• FR
  • NL
  • EN

Circulaire 2026/C/31 betreffende de wijzigingen aangebracht aan de bewaartermijn, de verjaringstermijn in geval van fraude en de verplichting tot voorafgaande kennisgeving bij toepassing van de verjaringstermijn inzake fraude

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde publiceerde op 17/2/2026 de Circulaire 2026/C/31 betreffende de wijzigingen aangebracht aan de bewaartermijn, de verjaringstermijn in geval van fraude en de verplichting tot voorafgaande kennisgeving bij toepassing van de verjaringstermijn inzake fraude.

Deze circulaire handelt over de wijzigingen aangebracht door de wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (B.S. 30.12.2025) op het vlak van btw aan de bewaartermijn van boeken en stukken, de verjaringstermijn voor de vordering tot voldoening van de belasting, de nalatigheidsinteresten en de administratieve geldboeten in het geval van fraude alsook over de verplichting tot voorafgaande kennisgeving bij toepassing van de fraudetermijn.


Inhoudstafel

1. Inleiding

2. Wettelijke bepalingen

2.1.Bewaringstermijn

2.2.. Verjaringstermijn in geval van fraude

2.3.Voorafgaande kennisgeving

2.4.Inwerkingtreding

3. Commentaar

3.1.Bewaartermijn

3.2.Verjaringstermijn in het geval van fraude

3.3.Voorafgaande kennisgeving in geval van fraude

4. Inwerkingtreding

1. Inleiding

Deze circulaire licht de wijzigingen toe aangebracht door de wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (B.S. 30.12.2025) (hierna: 'de wet van 18.12.2025') aan de bewaringstermijn, de verjaringstermijn voor de vordering tot voldoening van de belasting bedoeld in artikel 81bis, § 1, van het Btw-Wetboek in het geval van fraude en aan de verplichting tot voorafgaande kennisgeving bedoeld in artikel 84ter van het Btw-Wetboek die aan een dergelijke vordering dient vooraf te gaan.

2. Wettelijke bepalingen

2.1. Bewaringstermijn

Artikel 97 van de wet van 18.12.2025 bepaalt:

'In artikel 60 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 17december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 november 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in paragraaf 3, wordt het woord “tien” vervangen door het woord “zeven”;

2° in paragraaf 4, eerste lid, wordt het woord “tien” vervangen door het woord “zeven”.'

2.2. Verjaringstermijn in geval van fraude

Artikel 98 van de wet van 18.12.2025 bepaalt:

'In artikel 81bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 maart 1999, vervangen bij de wet van 22 december 2008 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 november 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1) in het derde lid, wordt de bepaling onder 4°, opgeheven bij de wet van 20 november 2022, hersteld als volgt:

“4° de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. “;

2) het vierde lid wordt opgeheven;

3) het vroegere vijfde lid, dat het vierde lid wordt, wordt vervangen als volgt:

“Voor de toepassing van het derde lid, mag de ontvangst van de inlichting afkomstig van het buitenland, de rechtsvordering, de kennisname van de bewijskrachtige elementen of van de aanwijzingen van belastingontduiking, bedoeld in het derde lid, 1° tot 4°, zowel voor als na het verstrijken van de in het eerste en tweede lid bedoelde verjaringstermijn plaatsvinden.“ '

2.3. Voorafgaande kennisgeving

Artikel 99 van de wet van 18.12.2025 bepaalt:

'Artikel 84ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 maart 1999 en vervangen bij de wet van 23 november 2023, wordt vervangen als volgt:

“Art. 84ter. Indien zij voornemens is de in artikel 81bis, § 1, derde lid, 4°, bedoelde verjaringstermijn toe te passen, moet de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van fraude die tegen hem bestaan in de betreffende periode.” '

2.4. Inwerkingtreding

Artikel 101 van de wet van 18.12.2025 bepaalt:

'De artikelen 97 tot 99 zijn van toepassing op de belastingen die opeisbaar geworden zijn geworden zijn vanaf 1 januari 2023.'

3. Commentaar

3.1. Bewaartermijn

Artikel 103 van de wet van 20.11.2022 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen (B.S. 30.11.2022) (hierna: 'de wet van 20.11.2022') heeft de bewaartermijn op het vlak van btw op algemene wijze van zeven op tien jaar gebracht (zie circulaire 2023/C/58).

De bewaartermijn voor boeken en stukken wordt thans terug op zeven jaar gebracht.

De bewaartermijn wordt aldus aangepast aan de nieuwe verjaringstermijn voor het vorderen tot voldoening van de belasting, de nalatigheidsinteresten en administratieve geldboeten in geval van bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden (zie in dat verband titel 3.2. 'Verjaringstermijn in het geval van fraude', hierna).

3.2. Verjaringstermijn in het geval van fraude

Artikel 104 van de wet van 20.11.2022 heeft artikel 81bis, § 1, van het Btw-Wetboek gewijzigd en heeft de verjaringstermijn van zeven op tien jaar gebracht voor inbreuken begaan met bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden (m.a.w. de verjaringstermijn in het geval van fraude).

Artikel 98 van de wet van 18.12.2025 wijzigt opnieuw artikel 81bis, § 1, van het Btw-Wetboek derwijze dat de verjaringstermijn in het geval van fraude wordt teruggebracht naar zeven jaar.

Dit wordt bewerkstelligd door, enerzijds, het vierde lid van artikel 81bis, § 1, van het Btw-Wetboek (dat voorzag in deze verjaringstermijn van tien jaar in geval van fraude) op te heffen en, anderzijds, door punt 4° van artikel 81bis, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek, in zijn versie als van toepassing voor de inwerkingtreding van artikel 104 van de wet van 20.11.2022, te herstellen. Deze laatste bepaling is voortaan evenwel opgenomen onder het derde lid van artikel 81bis, § 1, van het Btw-Wetboek.

Tenslotte wordt eveneens het vroegere vijfde lid van artikel 81bis, § 1, van het Btw-Wetboek hersteld in zijn versie als van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 20.11.2022, met dit verschil dat dit lid voortaan is opgenomen onder het vierde lid van artikel 81bis, § 1, van het Btw-Wetboek.

3.3. Voorafgaande kennisgeving in geval van fraude

Artikel 84ter van het Btw-Wetboek als van toepassing voor zijn vervanging door artikel 21 van de wet van 23.11.2023 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (B.S. 01.12.2023) (hierna: 'de wet van 23.11.2023') hield, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, de verplichting in voor de administratie om, indien zij voornemens was de zevenjarige verjaringstermijn inzake fraude te passen, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis te geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestonden in de betreffende periode.

Artikel 21 van de wet van 23.11.2023 had artikel 84ter van het Btw-Wetboek vervangen derwijze dat deze bepaling er in voorzag dat de administratie voorafgaandelijk diende kennis te geven (het woord 'nauwkeurig' werd geschrapt) van de vermoedens van fraude, dit voortaan 'op basis van aanwijzingen van fraude'. Deze wijziging werd toegelicht onder punt 2.6.2.2. van de circulaire 2024/C/74.

Artikel 84ter van het Btw-Wetboek wordt thans hersteld in zijn versie als van toepassing vóór zijn wijziging door artikel 21 van de wet van 23.11.2023. Dit houdt in dat opnieuw voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis dient te worden gegeven van de vermoedens van fraude die tegen hem bestonden in de betreffende periode.

Wat de toepassing op het vlak van btw van de voorafgaande kennisgeving in het geval van fraude betreft wordt herinnerd aan hetgeen volgt.

1° Inzake btw dient de voorafgaande kennisgeving bedoeld in artikel 84ter van het Btw-Wetboek de rechtzetting (en niet het onderzoek) vooraf te gaan (zie in dat verband de arresten van het Hof van Cassatie nr. F.12.0029.N van 27.03.2015 en F.14.0113.N van 26.11.2015; arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 5/2017 van 19.01.2017; zie tevens memorie van toelichting bij de wet van 18.12.2025, Kamer, Doc. 0963/001, blz. 41).

2° De voorafgaande kennisgeving bedoeld in artikel 84ter van het Btw-Wetboek is slechts noodzakelijk om in de aanvullende termijn een rechtszetting door te voeren. De voorafgaande kennisgeving is niet vereist indien de administratie, bij het voorkomen van fraude, gebruik makend van de gewone driejarige verjaringstermijn bedoeld in artikel 81bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek of gebruik makend van de vierjarige verjaringstermijn bedoeld in artikel 81bis, § 1, tweede lid, van datzelfde Wetboek, een rechtzetting doorvoert.

3° De voorafgaande kennisgeving van een nauwkeurig omschreven vermoeden van belastingontduiking volstaat, zonder dat het bewijs daarvan reeds objectief moet zijn geleverd. Enkel wanneer het vermoeden onnauwkeurig is omschreven of berust op vage of ongeloofwaardige veronderstellingen, kan niet tot het bestaan van een vermoeden van belastingontduiking worden besloten (Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.21.0181.N en F.21.0187.N van 16.06.2023).

4° Op grond van artikel 81bis, § 1, vierde lid, van het Btw-Wetboek mogen de aanwijzingen van belastingontduiking bedoeld in het derde lid, 4°, zich bevinden zowel vóór als na het verstrijken van de driejarige verjaringstermijn bedoeld in het eerste lid of de vierjarige verjaringstermijn bedoeld in het tweede lid van datzelfde artikel.

4. Inwerkingtreding

De artikelen 97, 98 en 99 zijn van toepassing op de belastingen die opeisbaar zijn geworden vanaf 01.01.2023.

Deze datum stemt overeen met de datum van inwerkingtreding van de wijziging van artikel 60 en van artikel 81bis, § 1, van het Btw-Wetboek door artikelen 103 en 104 van de wet van 20.11.2022, voornoemd, alsook met de datum van inwerkingtreding van de wijziging van artikel 84ter van het Btw-Wetboek door artikel 21 van de wet van 23.11.2023, eveneens voornoemd.

Deze datum van inwerkingtreding houdt in dat de in de vorige paragraaf bedoelde wijzigingen moeten worden geacht niet in werking te zijn getreden op 01.01.2023.

Hetgeen voorafgaat houdt in dat Titel 3.1. 'Bewaartermijn van tien jaar voor boeken en stukken' en titel 3.3. 'Tienjarige verjaringstermijn in geval van fraude' opgenomen in de circulaire 2023/C/58 betreffende de invoering van een bewaringstermijn van tien jaar, een verlengde vierjarige verjaringstermijn en een tienjarige verjaringstermijn, komt te vervallen.

Interne ref.: 140.017/2


Mots clés