Vertrekpunt van de hertaxatietermijn na een nietige aanslag: the taxman always rings twice

Het Hof van Cassatie brengt in een recent arrest van 17 mei 2021 de wettelijke principes over het vertrekpunt van de hertaxatietermijn na een nietige aanslag in herinnering. Over dit vertrekpunt bestaat er in de rechtspraak niet altijd eensgezindheid. De rechtspraak van het Hof brengt soelaas.

Een aanslag die niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, is zonder meer nietig. Conform de fiscale wetgeving kan de fiscus in voorkomend geval, zélfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds is verlopen, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen de drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de Adviseur-Generaal van de fiscale administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht.


Met deze wettelijke bepaling bood de wetgever de fiscus een kans op een beter resultaat in tweede zittijd. De wet voorziet evenwel uitdrukkelijk dat deze nieuwe aanslag -ter vervanging van de vernietigde aanslag- slechts mag worden gevestigd vanaf de datum waarop de administratieve beslissing tot vernietiging van de initiële aanslag niet meer vatbaar is voor een voorziening in rechte. De termijn begint met andere woorden niet te lopen vanaf de dag van de directoriale beslissing over de vernietiging van de aanslag, maar wél vanaf de dag van het verstrijken van de termijn om tegen deze beslissing een gerechtelijke procedure op te starten.


Over het vertrekpunt van deze hertaxatietermijn bestaat in de praktijk reeds geruime tijd betwisting, meer specifiek over de bewoordingen “niet meer voor de rechter kan worden gebracht”. Bepaalde rechtspraak wees er in het verleden op dat het verstrijken van de beroepstermijn niet de enige piste was waardoor een vordering in rechte niet meer aanhangig kon worden gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg. Volgens deze rechtspraak moet er eveneens rekening worden gehouden met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek waarin wordt gestipuleerd dat “een vordering niet kan worden ingesteld indien de eiser niet de hoedanigheid noch het vereiste belang hiertoe heeft, waarbij dit belang reeds verkregen en dadelijk moet zijn”. Hieruit zou volgen dat de termijn om de nieuwe aanslag te vestigen aanvangt met de kennisgeving van de directoriale beslissing indien deze niet meer voor de rechter kan worden gebracht bij gebreke van het vereiste belang. In een uitzonderlijk geval oordeelde de rechtbank van Namen dat dit steeds het geval is wanneer de directoriale beslissing de initiële aanslag geheel vernietigt. De belastingplichtige heeft volgens de rechtbank geen belang bij de instelling van een vordering in rechte, daar de aanslag gewoonweg niet meer bestaat en die beslissing aldus in het voordeel van de belastingplichtige is.


Met het arrest van 17 mei 2021 lijkt het Hof van Cassatie deze discussie definitief te beslechten, waarbij uitsluitend de inachtneming van het verstrijken van de beroepstermijn als pertinent criterium naar voren wordt geschoven. De zaak werd doorverwezen naar het hof van beroep te Bergen en zal aldaar door de feitenrechter worden beslecht.

Ben Van Vlierden - Partner (ben.vanvlierden@tiberghien.com)

Olja Rudic - Associate (olja.rudic@tiberghien.com)


Bron : Tiberghien, juli 2021


Mots clés