Fiscaal gunstregime voor familiale vennootschappen schendt grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet

De schenking of vererving van aandelen van een familiale vennootschap kan genieten van een fiscaal gunstregime. Wanneer voldaan is aan enkele decretale voorwaarden, kunt u de aandelen van uw familiale vennootschap schenken met vrijstelling van schenkbelasting of kunnen uw aandelen vererven aan een verlaagd vlak tarief in de erfbelasting.

Over de conformiteit van dit gunstregime met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel stelde het hof van beroep van Gent onlangs drie prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. Op 23 maart 2023 oordeelde het Hof dat de Vlaamse fiscale gunstregeling voor de vererving van aandelen van familiale vennootschappen geen schending vormt van het gelijkheidsbeginsel.

1. HANGENDE PROCEDURE VOOR HOF VAN BEROEP GENT

Het hof van beroep van Gent stelde de prejudiciële vragen bij tussenarrest in een procedure over de vererving van aandelen van een familiale vennootschap waarin een beenhouwerij wordt uitgebaat en waarin tevens privaat vastgoed aanwezig is. In deze ‘beenhouwerijzaak’ ligt een geschil voor tussen de erfgenamen van de beenhouwer en de Vlaamse Belastingdienst (‘VLABEL’) over één van de toepassingsvoorwaarden van het gunstregime voor familiale vennootschappen.

Opdat de aandelen van de familiale vennootschap van het gunsttarief in de erfbelasting zouden kunnen genieten, moet onder andere voldaan zijn aan de reële economische activiteitsvoorwaarde. Deze voorwaarde creëert een vermoeden dat de vennootschap wel of geen reële economische activiteit heeft op basis van boekhoudkundige parameters van de vennootschap in de drie voorgaande boekjaren. Meer bepaald bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat de vennootschap geen reële economische activiteit heeft wanneer in minstens één van de drie voorgaande boekjaren.

  • de post terreinen en gebouwen (post 22) meer dan 50 % bedraagt van de totale activa (post 20/58)
  • én de post bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen (post 62) gelijk of minder dan 1,50 % bedraagt van de totale activa.

Dit vermoeden is weerlegbaar, wat betekent dat de belastingplichtige het tegenbewijs kan leveren door aan te tonen dat de vennootschap toch een reële economische activiteit heeft.

VLABEL hanteert voor dit tegenbewijs evenwel een uiterst strikte visie. Dit tegenbewijs zou enkel geleverd kunnen worden indien alle onroerende goederen die in de vennootschap aanwezig zijn, worden aangewend voor de economische activiteit van de vennootschap en er aldus geen zogenaamd “privaat” vastgoed in de vennootschap aanwezig is.

In zijn tussenarrest van 1 juni 2021 leek het hof van beroep van Gent het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, alvast te volgen. Wanneer het vermoeden geldt dat de vennootschap geen reële economische activiteit heeft, kan de belastingplichtige volgens het hof wel degelijk het tegenbewijs leveren door aan te tonen dat het vastgoed van de vennootschap wordt geëxploiteerd op een wijze die moet worden beschouwd als een daadwerkelijke economische activiteit, of door aan te tonen dat de vennootschap wel degelijk een reële economische activiteit uitoefent. Als de belastingplichtige dit tegenbewijs kan leveren, kan de volledige waarde van de vennootschapsaandelen vererven onder het gunstregime. Anderzijds stelt het hof dat in de voorliggende zaak de belastingplichtigen het tegenbewijs ook effectief leveren.

2. RUIME “ALLES OF NIETS” INTERPRETATIE VAN GUNSTREGIME SCHENDT GELIJKHEIDSBEGINSEL NIET

Het hof van beroep van Gent stelde zich evenwel vragen over de verenigbaarheid van het gunstregime met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en legde daarom drie prejudiciële vragen voor aan het Grondwettelijk Hof.

Samengevat, vraagt het hof van beroep of artikel 2.7.4.2.2. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (‘VCF’) verenigbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre het verlaagde tarief, enerzijds, wel van toepassing is op de gehele waarde van de aandelen van een familiale vennootschap met reële economische activiteit waarin ook terreinen of gebouwen worden aangehouden die niet of slechts gedeeltelijk voor de economische activiteit worden gebruikt, terwijl, anderzijds, dergelijke onroerende goederen, respectievelijk de aandelen die dergelijke onroerende goederen vertegenwoordigen, niet tegen verlaagd tarief worden vererfd:

  • indien de onroerende goederen rechtstreeks worden vererfd door een natuurlijke persoon of in een zuivere patrimoniumvennootschap zitten (eerste prejudiciële vraag);
  • indien zij worden aangehouden door een natuurlijke persoon die een familiale onderneming zonder rechtspersoonlijkheid heeft (tweede prejudiciële vraag);
  • of indien zij in een zuivere patrimoniumvennootschap zitten en de reële economische activiteit in een afzonderlijke vennootschap zit (derde prejudiciële vraag).

Het Grondwettelijk Hof benadrukt dat de bevoegde wetgever (in dit geval de Vlaamse decreetgever) een grote beoordelingsvrijheid heeft in fiscale zaken. Het Hof mag de beleidskeuze en de motieven die eraan ten grondslag liggen, slechts afkeuren, wanneer zij op een manifeste vergissing berusten of onredelijk zouden zijn.

Vooreerst oordeelt het Hof dat de verschillen in behandeling telkens op een objectief criterium berusten, namelijk de inbreng van terreinen en gebouwen in een familiale vennootschap met een reële economische activiteit. Bovendien beoordeelt het Hof de doelstellingen van de decreetgever om in het bijzonder de continuïteit van Vlaamse ondernemingen te bevorderen en zo een duurzame tewerkstelling te garanderen, als legitiem. Verder stelt het Hof dat het niet onredelijk is dat de gunstregeling van toepassing is op de gehele waarde van een vennootschap met privaat vastgoed. Gezien de ruime beoordelingsbevoegdheid in fiscale zaken en de mogelijkheid om steeds te hervormen desgewenst, mocht de decreetgever de aandelen als een geheel beschouwen voor de toepassing van het gunsttarief. Het zijn immers de aandelen die worden overgedragen en niet de afzonderlijke activa, zoals bij een familiale onderneming. Ten slotte wijst het Hof op de algemene antimisbruikbepaling, vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF, waarop VLABEL zich kan beroepen om toch het normale tarief van erfbelasting toe te passen wanneer er sprake zou zijn van fiscaal misbruik.

Het Grondwettelijk Hof besluit daarom dat de fiscale gunstregeling voor familiale vennootschappen van artikel 2.7.4.2.2. VCF geen schending inhoudt van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. De ruime interpretatie in het voordeel van de belastingplichtige die het hof van beroep van Gent aan het gunstregime geeft, is grondwetsconform.

3. CONCLUSIE

Voor familiale vennootschappen waarin tevens privaat vastgoed aanwezig is, zijn de tussenarresten van het hof van beroep van Gent en het arrest van het Grondwettelijk Hof een serieuze opsteker. Bij dergelijke vennootschappen wordt het voor VLABEL onhoudbaar om het leveren van het tegenbewijs te blijven weigeren. Het volstaat voor familiale vennootschappen, ook wanneer er privaat vastgoed in de vennootschap aanwezig is, om te bewijzen dat de vennootschap wel degelijk een reële economische activiteit heeft om van het gunstregime te kunnen genieten. Wanneer ook aan de andere toepassingsvoorwaarden is voldaan, valt de volledige waarde van de aandelen onder het gunstregime.

Het hof van beroep van Gent is nu terug aan zet om zijn eindarrest te vellen in de zogenaamde ‘beenhouwerijzaak’.

Bron: Cazimir, maart 2023


Mots clés