• FR
  • NL
  • EN

Fiscaliteit hoort geen kansspel te zijn:rechtszekerheid en vertrouwen als fundament

De wet is complex , met fiscaal recht als overtreffende trap van complexiteit. Het is een doolhof vol uitzonderingsregimes, afwijkingen op afwijkingen, circulaires, administratieve commentaren en rechtspraak die elkaar in een hoog tempo opvolgen. Toch verwachten we als samenleving dat regels worden nageleefd.

Daarom hanteren we een juridische maar noodzakelijke fictie: “iedereen wordt geacht de wet te kennen”. Zonder die aanname is afdwingbaarheid onmogelijk.

De overheid wordt geacht de wet beter te kennen dan anderen. Zij stelt de regels op, past ze toe en ziet toe op hun naleving. Het mag dan ook worden verwacht dat de overheid precies weet waarover zij spreekt. Dat geldt des te meer in het kader van controles. Wie met de overheid te maken krijgt, moet kunnen rekenen op een zekere standvastigheid, en de verwachtingen die die overheid heeft gewekt in het verleden. Wanneer de overheid bij burgers het vertrouwen wekt dat een bepaalde houding zal worden aangenomen, dan kan zij niet lichtzinnig van koers veranderen. Wetten en regels zijn geen dobbelstenen. Het recht moet kenbaar en voorspelbaar zijn.

Bij dat beginsel van rechtszekerheid sluit het vertrouwensbeginsel naadloos aan. Dat beginsel gaat nog een stap verder. Het beschermt de burger die mag afgaan op concrete toezeggingen van het bestuur. Maar die kan ook zonder formele belofte ontstaan. Door een vaste gedragslijn, door een consistent gevoerd beleid, door herhaald optreden en uit resultaten van controles.

Onze hoogste rechtscolleges hebben dat principe meermaals bevestigd. En ook op Europees niveau wordt het vertrouwensbeginsel uitdrukkelijk erkend als fundamenteel recht. Niet toevallig. De Europese wetgeving is van midden vorige eeuw. En de Europese wetgever stelde toen zelf vast hoezeer de regelgeving in complexiteit is toegenomen. Hoe ingewikkelder het normatieve landschap, hoe groter de nood aan houvast.

Rechtszekerheid en vertrouwen zijn dus geen abstracte juristentaal. Het zijn de ankerpunten van elke burger die zich in een steeds complexer juridisch universum staande probeert te houden. Zonder die beginselen blijft er van de rechtsstaat weinig meer over dan een doolhof.

Belastingplichtigen worden constant gecontroleerd. Bij controles liggen de feiten op tafel, waarbij de administratie bepaalde kosten aanvaardt en andere niet. Maar soms blijkt bij een nieuwe controle, in identiek feitelijke omstandigheden, dat wat gisteren aanvaardbaar was, plots niet meer door de beugel kan. Terwijl de wet niet is gewijzigd.

Onder prestatiedruk en begrotingstekorten lijkt fiscale orthodoxie soms rekbaar. Wat vroeger een fiscaal aanvaarde kost was, wordt vandaag in precies dezelfde omstandigheden soms een privé-uitgave. Wat gisteren zorgvuldig werd goedgekeurd, wordt nu met terugwerkende kracht verworpen.

Dat is meer dan een technisch dispuut. Zulke discussies raken aan het vertrouwensbeginsel. De burger mag ervan uitgaan dat de overheid de wet kent én consequent toepast. Wie na een grondige controle groen licht krijgt, mag verwachten dat dat licht niet willekeurig op rood springt zolang de feiten en de wet ongewijzigd blijven. Zonder die minimale rechtszekerheid wordt de fiscale controle geen toepassing van de wet, maar een loterij. En in een rechtsstaat hoort fiscaliteit geen kansspel te zijn.

Een controlerende ambtenaar heeft zich te houden aan de principes die zijn collega’s in het verleden toepasten. Ook als hij het daarmee oneens is. In dat geval moet hij dit uitdrukkelijk laten weten aan de belastingplichtige met de mededeling dat hij vanaf het volgende jaar zich niet gebonden acht door dat eerdere akkoord.

Column Trends – 27/02/2026

Mots clés