• FR
  • NL
  • EN

Eerste belastingverhogingen zijn nog betwistbaar!

Door de Programmawet van 18 juli 2025 legt de wetgever geen belastingverhoging meer op bij een eerste aangifteovertreding te goeder trouw. Het hof van beroep Gent bevestigt nu dat deze nieuwe wet de deur openzet voor betwisting van oudere belastingverhogingen.

De sage van de belastingverhoging

Een belastingverhoging is een vorm van boete die de fiscus kan opleggen wanneer een aangifte niet of laattijdig ingediend wordt, of wanneer deze aangifte onjuist of onvolledig is. Er wordt een percentage aangerekend op de verschuldigde belasting.

Deze belastingverhoging van 10% is al lange tijd een oud zeer. Hoewel de fiscale wetgeving (art. 444 WIB92) voorzag dat de Administratie van de verhoging diende af te zien bij een eerste aangifteovertreding met “afwezigheid van kwade trouw”, gaf de Administratie daar in de praktijk weinig gevolg aan. Hoe eenvoudig de fout in een aangifte ook was, het opleggen van een belastingverhoging was – tot frustratie van velen – de standaardregel geworden.

Deze praktijk brak een belastingplichtige nog zuurder op als de Administratie het “aftrekverbod” (huidig art. 206/3 WIB 1992) toepaste. Via dit verbod mogen vorige verliezen of andere fiscale aftrekken niet verrekend worden in het geviseerde aanslagjaar. Dit aftrekverbod kan enkel worden toegepast als er een belastingverhoging van minstens 10% wordt opgelegd aan de belastingplichtige. U raadt het al… de kans dat de Administratie die verhoging zou laten vallen, was bijna onbestaande. Voor de volhardende belastingplichtige bracht de rechtspraak soms nog soelaas door de belastingverhoging te beperken in het kader van het evenredigheidsbeginsel (bijvoorbeeld tot 9,90% door Rb. Gent, nr. 21/3146/A).

Het afgelopen jaar kwam die eerste belastingverhoging meer en meer onder vuur te liggen.

Het Grondwettelijk Hof opende op 21 november 2024 de dans door in een arrest over de rechtsgeldigheid van het bovenvermelde aftrekverbod (nr. 129/2024) zeer kort te stellen dat een belastingverhoging in principe niet wordt opgelegd voor een eerste overtreding zonder fraudeoogmerk.

Deze passage werd in het fiscale landschap meteen toegejuicht. De hoop groeide dat de fiscale administratie hiermee rekening zou houden. Deze hoop bleek onterecht, en bovendien kwam er steun vanuit het hof van beroep Gent dat het arrest van het Grondwettelijk Hof naast zich neerlegde en oordeelde dat het afzien van de belastingverhoging van 10% geen verplichting uitmaakt, maar wel een feitelijke beoordeling vereist (Gent 14 januari 2025, nr. 2023/AR/1013).

De wetgever grijpt in: wettelijk vermoeden van goede trouw

Toen de minister van Financiën in het federale parlement vragen kreeg over de (on)eerlijkheid van deze administratieve praktijk, pleitte hij een kentering. Deze woorden bleven in de praktijk echter zonder gevolg en de eerste belastingverhoging behield haar standaardkarakter.

De federale regeringswissel bracht wel zoden aan de dijk, met de aankondiging in het regeerakkoord dat bij een eerste overtreding te goeder trouw in principe geen belastingverhoging meer zou worden toegepast en dat die goede trouw zou worden vermoed.

Deze belofte werd ingelost via de Programmawet van 18 juli 2025, zodat het derde en vierde lid van artikel 444 WIB92 nu als volgt klinken:

“Er wordt afgezien van een belastingverhoging bij een eerste te goeder trouw begane overtreding.
Goede trouw wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed te bestaan bij de belastingplichtige die een eerste overtreding heeft begaan, behalve in geval van toepassing van artikel 351.”

Dit vermoeden van goede trouw speelt helaas niet bij een aanslag van ambtswege.

Een belastingverhoging die werd opgelegd vóór 29 juli 2025, kan op basis van nieuwe wetgeving alsnog retroactief kwijtgescholden worden, mits de aanslag nog betwistbaar is.

Retroactieve toepassing Programmawet biedt mogelijkheid tot betwisting!

Deze nieuwe wetgeving trad in werking op 29 juli 2025. Ze is in principe van toepassing op belastingaanslagen die vanaf die datum gevestigd worden.

De wetgever lijkt zich op dat vlak echter vergaloppeerd te hebben.

Het is vaste rechtspraak dat een belastingverhoging een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 7 EVRM. Uit datzelfde verdrag vloeit het principe voort dat een mildere strafwet retroactief moet worden toegepast, wat het Hof van Cassatie als een algemeen rechtsbeginsel beschouwt (het lex mitior-beginsel).

In het kader van de besproken wetwijzigingen betekent dit concreet dat een belastingverhoging die werd opgelegd vóór 29 juli 2025 op basis van de nieuwe wetgeving, alsnog retroactief kwijtgescholden kan worden mits de aanslag nog betwistbaar is.

Het duurde dan ook niet lang dat vooraleer belastingplichtigen dit principe voor de hoven en rechtbanken inriepen. Op 18 november 2025 bevestigde het hof van beroep Gent als eerste deze retroactieve toepassing van de mildere strafwet. Ze schold een “oude” belastingverhoging kwijt op basis van het ‘nieuwe’ artikel 444 WIB92. De exacte motivatie luidt als volgt:

“Niettegenstaande de inwerkingtredingsbepaling opgenomen in artikel 39 van de Programmawet, dient de mildere strafwet opgenomen in het derde (en vierde) lid van artikel 444 WIB92 aldus ook te worden toegepast op eerder gepleegde overtredingen, zijnde de kwestieuze overtredingen begaan door de geïntimeerde. Dat er sprake is van een eerste overtreding wordt niet betwist. Dat er sprake is van goede trouw, wordt evenmin betwist. Artikel 351 WIB92 werd niet toegepast. Alle toepassingsvoorwaarden van artikel 444, derde en vierde lid WIB92 zijn vervuld. Van de belastingverhoging moet dan ook worden afgezien. Om die reden wordt de opgelegde belastingverhoging van 10% voor alle ter betwisting staande aanslagjaren vernietigd.”

Het loont dus de moeite om per dossier na te gaan of het aanvechten van de belastingverhoging van 10% mogelijk is (binnen de bezwaartermijn van 1 jaar) en wat de impact ervan is.

Wat betekent dit nu concreet?

Het Gentse hof van beroep – dat ondertussen werd gevolgd door andere rechtbanken – bevestigt dat het “nieuwe” artikel 444 WIB92 toegepast kan worden op belastingverhogingen die werden opgelegd vóór 29 juli 2025. Dit betekent dat dit argument in principe ingeroepen kan worden voor iedere belastingaanslag die vandaag nog betwistbaar of al in betwisting is.

In sommige gevallen, zoals bij de toepassing van het aftrekverbod, kan de kwijtschelding van de belastingverhoging de hele belastingaanslag doen vervallen. Het loont dus zeker de moeite om per dossier na te gaan of het aanvechten van de belastingverhoging van 10% nog mogelijk is (binnen de bezwaartermijn van 1 jaar) en wat de impact ervan kan zijn. Wilt u hierover advies of begeleiding? Wij helpen u graag verder.

Ondertussen blijft het afwachten hoe de Administratie met deze nieuwe rechtspraak zal omgaan: toepassen of naar cassatie trekken? De eerste signalen geven aan dat de fiscale administratie zich wellicht bij de rechtspraak zal neerleggen.

De essentie:

  • Door de invoering van de Programmawet wordt geen belastingverhoging van 10% meer opgelegd bij een eerste overtreding te goeder trouw. Bovendien is er tot bewijs van het tegendeel een vermoeden van goede trouw bij een eerste overtreding (art. 444, lid 4 WIB92).
  • Het hof van beroep Gent oordeelde echter dat er sprake is van een mildere strafwet die ook van toepassing is voor belastingverhogingen opgelegd vóór 29 juli 2025.
  • Dit betekent dat u de toepassing van de nieuwe regels, namelijk het verbod voor de fiscus om een belastingverhoging op te leggen voor een eerste overtreding te goeder trouw en het vermoeden van goede trouw bij een eerste overtreding, ook kunt vragen met betrekking tot een aanslag die vóór 29 juli 2025 gevestigd is. Weliswaar voor zover tegen deze aanslag nog een bezwaar of een vordering voor de rechter mogelijk of lopende is.
  • Het loont dan ook de moeite om na te gaan of de belastingverhoging nog betwist kan worden.


Mots clés