• FR
  • NL
  • EN

Sepot strafzaak blijkt nekslag voor fiscus

Een recent arrest van het hof van beroep te Brussel werpt een kritisch licht op de toepassing van bijzondere aanslagtermijnen door de fiscale administratie, specifiek in situaties volgend op een zonder gevolg geklasseerd strafrechtelijk opsporingsonderzoek.

Het arrest onderstreept de fundamentele vereiste van wettelijke zekerheid voor de belastingplichtige en bevestigt dat de fiscus niet ongelimiteerd in de tijd kan terugkeren, zelfs wanneer initieel een vermoeden van ontdoken inkomsten bestond.

De zaak draaide om de vraag of de administratie terecht gebruikmaakte van de bijzondere aanslagtermijn voorzien in artikel 358, § 1, 3° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992). Deze bepaling laat de fiscus toe om, zelfs na het verstrijken van de reguliere termijnen, alsnog aanslagen te vestigen indien een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één van de vijf jaren vóór het jaar waarin die vordering werd ingesteld. De aanvullende aanslag moet dan binnen twaalf maanden worden gevestigd, te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing over die rechtsvordering geen verhaal meer mogelijk is.

Het cruciale geschilpunt was de aanvang van deze termijn van twaalf maanden. De belastingadministratie stelde dat de seponering van het strafonderzoek als startpunt gold. Het hof van beroep volgde deze redenering echter niet. Het verwees daarbij naar een arrest van het Hof van Cassatie van 23 februari 2018, dat oordeelde dat een seponering door het openbaar ministerie geen "beslissing over de strafvordering" is zoals bedoeld in artikel 358, § 2, 2° WIB 1992. Bijgevolg kon de datum van seponering niet dienen als startpunt voor de bijzondere aanslagtermijn van twaalf maanden.

Van doorslaggevend belang was een arrest van het Grondwettelijk Hof van 10 november 2022. In dit arrest oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de betreffende wetsbepalingen, in de interpretatie dat bij een seponering van de strafvordering géén termijn aanvangt waarbinnen de belasting moet worden gevestigd, leiden tot een ongrondwettige situatie. Het laat de belastingplichtige immers voor onbepaalde tijd in het ongewisse over zijn fiscale toestand, wat strijdig is met de Grondwet.

Het hof van beroep te Brussel paste deze rechtspraak toe en stelde vast dat, aangezien de seponering geen geldig aanvangspunt vormde voor de bijzondere aanslagtermijn, deze termijn in casu niet kon worden toegepast wegens strijdigheid met de Grondwet. Het Hof merkte bovendien op dat de administratie al eerder inzage had gekregen in het strafdossier en voor bepaalde van de betwiste aanslagjaren nog gebruik had kunnen maken van de gewone aanslagtermijn van drie jaar. Bijgevolg werden de litigieuze aanslagen vernietigd wegens verjaring.

Deze uitspraak benadrukt de strikte interpretatie die hoven en rechtbanken hanteren bij de toepassing van de speciale aanslagtermijnen van artikel 358 WIB 1992. Het bevestigt dat de fiscale administratie gehouden is aan duidelijke wettelijke kaders en dat de rechtszekerheid van de belastingplichtige primeert, zeker wanneer bijzondere aanslagtermijnen worden ingeroepen waarvan het aanvangspunt onduidelijk of ongrondwettig is.



Mots clés

Articles recommandés

Fiscaliteit
De expert aan het woord
F.F.F.

Meerwaardebelasting #2 - Welke handelingen worden belastbaar gesteld onder de nieuwe meerwaardebelasting?

Gepubliceerd op 10 May 2026 bij 04:00
Lezen 7min
Accountancy
Actualiteit
F.F.F.

De Deense revolutie: hoe een E-factureringspionier de spelregels verandert ?

Gepubliceerd op 29 Apr 2026 bij 04:00
Lezen 4min