afwerking wordt verkocht betreft de levering van een woning aan de klant, geen levering en installatie van bepaalde installaties. De totale prijs van een aangekochte nieuwe woning, inclusief een warmtepomp moet dus – in de regel – onderworpen worden aan het normale btw-tarief van 21 % (2).
(2) Er bestaan uitzonderingen op de toepassing van het btw-tarief van 21 % op de levering van een nieuwbouwwoning en de nieuwbouw van bepaalde sociale instellingen. Hiervoor dient het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, te worden geraadpleegd alsook de Btw-Commentaar, Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief, Hoofdstuk 7: Tarieven van de belasting.
Het gebeurt dat de koper van de woning ten opzichte van de oorspronkelijk in de verkoopovereenkomst voorziene (standaard) uitrusting meerwerken (of opties) bestelt bij de verkoper (bouwpromotor).
Het is aan de hand van de feitelijke elementen dat dient te worden nagegaan of de meerwerken kaderen in de uitvoering van de verkoopovereenkomst m.b.t. de woning en begrepen dienen te zijn in de maatstaf van heffing van de levering van de woning, dan wel of er sprake is van twee afzonderlijke handelingen die elk hun eigen regeling volgen: de levering van de woning enerzijds en de uitvoering van de meerwerken anderzijds.
Wanneer de verkoopovereenkomst voorziet in de plaatsing van een warmtepomp, dan kadert de bestelling van meerwerken die betrekking hebben op voornoemde installaties in de regel in de uitvoering van de verkoopovereenkomst.
Voorbeeld
Bij een levering van een woning onder vorm van een verkoop op plan is in de verkoopovereenkomst een gasaansluiting met condenserende gasketel voorzien voor de verwarming en productie van warm water. De koper beslist naderhand om meerwerken te bestellen bij de bouwpromotor voor de overstap naar een warmtepomp, zodat de woning zou worden afgewerkt met een warmtepomp i.p.v. een gasaansluiting. Deze bijkomende bestelling, die de installatie van een warmtepomp betreft, kadert in de uitvoering van de koopovereenkomst met betrekking tot die nieuwbouwwoning tussen de bouwpromotor en koper.
De prijs van de warmtepompinstallatie dient te worden begrepen in de maatstaf van heffing met betrekking tot de levering van de nieuwbouwwoning.
Naar aanleiding van de invoering van de tijdelijke maatregel is er in bepaalde situaties evenwel een praktijk ontstaan waarbij aan de koper van een woning op plan wordt voorgesteld de plaatsing van de technische installatie uit de overeenkomst te halen en deze rechtstreeks door de installateur aan de klant te laten factureren aan het btw-tarief van 6 %.
Indien in de koopovereenkomst de plaatsing van een warmtepomp is voorzien, dan moet de prijs van die installatie worden begrepen in de maatstaf van heffing met betrekking tot de levering van de woning, waarover, in de regel, het normale btw-tarief van 21 % moet worden toegepast.
Voornoemde praktijk kan in bepaalde gevallen als misbruik kwalificeren indien de administratie vaststelt dat partijen door op die manier te handelen hoofdzakelijk tot doel hadden een fiscaal voordeel te bekomen.
Wanneer de woning wordt opgericht ingevolge het sluiten van een aannemingsovereenkomst tussen de bouwheer en een bouwonderneming – en er dus geen sprake is van een levering van de woning – kan de levering met plaatsing van de warmtepomp wel in aanmerking komen van de tijdelijke maatregel.
In dit laatste geval geldt dit zowel wanneer de bouwheer rechtstreeks met de installateur van de technische installatie een overeenkomst sluit als wanneer deze installateur in onderaanneming werkt voor de bouwonderneming en de bouwpromotor de installatie aan de bouwheer doorfactureert.
Of er sprake is van een koopovereenkomst, dan wel van een aannemingsovereenkomst met betrekking tot de verkrijging van de woning dient te worden beoordeeld aan de hand van de intenties van de partijen en de feitelijke omstandigheden.
Het kan gebeuren dat de klant een beroep doet op verschillende aannemers voor de werken die betrekking hebben op de levering met plaatsing van de technische installatie.
Niettemin kunnen enkel de werken (met inbegrip van alle werkzaamheden die nodig zijn voor de plaatsing van de technische installatie) en de hierbij gebruikte onderdelen en toebehoren van de technische installatie, die verstrekt worden door de installateur van de eigenlijke technische installatie, het verlaagde btw-tarief van 6 % genieten.
Voorbeeld
Voor de installatie van een warmtepomp heeft de klant aannemer A aangesproken die een grondboring zal uitvoeren. Daarna zal aannemer B de warmtepomp leveren en plaatsen waarbij hij uiteraard gebruik maakt van de door A verrichtte grondwerken. Kunnen de werken uitgevoerd door A het verlaagd btw-tarief genieten?
Neen. De werken die aannemer A uitvoert kunnen op zich beschouwd immers niet aangemerkt worden als de levering met plaatsing van een warmtepomp.
Het kan voorkomen dat aannemer A zijn diensten factureert aan aannemer B. In die relatie wordt de btw tegen het normale btw-tarief voldaan door B (verlegging van heffing). Wanneer B vervolgens aan de klant, als eindklant, factureert is de toepassing van het verlaagde btw-tarief over het geheel van de werken wel mogelijk.
Een btw-verlaging is enkel mogelijk voor goederen en diensten die voorkomen op bijlage III van de btw-richtlijn 2006/112/EG. Deze bijlage III staat enkel een tariefverlaging toe voor de levering én installatie van deze goederen.
De loutere aankoop van (de onderdelen van) de technische installatie blijft onderworpen aan het normale btw-tarief van 21 %. Dit geldt bijvoorbeeld voor de zelfbouwpakketten die op de markt beschikbaar zijn.
De tijdelijke maatregel geldt ook niet wanneer de klant de technische installatie zelf aankoopt in een gespecialiseerde winkel (tegen het btw-tarief van 21 %) of eventueel tweedehands verwerft waarbij die klant vervolgens de installatie zelf plaatst dan wel laat plaatsen door een installateur. In dat geval geldt voor die plaatsing het normale btw-tarief van 21 %.
Het betreft apparaten die warmte onttrekken aan natuurlijke bronnen, zoals de grond, de omgevingslucht of het grondwater, en deze warmte, na eventuele temperatuursverhoging, overbrengen in de woning.
Sommige systemen dienen enkel tot verwarming (en eventueel aanvullend als koeling) van het gebouw, terwijl andere aangesloten zijn op de sanitaire installatie (al dan niet een combinatie van deze twee systemen).
Enkel warmtepompen die bestemd zijn om de woning te verwarmen en/of van warm sanitair water te voorzien, zijn beoogd. Warmtepompen die uitsluitend dienen als koeling zijn niet beoogd.
Lucht/lucht warmtepompen die zowel warmte als koeling kunnen produceren, zijn dus bedoeld voor zover de warmtefunctie niet definitief uitgeschakeld kan worden. Het is evenwel niet vereist dat de (actieve) koelfunctie (definitief) uitgeschakeld wordt.
Warmtepompboilers – zijnde een bijzondere vorm van lucht/water warmtepomp gekoppeld aan een boiler waarmee deze één onlosmakelijk geheel vormt – zijn ook bedoeld.
Zogenaamde 'hybride' warmtepompen zijn evenwel uitgesloten van de tijdelijke maatregel. Het betreft warmtepompen die worden gecombineerd met een ander verwarmingstoestel dat:
a. samen met de warmtepomp is aangesloten op hetzelfde gemeenschappelijke hydronische warmtedistributiesysteem (3)
b. gebruik maakt van een andere energiebron dan elektriciteit
c. zowel afzonderlijk als gelijktijdig kan functioneren
d. al dan niet gelijktijdig werd geïnstalleerd met de warmtepomp.
(3) Het begrip 'hydronische warmtedistributiesysteem' verwijst naar een systeem waarbij water de transportvloeistof is voor thermische energie.
Deze warmtepompen, die in de sector veelal worden aangeduid als 'hybride warmtepompen', functioneren dus niet volledige autonoom maar wel binnen een geïntegreerd verwarmingssysteem waarbij naast de warmtepomp nog gebruik wordt gemaakt van 'traditionele' verwarmingstechnieken die meestal gebruik maken van fossiele brandstoffen zoals bijvoorbeeld aardgas, stookolie, hout, pellets, enz.
Er wordt inzonderheid opgemerkt dat de uitsluiting zowel geldt voor de installatie van een hybride warmtepomp op het circuit van een reeds bestaand verwarmingstoestel als voor de installatie van een hybride warmtepomp tezamen met een nieuwe traditionele verwarmingsinstallatie. De uitsluiting geldt eveneens voor de all-in-one hybride warmtepompen die de twee technologieën combineren in één behuizing.
Naast de eigenlijke technische installatie van de warmtepomp (bijvoorbeeld: compressor, verdamper, condensor, expansieventiel, buitenunit, captatielussen), is het verlaagde btw-tarief ook van toepassing op alle onderdelen en toebehoren van de technische installatie die specifiek zijn voor het betrokken systeem (bijvoorbeeld: bevestigingsmateriaal, kabels, leidingen) en die geplaatst worden in het kader van de werken. Het gaat om de componenten die strikt nodig zijn om de installatie te doen werken.
Het verlaagde btw-tarief is niet van toepassing op het niet-specifieke gedeelte van het beoogde verwarmingssysteem dat nodig is om de opgewekte warmte in de woning te verspreiden, in bijzonder het warmteafgiftesysteem dat onder meer, de hydraulische leidingen, vloerverwarming en radiatoren met hun regelsystemen (thermostatische kranen) omvat, alsook de onderdelen die de hoge efficiëntie van het verwarmingssysteem waarborgen. Dit omvat de klimaat- en comfortregeling (o.a. thermostaat in de kamer) en aanverwante energie management systemen ('EMS'), energiemeters, buitensensoren, expansievaten en ontluchters.
Er wordt opgemerkt dat de praktijk die erin bestaat de werken of onderdelen die uitgesloten zijn van het btw-tarief van 6 % 'gratis of tegen sterk verminderde prijs' te verrichten en de prijs van de technische installatie daarbij te verhogen, kwalificeert als rechtsmisbruik.
Hierna volgt een limitatieve opsomming van de gebouwen die in aanmerking kunnen komen van het btw-tarief van 6 %:
- privéwoningen (eventueel ook tweede, derde, … woning in België)
- verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend
- internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten of die ervan afhangen
- jeugdbeschermingstehuizen en residentiële voorzieningen die op duurzame wijze, in dagen nachtverblijf, minderjarigen huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid
- opvangtehuizen die in dag- en nachtverblijf thuislozen en personen in moeilijkheden huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid
- psychiatrische verzorgingstehuizen die op een duurzame wijze in dag- en nachtverblijf personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis of mentaal gehandicapten huisvesten en die door de bevoegde overheid erkend zijn
- gebouwen waar, ten titel van een initiatief van beschut wonen erkend door de bevoegde overheid, het op een duurzame wijze huisvesten in dag- en nachtverblijf en het begeleiden van psychiatrische patiënten plaatsheeft.
Deze voorwaarde, en dus met andere woorden de bestemming van het gebouw, wordt beoordeeld na de uitvoering van de werken.
De handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker in de zin van rubriek XXXI, §§ 1 en 2, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20.
Het begrip 'eindverbruiker' heeft voor deze tijdelijke maatregel dus dezelfde draagwijdte als voor rubriek XXXI, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20.
Onder 'eindverbruiker' wordt verstaan de persoon die een zakelijk recht (eigendom, vruchtgebruik, enzovoort) of een recht van genot (inzonderheid als huurder) bezit op de woning die hij geheel of gedeeltelijk als privéwoning gebruikt, zonder van die woning een specifieke exploitatie of een bijhorigheid van een beroepswerkzaamheid te maken.
In de meeste gevallen is dus in de relatie tussen de aannemer, belast met de uitvoering van de werken, en de eigenaar, bouwheer, het verlaagde tarief van toepassing. Het heeft dienaangaande geen belang dat de woning wordt bewoond door de eigenaar of dat ze door hem wordt verhuurd, noch dat het gaat om een eerste woning dan wel om een tweede verblijf.
Anderzijds is er geen enkel bezwaar dat een huurder, een vruchtgebruiker of ieder ander persoon die het genot heeft van een woning zelf opdracht geeft voor de uitvoering van onroerende handelingen aan dit onroerend goed en voor die handelingen het verlaagde tarief geniet, net alsof zij voor rekening van de eigenaar werden uitgevoerd.
Ook ondernemingen die eigenaar zijn van woningen kunnen aangemerkt worden als eindverbruiker zonder dat er een onderscheid hoeft gemaakt te worden naargelang ze deze woningen bestemmen voor de verhuur of de verkoop.
Betreffende het begrip 'eindverbruiker' wanneer het werken betreft aan bovengenoemde instellingen met sociaal karakter, kan het volgende worden toegevoegd.
Voor zover alle andere voorwaarden vervuld zijn, is het btw-tarief van 6 % in principe slechts van toepassing wanneer de onroerende handeling worden verstrekt aan een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die een verblijfsinrichting beheert.
Deze persoon dient in de regel eigenaar of huurder te zijn van het gebouw dienstig als verblijfsinrichting met sociaal karakter of dient, meer algemeen, een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik) of een recht van genot op dat gebouw te bezitten.
Zoals geldt voor de toepassing van rubriek XXXI, voornoemd, aanvaardt de administratie dat het voordeel van het btw-tarief van 6 % eveneens kan gelden voor de persoon die, zonder exploitant te zijn van de inrichting, het zakelijk recht of het recht van genot dat hij bezit op het gebouw overdraagt, inzonderheid bij wijze van verhuur, aan de exploitant die de inrichting beheert.
Voor de toepassing van de tijdelijke maatregel is het dus niet noodzakelijk dat de persoon die de opdrachtgever van de handeling is tevens de hoedanigheid heeft van beheerder. Essentieel is dat de handeling rechtstreeks betrekking heeft op de exploitatie van de beoogde instellingen.
Voor meer uitleg met betrekking tot de kenmerken van de beoogde instellingen van sociale aard, wordt verwezen naar de Btw-Commentaar, Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief; Hoofdstuk 7: Tarieven van de belasting, Afdeling 4, Titel 8, rubriek B, subrubriek b.
Een vereniging van mede-eigenaars kan ook optreden als eindverbruiker, inzonderheid wanneer de werken betrekking hebben op de gemeenschappelijke delen van het appartementsgebouw.
Voor het bepalen van het toe te passen btw-tarief in geval van werken die worden verricht, hetzij aan de gemeenschappelijke delen van het gebouw, hetzij aan de privatieve delen met betrekking tot de appartementen, moet de toestand appartement per appartement worden beoordeeld, overeenkomstig de aan elk appartement gegeven bestemming.
Indien de werken worden uitgevoerd voor de gemeenschappelijke delen van een appartementsgebouw, en indien elke mede-eigenaar in de kosten bijdraagt in functie van zijn onverdeeld deel in de gemeenschappelijke delen, hangt het toepasselijke btw-tarief op ieders deel in de kosten af van de bestemming die de mede-eigenaar aan zijn appartement heeft gegeven.
Opdat de aannemer met kennis van zaken een factuur zou kunnen uitreiken aan de vereniging van de mede-eigenaars, en op een correcte manier de prijs kan uitsplitsen, dient hij te beschikken over de noodzakelijke elementen ter rechtvaardiging van het verlaagde btw-tarief voor dergelijke onroerende werken (bijv. omtrent de werkelijke bestemming van de appartementen, de ouderdom van het gebouw, …) en eventueel ook over de gegevens in verband met het aandeel van iedere mede-eigenaar in de gemene delen.
Betreffende de bepaling van de datum van eerste ingebruikneming bij appartementsgebouwen, dient volgend onderscheid te worden gemaakt.
Voor de werken verricht aan de gemeenschappelijke delen van het appartementsgebouw wordt, voor het bepalen van de ouderdom van dit gebouw, rekening gehouden met de datum van eerste ingebruikneming van het eerste appartement.
Voor de werken uitgevoerd aan de privatieve delen van een appartement, geldt de datum van eerste ingebruikneming van dat appartement.
Deze voorwaarde luidt als volgt: 'de handelingen hebben betrekking op een woning die, na de uitvoering ervan, daadwerkelijk hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt.'
Deze voorwaarde wordt beoordeeld na de uitvoering van de werken.
De administratie past dezelfde regels toe als bij de toepassing van rubriek XXXI, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 betreffende de werken aan privéwoningen van meer dan 10 jaar.
Drie verschillende situaties kunnen zich voordoen:
a. de woning wordt uitsluitend aangewend als privéwoning: het btw-tarief van 6 % is van toepassing op de werken.
b. het gebouw wordt uitsluitend voor beroepsdoeleinden gebruikt: het btw-tarief van 21 % is van toepassing op de werken.
c. de woning heeft een gemengd gebruik (privé/beroeps) dan kan het btw-tarief van 6 % op de volledige werken worden toegepast indien:
- de privéaanwending overwegend is (en de beroepsaanwending dus bijkomstig is)
- en indien de installatie gebruikt wordt voor het geheel van de woning.
Indien de werken uitsluitend worden uitgevoerd aan beroepslokalen, dan geldt evenwel het btw-tarief van 21 %.
Bij een gemengd gebruik waarbij de beroepsaanwending overwegend is, en voor werken die betrekking hebben op het gehele gebouw, dient de prijs te worden opgesplitst.
Deze derde voorwaarde betreft de ouderdom van de woning: 'de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming in de loop van een kalenderjaar dat minder dan tien jaar voorafgaat aan de eerste factuur met betrekking tot die handelingen’.
De tijdelijke maatregel is dus van toepassing op privéwoningen die niet in aanmerking komen voor het verlaagde btw-tarief voor omvormings-, renovatie- of verbeteringswerkzaamheden op grond van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 20, omwille van het feit dat de eerste ingebruikneming van de betrokken woning heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat niet ten minste tien jaar voorafgaat aan de eerste factuur voor deze handelingen (rubriek XXXI, § 1, eerste lid, 3°).
Deze voorwaarde maakt het mogelijk een onderscheid te maken tussen de verschillende hypothesen en de rechtsgrondslag op grond waarvan het verlaagde btw-tarief van 6 % op dergelijke handelingen van toepassing is: ofwel de tijdelijke bepaling van artikel 1quater/1 van het koninklijk besluit nr. 20, dan wel de vaste regeling beoogd in rubriek XXXI, van tabel A, van de bijlage bij voornoemd koninklijk besluit.
De huidige tijdelijke maatregel maakt dat het verlaagde btw-tarief van 6 % ook van toepassing is op woningen die minder dan 10 jaar in gebruik genomen zijn. Ook woningen die nog in oprichting zijn – en dus nog niet in gebruik zijn genomen – komen in aanmerking voor deze maatregel.
De voorwaarden van deze tijdelijke maatregel verschillen overigens van deze van de vaste regeling.
Het is dus belangrijk om vast te stellen of de ene of de andere regeling van toepassing is. Dat gebeurt op basis van de 'ouderdom' van de woning.
Om dat vast te stellen zijn twee tijdstippen van belang: de datum van eerste ingebruikneming van de woning en het tijdstip waarop de eerste factuur met betrekking tot de werken wordt uitgereikt.
Het bewijs van de datum van 'de eerste ingebruikneming' kan geleverd worden door alle feitelijke gegevens en alle rechtsmiddelen. Het gaat om het tijdstip waarop de woning daadwerkelijk voor het eerst werd bewoond (zelfs indien het slechts een gedeeltelijke ingebruikneming betreft).
Wat het criterium betreft van eerste factuur met betrekking tot die handelingen dient als volgt te worden gehandeld:
Voorbeeld 1
Eerste ingebruikneming in de loop van 2020. Betreft levering met plaatsing van een warmtepompinstallatie.
- Factuur bij start werken: 15.11.2025: tarief 21 % (woning minder dan 10 jaar geleden in gebruik genomen, opeisbaarheid vóór 01.01.2026 dus tijdelijke maatregel nog niet in werking getreden)
- Factuur einde werken: 25.05.2026: tarief 6 % (toepassing tijdelijke maatregel)
Voorbeeld 2
Eerste ingebruikneming in de loop van 2017. Betreft levering met plaatsing van een warmtepompinstallatie.
- Voorschotfactuur bij sluiten contract: 12.08.2025: tarief 21 % (woning minder dan 10 jaar geleden in gebruik genomen, tijdelijke maatregel nog niet in werking getreden)
- Voorschotfactuur bij start werken: 15.04.2026: tarief 6 % (toepassing tijdelijke maatregel)
- Factuur einde werken: 05.01.2027: tarief 6 % (toepassing permanente regeling verlaagd btw-tarief wegens criterium eerste ingebruikneming woning).
Deze voorwaarde luidt als volgt: 'de technische installaties die het voorwerp uitmaken van de in paragraaf 1, 2° en 3°, bedoelde handelingen voldoen aan de benchmarks voor emissies als respectievelijk vastgesteld in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft en in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1185 van de Commissie van 24 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp betreft voor toestellen voor lokale ruimteverwarming die vaste brandstoffen gebruiken, en waaraan een EU-energielabel is toegekend waaruit blijkt dat is voldaan aan het criterium van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU’.
De installatie moet dus voldoen aan bepaalde referentienormen inzake uitstoot voorzien in de Europese reglementeringen.
Deze technische voorwaarde heeft tot doel dergelijke installaties af te dekken door het nieuwe punt 22) van de bijlage III van de btw-richtlijn 2006/112/EG (zie titel 1: Inleiding).
Deze voorwaarde strekt ertoe om alleen een verlaagd btw-tarief mogelijk te maken voor die verwarmingssystemen wanneer bepaalde referentienormen (benchmarks) inzake uitstoot voor installaties op vaste brandstof worden in acht genomen.
De vijfde voorwaarde heeft betrekking op de verplichte vermelding die de factuur of facturen moeten bevatten met betrekking tot de betrokken werken.
'Btw-tarief: Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat (1) de werken worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat minder dan tien jaar voorafgaat aan de datum van de eerste factuur met betrekking tot die werken, (2) de woning, na uitvoering van die werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt en (3) de werken worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker.
Wanneer minstens één van de onder (2) en (3) bedoelde voorwaarden niet is voldaan, zal het normale btw-tarief van 21 pct. van toepassing zijn en is de afnemer ten aanzien van die voorwaarden aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten.'.
Deze vermelding heeft tot doel de ondernemer te ontslaan van zijn aansprakelijkheid met betrekking tot de correcte toepassing van het btw-tarief. Hij kan zelf immers niet zelfstandig en rechtstreeks beoordelen of de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief werden nageleefd. Daarom heeft de klant een maand de tijd vanaf de ontvangst van de factuur om de toepassing van het verlaagd btw-tarief voor die handelingen te betwisten en zo te voorkomen dat het tariefverschil op hem zou worden verhaald. Als hij binnen deze termijn niet reageert, rust deze aansprakelijkheid uitsluitend op de klant, behoudens samenspanning tussen de partijen.
De bouwheer wordt aansprakelijk geacht voor de correcte toepassing van het verlaagde btw-tarief als zou blijken dat de voorwaarden opgenomen in die vermelding niet vervuld zijn en de vermelding op de factuur door hem niet tijdig werd betwist.
Behoudens samenspanning tussen de partijen, is de dienstverrichter ontslagen van de aansprakelijkheid ten aanzien van de toepassing van de in de verklaring vermelde voorwaarden betreffende de vaststelling van het tarief, wanneer de afnemer de factuur niet schriftelijk betwist binnen een termijn van één maand na ontvangst van de factuur.
De aansprakelijkheid van de klant kan concreet alleen betrekking hebben op de voorwaarden (2) en (3) die in de standaardvermelding zijn opgenomen, namelijk enerzijds dat de woning na de werken als privéwoning zal worden gebruikt en anderzijds dat de klant wel degelijk een eindverbruiker is. In voorkomend geval kan een niet-proportionele geldboete worden opgelegd aan de dienstverrichter wegens een onjuiste factuurvermelding.
Immers, indien blijkt dat de woning op het tijdstip van de werken in werkelijkheid meer dan tien jaar oud was, zou de administratie, als in dat kader aan alle voorwaarden voor de toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 20 is voldaan, de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6 % aanvaarden.
De door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten ook melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen.
De tijdelijke btw-verlaging van 6 % is, indien alle voorwaarden voldaan zijn, van toepassing op de btw geheven van de werken met betrekking tot de levering met plaatsing van warmtepompen, die opeisbaar wordt vanaf 01.01.2026 tot en met 31.12.2030.
De regels inzake opeisbaarheid voor diensten zijn opgenomen in de artikelen 22 en 22bis van het Btw-Wetboek.
Inzake het tijdstip van opeisbaarheid bij onroerende werken zijn in de praktijk het meest van belang: de datum van het uitreiken van een factuur (4) of een betaling door de klant (5).
(4) Voor diensten vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de dienst is verricht (artikel 22 van het Btw-Wetboek). Indien een factuur wordt uitgereikt vóór de 15de dag van de maand volgend op de voltooiing van de dienst, dan wordt de btw opeisbaar over het gefactureerde bedrag (zie artikel 22bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek). De btw wordt in elk geval opeisbaar op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin de dienst is verricht, wanneer geen factuur werd uitgereikt vóór deze datum (artikel 22bis, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek).
(5) Indien de klant een (vooruit)betaling doet alvorens er een (voorschot)factuur wordt uitgereikt en alvorens de dienst is verricht, maakt die (vooruit)betaling de btw opeisbaar over het betaalde bedrag op de dag van de betaling (artikel 22bis, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek).
Indien de dienst evenwel wordt verstrekt aan een publiekrechtelijk lichaam in de zin van artikel 6 van het Btw-Wetboek wordt de btw in principe opeisbaar over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen. Deze afwijkende regeling is evenwel niet van toepassing op de diensten waarvoor de btw is verschuldigd door de ontvanger of medecontractant overeenkomstig artikel 51, §§ 2 en 4, van het Wetboek (artikel 22bis, § 4, van het Btw-Wetboek).
Voor eenzelfde klant kunnen dus verschillende btw-percentages van toepassing zijn.
Concreet is het mogelijk dat een voorschot dat werd betaald in februari 2025 onderworpen is aan het btw-tarief van 21 % btw en het saldo dat wordt gefactureerd in mei 2026 onderworpen kan zijn aan het btw-tarief van 6 %.
Het is daarentegen niet van belang wanneer de overeenkomst werd ondertekend of wanneer de offerte werd aanvaard. In de praktijk is het tijdstip waarop de werken werden/worden uitgevoerd in principe minder van belang.
Voorbeeld 1
Mijn aannemer heeft reeds een voorschotfactuur uitgereikt op 15.10.2025 met toepassing van het btw-tarief van 21 %. Kan ik hem vragen deze factuur te crediteren en een nieuwe factuur uit te reiken met toepassing van het verlaagd btw-tarief?
Indien reeds werd gefactureerd of voorschotten werden betaald in de periode 01.01.2025 tot en met 31.12.2025 is het verlaagde btw-tarief niet van toepassing. Vóór 01.01.2026 uitgereikte facturen crediteren en de datum aanpassen om het verlaagde btw-tarief te kunnen genieten wordt niet aanvaard: deze btw werd reeds opeisbaar en het normale btw-tarief van 21 % is van toepassing.
Voorbeeld 2
In de loop van 2030 aanvaard ik een offerte voor de plaatsing van een warmtepomp. De werken beginnen pas in 2031 maar de aannemer stelt mij voor om al een belangrijk aandeel van de prijs te factureren in 2030 aan het btw-tarief van 6 %. Is dat toegelaten?
Betreffende de werken die slechts opgestart worden na 31.12.2030, zal de administratie erover waken dat er juist vóór het uitdoven van de maatregel niet wordt overgegaan tot een overdreven vooruitfacturering of betaling van voorschotten die op een buitensporige wijze de daadwerkelijk verrichte diensten zou overschrijden. De administratie kan dan rechtsmisbruik (artikel 1, § 10, van het Btw-Wetboek) inroepen, zeker indien dit niet overeenstemt met de normale handelspraktijken van uw aannemer.
Opmerking
Van 01.04.2022 tot 31.12.2024 was eveneens het verlaagd btw-tarief van toepassing op de levering met installatie van warmtepompen (zie circulaire 2023/C/45 van 20.04.2023 betreffende het tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering met plaatsing van fotovoltaïsche zonnepanelen, zonnecollectoren en zonneboilers en warmtepompen en de circulaire 2024/C/21 van 14.03.2024 betreffende de verlenging van het tijdelijk verlaagde btw-tarief van 6 % voor de levering met plaatsing van warmtepompen voor woningen van minder dan 10 jaar)
Het verlaagde btw-tarief is in geen geval van toepassing op de handelingen met betrekking tot de technische installaties die uitsluitend instaan voor warmtevoorziening van elementen van de woning die niet voor bewoning in de strikte zin worden gebruikt zoals zwembaden, sauna's en dergelijke constructies.
Het verlaagde btw-tarief is niettemin van toepassing bij gemengd gebruik van de technische installatie voor bewoning en voor een ander element van de woning, zoals de hiervoor aangehaalde constructies, omwille van de onmogelijkheid om het door die technische installaties opgewekte gedeelte van de warmte voor bewoning te onderscheiden.
De installatie van een warmtepomp om de privéwoning mee te verwarmen en tegelijk ook het zwembad kan aldus – onder de gestelde voorwaarden – het btw-tarief van 6 % genieten.
De installatie van een warmtepomp die uitsluitend dient om het zwembad mee te verwarmen, is daarentegen uitgesloten.
De tijdelijke maatregel is niet van toepassing op het onderhoud en de herstelling van deze installaties voor woningen van minder dan 10 jaar.
Voor woningen die minstens 10 jaar in gebruik zijn genomen, kan het btw-tarief van 6 % daarentegen wel van toepassing zijn op het onderhoud, de herstelling van de installaties. Dit onder de voorwaarden van rubriek XXXI, van tabel A, van het koninklijk besluit nr. 20.
Voor de levering met plaatsing van warmtepompen voor woningen van minstens 10 jaar oud, dient toepassing te worden gemaakt van rubriek XXXI, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20.
Volledigheidshalve wordt ook verwezen naar volgende regelingen inzake het btw-tarief in de onroerende sector die relevant kunnen zijn in het kader van de levering met plaatsing van voornoemde installaties voor privéwoningen of bepaalde woningcomplexen, en dit ongeacht de ouderdom van de woning:
- rubriek XXXII, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 (privéwoningen voor gehandicapten)
- rubriek XXXIII, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 (instellingen voor gehandicapten)
- rubriek XXXVI, van tabel A, en rubriek X, van tabel B, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 (huisvesting in het kader van het sociaal beleid)
- rubriek XXXVII, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 (afbraak en heropbouw van gebouwen)
- rubriek XL, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 (gebouwen bestemd voor onderwijs en leerlingenbegeleiding (bijvoorbeeld voor bepaalde internaten))
- rubriek X, van tabel B, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 (huisvesting in het kader van het sociaal beleid)
- rubriek XI, van tabel B, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 (huisvesting in het kader van het sociaal beleid – Privé-initiatief).
Opgelet: de toepassing van een verlaagd btw-tarief op grond van één van de voornoemde bepalingen is ook verbonden aan het voldoen van bepaalde voorwaarden.
Interne ref.: 142.786