• FR
  • NL
  • EN

Fiscale regularisatie van cryptovermogen: de rekening voor de cryptobelegger te goeder trouw

De herinvoering van de federale fiscale regularisatie (EBAquinquies) wordt voorgesteld als een instrument om historische fiscale onregelmatigheden recht te zetten. In de praktijk blijkt de regeling echter ook een heel andere groep te treffen: cryptobeleggers die jarenlang investeerden in een omgeving van fiscale onzekerheid en die niet noodzakelijk de intentie hadden inkomsten aan het zicht van de fiscus te onttrekken.

Een decennium van fiscale onzekerheid

Sinds de opkomst van Bitcoin werden Belgische beleggers geconfronteerd met een opmerkelijke rechtsonzekerheid. De fiscale behandeling van cryptomeerwaarden werd voornamelijk ingevuld via algemene fiscale beginselen en voorafgaande beslissingen van de Dienst Voorafgaande Beslissingen. De fundamentele vraag of een cryptomeerwaarde belastingvrij, belastbaar als divers inkomen dan wel als beroepsinkomen was, kon vaak slechts worden beantwoord na een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden van elk individueel dossier.

Tal van beleggers handelden in die context als een "goede huisvader". Zij investeerden eigen spaargelden, verrichtten occasionele transacties en gingen ervan uit dat hun meerwaarden niet belastbaar waren. Die overtuiging was niet noodzakelijk onredelijk. De Belgische fiscus heeft jarenlang geen duidelijke wettelijke criteria aangereikt om te bepalen wanneer een cryptobelegger de grens overschrijdt van normaal vermogensbeheer naar speculatie.

Het gevolg was een fiscale grijze zone waarin belastingplichtigen zelf moesten inschatten welke aangifteplicht eventueel op hen rustte. Achteraf blijkt die onzekerheid bijzonder kostelijk.

De regularisatie treft niet alleen fraudeurs

Tijdens fiscale controles wordt steeds vaker geoordeeld dat de opname van cryptomeerwaarden in de aangifte personenbelasting niet volstaat wanneer een deel van de aangegeven meerwaarde betrekking heeft op inkomsten uit vroegere belastbare of zelfs fiscaal verjaarde periodes. De belastingplichtige wordt dan geconfronteerd met het standpunt dat die inkomsten alsnog via de regularisatieprocedure moeten worden geregulariseerd, met toepassing van tarieven die kunnen oplopen tot het normale belastingtarief vermeerderd met 30 procentpunten of zelfs een afzonderlijke heffing van 45% op fiscaal verjaarde kapitalen.

Dat standpunt roept fundamentele vragen op over rechtszekerheid en billijkheid. Het treft immers niet alleen belastingplichtigen die bewust inkomsten verborgen hielden, maar ook personen die hun fiscale situatie wilden rechtzetten via spontane aangifte of overleg met de administratie.

De paradox is dan ook duidelijk: wie transparantie verkoos en zijn fiscale positie economisch probeerde recht te zetten, riskeert vandaag alsnog te worden geconfronteerd met het standpunt dat uitsluitend een fiscale regularisatie volstaat. Nochtans volgt uit de regularisatiewet zelf niet uitdrukkelijk dat fiscale regularisatie de enige mogelijke weg zou zijn om historische fiscale onregelmatigheden te remediëren.

De nieuwe regularisatiewet laat belastingplichtigen toe niet-aangegeven inkomsten en fiscaal verjaarde kapitalen vrijwillig aan te geven. In ruil verkrijgen zij fiscale en strafrechtelijke immuniteit. Voor niet-verjaarde inkomsten wordt het normale belastingtarief verhoogd met 30 procentpunten. Fiscaal verjaarde kapitalen worden onderworpen aan een afzonderlijke heffing van 45%.

Bovendien biedt een regularisatie niet noodzakelijk een antwoord op alle fiscale discussies die cryptobeleggingen kenmerken. Ook na een regularisatie kan discussie blijven bestaan over de fiscale kwalificatie van bepaalde inkomsten. De vraag of een gerealiseerde meerwaarde moet worden gekwalificeerd als normaal vermogensbeheer, als divers inkomen dan wel als beroepsinkomen, blijft immers een afzonderlijk fiscaal debat. De regularisatieprocedure neemt niet automatisch elk risico weg dat de administratie achteraf een andere fiscale kwalificatie verdedigt.

Banken dwingen beleggers richting regularisatie

De praktijk wordt bovendien sterk beïnvloed door de financiële sector. Banken hanteren steeds strengere antiwitwasverplichtingen en vragen systematisch naar de oorsprong van middelen wanneer aanzienlijke cryptowinsten op een Belgische rekening terechtkomen. Zonder overtuigend bewijs van fiscale regulariteit kunnen overschrijvingen worden geblokkeerd of geweigerd.

Daardoor wordt fiscale regularisatie voor veel beleggers minder een vrije keuze dan een economische noodzaak. In theorie kunnen spontane aangifte of overleg met de administratie eveneens bijdragen tot een fiscale rechtzetting. In de praktijk verlangen banken echter vaak een sluitend bewijs dat de fiscale oorsprong van het vermogen definitief werd geregulariseerd.

Wanneer de administratie geen oplossing aanvaardt en de belastingplichtige niet wil of kan regulariseren, ontstaat een bijzonder moeilijke situatie. De betrokken persoon wil zijn fiscale positie rechtzetten, maar beschikt niet over een document dat voor financiële instellingen afdoende bewijst dat de betrokken vermogensbestanddelen fiscaal zijn gezuiverd. Precies in die dossiers blijkt de spanning tussen fiscale en bancaire realiteit bijzonder groot.

De paradox van de "ontbrekende regularisatie" (2024-2025)

Een bijkomende onbillijkheid manifesteert zich bij belastingplichtigen die zich in de periode tussen 1 januari 2024 en de inwerkingtreding van EBAquinquies wél inspanden om hun fiscale situatie recht te zetten.

Gedurende die periode bestond er geen federale fiscale regularisatieprocedure meer. Dat betekende evenwel niet noodzakelijk dat elke vorm van fiscale remediëring juridisch uitgesloten was.

In de praktijk bleek het evenwel vaak moeilijk om met de administratie tot een werkbare oplossing te komen. Daardoor kozen sommige belastingplichtigen ervoor hun historische crypto-inkomsten of meerwaarden spontaan op te nemen in hun aangifte personenbelasting en de daaruit voortvloeiende belasting vrijwillig te betalen. Juridisch is een dergelijke aanpak niet geheel zonder discussie, onder meer omdat zij afwijkt van het annualiteitsbeginsel. Economisch leidt zij echter wel tot een belastingheffing op bedragen die de belastingplichtige zelf aan de administratie kenbaar maakt.

Wanneer diezelfde belastingplichtigen vandaag wordt voorgehouden dat uitsluitend een regularisatieprocedure hun situatie kan rechtzetten, rijst de vraag of aan de fiscale regularisatie niet een exclusief karakter wordt toegekend dat de wetgever zelf nooit expliciet in de wet heeft opgenomen. In de parlementaire voorbereiding van de nieuwe regularisatiewet wordt gesuggereerd dat fiscale regularisatie vandaag de aangewezen weg vormt om historische fiscale onregelmatigheden te corrigeren, hoewel dit uitgangspunt niet uitdrukkelijk verankerd is in de regularisatiewet zelf noch in het Wetboek van Inkomstenbelastingen (WIB).

Daarbij moet bovendien een onderscheid worden gemaakt tussen niet-verjaarde inkomsten en fiscaal verjaarde kapitalen. Voor niet-verjaarde inkomsten beschikt de administratie in beginsel nog over mogelijkheden om de belasting te vestigen wanneer bewijskrachtige gegevens aan het licht komen (artikel 358 WIB). Indien de belastingplichtige zelf historische gegevens aanreikt, kan dat in bepaalde omstandigheden aanleiding geven tot aanvullende taxatie.

Voor fiscaal verjaarde kapitalen ligt dat evenwel anders. Zodra de fiscale aanslagmogelijkheden definitief zijn verjaard, kan een spontane aangifte via de personenbelasting technisch geen belastingheffing meer veroorzaken. Net daarom vormt de fiscale regularisatie voor dergelijke kapitalen een juridisch verschillend mechanisme, waarbij een afzonderlijke regularisatieheffing wordt betaald in ruil voor fiscale en strafrechtelijke immuniteit.

De praktijk toont bovendien aan dat vergelijkbare dossiers niet altijd op identieke wijze worden behandeld. Dat gebrek aan uniformiteit draagt verder bij tot de rechtsonzekerheid waarmee belastingplichtigen en hun adviseurs worden geconfronteerd.

Een vraagstuk van billijkheid

Vanuit rechtsstatelijk oogpunt rijst de vraag of deze uitkomst wel billijk is.

De overheid verwacht vandaag van cryptobeleggers dat zij historische fiscale verplichtingen correct hebben nageleefd. Dat uitgangspunt lijkt logisch. Tegelijk mag niet worden vergeten dat dezelfde overheid jarenlang heeft nagelaten duidelijke wettelijke regels te formuleren over de fiscale behandeling van cryptoactiva.

Waar klassieke inkomstenstromen doorgaans onder een uitgewerkt wettelijk regime vallen, moesten cryptobeleggers zich behelpen met rulings en casuïstische rechtspraak over traditionele beleggingen. De rechtsonzekerheid waarvan zij vandaag de gevolgen dragen, is dan ook niet uitsluitend het gevolg van individuele keuzes, maar evenzeer van een langdurig gebrek aan duidelijke regelgeving.

Het is dan ook moeilijk verdedigbaar om een belegger die te goeder trouw handelde en zijn fiscale situatie trachtte recht te zetten, zonder meer gelijk te schakelen met de belastingplichtige die bewust inkomsten verborgen hield.

Besluit

De nieuwe regularisatieronde biedt ongetwijfeld een nuttig instrument om historische fiscale onzekerheden af te sluiten en zowel fiscale als strafrechtelijke risico's weg te nemen. Voor tal van cryptobeleggers zal zij bovendien een belangrijke praktische oplossing vormen om discussies over de herkomst van hun vermogen te beëindigen.

Toch mag daarbij niet uit het oog worden verloren dat een aanzienlijk deel van de betrokken belastingplichtigen niet terechtkomt in de regularisatieprocedure omdat zij bewust inkomsten hebben verborgen, maar omdat zij jarenlang hebben gehandeld binnen een fiscaal kader dat werd gekenmerkt door onduidelijkheid en een periode waarin geen formele regularisatieprocedure beschikbaar was.

Precies daar ligt de fundamentele paradox. De belastingplichtige die historische crypto-inkomsten spontaan heeft aangegeven, belastingen heeft betaald of een oplossing met de administratie heeft proberen uit te werken, wordt vandaag soms geconfronteerd met het standpunt dat dezelfde bedragen alsnog moeten worden geregulariseerd aan aanzienlijk hogere tarieven. Daardoor dreigt fiscale regularisatie in de praktijk uit te groeien tot de facto de enige aanvaardbare oplossing, hoewel een dergelijk exclusief karakter niet expliciet uit de wet voortvloeit.

De fundamentele vraag is uiteindelijk niet of historische crypto-inkomsten correct moeten worden belast. De werkelijke vraag is of fiscale regularisatie mag uitgroeien tot de enige praktisch bruikbare uitweg, ook wanneer belastingplichtigen hun situatie op andere wijze willen rechtzetten. Een systeem dat spontane transparantie ontmoedigt, onderhandelde oplossingen bemoeilijkt en tegelijk niet alle onderliggende fiscale geschillen oplost, dreigt de grenzen van rechtszekerheid en billijkheid te overschrijden. Voor vele cryptobeleggers te goeder trouw ligt precies daar de werkelijke paradox van de nieuwe regularisatieregeling.


Raadpleeg zeker onze website voor meer info: Crypto en fiscaliteit | Cryptax | Tuerlinckx - Tuerlinckx tax lawyers

Mots clés