Circulaire 2021/C/39 betreffende de wijzigingen aangebracht aan het Btw-Wetboek door de wet van 02.04.2021 houdende tijdelijke ondersteunings-maatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde publiceerde op 03/05/2021 de circulaire 2021/C/39.

Deze commentaar handelt over de wijzigingen op het vlak van belasting over de toegevoegde waarde aangebracht door de wet van 02.04.2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (BS 13.04.2021) alsook over de wijzigingen aangebracht door het koninklijk besluit van 29.03.2021 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 4, 24 en 41 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en houdende ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (BS 31.03.2021) aan het koninklijk besluit nr. 1 op het vlak van de afschaffing van de betaling van voorschotten.



Inhoudstafel

1. Inleiding

2. Verlenging van de tijdelijke tariefverlaging voor mondmaskers en hydroalcoholische gels

3. Opheffing van artikel 53octies, § 1, derde en vierde lid, van het Btw-Wetboek en afschaffing van het decembervoorschot

3.1. Opheffing van artikel 53octies, § 1, derde en vierde lid, van het Btw-Wetboek

3.2. Afschaffing van het decembervoorschot

4. Tijdelijke verlaging van de nalatigheidsinteresten en moratoriuminteresten

4.1. Verlaging van de interesten vastgesteld in het Btw-Wetboek

4.2. Verlaging van de interesten vastgesteld in het Btw-Wetboek (oud) zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 26.11.2018

4.3. Verlaging van de interesten zoals vastgelegd in de wet van 05.05.1865 betreffende de lening tegen interest

5. Inwerkingtreding


1. Inleiding

De wet van 02.04.2021, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13.04.2021 houdt volgende wijzigingen in op het vlak van belasting over de toegevoegde waarde (zie titel 2 'Diverse dringende fiscale bepalingen'):

- een verlenging van de maatregel van de wet van 20.12.2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie tot verlaging van het tarief van 6 % voor mondmaskers en hydroalcoholische gels (artikel 2)

- de opheffing van artikel 53octies, § 1, derde en vierde lid, van het Btw-Wetboek en de afschaffing van het btw-voorschot dat moet worden betaald in december ('decembervoorschot') (artikel 16)

- een tijdelijke verlaging van de verschuldigde nalatigheidsinteresten en moratoriuminteresten (artikel 19, 20 en 21).

Het koninklijk besluit van 29.03.2021 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 4, 24 en 41 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en houdende ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (BS 31.03.2021) wijzigt het koninklijk besluit nr. 1 wat de opheffing van de betaling van voorschotten betreft. Deze wijzigingen worden besproken onder punt 3 'Opheffing van artikel 53octies, § 1, derde en vierde lid, van het Btw-Wetboek en afschaffing van het decembervoorschot' (zie punt 3.2 'Afschaffing van het decembervoorschot').


2. Verlenging van de tijdelijke tariefverlaging voor mondmaskers en hydroalcoholische gels

Artikel 2 van de wet van 02.04.2021, voornoemd, verlengt de tijdelijke bepalingen van artikel 1ter van het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 inzake btw-tarieven met drie maanden.

Het verlaagd btw-tarief van 6 % is bijgevolg van toepassing op de leveringen, intracommunautaire verwervingen of invoeren van mondmaskers en hydroalcoholische gels in België waarvoor de belasting opeisbaar wordt vanaf 01.01.2021 tot en met 30.06.2021.

In geval van invoer van mondmaskers en hydroalcoholische gels in het kader van de tijdelijke maatregel zoals bedoeld in de circulaire nr. 2020/C/54 van 17.04.2020, wordt opgemerkt dat de volledige vrijstelling van de btw primeert. De invoer van voormelde goederen is onder de in die circulaire gestelde voorwaarden tot en met 31.12.2021 vrijgesteld van invoerrechten en btw bij invoer.

Voor het overige blijven de bepalingen opgenomen in de circulaire 2021/C/6 betreffende de verlenging van het tijdelijk verlaagde btw-tarief voor mondmaskers en voor hydroalcoholische gels in het kader van de bestrijding van het Coronavirus COVID-19 van 18.01.2021 onverminderd van toepassing.


3. Opheffing van artikel 53octies, § 1, derde en vierde lid, van het Btw-Wetboek en afschaffing van het decembervoorschot
3.1. Opheffing van artikel 53octies, § 1, derde en vierde lid, van het Btw-Wetboek

Artikel 53octies, § 1, derde en vierde lid, van het Btw-Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28.12.1992 en vervangen bij de wet van 17.12.2012, worden opgeheven (artikel 16 van de wet van 02.04.2021, voornoemd).

Artikel 53octies, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek luidde als volgt:

'Hij (de Koning) kan eveneens toelaten dat de belasting wordt voldaan door middel van maandelijkse voorschotten in de door Hem te bepalen gevallen en onder de door Hem te stellen voorwaarden.'.

Artikel 53octies, § 1, vierde lid, van het Btw-Wetboek luidde als volgt:

'Hij (de Koning) kan ook bepalen dat de belasting verschuldigd voor de handelingen verricht tijdens het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar moet worden voldaan voor het verstrijken van dat jaar. Hij regelt de toepassingsmodaliteiten van die bepaling.'.

Om de afschaffing van zowel de maandvoorschotten als de decembervoorschotten juridisch te verankeren, heeft de wetgever er bijgevolg voor geopteerd om de wettelijke bepaling die deze bevoegdheid aan de koning delegeert, op te heffen.

Reeds bij het koninklijk besluit van 16.02.2017 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1 en 24 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de betaling van voorschotten door een belastingplichtige die kwartaalaangiften indient (BS 23.02.2017), werden de maandelijkse voorschotten voor de btw-kwartaalaangevers afgeschaft.

De btw-belastingplichtigen die kwartaalaangiften indienden, waren gehouden om via maandelijkse voorschotten reeds een deel van de verschuldigde btw te voldoen. De voorschotten moesten worden voldaan op de 20ste van de maand na respectievelijk de eerste en de tweede maand van het betrokken kwartaal en stemden overeen met 1/3 van de werkelijk verschuldigde btw, zoals die bleek uit de btw-aangifte van het vorige kwartaal. De werkelijk verschuldigde btw volgde uit de trimestriële btw-aangifte. De nog te betalen btw op het einde van elk kwartaal bedroeg de werkelijk verschuldigde btw zoals die bleek uit de aangifte, verminderd met de betaalde voorschotten.

Daarnaast moesten de btw-belastingplichtigen, ongeacht of ze een maandaangifte dan wel een kwartaalaangifte indienden, voor 24 december een voorschot betalen op de effectief verschuldigde btw van respectievelijk de maand december of het vierde kwartaal. Voor btw-belastingplichtigen die trimestrieel hun aangifte indienden, bedroeg het decembervoorschot ofwel de werkelijk verschuldigde btw op de verrichtingen over de periode vanaf 1 oktober tot 20 december, ofwel de werkelijk verschuldigde btw over het derde kwartaal. Voor btw-belastingplichtigen die maandelijks hun aangiften indienden, bedroeg het decembervoorschot ofwel de werkelijk verschuldigde btw op de verrichtingen over de periode van 1 tot 20 december, ofwel de werkelijk verschuldigde btw over de maand november.

Als tijdelijke maatregel werd, bij de artikelen 27 en 28 van de wet van 15.07.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) (BS 23.07.2020), het decembervoorschot met betrekking tot de handelingen van de maand december 2020 (maandaangevers) en met betrekking tot de handelingen van het vierde kwartaal 2020 (kwartaalaangevers) voor alle btw-belastingplichtigen afgeschaft. Deze tijdelijke maatregel is toegelicht middels de circulaire 2020/C/133 van 26.10.2020.


3.2. Afschaffing van het decembervoorschot

Het koninklijk besluit van 29.03.2021 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 4, 24 en 41 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en houdende ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (BS 31.03.2021) wijzigt het koninklijk besluit nr. 1 naar aanleiding van de opheffing van de betaling van voorschotten. Bij dat koninklijk besluit worden de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 inzake de decembervoorschotten door kwartaalaangevers (art. 19, § 1) en door maandaangevers (art. 19, § 2) opgeheven.

In het btw-aangifteformulier werd het vak 91 gecreëerd met het oog op het aangeven van de handelingen verricht in ofwel de periode 1 oktober - 20 december (kwartaalaangevers) ofwel de periode 1 december - 20 december (maandaangevers). Belastingplichtigen die opteerden voor het voldoen van de werkelijk verschuldigde btw van de voorgaande aangifteperiode (3de kwartaal of november) vermeldden niets in dit vak. Aangezien dit vak 91 zijn nut verliest, gezien de bovenvermelde wettelijke opheffing, wordt het aangifteformulier inzake btw (bijlage 1, koninklijk besluit nr. 1) aangepast, en bijgevolg ook de omschrijving van de roosters (bijlage II, koninklijk besluit nr. 1).

Door de afschaffing van de verplichting om voorschotten te betalen, verliezen uiteraard de bepalingen inzake de wijze waarop deze betaald moet worden, alsook de verschuldigdheid van een boete gelijk aan de nalatigheidsinterest wegens niet-betaling van de maand- en/of decembervoorschotten hun werking en worden eveneens opgeheven.


4. Tijdelijke verlaging van de nalatigheidsinteresten en moratoriuminteresten

De wet van 02.04.2021, voornoemd, verlaagt tijdelijk de rentevoet zoals vastgelegd:

- in artikel 91, §§ 1, 2 en 3 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

- in artikel 91, §§ 1, 2 en 3 (oud) het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 26.11.2018.tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de automatisering van de uitvoerbare titel inzake de belasting over de toegevoegde waarde betreft (BS 04.12.2018)

- in de wet van 05.05.1865 betreffende de lening tegen interest.

Het gaat om eenmalige ondersteuningsmaatregelen bedoeld om de ondernemingen en de particulieren te ondersteunen, in het kader van de strijd tegen de nadelige economische gevolgen van de Covid-19-crisis, door het gewicht van de nalatigheidsinteresten verschuldigd voor de maanden april, mei en juni 2021 te verlichten.

De rentevoet van de nalatigheidsinteresten wordt afgestemd op deze verschuldigd in het kader van de inkomstenbelastingen (cfr. artikel 414 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992). Deze rentevoet bedraagt momenteel 4 % Daarnaast wordt de rentevoet van de moratoriuminteresten verschuldigd in hoofde van de staat teruggebracht tot 2 %, zoals eveneens het geval is op het vlak van inkomstenbelastingen.


4.1. Verlaging van de interesten vastgesteld in het Btw-Wetboek

Artikel 20 van de wet van 02.04.2021, voornoemd, bepaalt:

'In afwijking van artikel 91, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni 2021 vastgesteld op 4 pct. per jaar.

In afwijking van artikel 91, § 3, van hetzelfde Wetboek, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni 2021 vastgesteld op 2 pct. per jaar.

In afwijking van artikel 91, § 2bis, van hetzelfde Wetboek, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni 2021 vastgesteld op 8 pct. per jaar.

Wanneer de in te vorderen bedragen bedoeld in artikel 91, §§ 1 en 2, van hetzelfde Wetboek, opgenomen zijn in een innings- en invorderingsregister, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni 2021 vastgesteld op 8 pct. per jaar, te rekenen vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister

Wanneer de in te vorderen bedragen bedoeld in artikel 91 van hetzelfde Wetboek, het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke beslissing, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni vastgesteld op 8 pct. per jaar, te rekenen vanaf het moment waarop deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.'.

Artikel 91 verwijst in zijn paragrafen 1, 2 en 3 niet naar de wettelijke rentevoet in fiscale zaken, maar stelt de toepasselijke rentevoet uitdrukkelijk vast op 0,8 % per maand.

Met de ingevoerde afwijking wordt die rentevoet naar 4 % per jaar gebracht voor de interesten verschuldigd in hoofde van de belastingschuldigen (nalatigheidsinteresten) en naar 2 % voor de interesten verschuldigd in hoofde van de staat (moratoriuminteresten) voor de periode van 01.04.2021 tot en met 30.06.2021.

Wanneer de in te vorderen bedragen opgenomen zijn in een innings- en invorderingsregister en deze dus meerdere maanden in behandeling blijven wordt de rentevoet verdubbeld en dus naar 8 % gebracht. Deze rentevoet bedraagt eveneens 8 % wanneer de in te vorderen bedragen het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan.


4.2. Verlaging van de interesten vastgesteld in het Btw-Wetboek (oud) zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 26.11.2018

Artikel 21 van de wet van 02.04.2021, voornoemd, bepaalt:

'In afwijking van artikel 91, §§ 1 en 2, van hetzelfde Wetboek, zoals het gold alvorens te zijn gewijzigd door de wet van 26 november 2018, en zoals het toepasbaar blijft voor het geval bedoeld in artikel 19 van deze wet, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni 2021 vastgesteld op 4 pct. per jaar

In afwijking van artikel 91, § 3, van hetzelfde Wetboek, zoals het gold alvorens te zijn gewijzigd door de wet van 26 november 2018, en zoals het toepasbaar blijft voor het geval bedoeld in artikel 19 van deze wet, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni 2021 vastgesteld op 2 pct. per jaar.

In afwijking van artikel 91, § 4, van hetzelfde Wetboek, zoals het gold alvorens te zijn gewijzigd door de wet van 26 november 2018, en zoals het toepasbaar blijft voor het geval bedoeld in artikel 19 van deze wet, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni 2021 op de in te vorderen bedragen vastgesteld op 8 pct..

Wanneer de in te vorderen bedragen bedoeld in artikel 91, §§ 1 en 2, van hetzelfde Wetboek, opgenomen zijn in een dwangbevel dat werd betekend of ter kennis gebracht, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni 2021 vastgesteld op 8 pct. per jaar

Wanneer de in te vorderen bedragen bedoeld in artikel 91 van hetzelfde Wetboek, het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke beslissing, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni vastgesteld op 8 pct. per jaar, te rekenen vanaf het moment waarop deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.'.

Op grond van artikel 19 van de wet van 26.11.2018 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de automatisering van de uitvoerbare titel inzake de belasting over de toegevoegde waarde betreft (BS 04.12.2018) is de desbetreffende wet niet van toepassing op het dwangbevel dat is ter kennis gebracht of betekend voor de datum van inwerkingtreding van de wet. Deze wet is in werking getreden op 01.04.2019.

Voor de btw-schulden opgenomen in een dwangbevel voorafgaand aan 01.04.2019 blijft artikel 91 zoals dit bestond vóór de wet van 26.11.2018, voornoemd, aldus van toepassing. Teneinde dezelfde rentevoeten te garanderen voor de periode van 01.04.2021 tot en met 30.06.2021, met betrekking tot de in te vorderen dan wel terug te betalen bedragen in toepassing van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, was het eveneens aangewezen afwijkingen aan te brengen in artikel 91 (oud) van het Btw-Wetboek.

Artikel 21 van de wet van 02.04.2021, voornoemd, voert dezelfde afwijkingen in als deze ingevoerd in artikel 18 met betrekking tot artikel 91 (oud) van het Btw-Wetboek zoals van toepassing vóór de wet van 26.11.2018, eveneens voornoemd.


4.3. Verlaging van de interesten zoals vastgelegd in de wet van 05.05.1865 betreffende de lening tegen interest

Artikel 19 van de wet van 02.04.2021, voornoemd, bepaalt:

'In afwijking van artikel 2, § 2, eerste lid, van de wet van 05.05.1865 betreffende de lening tegen intrest, wordt voor de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen waarvan de inning en de invordering verzekerd worden door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën, en zelfs als de fiscale bepalingen verwijzen naar de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken, en voor zover er niet expliciet wordt vanaf geweken in fiscale bepalingen:

- de wettelijke rentevoet in fiscale zaken voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni 2021 op de in te vorderen bedragen vastgesteld op 4 pct. per jaar;

- de wettelijke rentevoet in fiscale zaken voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden april, mei en juni 2021 op de terug te betalen bedragen vastgesteld op 2 pct. per jaar.'.

De rentevoet in fiscale zaken bedraagt momenteel 7 % per kalenderjaar en geldt zowel voor nalatigheidsinteresten verschuldigd in hoofde van belastingschuldigen als voor moratoriuminteresten verschuldigd in hoofde van de staat.

Artikel 19 van de wet van 02.04.2021, voornoemd, voert een afwijking op de toepasselijke rentevoet in fiscale zaken in voor de door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering geïnde en ingevorderde schulden. De afwijking is tijdelijk en is van toepassing voor de interesten verschuldigd tussen 01.04.2021 en 30.06.2021.

De afwijking geldt zowel voor de nalatigheidsinteresten verschuldigd in hoofde van belastingschuldigen als voor de moratoriuminteresten verschuldigd in hoofde van de staat. De rentevoet van de nalatigheidsinteresten (verschuldigd door de belastingschuldigen) wordt vastgesteld op 4 %, zoals met betrekking tot de inkomstenbelastingen, en de rentevoet van de moratoriuminteresten (verschuldigd door de staat) wordt vastgesteld op 2 %.

Deze bepaling is eveneens van toepassing telkens wanneer de wetteksten verwijzen naar de wettelijke rentevoet van toepassing in fiscale zaken, tenzij deze reeds in een uitdrukkelijke afwijking voorziet, in welk geval het de specifieke rentevoet zoals opgenomen in de tekst is die van toepassing is. De bepaling is zelfs van toepassing indien de fiscale bepalingen verwijzen naar de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken.

De hiervoor bedoelde afwijking is bijgevolg van toepassing op de moratoriuminteresten bedoeld in artikel 91, § 4, van het Btw-Wetboek. Deze interesten zijn immers verschuldigd over terug te geven sommen die niet zijn bedoeld in § 3 van datzelfde artikel, tegen een wettelijke rentevoet vastgesteld in fiscale zaken en volgens de regels geldend in burgerlijke zaken. De rentevoet voor de door de staat vanaf 01.04.2021 en tot 30.06.2021 verschuldigde moratoriuminteresten bedoeld in artikel 91, § 4, van het Btw-Wetboek bedraagt aldus 2 %.


5. Inwerkingtreding

De hiervoor besproken wettelijke bepalingen hebben uitwerking op 01.04.2021 (artikel 23 van de wet van 02.04.2021, voornoemd).


Bron: Fisconetplus

Mots clés