
De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting publiceerde op Circulaire 2026/C/40 over het aantal fiscaal voordelige overuren met overwerktoeslag voor wegenwerken en spoorwegwerken.
Deze circulaire bespreekt de verhoging van het aantal uren overwerk met overwerktoeslag naar 280 uren voor wegenwerken en spoorwegwerken die recht geven op een belastingvermindering bij de werknemer en op een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bij de werkgever.
B. Belastingvermindering met betrekking tot overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag
2. Werkgever die hoofdzakelijk wegenwerken of spoorwegwerken uitvoert
4. Inkomstenjaar 2024, aanslagjaar 2025
7. Vermindering in de bedrijfsvoorheffing
C. Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in het kader van overwerk
2. Werkgever die hoofdzakelijk wegenwerken of spoorwegwerken uitvoert
4. Bezoldigingen betaald of toegekend in 2024
7. Aangifte in de bedrijfsvoorheffing
IV. W 12.05.2024 – gecoördineerde versie van het WIB 92
V. KB 20.12.2024 – gecoördineerde versie van het KB/WIB 92
OPGELET: Deze circulaire heeft betrekking op de bezoldigingen betaald of toegekend voor fiscaal voordelige overuren met overwerktoeslag die tot 31.12.2025 worden gepresteerd en houdt geen rekening met de wijzigingen aangebracht aan de artikelen 154bis en 2751, WIB 92 na de programmawet van 18.07.2025 (BS 29.07.2025 – Numac: 2025005578) noch met de wijzigingen aangebracht aan bijlage III, KB/WIB 92 na het KB 18.08.2025 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 inzake overwerk (BS 22.08.2025, Ed. 3 – Numac: 2025005810).
1. Om tegemoet te komen aan de vraag van de sociale partners in het Paritair comité voor het bouwbedrijf besliste de regering in 2021 om:
- het aantal fiscaal voordelige overuren in de bouwsector te verhogen naar 220 uren en
- het aantal fiscaal voordelige overuren te verhogen naar 280 uren voor de werknemers die tewerkgesteld zijn bij werkgevers die hoofzakelijk wegenwerken (met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels) of spoorwegwerken verrichten en aan wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken voor die werkgevers (1).
(1) Art. 154bis, vierde lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) en art. 2751, achtste lid, WIB 92 zoals gewijzigd door respectievelijk art. 29 en 30 van de programmawet van 27.12.2021 (BS 31.12.2021 – Numac: 2021043625) (hierna PW 27.12.2021).
2. Die maatregelen konden pas in werking treden nadat de Europese Commissie haar goedkeuring had gegeven (2).
(2) Art. 31, PW 27.12.2021 bepaalde dan ook: 'De inwerkingtreding van deze afdeling wordt door de Koning bepaald op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de voorafgaande goedkeuring door de Europese Commissie en is van toepassing op het overwerk dat vanaf die datum wordt gepresteerd.'.
Verhoging fiscaal voordelige overuren in de bouwsector naar 220 overuren
3. Volgens de Europese Commissie valt de gewenste verhoging van het aantal fiscaal voordelige overuren in de bouwsector naar 220 uren niet in overeenstemming te brengen met de Europese staatssteunregels.
4. Logischerwijs besliste de regering dan ook om deze verhoging geen uitwerking te laten hebben (3).
(3) Art. 64 van de wet van 12.05.2024 houdende diverse fiscale bepalingen (BS 29.05.2024 - Numac: 2024004641) (hierna W 12.05.2024) heeft de art. 29 tot en met 31, PW 27.12.2021 dan ook ingetrokken.
5. De bestaande sectorspecifieke verhoging voor de bouwsector van het aantal fiscaal voordelige overuren van 130 naar 180 uren (4) blijft wel behouden (5).
(4) Zoals die destijds werd ingevoerd door art. 33, 1° en 34, 1° van de wet van 16.11.2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken (BS 26.11.2015 – Numac: 2015205102).
(5) Art. 154bis, vierde lid, eerste streepje, WIB 92 en art. 2751, achtste lid, eerste streepje, WIB 92 zoals vervangen door de art. 65 en 66, W 12.05.2024.
Verhoging fiscaal voordelige overuren naar 280 overuren voor werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die hoofzakelijk wegenwerken of spoorwegwerken verrichten
6. Wat de verhoging betreft van de fiscaal voordelige overuren naar 280 uren voor de werknemers die tewerkgesteld zijn bij werkgevers die hoofzakelijk wegenwerken of spoorwegwerken verrichten, oordeelde de Europese Commissie dat deze maatregel in principe wel in overeenstemming te brengen valt met de Europese staatssteunregels voor zover kruissubsidiëring met, of indirecte subsidiëring van andere economische activiteiten wordt vermeden.
7. Om tegemoet te komen aan deze bezorgdheid van de Europese Commissie werden art. 154bis, vierde lid, tweede streepje, WIB 92 en art. 2751, achtste lid, tweede streepje, WIB 92 aangepast (6).
(6) Art 65 en 66, W 12.05.2024.
8. Die maatregel wordt hierna besproken.
9. Wegenwerken geven heel vaak aanleiding tot klachten van burgers bij de lokale autoriteiten, die de werken hebben besteld wanneer de werken aanslepen. Lang aanslepende spoorwegwerken veroorzaken hinder voor treinreizigers.
10. Om de duur van deze werven te beperken, vragen de aanbestedende overheden inspanningen aan de bouwbedrijven. Dat leidt er vaak toe dat er volgens atypische werkschema's wordt gewerkt. Deze atypische werkschema's hebben gevolgen voor de arbeiders uit de sector van de wegenbouw en spoorwegwerken die 's nachts, tijdens weekends en op feestdagen moeten werken. De arbeiders zijn vaak moeilijk te overtuigen om in te gaan op de vraag van de openbare opdrachtgevers om wegen- en spoorwegwerken uit te voeren buiten de periodes waarin er druk verkeer is.
11. De inspanningen van de arbeiders in de wegenbouw en spoorwegwerken die aanvaarden om volgens atypische uurregelingen/ werkschema’s te werken, moeten daarom worden aangemoedigd.
12. Daarom worden het aantal fiscaal voordelige overuren verhoogd van 180 naar 280 uren voor de werknemers die tewerkgesteld zijn bij werkgevers die hoofzakelijk wegenwerken (met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels) of spoorwegwerken verrichten en aan wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
13. De regering komt hiermee tegemoet aan de vraag van de sociale partners in het Paritair comité voor het bouwbedrijf.
14. Wat deze belastingvermindering bij de werknemer betreft, voorziet de W 12.05.2024 een verhoging van het maximum aantal overuren met een wettelijke overwerktoeslag (7) naar 280 uren voor:
- de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken uitvoeren
- en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken
- op voorwaarde dat die werkgevers gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 04.08.1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (BS 18.09.1996 – Numac: 1996012650) bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem
- en op voorwaarde en in de mate dat die werknemers daadwerkelijk wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken hebben uitgevoerd tijdens de overuren die voor die werkgevers worden gepresteerd.
(7) Het gaat hier om overwerk dat overeenkomstig art. 29 van de arbeidswet van 16.03.1971 (BS 30.03.1971 – Numac: 1971031602) of art. 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26.09.1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren (BS 07.10.1983 – Numac: 1983021152) recht geeft op een overwerktoeslag.
De Koning kan de nadere regels bepalen voor de toepassing hiervan.
15. De werknemers moeten tewerkgesteld zijn bij een werkgever die hoofdzakelijk wegenwerken, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken uitvoert.
16. Noch de regelgeving noch de voorbereidende werken verduidelijken hoe het begrip 'hoofdzakelijk' in deze voorwaarde moet worden beoordeeld. Bijgevolg is dit een feitenkwestie waarbij de werkgever moet aantonen dat deze voorwaarde vervuld is, bijvoorbeeld aan de hand van het aandeel van de wegen- en spoorwegwerken in de omzet of in het totaal aantal door de werknemers gepresteerde uren.
17. Concreet betekent dit dat de verhoging van het plafond van 180 (8) naar 280 uren enkel wordt toegestaan in de mate dat er ook overuren werden gepresteerd die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag en die daadwerkelijk betrekking hebben op de uitvoering van wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
(8) Als bedoeld in art. 154bis, derde lid en vierde lid, eerste streepje, WIB 92.
18. Hierbij is het niet vereist dat die overuren ook effectief gepresteerd zijn in het weekend, op feestdagen of 's nachts. Het volstaat dat de overuren zijn gepresteerd bij de uitvoering van wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
19. De overuren moeten wel effectief zijn gepresteerd bij de uitvoering van wegenwerken of spoorwegwerken. Zo komen bijvoorbeeld overuren gepresteerd tijdens de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden of voorbereidende werkzaamheden in het atelier van de werkgever niet in aanmerking.
20. Een volledige verhoging van het plafond van 180 naar 280 uren is enkel mogelijk indien de werknemer ten minste 100 overuren zou hebben gepresteerd die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag en die betrekking hebben op de uitvoering van wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
21. Dus niet alle overuren moeten bij de uitvoering van dergelijke wegenwerken of spoorwegwerken zijn gepresteerd.
22. De toepassingsvoorwaarden voor de belastingvermindering worden immers beoordeeld per werknemer, in voorkomend geval over meerdere werkgevers heen. Het feit dat een werknemer van werkgever of sector verandert tijdens een belastbaar tijdperk mag niet beletten dat het overwerk dat hij/zij effectief heeft gepresteerd bij de uitvoering van dergelijke wegenwerken of spoorwegwerken in aanmerking zou komen voor de verhoging van het plafond.
Voorbeelden
Een werknemer (die niet werkt in de horeca) presteert tijdens de periode van 01.01.2025 tot en met 30.06.2025 voor werkgever A 200 overuren die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag. Vervolgens presteert die werknemer tijdens de periode van 01.07.2025 tot en met 31.12.2025 voor werkgever B nog 70 overuren die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag en die betrekking hebben op de uitvoering van wegenwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
Werkgever A gebuikt geen elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en verricht werken in onroerende staat. Werkgever B gebruikt altijd een elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en doet in 2025 hoofdzakelijk wegenwerken en verricht dus ook werken in onroerende staat.
Deze werknemer kan voor het belastbaar tijdperk 2025 aanspraak maken op een belastingvermindering voor de gepresteerde overuren. Die belastingvermindering wordt proportioneel beperkt tot 250 overuren van de in totaal 270 gepresteerde overuren. Dit maximum van 250 overuren is als volgt vastgesteld: van de 200 overuren bij werkgever A komen er slechts 180 in aanmerking (200 overuren > begrenzing van 180 overuren), terwijl de 70 overuren bij werkgever B volledig meetellen (180 + 70 overuren < begrenzing van 280 overuren).
Een werknemer (die niet werkt in de horeca) presteert tijdens de periode van 01.01.2025 tot en met 30.06.2025 voor werkgever A 120 overuren die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag. Vervolgens presteert die werknemer tijdens de periode van 01.07.2025 tot en met 31.12.2025 voor werkgever B nog 200 overuren die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag en die betrekking hebben op de uitvoering van wegenwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
Werkgever A gebruikt geen elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en verricht werken in onroerende staat. Werkgever B gebruikt altijd een elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en doet in 2025 hoofdzakelijk wegenwerken en verricht dus ook werken in onroerende staat.
Deze werknemer kan voor het belastbaar tijdperk 2025 aanspraak maken op een belastingvermindering voor de gepresteerde overuren. Die belastingvermindering wordt proportioneel beperkt tot 280 overuren van de in totaal 320 gepresteerde overuren. Dit maximum van 280 overuren is als volgt vastgesteld: de 120 overuren bij werkgever A tellen volledig mee (120 overuren < begrenzing van 180 overuren), terwijl de 200 overuren bij werkgever B moeten worden beperkt tot 160 overuren (120 + 200 overuren > begrenzing van 280 overuren).
23. Voor het inkomstenjaar 2024, aanslagjaar 2025, gaat die verhoging evenwel pas in vanaf 01.06.2024.
24. Concreet betekent dit dat enkel de overuren die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag en die betrekking hebben op de uitvoering van wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken, gepresteerd in de periode van 01.06.2024 tot en met 31.12.2024, in aanmerking komen voor de verhoging van 180 naar 280 overuren.
Voorbeeld
Een werknemer is in 2024 tewerkgesteld bij een werkgever die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoert en dus ook werken in onroerende staat verricht. Die werkgever maakt altijd gebruik van een elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem. In de periode van 01.01.2024 tot en met 31.05.2024 presteert de werknemer het volgende overwerk met recht op een wettelijke overwerktoeslag:
- 75 overuren in het kader van wegenwerken zonder overheidsverplichting om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken
- 80 overuren in het kader van wegenwerken met overheidsverplichting om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
In de periode van 01.06.2024 tot en met 31.12.2024 presteert de werknemer het volgende overwerk met recht op een wettelijke overwerktoeslag:
- 90 overuren in het kader van wegenwerken zonder overheidsverplichting om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken
- 103 overuren in het kader van wegenwerken met overheidsverplichting om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken en effectief gepresteerd in het weekend, op feestdagen of 's nachts
- 2 overuren in het kader van wegenwerken met overheidsverplichting om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken maar niet effectief gepresteerd in het weekend, op feestdagen of 's nachts.
Deze werknemer kan voor het belastbaar tijdperk 2024 aanspraak maken op een belastingvermindering voor de gepresteerde overuren. Die belastingvermindering wordt proportioneel beperkt tot 280 overuren van de in totaal 350 gepresteerde overuren. Dit maximum van 280 overuren is als volgt vastgesteld: enkel de 103 en de 2 overuren komen in beginsel in aanmerking voor de verhoging naar 280 overuren, de 75, 80 en 90 overuren worden beperkt tot 180 overuren (245 overuren > begrenzing van 180 overuren), en vervolgens worden de 105 overuren beperkt tot 100 overuren (180 en 105 overuren > begrenzing van 280 overuren).
25. Eén van de voorwaarden voor de verhoging van het aantal overuren naar 280 uren voor wegenwerken en spoorwegwerken is dat het moet gaan om werkgevers voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
26. Wat de onderaannemers betreft, is het in dat verband niet vereist dat de overheid die verplichting rechtstreeks aan hen oplegt. Het volstaat dat in het kader van een aanbestedingsprocedure deze verplichting door de overheid wordt opgelegd aan de hoofdaannemer. Aangezien de hoofdaannemer aansprakelijk is voor al zijn aangestelde onderaannemers werkt deze verplichting dan ook door naar die onderaannemers (onrechtstreekse verplichting). Kortom, om te kunnen voldoen aan deze voorwaarde, moet er op de onderaannemer rechtstreeks of onrechtstreeks een door de overheid opgelegde verplichting rusten om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
27. De verhoging van het aantal overuren naar 280 uren voor wegenwerken en spoorwegwerken is eveneens van toepassing op uitzendarbeid.
28. De specifieke voorwaarden die voor de werkgevers gelden, moeten in dat geval dan niet vervuld zijn in hoofde van het erkende uitzendkantoor maar wel in hoofde van de gebruiker aan wie het erkende uitzendkantoor de uitzendkracht ter beschikking stelt. Concreet betekent dit dat:
- de gebruiker hoofdzakelijk wegenwerken, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen of kabels, of spoorwegwerken moet uitvoeren
- de overheid aan de gebruiker de verplichting moet hebben opgelegd om de werken in het weekend, op feestdagen of 's nachts uit te voeren
- de gebruiker gebruik moet maken van een elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem.
29. De belastingvermindering voor overwerk wordt ook in de bedrijfsvoorheffing verrekend. Voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing wordt dan ook rekening gehouden met voormelde verhoging van het aantal fiscaal voordelige overuren naar 280 uren, voor zover uiteraard die uren overwerk zijn gepresteerd vanaf 01.06.2024 (9).
(9) Zie toepassingsregels 45.2 en 111.2 van de bijlage III van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92), zoals vervangen bij KB 11.12.2023 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing (BS 15.12.2023 - Numac: 2023048149), van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 01.01.2024 worden betaald of toegekend, gewijzigd door art. 2 en 5, tweede lid, KB 15.05.2024 tot wijziging van de bedrijfsvoorheffing (BS 28.05.2024 - Numac: 2024005241), en zoals vervangen bij KB 12.12.2024 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing (BS 18.12.2024, Ed. 2 – Numac: 2024011273), van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 01.01.2025 worden betaald of toegekend, en laatst gewijzigd door het KB 18.08.2025 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 inzake overwerk (BS 22.08.2025, Ed. 3 - Numac: 2025005810).
30. Wanneer een uitzendkantoor het éénvormige tarief inzake bedrijfsvoorheffing van 11,11 % (10) zou toepassen op de bezoldigingen van haar uitzendkrachten, dan mag de belastingvermindering voor overwerk voor maximaal (naargelang het geval) 180, 280 of 360 overuren niet worden verrekend met de verschuldigde bedrijfsvoorheffing. Het betreft hier immers een éénvormig tarief van 11,11 % waarbij geen verminderingen in de bedrijfsvoorheffing toegepast mogen worden.
(10) Zie toepassingsregels nr. 76.4 en 77 van voormelde bijlage III, KB/WIB 92.
31. De belastingvermindering voor overwerk wordt automatisch berekend op grond van de gegevens vermeld in de aangifte in de inkomstenbelasting, overgenomen van de fiches 281.10.
32. Voor het inkomstenjaar 2024 dient de werkgever in vak 18 a) van de fiche 281.10 het totaal aantal werkelijk gepresteerde overuren met recht op een overwerktoeslag als volgt op te nemen:
18. OVERUREN DIE RECHT GEVEN OP EEN OVERWERKTOESLAG:
a) Totaal aantal werkelijk gepresteerde overuren:
1) - die in aanmerking komen voor de begrenzing tot 180 uren:
- die in aanmerking komen voor de begrenzing tot 180 uren (bouw met registratiesysteem):
TOTAAL (code 305):
2) gepresteerd vanaf 01.06.2024 die in aanmerking komen voor de begrenzing tot 280 uren (code 238):
3) die in aanmerking komen voor de begrenzing tot 360 uren (code 317):
Dit geldt ook voor het inkomstenjaar 2025, met dien verstande dat in vak 18 a) van de fiche 281.10 niet meer wordt verwezen naar de datum van 01.06.2024.
33. Op de fiche 281.10 mag het totale aantal gepresteerde overuren in geen geval worden beperkt tot de eerste 180, 280 of 360 uren.
34. In vak 18 b) van de fiche 281.10 vermeldt de werkgever:
- het aantal gepresteerde overuren die recht geven op een overwerktoeslag van 20 % en, op de code 233, het totale bruto bedrag dat hiervoor als berekeningsgrondslag heeft gediend
- het aantal gepresteerde overuren die recht geven op een overwerktoeslag van 50 % of 100 % en, op de code 234, het totale bruto bedrag dat hiervoor als berekeningsgrondslag heeft gediend.
35. Het bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten bij de fiche 281.10 bevat bijkomende richtlijnen om dit vak 18 in te vullen.
36. Wat de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de werkgevers betreft, voorziet de W 12.05.2024 een verhoging van het maximum aantal overuren met een wettelijke overwerktoeslag (11) naar 280 uren voor:
- de werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken uitvoeren
- en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken
- op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 04.08.1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (BS 18.09.1996 – Numac: 1996012650) bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem
- en op voorwaarde dat het verhoogde maximum enkel wordt toegepast voor de werknemers die daadwerkelijk wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken, hebben uitgevoerd tijdens alle overuren waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd.
(11) Het gaat hier om overwerk dat overeenkomstig art. 29 van de arbeidswet van 16.03.1971 (BS 30.03.1971 – Numac: 1971031602) of art. 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26.09.1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren (BS 07.10.1983 – Numac: 1983021152) recht geeft op een overwerktoeslag.
De Koning kan de nadere modaliteiten bepalen voor de toepassing hiervan.
37. De werkgever moet hoofdzakelijk wegenwerken, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken uitvoeren.
38. Noch de regelgeving noch de voorbereidende werken verduidelijken hoe het begrip 'hoofdzakelijk' in deze voorwaarde moet worden beoordeeld. Bijgevolg is dit een feitenkwestie waarbij de werkgever moet aantonen dat deze voorwaarde vervuld is, bijvoorbeeld aan de hand van het aandeel van de wegen- en spoorwegwerken in de omzet of in het totaal aantal door de werknemers gepresteerde uren.
39. Dit betekent dat de verhoging van het plafond van 180 (12) naar 280 uren enkel wordt toegestaan op voorwaarde dat alle door een werknemer in een bepaald jaar gepresteerde overuren waarvoor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt gevraagd, daadwerkelijk betrekking hebben op de uitvoering van wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
(12) Als bedoeld in art. 2751, zevende lid en achtste lid, eerste streepje, WIB 92.
40. Hierbij is het niet vereist dat die overuren ook effectief gepresteerd zijn in het weekend, op feestdagen of 's nachts. Het volstaat dat de overuren zijn gepresteerd bij de uitvoering van wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
41. De overuren moeten wel effectief zijn gepresteerd bij de uitvoering van wegenwerken of spoorwegwerken. Zo komen bijvoorbeeld overuren gepresteerd tijdens de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden of voorbereidende werkzaamheden in het atelier van de werkgever niet in aanmerking.
42. Concreet houdt dit in dat een werkgever die voldoet aan de voorwaarden vermeld in art. 2751, achtste lid, tweede streepje, WIB 92 en die de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk wil toepassen, elk jaar en per werknemer een keuze moet maken tussen de toepassing van:
- het 'normale' plafond van 180 overuren (13) of
- het specifieke plafond van 280 overuren in het kader van de wegenwerken of spoorwegwerken.
(13) Als bedoeld in art. 2751, zevende lid en achtste lid, eerste streepje, WIB 92.
43. Dit heeft tot gevolg dat een volledige benutting van het plafond van 280 uren enkel mogelijk is indien de werknemer ten minste 280 overuren heeft gepresteerd die betrekking hebben op de uitvoering van wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
Voorbeelden
Een werknemer presteert tijdens de periode van 01.01.2025 tot en met 30.09.2025 voor zijn werkgever 200 overuren in het kader van werken in onroerende staat die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag. Vervolgens presteert die werknemer tijdens de periode van 01.10.2025 tot en met 31.12.2025 voor dezelfde werkgever nog 70 overuren die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag en die betrekking hebben op de uitvoering van wegenwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken. De werkgever gebruikt altijd een elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en voert maandelijks hoofdzakelijk wegenwerken uit waardoor hij ook werken in onroerende staat verricht. Hij betaalt de bezoldigingen voor deze overuren uit in de maand waarin de overuren zijn gepresteerd.
Deze werkgever heeft de keuze:
- ofwel vraagt hij voor deze werknemer de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor in totaal 180 overuren (de 200 overuren gepresteerd vóór 01.10.2025 worden beperkt tot het plafond van 180 overuren) door in de maanden waarin de eerste 130 overuren zijn gepresteerd telkens een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing in te dienen met als code 44 of 45 en door in de maanden waarin de eerstvolgende 50 overuren in het kader van werken in onroerende staat zijn gepresteerd telkens een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing in te dienen met als code 51 of 52
- ofwel vraagt hij voor deze werknemer de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor in totaal 70 overuren in het kader van wegenwerken (de 70 overuren hoeven niet te worden beperkt) door in de maanden waarin deze 70 overuren zijn gepresteerd telkens een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing in te dienen met als code 82 of 83.
Een werknemer presteert tijdens de periode van 01.01.2025 tot en met 30.09.2025 voor zijn werkgever 120 overuren in het kader van werken in onroerende staat die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag. Vervolgens presteert die werknemer tijdens de periode van 01.10.2025 tot en met 31.12.2025 voor dezelfde werkgever nog 200 overuren die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag en die betrekking hebben op de uitvoering van wegenwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken. De werkgever gebruikt altijd een elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en voert maandelijks hoofdzakelijk wegenwerken uit waardoor hij ook werken in onroerende staat verricht. Hij betaalt de bezoldigingen voor deze overuren uit in de maand waarin de overuren zijn gepresteerd.
Deze werkgever heeft de keuze:
- ofwel vraagt hij voor deze werknemer de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor in totaal 180 overuren (de 120 overuren gepresteerd vóór 01.10.2025 hoeven niet te worden beperkt en de 200 overuren gepresteerd vanaf 01.10.2025 moeten worden beperkt tot 60 overuren) door in de maanden waarin de eerste 130 overuren zijn gepresteerd telkens een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing in te dienen met als code 44 of 45 en door in de maanden waarin de eerstvolgende 50 overuren in het kader van werken in onroerende staat zijn gepresteerd telkens een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing in te dienen met als code 51 of 52
- ofwel vraagt hij voor deze werknemer de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor in totaal 200 overuren in het kader van wegenwerken (de 200 overuren hoeven niet te worden beperkt) door in de maanden waarin deze 200 overuren zijn gepresteerd telkens een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing in te dienen met als code 82 of 83.
44. Voor de bezoldigingen die in 2024 worden betaald of toegekend, gaat die verhoging pas in vanaf 01.06.2024.
45. Concreet betekent dit dat enkel de overuren die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag en die betrekking hebben op de uitvoering van wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken, gepresteerd in de periode van 01.06.2024 tot en met 31.12.2024, in aanmerking komen voor de verhoging van 180 naar 280 overuren.
46. In 2024 moet een werkgever die voldoet aan de voorwaarden vermeld in art. 2751, achtste lid, tweede streepje, WIB 92 en die de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk wil toepassen, bijgevolg per werknemer een keuze maken tussen de toepassing van:
- het 'normale' plafond van 180 overuren (14) of
- het specifieke plafond van 280 overuren in het kader van wegenwerken of spoorwegwerken maar dan alleen voor de overuren die vanaf 01.06.2024 zijn gepresteerd.
(14) Als bedoeld in art. 2751, zevende lid en achtste lid, eerste streepje, WIB 92.
47. Dit heeft tot gevolg dat een volledige benutting van het plafond van 280 uren in 2024 enkel mogelijk is indien de werknemer vanaf 01.06.2024 ten minste 280 overuren heeft gepresteerd die betrekking hebben op de uitvoering van wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid heeft opgelegd om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
Voorbeeld
Een werknemer is tewerkgesteld bij een werkgever die in 2024 maandelijks hoofdzakelijk wegenwerken uitvoert en dus ook werken in onroerende staat verricht. Die werkgever maakt altijd gebruik van een elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem. Hij betaalt de bezoldigingen voor deze overuren uit in de maand waarin de overuren zijn gepresteerd. In de periode van 01.01.2024 tot en met 31.05.2024 presteert de werknemer het volgende overwerk met recht op een wettelijke overwerktoeslag:
- 75 overuren in het kader van wegenwerken zonder overheidsverplichting om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken
- 80 overuren in het kader van wegenwerken met overheidsverplichting om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken.
In de periode van 01.06.2024 tot en met 31.12.2024 presteert de werknemer het volgende overwerk met recht op een wettelijke overwerktoeslag:
- 90 overuren in het kader van wegenwerken zonder overheidsverplichting om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken
- 103 overuren in het kader van wegenwerken met overheidsverplichting om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken en effectief gepresteerd in het weekend, op feestdagen of 's nachts
- 2 overuren in het kader van wegenwerken met overheidsverplichting om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken maar niet effectief gepresteerd in het weekend, op feestdagen of 's nachts.
De werkgever heeft in 2024 de keuze:
- ofwel vraagt hij voor deze werknemer de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor in totaal 180 overuren (de 75 en 80 overuren gepresteerd vóór 01.06.2024 hoeven niet te worden beperkt en de 90 daaropvolgende overuren moeten worden beperkt tot 25 overuren) door in de maanden waarin de eerste 130 overuren zijn gepresteerd en betaald telkens een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing in te dienen met als code 44 of 45 en door in de maanden waarin de eerstvolgende 50 overuren in het kader van werken in onroerende staat zijn gepresteerd telkens een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing in te dienen met als code 51 of 52
- ofwel vraagt hij voor deze werknemer de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor in totaal 105 overuren in het kader van wegenwerken (enkel de 103 en de 2 overuren komen in aanmerking voor de verhoging naar 280 overuren en hoeven niet te worden beperkt) door in de maanden waarin deze 105 overuren zijn gepresteerd en betaald telkens een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing in te dienen met als code 82 of 83.
48. De verduidelijkingen die voor onderaannemers opgenomen zijn in de randnrs 25 en 26 van deze circulaire gelden ook wanneer de werkgever op het vlak van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kiest voor de toepassing van het specifieke plafond van 280 overuren in het kader van wegenwerken of spoorwegwerken.
49. De verduidelijkingen die voor uitzendarbeid opgenomen zijn in de randnrs 27 en 28 van deze circulaire gelden ook wanneer de werkgever op het vlak van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kiest voor de toepassing van het specifieke plafond van 280 overuren in het kader van wegenwerken of spoorwegwerken.
50. Om aanspraak te maken op de verhoging van het plafond tot 280 uren moet de werkgever voor de maanden of kwartalen waarin deze overuren zijn betaald (en gepresteerd vanaf 01.06.2024) een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen met vermelding van de code 82 (voor overuren met een wettelijke overwerktoeslag van 20 %) en/of de code 83 (voor overuren met een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 %) (15). Dit wordt geïllustreerd in de voorbeelden in de randnrs 43 en 47.
(15) Art. 2, i) van het koninklijk besluit van 20.12.2024 tot wijziging van de bepalingen inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in het KB/WIB 92 (BS 31.12.2024 – Numac: 2024011886)(hierna KB 20.12.2024).
51. Teneinde de naleving van de bij wet vastgelegde voorwaarden voor de toepassing van het verhoogde plafond van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk goed te kunnen opvolgen, zijn de opschriften van de andere codes voor overwerk (nl. codes 44, 45, 51, 52, 55, 58, 59), die opgenomen zijn in de bijlage IIIbis, KB/WIB 92, gewijzigd (16).
(16) Art. 2, a) tot en met g), KB 20.12.2024.
52. Aangezien de wijze waarop de toepassing van het verhoogde plafond van 280 overuren in de tweede aangifte van de bedrijfsvoorheffing moet worden verwerkt, afwijkt van de reeds bestaande regelingen voor overwerk, zijn er bijzondere regels toegevoegd in de bijlage IIIbis, KB/WIB 92 (17). Deze regels verduidelijken:
- enerzijds dat de indiening van een aangifte in de bedrijfsvoorheffing met vermelding van de code '51', '52', '55', '58' of '59' enkel mogelijk is wanneer de werkgever in hetzelfde jaar voor dezelfde werknemer reeds de toepassing vroeg van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de eerste 130 uren aan overwerk door indiening van een aangifte in de bedrijfsvoorheffing met vermelding van de code '44' of '45'
- anderzijds dat de indiening van een aangifte in de bedrijfsvoorheffing met vermelding van de code '82' of '83' enkel mogelijk is indien de werkgever in hetzelfde jaar voor dezelfde werknemer nog geen toepassing vroeg van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk door indiening van een aangifte in de bedrijfsvoorheffing met vermelding van de code '44', '45', '51', '52', '55', '58' of '59'.'
(17) Art. 2, j), KB 20.12.2024.
53. Uit de formulering van deze bijzondere regels blijkt ook dat een werkgever die voldoet aan de voorwaarden vermeld in art. 2751, achtste lid, tweede streepje, WIB 92 en die de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk wil toepassen steeds een keuzemogelijkheid heeft zoals omschreven in de randnrs 42 en 46 van deze circulaire.
54. Deze keuzemogelijkheid mag niet leiden tot het uitstellen van het indienen van een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing met een code voor overwerk tot op het moment dat de werkgever kennis heeft van het aantal overuren die door de werknemer zijn gepresteerd gedurende het volledige jaar en de aard van deze overuren.
Zoals bevestigd in het antwoord op de schriftelijke parlementaire vraag nr. 1201 van Wouter Vermeersch van 25.10.2022 (18) moet in principe de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing waarbij de toepassing wordt gevraagd van een vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, worden gedaan op hetzelfde moment en voor dezelfde periode als de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing waarop de bezoldigingen betrekking hebben (dus binnen de 15 dagen na het verstrijken van de maand waarin de bezoldigingen zijn betaald of toegekend).
(18) QRVA, Kamer, 2019-2024, nr. 099, p 131- 133.
55. Indien op een later tijdstip blijkt dat de aanvankelijk door de werkgever gemaakte keuze niet de beste keuze is, blijven uiteraard wel correcties op de reeds ingediende tweede aangiften in de bedrijfsvoorheffing met een code voor overwerk mogelijk.
56. Deze correcties kunnen gebeuren via het indienen van corrigerende tweede aangiften in de bedrijfsvoorheffing in de toepassing FinprofLegacy en dit per aangifteperiode en zolang deze toepassing voor het betreffende inkomstenjaar nog niet gesloten is. Er zijn dan automatisch nalatigheidsintresten verschuldigd wanneer deze keuzewijziging voor een bepaalde aangifteperiode resulteert in een extra bedrag aan te betalen bedrijfsvoorheffing.
57. Deze wijzigingen treden in werking op 01.06.2024 en zijn van toepassing op het overwerk dat vanaf 01.06.2024 wordt gepresteerd (19).
(19) Art. 67, W 12.05.2024 en art. 4, derde lid, KB 20.12.2024.
58. De gecoördineerde versie van art. 154bis, WIB 92 zoals laatst gewijzigd door art. 65 van de programmawet van 18.07.2025 (BS 29.07.2025 – Numac: 2025005578) en met de wijzigingen door art. 65, W 12.05.2024 aangeduid in vet, luidt als volgt:
Er wordt een belastingvermindering verleend aan de werknemers die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag en die:
- hetzij onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités
- hetzij als de contractuele of statutaire werknemers tewerkgesteld zijn door één van de volgende autonome overheidsbedrijven: de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus, de naamloze vennootschap van publiek recht bpost, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel
- hetzij als de contractuele of statutaire werknemers tewerkgesteld zijn door de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail.
De belastingvermindering is gelijk aan 24,75 % van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd. Indien meer dan 130 uren als overwerk zijn gepresteerd, wordt dat totaal slechts in aanmerking genomen ten belope van een deel dat wordt bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, 130 uren en, anderdeels, het totaal van de uren die als overwerk zijn gepresteerd.
Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 180 uren voor de aanslagjaren 2020, 2021, 2023, 2024, 2025 en 2026. Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt eveneens opgetrokken tot 180 uren voor het aanslagjaar 2022 voor zover dat die bijkomende 50 uren overwerk worden gepresteerd in de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021.
Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot:
- 180 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem
- 280 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of `s nachts te werken, op voorwaarde dat die werkgevers gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en op voorwaarde en in de mate dat die werknemers daadwerkelijk wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of `s nachts te werken hebben uitgevoerd tijdens de overuren die voor die werkgevers worden gepresteerd. De Koning kan de nadere regels bepalen voor de toepassing van dit streepje.
Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 360 uren voor de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het tweede lid bedoelde percentage verhogen tot maximaal:
- 66,81 % voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 % van toepassing is
- 57,75 % voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % van toepassing is.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het zesde lid genomen besluiten. Deze besluiten houden op uitwerking te hebben indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De bekrachtiging heeft uitwerking vanaf die datum. Bij gebreke van deze bekrachtiging binnen de voormelde termijn worden de besluiten geacht nooit uitwerking te hebben gehad.
De belastingvermindering mag evenwel niet meer bedragen dan de belasting Staat met betrekking tot het netto bedrag van de in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen die overeenkomstig artikel 130 zijn belast, andere dan de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen.
De belastingvermindering is niet van toepassing op het overwerk:
a) dat in aanmerking komt voor de toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 30°
b) waarvoor de belasting op de bezoldiging die erop betrekking heeft, wordt verminderd bij toepassing van de artikelen 155 of 156.
59. De gecoördineerde versie van art. 2751, WIB 92 zoals laatst gewijzigd door art. 66 van de programmawet van 18.07.2025 (BS 29.07.2025 – Numac: 2025005578) en met de wijzigingen door art. 66, W 12.05.2024 aangeduid in vet, luidt als volgt:
De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de belastbare bezoldigingen waarin de bezoldigingen zijn begrepen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een wettelijke overwerktoeslag, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op:
- werkgevers onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wat de werknemers betreft die zijn onderworpen aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002
- de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in het eerste streepje bedoelde ondernemingen voorzover de uitzendkrachten worden tewerkgesteld in de functie van een werknemer van categorie 1 en voorzover zij overwerk presteren
- de volgende autonome overheidsbedrijven: de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus en de naamloze vennootschap van publiek recht bpost
- de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail met uitzondering van het door haar ter beschikking gesteld personeel aan de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel in het kader van hun activiteiten van openbare dienstverlening.
De niet te storten bedrijfsvoorheffing bedraagt 24,75 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het derde lid bedoelde percentage verhogen tot maximaal:
- 32,19 % voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 % van toepassing is
- 41,25 % voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % van toepassing is.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het vorige lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de 12 maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
De vrijstelling geldt per jaar en per werknemer slechts voor de eerste 130 uren die hij als overwerk presteert.
Het in het zesde lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 180 uren voor de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 en vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2025 worden betaald of toegekend. Het in het zesde lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt eveneens opgetrokken tot 180 uren voor de bezoldigingen die in 2021 worden betaald of toegekend voor zover dat die bijkomende 50 uren overwerk worden gepresteerd in de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021. Om te bepalen of het om de eerste 180 uren gaat die als overwerk worden gepresteerd in 2021, worden voor de uren overwerk gepresteerd in de periode van 1 januari 2021 tot 30 juni 2021 voor maximum 130 uren in rekening gebracht.
Het in het zesde lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot:
- 180 uren voor de werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat deze werkgevers gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem
- 280 uren voor de werkgevers die hoofdzakelijk wegenwerken uitvoeren, met uitsluiting van het aanleggen van ondergrondse leidingen en kabels, of spoorwegwerken en voor wie de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken, op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem en op voorwaarde dat het verhoogde maximum enkel wordt toegepast voor de werknemers die daadwerkelijk wegenwerken of spoorwegwerken waarvoor de overheid oplegt om in het weekend, op feestdagen of 's nachts te werken, hebben uitgevoerd tijdens alle overuren waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd. De Koning kan de nadere modaliteiten bepalen voor de toepassing van dit streepje.
Het in het zesde lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 360 uren voor de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf.
Om de in het eerste lid bedoelde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever, ter gelegenheid van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing, het bewijs leveren dat de werknemers in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd overwerk hebben gepresteerd dat overeenkomstig het eerste lid recht geeft op een wettelijke overwerktoeslag tijdens de periode waarop die aangifte betrekking heeft. De Koning bepaalt de nadere modaliteiten voor het leveren van dit bewijs.
De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing is niet van toepassing op het overwerk dat in aanmerking komt voor de toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 30°.
60. De gecoördineerde versie van de bijlage IIIbis, KB/WIB 92, met de wijzigingen door art. 2 en 4, derde lid, KB 20.12.2024 aangeduid in vet, luidt als volgt:
Lijst van de codes met betrekking tot de aard van de inkomsten in toepassen van artikelen 90, § 3 en 952, § 3, a, KB/WIB 92
01 koopvaardij (Art. 2752, WIB 92)
02 bagger (Art. 2752, WIB 92)
03 zeesleepvaart (Art. 2752, WIB 92)
04 zeevisserij (Art. 2754, WIB 92)
05 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 1ste lid, WIB 92)
06 ploegenpremies en nachtpremies (Art. 2755, WIB 92)
06 …
07 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 2de lid, WIB 92)
09 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 3de lid, 1°, WIB 92)
31 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 3de lid, 2°, WIB 92)
32 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 3de lid, 3°, WIB 92) – diploma's art. 2753, § 2, 1°, WIB 92
33 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 3de lid, 3°, WIB 92) – diploma's art. 2753, § 2, 2°, WIB 92
34 wetenschappelijk onderzoek (Art. 2753, § 1, 6de lid, WIB 92) – diploma's art. 2753, § 2, 3° en 4°, WIB 92
41 sportbeoefenaars (Art. 2756, 1ste lid, WIB 92)
42 sportbeoefenaars (Art. 2756, 2de lid, WIB 92)
43 … (opgeheven)
44 overwerk - eerste 130 uren - 50 of 100 pct. Overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, tweede streepje, en zesde lid, WIB 92)
45 overwerk - eerste 130 uren - 20 pct. Overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, eerste streepje, en zesde lid, WIB 92)
46 algemene regel (Art 2757, derde lid, b, 1° en c, WIB 92)
48 sportbeoefenaars – niet inwoner (Art. 2756, 1ste en 7de lid, WIB 92)
49 sportbeoefenaars – niet inwoner (Art. 2756, 2de en 7de lid, WIB 92)
51 overwerk - werk in onroerende staat - 50 of 100 pct. overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, tweede streepje en achtste lid, eerste streepje, WIB 92)
52 overwerk - werk in onroerende staat - 20 pct. Overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, eerste streepje en achtste lid, eerste streepje, WIB 92)
53 volcontinu ploegenarbeid (Art. 2755, § 3, WIB 92)
54 algemene regel (Art. 2757, derde lid, b, 2°, WIB 92)
55 overwerk - hotelbedrijf - 50 of 100 pct. Overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, tweede streepje, en negende lid, WIB 92)
56 algemene regel (Art. 2757, 3de lid, a, WIB 92)
57 ploegenarbeid werken in onroerende staat (Art. 2755, § 5, WIB 92)
58 overwerk - optrekking tot 180 uren - 50 of 100 pct. Overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, tweede streepje, en zevende lid, WIB 92)
59 overwerk - optrekking tot 180 uren - 20 pct. Overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, eerste streepje, en zevende lid, WIB 92)
60 starters (Art. 27510, 1ste lid, WIB 92)
61 starters (Art. 27510, 4de lid, WIB 92)
62 starterjobs voor jongeren (Art. 27511, WIB 92)
63 ploegenarbeid systeemvaart (Art. 2755, § 4, WIB 92)
64 opleiding van werknemers (Art. 27512, § 1, WIB 92)
74 ploegenarbeid (Art. 2755, § 1, WIB 92)
75 nachtarbeid (Art. 2755, § 2, WIB 92)
76 gelegenheidsarbeid fruit- en groenteteelt (Art. 27513, WIB 92)
77 werkgevers die schade hebben geleden ten gevolge van een natuurramp (Art. 2759/1, § 2, WIB 92)
80 steunzone- niet behoud van arbeidsplaats gedurende de minimale behoudsduur (Art. 2758, § 1, zesde lid, WIB 92)
81 steunzone (Art. 2758, § 1, eerste lid, WIB 92)
82 overwerk - wegen- of spoorwerkwerken – 20 pct. Overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, eerste streepje en achtste lid, tweede streepje, WIB 92)
83 overwerk - wegen- of spoorwerkwerken - 50 of 100 pct. overwerktoeslag (Art. 2751, vierde lid, tweede streepje en achtste lid, tweede streepje, WIB 92)
90 steunzone - niet behoud van arbeidsplaats gedurende de minimale behoudsduur (Art. 2759, § 1, zesde lid, WIB 92)
91 steunzone (Art. 2759, § 1, eerste lid, WIB 92)
Bijzondere regels met betrekking tot de toepassing van de codes voor overwerk.
De in artikel 2751, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde werkgever kan in geval van overwerk gepresteerd door zijn werknemer de toepassing van de in artikel 2751 van hetzelfde Wetboek bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing enkel vragen door middel van:
- de overlegging van een in artikel 952, § 3, bedoelde aangifte met vermelding van de code '51', '52', '55', '58' of '59', wanneer deze werkgever in hetzelfde jaar voor dezelfde werknemer reeds de toepassing heeft gevraagd van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de eerste 130 uren aan overwerk door middel van de overlegging van een in artikel 952, § 3, bedoelde aangifte met vermelding van de code '44' of '45'
- de overlegging van een in artikel 952, § 3, bedoelde aangifte met vermelding van de code '82' of '83', indien deze werkgever in hetzelfde jaar voor dezelfde werknemer nog geen toepassing heeft gevraagd van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk door middel van de overlegging van een in artikel 952, § 3, bedoelde aangifte met vermelding van de code '44', '45', '51', '52', '55', '58' of '59'.
- Art. 64 tot en met 67 van de wet van 12.05.2024 houdende diverse fiscale bepalingen (BS 29.05.2024 - Numac: 2024004641)
- Art. 154bis, vierde lid, WIB 92
- Art. 2751, achtste lid, WIB 92
- Art. 2 en 5, tweede lid van het koninklijk besluit van 15.05.2024 tot wijziging van de bedrijfsvoorheffing (BS 28.05.2024 - Numac: 2024005241)
- Art. 2 en 4, derde lid van het koninklijk besluit van 20.12.2024 tot wijziging van de bepalingen inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in het KB/WIB 92 (BS 31.12.2024 – Numac: 2024011886)
- Toepassingsregels 45.2 en 111.2 van de bijlage III KB/WIB 92
- Bijlage IIIbis, KB/WIB 92
Interne ref.: 741.863