Omzetting van de Vijfde antiwitwasrichtlijn: voorontwerp van wet

I.    Inleiding
De omzetting van de vijfde antiwitwasrichtlijn[1] naar Belgisch recht, maakt thans het voorwerp uit van een  voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (WG/FT) en tot beperking van het gebruik van contanten.
Hieronder worden de nieuwe elementen van de vijfde antiwitwasrichtlijn besproken, voor zover dat deze relevant zijn voor de omzetting naar Belgisch recht.

II.    Uitbreiding personeel toepassingsgebied
In navolging van de vijfde Richtlijn wordt het toepassingsgebied van onderworpen entiteiten aan de antiwitwaswetgeving verder uitgebreid. Elk van deze entiteiten zal verplicht worden om de wettelijke bepalingen inzake WG/FT toe te passen. Deze nieuwe entiteiten zijn:

  1. Aanbieders van virtuele valuta en bewaarportefeuilles;
  2. Kunsthandelaars;
  3. Niet – erkende fiscale dienstverleners; en,
  4. Vastgoedmakelaars als tussenpersoon bij de verhuur van onroerend goed.

In wat volgt worden deze nieuwe begrippen nader toegelicht.
1.    Aanbieders van virtuele valuta en bewaarportefeuilles
De Europese wetgever meent dat virtuele valuta terroristische groeperingen in staat kunnen stellen om gelden door te sluizen naar het financiële stelsel van de Unie of overmakingen te verbergen.’[2]

De bezorgdheid van de Europese wetgever volgt uit de (pseudo-)anonimiteit van virtuele valuta, wat misbruik voor criminele doeleinden in de hand zou kunnen werken. De Europese wetgever brengt de aanbieders onder het toepassingsgebied van de antiwitwaswetgeving, hoewel men beseft dat dit het vraagstuk van anonieme transacties in virtuele valuta niet volledig zal oplossen. Gebruikers kunnen immers eveneens transacties verrichten zonder tussenkomst van aanbieders.

Overeenkomstig de door artikel 47, lid 2 , van Richtlijn (EU) 2015/849 vereiste registratie moeten dergelijke aanbieders in België overigens zijn ingeschreven bij de FSMA, die zal moeten controleren of die entiteiten de wet van 18 september 2017 naleven[3].
Virtuele valuta worden gedefinieerd als een digitale weergave van waarde die niet door een centrale bank of een overheid wordt uitgegeven of gegarandeerd, die niet noodzakelijk aan wettelijk vastgestelde valuta is gekoppeld en die niet de juridische status van valuta of geld heeft, maar die door natuurlijke of rechtspersonen als ruilmiddel worden aanvaard en die elektronisch kunnen worden overgedragen, opgeslagen en verhandeld.

Een aanbieder van een bewaarportemonnee wordt gedefinieerd als een entiteit die diensten aanbiedt om namens haar cliënten cryptografische privésleutels te beveiligen om virtuele valuta aan te houden, op te slaan en over te dragen.
2.    Kunsthandelaars
Ten tweede worden toegevoegd de personen die handelen in, of als tussenpersoon optreden bij de handel in kunstwerken, ook wanneer deze handel wordt uitgevoerd door kunstgalerijen en veilinghuizen, indien de waarde van de transactie of een reeks van onderlinge samenhangende transacties 10.000 EUR of meer bedraagt.

Een kunsthandelaar wordt gedefinieerd als de natuurlijke personen of rechtspersonen die kopen, verkopen of optreden als tussenpersoon in de handel van kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud, wanneer de verkoopprijs van één of een geheel van deze werken of goederen gelijk is aan of hoger is dan 10.000 euro[4] en bedoeld is in het koninklijk besluit genomen krachtens het vijfde lid van deze paragraaf. De tussenpersonen omvatten kunstgalerieën, veilinghuizen en organisatoren van beurzen en salons.

Het ontwerpartikel omvat dus 2 categorieën van personen:

  1. Personen die kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud kopen of verkopen; en
  2. Personen die optreden als tussenpersoon bij de aankoop of verkoop van dergelijke goederen, met inbegrip van kunstgalerieën, veilinghuizen en organisatoren van beuren en salons.

Onder ‘oorspronkelijk kunstwerk’ wordt verstaan, een werk van grafische of beeldende kunst, zoals afbeeldingen, collages, schilderingen, tekeningen, gravures, prenten, lithografieën, beeldhouwwerk, tapisserieën, keramische werken, glaswerk en foto’s, voor zover dit werk een schepping is van de kunstenaar zelf, of het gaat om een exemplaar dat als oorspronkelijk kunstwerk wordt aangemerkt.[5]

De Belgische wetgever heeft het toepassingsgebied uitgebreid tot ‘goederen van meer dan vijftig jaar oud’. Het gaat hier bijvoorbeeld om zoölogische, botanische, archeologische voorwerpen, delen van monumenten die niet in hun geheel bewaard zijn gebleven, postzegels, archieven, muziekinstrumenten enzovoort. Men verwijst naar de Verordening betreffende de invoer van cultuurgoederen, dat bepaalt dat ‘de illegale handel in geplunderde cultuurgoederen aangemerkt is als een mogelijke bron van terrorismefinanciering en witwasactiviteiten’.[6] Bijgevolg worden ook antiquairs aan het toepassingsgebied van de antiwitwaswetgeving toegevoegd.

Een handelaar of tussenpersoon is onderworpen aan de regelgeving zodra hij ten minste één of een geheel van kunstwerken of goederen van meer dan vijftig jaar oud te koop aanbiedt, waarvan de waarde EUR 10.000 of meer bedraagt. Het is hierbij irrelevant dat een potentiële koper mogelijks meerdere voorwerpen koopt waarvan de waarde EUR 10.000 of meer bedraagt. Het preventieve luik van de regelgeving vereist namelijk dat de onderworpen entiteiten dienen te voorzien in de door de wet vereiste organisatie en aldus niet elke situatie zomaar kunnen inschatten. Eenmaal een handelaar of tussenpersoon aan de wet onderworpen is, zal hij ten aanzien van iedere cliënt de verplichtingen moeten naleven, waarbij de prijs van de aangekochte goederen irrelevant is. Voor veilinghuizen wordt de grens bepaald door de prijs van de maximumschatting.

Ook natuurlijke personen of rechtspersonen die eigenaar of beheerder zijn van entrepots, met inbegrip van douane-entrepots of in vrijhavens gelegen entrepots, die specifiek een opslagdienst aanbieden voor kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud en uitsluitend voor dergelijke goederen en werken, vallen ten slotte onder het toepassingsgebied.
3.    Niet-erkende fiscale dienstverleners
De zogenaamde economische beroepen (externe accountants en belastingconsulenten, de externe erkende boekhouders-fiscalisten  en de bedrijfsrevisoren) vallen reeds onder het toepassingsgebied van de antiwitwaswetgeving.
Hierbij komt nu ook “iedere persoon die zich ertoe verbindt als voornaamste bedrijfs- of beroepsactiviteit, rechtstreeks of via andere met hem gelieerde personen materiële hulp, bijstand of advies op fiscaal vlak te verlenen”.

Het betreft in feite het creëren van een level-playing field tussen de klassieke economische beroepen enerzijds en anderzijds personen, ondernemingen en organisaties die dezelfde fiscale diensten verlenen aan derden, zonder dat er enige externe controle wordt uitgeoefend en zonder dat die dienstverleners worden onderworpen aan vereisten op het vlak van diploma, het volgen van een stage die wordt afgerond door een praktisch bekwaamheidsexamen, permanente vorming, controle door een tuchtoverheid, onafhankelijkheid, onderwerping aan de antiwitwaswetgeving of het afsluiten van een verzekering beroepsaansprakelijkheid.
Deze wijziging heeft tevens tot gevolg dat de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur aangepast zal worden.[7] Zo zal voortaan bepaald worden dat niemand als zelfstandige advies mag verstrekken, de belastingplichtige mag bijstaan, of de belastingplichtige mag vertegenwoordigen indien hij of zij niet is onderworpen aan de controle op naleving van de antiwitwaswetgeving. Die controle wordt verricht door de ITAA.
4.    Vastgoedmakelaars
Vastgoedmakelaars zijn onderworpen aan de antiwitwaswetgeving.
Nieuw is hier dat zij nu ook onderworpen zijn wanneer zij optreden als tussenpersoon bij de verhuur van onroerend goed waarvoor de maandelijkse huurprijs 10.000 EUR of meer bedraagt.

III. Uitbreiding materieel toepassingsgebied
Het materieel toepassingsgebied van de criminele activiteiten die aanleiding geven tot de meldplicht, is in België vastgelegd in een exhaustieve lijst in de wet.[8]

Hoewel de antiwitwaswetgeving bepaalt dat het niet aan de onderworpen entiteit toekomt om de onderliggende criminele activiteit van het witwassen van geld te identificeren, [9] en het bijvoorbeeld volstaat dat zij een vermoeden van fiscale fraude heeft om over te gaan tot melding  aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI), zonder dat zij vooraf moet vaststellen of het effectief om ernstige fiscale fraude gaat [10], is de rechtsleer het over eens dat de onderworpen entiteit minstens een vermoeden moet hebben dat het om één van de misdrijven van de limitatieve lijst gaat.[11]

Naar aanleiding van de vierde antiwitwasrichtlijn, heeft de Belgische wetgever ‘informaticabedrog’ toegevoegd aan de lijst. Thans wordt er voorgesteld om dit begrip te vervangen door ‘informaticacriminaliteit’, teneinde een breder arsenaal aan criminele activiteiten te bereiken, met name inbreuken op de persoonlijke levenssfeer, spionage, sabotage, hacken, aanzetten tot haat of racisme, pedofilie, fraude, oplichting of zelfs cyberterrorisme.

IV.    Diverse bijkomende verplichtingen
1.    Verlaging limiet naar 150 EUR van niet-herlaadbare betalingsinstrumenten
In bepaalde gevallen en in overeenstemming met de risico gebaseerde benadering mogen de onderworpen entiteiten afwijken van hun plicht tot identificatie en verificatie, of dit op een later tijdstip voldoen.

Financiële instellingen die vaststellen dat het risico laag is, konden onder de huidige anti-witwaswet verzaken aan hun identificatieverplichting wanneer het verstrekte betalingsinstrument niet heropgeladen kon worden, of enkel kon gebruikt worden met een maandlimiet van 250 EUR.

Onder de vijfde Richtlijn wordt deze maandlimiet verlaagd tot 150 EUR. Het maximumbedrag dat op de elektronische drager kan opgeslagen worden, wordt tevens verlaagd tot 150 EUR.

Bovendien wordt de limiet verlaagd van 100 EUR naar 50 EUR indien de uitgever van elektronisch geld de monetaire waarde terugbetaalt, evenals in geval van betalingstransacties op afstand. In het geval dat die terugbetaling de grens van 50 EUR overschrijdt, zal hij hoe dan ook moeten overgaan tot identificatie en verificatie van de cliënt.

Daar prepaid-betaalkaarten vanwege de anonimiteit een populair betaalmiddel zijn bij terroristische activiteiten wilt de wetgever duidelijk deze anonimiteit aan banden leggen.  De verlaging van de limiet betekent concreet dat financiële instellingen cliënten zullen moeten identificeren wanneer zij prepaidkaarten opladen met een bedrag dat hoger is dan 150 EUR. Deze maatregel kan gelinkt worden aan de uitbreiding van het personeel toepassingsgebied voor aanbieders van virtuele valuta en bewaarportefeuilles, waarbij de focus op transparantie centraal staat.
2.    Politiek Prominente Personen (PPP’s)
De lidstaten moeten voortaan een lijst op te stellen van de exacte functies die als prominent publieke functies gekwalificeerd kunnen worden.
Een "politiek prominente persoon" is een cliënt of uiteindelijke begunstigde natuurlijk persoon die een prominente publieke functie bekleedt of bekleed heeft, en met name (open lijst) :

  1. staatshoofden, regeringsleiders, ministers en staatssecretarissen;
  2. parlementsleden of leden van soortgelijke wetgevende organen;
  3. leden van bestuurslichamen van politieke partijen;
  4. leden van hooggerechtshoven, grondwettelijke hoven of van andere hoge rechterlijke instanties, met inbegrip van administratieve rechterlijke instanties, die arresten wijzen waartegen geen beroep openstaat, behalve in uitzonderlijke omstandigheden;
  5. leden van rekenkamers of van raden van bestuur van centrale banken;
  6. ambassadeurs, consuls, zaakgelastigden en hoge officieren van de strijdkrachten;
  7. leden van het leidinggevend, toezichthoudend of bestuurslichaam van overheidsbedrijven;
  8. bestuurders, plaatsvervangend bestuurders en leden van de raad van bestuur of bekleders van een gelijkwaardige functie bij een internationale organisatie;

Ook familieleden en naaste geassocieerden van PPP’s worden overigens geviseerd.
Onder familielid wordt begrepen:

  1. de echtgenoot of een persoon die als gelijkwaardig met de echtgenoot wordt aangemerkt;
  2. de kinderen en de echtgenoten van die kinderen of de personen die als gelijkwaardig met de echtgenoot worden aangemerkt;
  3. de ouders;

Personen bekend als naaste geassocieerden worden gedefinieerd als:

  1. natuurlijke personen die samen met een politiek prominente persoon de uiteindelijke begunstigden zijn van een entiteit of waarvan bekend is dat zij met een politiek prominente persoon andere nauwe zakelijke relaties hebben;
  2. natuurlijke personen die als enige de uiteindelijke begunstigden zijn van een entiteit waarvan bekend is dat deze in feite werd opgericht ten behoeve van een politiek prominente persoon;

PPP’s worden beschouwd als een hoger risico,  daar zij in de uitoefening van hun politieke, administratieve of gerechtelijke taak, vatbaar kunnen zijn voor (o.a.) corruptie. Daarom moeten onderworpen entiteiten maatregelen van verhoogde waakzaamheid nemen wanneer zij zakelijke relaties aangaan met of occasionele verrichtingen doen voor politiek prominente personen of entiteiten waarvan de UBO een PPP is.[12] Indien een persoon niet langer kwalificeert als PPP, dient men gedurende een periode van 12 maanden rekening te houden met het aanhoudende risico van deze voormalige status als PPP.

In de praktijk bestaat de moeilijkheid er in dat er geen publieke nationale of internationale lijsten bestaan met PPP’s. De hiervoor gehanteerde lijsten zijn het resultaat van lijsten die door diverse dienstverleners tegen betaling ter beschikking worden gesteld[13]. Ingevolge de vijfde Richtlijn zal voortaan uitdrukkelijk worden voorzien in een lijst die bovendien enkel de functies van die personen zal bevatten, zodat er rekening wordt gehouden met de bescherming van de persoonsgegevens.
3.    Harmonisering versterkte waakzaamheidverplichting bij landen met een hoog risico
De vijfde Richtlijn voert een harmonisering door van de versterkte waakzaamheidsverplichtingen voor wat betreft de zakelijke relaties met landen die door de Europese Commissie als een hoog risico gekwalificeerd worden. De op risico gebaseerde benadering van de huidige regelgeving bepaalt dat onderworpen entiteiten maatregelen dienen te nemen op basis van het vastgestelde risico op witwassen of financiering van terrorisme. Is er sprake van een hoog risico, dan dienen zij hun waakzaamheidmaatregelen te verscherpen.

Relaties met natuurlijke personen of juridische entiteiten die gevestigd zijn in derde landen met een hoog risico worden automatisch beschouwd als een hoog risico waarbij de onderworpen entiteiten verscherpte waakzaamheidsmaatregelen dienen op te leggen.[14] Dit zijn landen waarbij een hoog geografisch risico is aangemerkt door de Financiële Actiegroep (FAG), de Europese Commissie, de Nationale Veiligheidsraad of het Ministerieel Comité.

De Europese Commissie kreeg de bevoegdheid om derde landen te identificeren die in hun nationale wetgeving ernstige tekortkomingen vertonen inzake regelgeving ter voorkoming van witwassen van geld en financiering van terrorisme.[15] Ten aanzien van cliënten in deze landen dienen onderworpen entiteiten een verscherpte waakzaamheid aan de dag te leggen.

Tot op heden bepaalde elke lidstaat zelf op nationaal niveau het soort verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van derde landen met een hoog risico. Deze benadering creëert verschillende behandelingen ten aanzien van cliënten uit landen met een hoog risico, wat volgens de Europese wetgever vermeden moet worden.[16]

Voortaan zijn ook verschillende soorten aanvullende waakzaamheidsmaatregelen opgesomd in de vijfde Richtlijn. Met het oog op harmonisatie geeft de Richtlijn nu ook een opsomming van de mogelijke tegenmaatregelen tegen dergelijke landen met een hoog risico, zoals de vestiging weigeren van dochterondernemingen, bijkantoren of vertegenwoordigingskantoren.

De Belgische wetgeving bepaalt ter zake dat de meldplicht uitgebreid kan worden tot geldmiddelen, verrichtingen en feiten waarin natuurlijke of rechtspersonen zijn betrokken die gedomicilieerd, geregistreerd of gevestigd zijn in een land met een hoog risico.[17]
Als gevolg van de implementatie van de vijfde Richtlijn[18] vermeldt het voorontwerp  de hierna volgende maatregelen van verhoogde waakzaamheid  die de onderworpen entiteiten moeten nemen ten aanzien van de zakelijke relaties of de occasionele verrichtingen waarbij personen of constructies in derde landen met een hoog risico betrokken zijn:

  1. aanvullende informatie inwinnen over de cliënt en de uiteindelijk begunstigde(n);
  2. aanvullende informatie inwinnen over de beoogde aard van de zakelijke relatie;
  3. informatie inwinnen over de bron van de geldmiddelen en de bron van het vermogen van de cliënt en de uiteindelijk begunstigde(n);
  4. informatie inwinnen over de redenen voor de beoogde of verrichte verrichtingen;
  5. goedkeuring van het hoger leidinggevend personeel verkrijgen voor het aangaan of voortzetten van de zakelijke relatie;
  6. verscherpte monitoring verrichten van de zakelijke relatie door het aantal en de frequentie van de controles te verhogen en door transactiepatronen te selecteren die nader onderzocht moeten worden; en,
  7. er, in voorkomend geval, voor zorgen dat de eerste betaling wordt verricht via een rekening op naam van de cliënt bij een kredietinstelling waarvoor waakzaamheidsnormen ten aanzien van de cliënten gelden die niet minder streng zijn dan de in deze wet vastgestelde normen.

Bovendien bepaalt het voorontwerp dat de Koning, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen op advies van de toezichthouders van de betrokken onderworpen entiteiten:

1°        van de onderworpen entiteiten kan eisen dat zij op personen en juridische entiteiten die transacties uitvoeren die verband houden met derde landen met een hoog risico, een of meer aanvullende waakzaamheidsmaatregelen toepassen. Het kan daarbij de om de volgende maatregelen gaan:

  1. de invoering van verscherpte relevante meldingsmechanismen of het systematisch melden van financiële transacties; en/of
  2. de beperking van zakelijke relaties of transacties met natuurlijke personen of juridische entiteiten uit derde landen met een hoog risico.

2°        een of meer van de volgende maatregelen kan toepassen ten aanzien van derde landen met een hoog risico:
  1. de vestiging weigeren van dochterondernemingen, bijkantoren of vertegenwoordigingskantoren van onderworpen entiteiten uit het betrokken land, of anderszins rekening houden met het feit dat de betrokken onderworpen entiteit afkomstig is uit een land dat niet over adequate instrumentaria ter bestrijding van WG/FT beschikt;
  2. onderworpen entiteiten verbieden om bijkantoren of vertegenwoordigingskantoren in het betrokken land te vestigen, of anderszins rekening houden met het feit dat het betrokken bijkantoor of het betrokken vertegenwoordigingskantoor zich in een land zou bevinden dat niet over adequate instrumentaria ter bestrijding van WG/FT beschikt;
  3. verscherpte vereisten inzake prudentieel toezicht of inzake externe audit voorschrijven voor in het betrokken land gevestigde dochterondernemingen en bijkantoren van onderworpen entiteiten;
  4. hogere eisen inzake externe audit voorschrijven voor financiële groepen ten aanzien van hun dochterondernemingen of hun bijkantoren in het betrokken land;
  5. de in artikel 5, § 1, 4° tot 7°, 9° tot 14° en 16° tot 22° bedoelde onderworpen entiteiten verplichten de correspondentenrelaties met respondentinstellingen in het betrokken land te herzien en te wijzigen of, indien nodig, te beëindigen.


4.    Versterkte regels inzake informatie-uitwisseling en toegang tot informatie
a)    Versterkte mogelijkheid voor de CFI om alle informatie die zij nodig hebben te verkrijgen
Om de strijd tegen terrorismefinanciering verder aan te gaan doelt de vijfde Richtlijn erop de bevoegdheden van de financiële instellingen te versterken en de samenwerking tussen de financiële inlichtingen eenheden (FIE’s) te vergemakkelijken. De focus dient gelegd te worden op de internationale samenwerking tussen de verschillende FIE’s en de samenwerking tussen de onderworpen entiteiten en de FIE. Daarbij is het van belang dat informatie van onderworpen entiteiten rechtstreeks doorstroomt naar de FIE en dat FIE’s informatie kunnen verkrijgen zonder dat een onderworpen entiteit melding heeft gedaan van een verdachte verrichting. Hierbij dient benadrukt te worden dat de informatieverzoeken gebaseerd moeten zijn op nauwkeurige elementen.

Een FIE moet aldus in staat zijn informatie te verstrekken na een verzoek van een andere FIE, en deze informatie te delen met de verzoekende FIE. In België werden deze bevoegdheden van de CFI reeds verwerkt in de bestaande antiwitwaswetgeving.[19]

b)    Toegang voor de bevoegde autoriteiten en de CFI tot de gegevens verzameld in het kadaster
De vijfde Richtlijn zet de lidstaten aan de FIE’s en de bevoegde autoriteiten toegang te verlenen tot de informatie die het mogelijk maakt de natuurlijke of rechtspersonen die eigenaar zijn van een onroerend goed efficiënt te identificeren.[20] In België beschikt de CFI eveneens reeds over toegang tot de kadastrale gegevens, verzameld door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën (AAPD), maar voortaan zal dit prerogatief ook wettelijk verankerd zijn. De beoogde kadastrale documentatie bestaat uit het geheel van documenten, stukken, plannen, databanken en informatie waarover de AAPD beschikt.

5.    Eigenaars van kluizen
Met het oog op een transparant en efficiënt cliëntonderzoek was in de vierde Richtlijn reeds opgenomen dat kredietinstellingen en financiële instellingen geen anonieme rekeningen of anonieme spaarboekjes mogen bijhouden.[21] Dit verbod wordt door de vijfde Richtlijn uitgebreid tot kluizen.[22] Ook hier staat het voorkomen van anonimiteit bij financiële verrichtingen centraal.

6.    Poststortingen[23]
De huidige Belgische regelgeving voorziet in een totaalverbod op verrichtingen in cash geld boven de EUR 3000.[24] Aan dit artikel zal expliciet toegevoegd worden dat ook poststortingen onder deze beperking vallen. Het misbruik van dit systeem bestaat erin dat hoge geldsommen in speciën op diverse rekeningen gestort kunnen worden. Daarom wordt de dienst voortaan enkel nog aangeboden aan consumenten en meer bepaald tot een maximumbedrag van EUR 3000.

V.    Conclusie
De lidstaten kregen tot 10 januari 2020 de tijd om de vijfde antiwitwasrichtlijn om te zetten in hun nationaal recht.  In dat opzicht is België te laat met de omzetting.  De impact van de vijfde Richtlijn lijkt evenwel een kleinere invloed te zullen hebben dan de voorganger, temeer dat België naar aanleiding van de vierde Richtlijn heeft geanticipeerd op een aantal zaken.
Ten slotte is het afwachten tot de implementatie van de Richtlijn inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld.[25] Hierin wordt onder meer een definitie van het overkoepelend begrip ‘criminele activiteit’ voorzien om de coherentie in de strafbaarstelling tussen de lidstaten te bevorderen. Uiterlijk 3 december 2020 moet de zesde Richtlijn door de lidstaten geïmplementeerd zijn in de nationale wetgeving.  Op het eerste zicht zal de impact van de zesde Richtlijn voor België eveneens beperkt blijven, aangezien de vigerende wetgeving hier reeds grotendeels rekening mee houdt.

Voetnoten
[1] Richtlijn (EU) 2018/843 van 30 mei 2018 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU, Pb.L. 19 juni 2018 (hierna: 5e Richtlijn).
[2] Overw. 8 5e Richtlijn.
[3] Het voorontwerp voert in artikel 5 van de wet van 18 september 2017 een machtiging in aan de Koning in, op grond waarvan Hij, bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de FSMA, de voorwaarden voor de inschrijving van die aanbieders, de voorwaarden voor de uitoefening van hun activiteiten alsook het toezicht waaraan zij zijn onderworpen, nauwkeuriger kan definiëren.
[4] Wanneer de tussenpersoon een veilinghuis is, is de in het eerste lid bedoelde verkoopprijs de maximumschatting door het veilinghuis.
[5] Art. XI.175 WER.
[6] Overw. 11 Verordening (EU) 2019/880 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende het binnenbrengen en de invoer van cultuurgoederen, Pb.L. 7 juni 2019, afl.151.
[7] Wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur, BS 27 maart 2019.
[8] Art. 4, 23° AWW.
[9] Art. 47, §1 AWW.
[10] MvT bij het wetsontwerp tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, Parl. St. Kamer 2016-17, nr. 54-2566/001, 159.
[11] F. DERUYCK en D. VERRECKT, “Melden graag! Maar opgepast… Over de bescherming van financiële instellingen bij het uitvoeren van de meldplicht op basis van de wet van 18 september 2017, BFR 2018, afl. 1, (8) 12.
[12] Art. 41 AWW.
[13] bijvoorbeeld Worldcheck en Dow Jones
[14] Art. 38 AWW.
[15] Art. 9 4e Richtlijn.
[16] Overw. 12 5e Richtlijn.
[17] Art. 54 AWW.
[18] Art. 18bis 5e Richtlijn.
[19] Art. 81 AWW.
[20] Art. 32ter 5e Richtlijn.
[21] Art. 10, lid 1 4e Richtlijn.
[22] Art. 1, lid 6 5e Richtlijn.
[23] Een poststorting is een financiële postdienst waarbij opdracht wordt gegeven om een geldsom te crediteren op een postrekening-courant of op een bankrekening bij een begunstigde financiële instelling gevestigd in België
[24] Art. 67 AWW.
[25] Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld, Pb.L. 12 november 2018, afl. 284.

Bron: Tuerlinckx Advocaten

      Tags

      • Antiwitwasrichtlijn
      • Antiwitwassen van geld
      • Financiering van terrorisme