Circulaire 2022/C/35 betreffende het tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering van elektriciteit en de maandelijkse teruggaaf btw

De A.lgemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde publiceerde op 01/04/2022 de Circulaire 2022/C/35 betreffende het tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering van elektriciteit en de maandelijkse teruggaaf btw

Deze commentaar handelt over de invoering van het tijdelijk btw-tarief van 6 % voor de levering van elektriciteit en de maandelijkse teruggaaf inzake btw. Deze nieuwe bepalingen zijn ingevoegd bij koninklijk besluit van 21.02.2022 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 en van het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 (BS van 28.02.2022).

Inhoudstafel

1. Inleiding

2. Tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering van elektriciteit

2.1. Wettelijke bepaling

2.2. Welke handelingen worden beoogd door deze maatregel?

2.2.1. Wie zijn de bedoelde afnemers?

2.2.2. Met betrekking tot welke periode is het verlaagd btw-tarief van 6 % van toepassing?

2.2.2.1. Voorlopige heffing van de btw op de tussentijdse voorschotfacturen of aanrekeningen met betrekking tot de verbruiksperiode met btw-wijziging

2.2.2.2. Definitieve heffing van de btw op de eindafrekening met betrekking tot de verbruiksperiode met btw-wijziging

2.2.3. Wat is de maatstaf van heffing?

2.3. Bijzonderheden

2.3.1. 'Works' gefactureerd door de elektriciteitsleverancier aan bedoelde afnemers

2.3.2. Kortingen

2.3.2.1. Kortingen toegekend in functie van het verbruik

2.3.2.2. Eenmalige kortingen

2.3.2.3. Weerkerende kortingen

2.3.2.4. Gezamenlijke kortingen zowel voor gas als voor elektriciteit

2.3.3. Energie-audits en dergelijke prestaties

2.3.4. Budgetmeter

2.3.5. Klanten met sociaal tarief

2.3.6. Verwarmingspremie van 100 euro

3. Maandelijkse teruggaaf btw

3.1. Wettelijke bepaling

3.2. Bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf

3.2.1. Rechthebbenden op de maandelijkse teruggaaf – bijzondere voorwaarden

3.2.1.1. Beoogde belastingplichtigen

3.2.1.2. Bijzondere toepassingsvoorwaarden

3.2.2. Vergunning

3.2.2.1. Algemeen

3.2.2.2. Aanvraag van de vergunning

3.2.2.3. Toekenning van de vergunning

3.2.2.4. Geldigheidsduur van de vergunning

3.2.2.5. Verval en intrekking van de vergunning

3.2.3. Andere modaliteiten

3.2.3.1. Minimum van het belastingkrediet

3.2.3.2. Uitdrukkelijk verzoek

3.2.3.3. Tijdige indiening btw-aangiften

3.2.3.4. Elektronische indiening van de btw-aangiften

3.2.3.5. Bankgegevens

3.2.4. Ordonnancering

4. Inwerkingtreding

1. Inleiding

De scherpe stijging van de energieprijzen, onder meer veroorzaakt door een toegenomen wereldwijde vraag naar energie ten gevolge van het economische herstel na de COVID-19-crisis, geopolitieke instabiliteit en bevoorradingsproblemen dreigt de financiële slagkracht van huishoudens substantieel aan te tasten en mede daardoor het huidige economische herstel te ondermijnen.

In respons op de huidige uitzonderlijke omstandigheden werd beslist in het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (hierna: 'koninklijk besluit nr. 20') een tijdelijke bepaling in te voegen op grond waarvan de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten, i.e. in het kader van contracten waarvoor, met het oog op het sluiten ervan, door de afnemers-natuurlijke personen aan zijn elektriciteitsleverancier geen ondernemingsnummer is meegedeeld, onderworpen is aan het verlaagd tarief van 6 %.

Deze tijdelijke verlaging van het btw-tarief, die een dringende maatregel uitmaakt om de gevolgen van de prijsstijging van energie voor huishoudens op korte termijn te verzachten, wordt ingevoerd voor een periode van vier maanden vanaf 01.03.2022 (1).

(1) Artikel 2 van het koninklijk besluit van 23.03.2022 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4 en 20 betreffende de belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de vermindering van het tarief van de belasting over de toegevoegde waarde op de levering van elektriciteit, aardgas en warmte via warmtenetten in het kader van residentiële contracten (BS 30.03.2022), heeft de toepassing van het verlaagd tarief voor de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten verlengd tot 30.09.2022, hetgeen inhoudt dat de geldigheidsduur van de vergunning is verlengd tot 30.09.2022.

De administratie zal de verlenging van de toepassing van het verlaagde tarief op elektriciteit in het kader van residentiële contracten en de toepassing van dit verlaagde tarief tussen 01.04.2022 en 30.09.2022 op de levering van aardgas en warmte via warmtenetten in het kader van residentiële contracten toelichten in een afzonderlijke circulaire.

Daarnaast wordt een bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf ingevoerd voor belastingplichtigen waarvan de economische activiteit bestaat uit de levering van elektriciteit en waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is onder de voorwaarden van artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd.

Deze commentaar is een toelichting bij deze nieuwe bepalingen.

2. Tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering van elektriciteit

2.1. Wettelijke bepaling

Ingevolge het koninklijk besluit van 21.02.2022 (BS van 28.02.2022) werd het artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20 ingevoegd bij het koninklijk besluit van 29.12.1992, hersteld bij het koninklijk besluit van 21.03.2014 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23.08.2015, vervangen als volgt:

"Art. 1bis. § 1. In afwijking van artikel 1 wordt vanaf 1 maart 2022 tot en met 30 juni 2022 onderworpen aan het verlaagd tarief van 6 pct., de levering van elektriciteit in het kader van het contract waarvoor, met het oog op de afsluiting ervan, door de afnemer-natuurlijke persoon geen ondernemingsnummer is meegedeeld.

§ 2. Het toe te passen btw-tarief voor de tot uiterlijk 31 maart 2022 gefactureerde of aangerekende voorschotten is het tarief dat van kracht is vóór de tariefwijziging op 1 maart 2022, zelfs als die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een levering van elektriciteit vanaf 1 maart 2022.

Het toe te passen btw-tarief voor de vanaf 1 april 2022 tot en met 30 juni 2022 gefactureerde of aangerekende voorschotten is het tarief dat van kracht is op het tijdstip van de facturering of aanrekening van deze voorschotten, zelfs als die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een levering van elektriciteit vanaf 1 juli 2022.

Voor de definitieve heffing van de btw op de eindafrekening die betrekking heeft op de periode die aanvangt vóór en eindigt na het tijdstip van de tariefwijziging op 1 maart 2022 dan wel op de periode die aanvangt vóór en eindigt na het tijdstip van de tariefwijziging op 1 juli 2022, wordt de maatstaf van heffing met betrekking tot het volledige daadwerkelijke verbruik tijdens die periode per onderscheiden btw-tarief omgeslagen en dit rekening houdend met dat verbruik vóór en na het tijdstip van de betrokken tariefwijziging.

De berekening van het verbruik met het oog op de in het derde lid bedoelde omslag per btw-tarief, wordt, indien de gegevens omtrent het daadwerkelijke verbruik niet beschikbaar zijn vóór de opmaak van de eindafrekening door de leverancier, uitgevoerd aan de hand van het in de elektriciteitsmarkt vastgelegde verbruiksprofiel dat per kwartier van een volledig jaar het relatieve gebruik weergeeft van een bepaald type van afnemers-natuurlijke personen."

2.2. Welke handelingen worden beoogd door deze maatregel?

De levering in België van elektriciteit in het kader van het contract waarvoor, met het oog op het sluiten ervan, door de afnemer-natuurlijke persoon aan zijn elektriciteitsleverancier geen ondernemingsnummer is meegedeeld, wordt vanaf 01.03.2022 tot en met 30.06.2022 onderworpen aan het verlaagd tarief van 6 %.

2.2.1. Wie zijn de bedoelde afnemers?

Enkel natuurlijke personen kunnen in aanmerking komen voor de toepassing van het tijdelijk verlaagd btw-tarief.

De bedoelde afnemer is:

- een natuurlijk persoon aan wie geen ondernemingsnummer is toegekend die met een elektriciteitsleverancier een contract voor de levering van elektriciteit afsluit of

- een natuurlijke personen aan wie wel een ondernemingsnummer is toegekend, maar die dit ondernemingsnummer niet meedeelt aan de elektriciteitsleverancier met het oog op het sluiten van het contract voor de levering van elektriciteit.

Het tijdelijk verlaagd btw-tarief is aldus strikt voorbehouden voor de levering van elektriciteit in het kader van zogenaamde 'residentiële' of 'niet-professionele' contracten die de afnemer-natuurlijke persoon heeft gesloten met zijn elektriciteitsleverancier aan wie hij, met het oog op het sluiten ervan, geen ondernemingsnummer meedeelde. Hij dient zich m.a.w. aan als een afnemer voor de aankoop van zijn elektriciteit in principe voor huishoudelijk verbruik (de 'huishoudelijke' afnemer).

De natuurlijke persoon die een 'professioneel' contract afsluit met zijn elektriciteitsleverancier kan bijgevolg het tijdelijk verlaagd tarief van 6 % niet genieten ten aanzien van de aankoop van elektriciteit.

Om de 'residentiële' of 'niet-professionele' contracten te onderscheiden van de 'professionele' contracten zullen de elektriciteitsleveranciers zich baseren op het feit of de afnemer al dan niet zijn door de Kruispuntbank voor ondernemingen van de FOD Economie toegekende ondernemingsnummer meedeelt met het oog op het afsluiten van het contract.

Voormelde huishoudelijke afnemer dient zelf niets te ondernemen om dit tijdelijk verlaagd btw-tarief te kunnen genieten. De elektriciteitsleverancier zal dit verlaagd tarief automatisch toepassen voor diens elektriciteitsverbruik vanaf 01.03.2022 tot en met 30.06.2022.

Het kan gelden voor contracten die vroeger zijn gesloten en die uitwerking hebben tijdens deze periode, alsook voor contracten die nieuw worden gesloten tijdens deze periode.

Voorbeelden

Een particulier, zonder ondernemingsnummer, sluit voor de levering van elektriciteit voor zijn appartement een 'residentieel' contract af met een elektriciteitsleverancier naar keuze. Hij kan voor deze levering tijdelijk het verlaagd btw-tarief van 6 % genieten.

Ingeval een zelfstandige natuurlijke persoon (bv. een kapper) met 1 elektriciteitsmeter zijn woning deels gebruikt voor beroepsdoeleinden (bv. het kapsalon), kan hij slechts het tijdelijk verlaagd btw-tarief genieten voor zover hij een 'residentieel' contract sluit met zijn elektriciteitsleverancier aan wie hij zijn ondernemingsnummer niet meedeelt. Indien hij echter een 'professioneel' contract sluit met zijn elektriciteitsleverancier aan wie hij zijn ondernemingsnummer meedeelt, kan hij het tijdelijk verlaagd tarief van 6 % niet genieten voor de levering van elektriciteit. Het is niet mogelijk om in het kader van een 'professioneel' contract een deel van het verbruik van elektriciteit dat overeenstemt met het privégebruik te onderwerpen aan het verlaagd btw-tarief.

Opmerking

Vennootschappen, andere rechtspersonen en, meer algemeen, eenieder die niet als een natuurlijke persoon kan worden aangemerkt, kunnen het verlaagde btw-tarief voor de levering van elektriciteit niet genieten. Verenigingen van mede-eigenaars (vb. voor wat betreft het verbruik dat betrekking heeft op de gemeenschappelijke delen), vzw's en gemeenten komen dan ook niet in aanmerking voor de toepassing van het tijdelijk verlaagd btw-tarief.

Natuurlijke personen die eindgebruiker zijn van elektriciteit zonder echter zelf een afnemer in de zin van artikel 1bis, van het koninklijk besluit nr. 20, voormeld, ervan te zijn, kunnen het voordeel van het tijdelijk verlaagd btw-tarief niet genieten. Het 'professionele' contract voor de levering van elektriciteit wordt immers gesloten tussen de elektriciteitsleverancier en de betrokken inrichting, zijnde een professionele afnemer niet-natuurlijke persoon en bijgevolg is terzake het normale btw-tarief van 21 % van toepassing.

2.2.2. Met betrekking tot welke periode is het verlaagd btw-tarief van 6 % van toepassing?

Het verlaagd btw-tarief is van toepassing op het verbruik van elektriciteit vanaf 01.03.2022 tot en met 30.06.2022.

2.2.2.1. Voorlopige heffing van de btw op de tussentijdse voorschotfacturen of aanrekeningen met betrekking tot de verbruiksperiode met btw-wijziging

Uit artikel 1bis, van het koninklijk besluit nr. 20, voormeld, volgt dat de datum van de facturering of aanrekening van de voorschotten voor de levering van elektriciteit bepalend is voor het btw-tarief dat op het voorschot van toepassing is. De gebruikelijke regels inzake opeisbaarheid van btw zijn bijgevolg niet van toepassing.

Bovendien is gebleken dat door de technische en administratieve beperkingen bij de betrokken elektriciteitsleveranciers een onmiddellijke operationalisering van deze maatregel niet mogelijk is voor de tussentijdse voorschotten gefactureerd of aangerekend uiterlijk op 31.03.2022.

Om die reden werd voorzien dat de elektriciteitsleverancier, ondanks de tariefwijziging die ingaat op 01.03.2022, op de ten laatste op 31.03.2022 gefactureerde of aangerekende voorschotten het btw-tarief van 21 % in rekening brengt, zelfs als die voorschotten geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een levering van elektriciteit gedaan met ingang van 01.03.2022 (artikel 1bis, § 2, eerste lid). Dat verschil zal echter worden rechtgezet middels de eindafrekening met betrekking tot de verbruiksperiode met btw-wijziging (zie punt 2.2.2.2.).

Bovendien werd voorzien dat het toe te passen btw-tarief voor de vanaf 01.04.2022 tot en met 30.06.2022 gefactureerde of aangerekende voorschotten, het tarief dat van kracht is op het tijdstip van de facturering of aanrekening van die voorschotten, zelfs als deze geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een levering van elektriciteit vanaf 01.07.2022 (artikel 1bis, § 2, tweede lid). Dat verschil zal eveneens worden rechtgezet bij de definitieve heffing van de btw op de eindafrekening met betrekking tot de verbruiksperiode met btw-wijziging (zie punt 2.2.2.2.).

In onderstaande tabel worden ter verduidelijking een aantal voorbeeldsituaties gegeven.

Datum voorschotfactuur of -aanrekening

Periode waarop voorschot betrekking heeft

Tarief voorschot

27.02.2022

27.02.2022-26.03.2022

21 %

01.03.2022

27.02.2022-26.03.2022

21 %

01.03.2022

01.03.2022-31.03.2022

21 %

01.04.2022

01.03.2022-31.03.2022

6 %

01.05.2022

01.04.2022-30.04.2022

6 %

27.06.2022

27.06.2022-26.07.2022

6 %

01.07.2022

27.06.2022-26.07.2022

21 %

2.2.2.2. Definitieve heffing van de btw op de eindafrekening met betrekking tot de verbruiksperiode met btw-wijziging

Voor de definitieve heffing van de btw op de eindafrekening die betrekking heeft op de periode die aanvangt vóór en eindigt na het tijdstip van de tariefwijziging op 01.03.2022 dan wel tijdens de periode die aanvangt vóór en eindigt na het tijdstip van de tariefwijziging op 01.07.2022, wordt de maatstaf van heffing met betrekking tot het volledige daadwerkelijke verbruik tijdens die periode per onderscheiden btw-tarief omgeslagen en dat rekening houdend met dat verbruik vóór en na het tijdstip van de betrokken tariefwijziging (artikel 1bis, § 2, derde lid).

De maatstaf van heffing wordt bij de eindafrekening met betrekking tot het volledige verbruik tijdens de verbruiksperiode met btw-tariefwijziging aldus omgeslagen zodat:

- het gedeelte van de maatstaf van heffing dat betrekking heeft op het verbruik van elektriciteit vóór 01.03.2022 en vanaf 01.07.2022 wordt belast met toepassing van het normale btw-tarief van 21 %

- het gedeelte van de maatstaf van heffing dat betrekking heeft op het verbruik van elektriciteit vanaf 01.03.2022 tot en met 30.06.2022 wordt belast met toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6 % btw.

Op deze manier wordt het btw-bedrag voldaan volgens de tussentijdse voorschotfacturen welke werden uitgereikt in de verbruiksperiode met btw-wijziging dat niet overeenstemt met de btw die deels aan 21 % en deels aan 6 % verschuldigd is met betrekking tot de verbruikte hoeveelheden kWh rechtgezet (zie punt 2.2.2.1.).

Uitgaande van bovengenoemde voorbeeldsituaties, zal het toegepaste btw-tarief als volgt rechtgezet worden door de elektriciteitsleverancier (zie laatste kolom):

Datum voorschotfactuur of -aanrekening

Periode waarop voorschot betrekking heeft

Btw-Tarief voorschot

Btw-tarief eindafrekening

27.02.2022

27.02.2022-26.03.2022

21 %.

27.02.2022-28.02.2022: 21 %

01.03.2022-26.03.2022: 6 %

01.03.2022

27.02.2022-26.03.2022

21 %

27.02.2022-28.02.2022: 21 %

01.03.2022-26.03.2022: 6 %

01.03.2022

01.03.2022-31.03.2022

21 %

01.03.2022-31.03.2022: 6 %

01.04.2022

01.03.2022-31.03.2022

6 %

01.03.2022-31.03.2022: 6 %

01.05.2022

01.04.2022-30.04.2022

6 %

01.04.2022-30.04.2022: 6 %

27.06.2022

27.06.2022-26.07.2022

6 %

27.06.2022-30.06.2022: 6 % 01.07.2022-26.07.2022: 21 %

01.07.2022

27.06.2022-26.07.2022

21 %

27.06.2022-30.06.2022: 6 % 01.07.2022-26.07.2022: 21 %

2.2.3. Wat is de maatstaf van heffing?

Overeenkomstig artikel 26, § 1, van het Btw-Wetboek wordt de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die levering verband houdt.

De maatstaf van heffing waarop het verlaagd btw-tarief van toepassing is bestaat uit drie componenten: elektriciteit (verbruik), netkosten (distributie- en transmissienettarieven) en heffingen die onderworpen zijn aan btw.

De componenten van de maatstaf van heffing van het volledige gebruik die worden aangerekend in functie van de hoeveelheid geleverde kWh (componenten waarvoor een eenheidsprijs €/kWh is bepaald) worden met het oog op de definitieve heffing van de btw omgeslagen zoals hierna toegelicht.

De berekening van het verbruik gedurende de betrokken periode wordt in principe uitgevoerd op basis van het daadwerkelijke verbruik van de afnemer-natuurlijke persoon. Wanneer de elektriciteitsleverancier, vóór de opmaak van de eindafrekening, niet beschikt over gegevens met betrekking tot dat daadwerkelijke verbruik zal dat verbruik worden bepaald aan de hand van het in de elektriciteitsmarkt vastgelegde verbruiksprofiel dat per kwartier van een volledig jaar het relatieve gebruik weergeeft van een bepaald type van afnemers-natuurlijke personen (artikel 1bis, § 2, vierde lid).

De componenten van de maatstaf van heffing die niet worden aangerekend in functie van de hoeveelheid geleverde kWh, met name de vaste vergoedingen (bv. abonnementskosten, tarief voor meting en telling) en het prosumententarief, moeten pro rata temporis (in casu 4/12) te worden opgesplitst.

2.3. Bijzonderheden

2.3.1. 'Works' gefactureerd door de elektriciteitsleverancier aan bedoelde afnemers

Sedert de vrijmaking van de energiemarkt staat de activiteit van de elektriciteitsleverancier wettelijk los van de activiteit van de distributienetbeheerder (DNB). De distributienetgebruiker sluit sedert die vrijmaking een overeenkomst zowel met een energieleverancier (naar keuze), als met de bevoegde distributienetbeheerder. In die gewijzigde context worden de werkzaamheden die door de DNB worden verricht onder zijn verantwoordelijkheid in het kader van het aansluitingsreglement (aansluiting op het net, verzwaring van de aansluiting, aanpassingen aan bestaande installaties, enz.; 'works' genoemd) in principe door laatstgenoemde rechtstreeks gefactureerd aan de netgebruiker (afnemer) overeenkomstig tarieven goedgekeurd door de bevoegde gewestelijke regulatoren (VREG (Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt ), CWaPE (Commission Wallonne pour l'Energie) of BRUGEL (De Brusselse regulator voor energie)). Ze vormen in die omstandigheden uiteraard geen element van de prijs van de levering van elektriciteit, in tegenstelling tot de distributie- en transmissiekosten die de DNB factureert aan de elektriciteitsleverancier en die laatstgenoemde via de eindafrekening aanrekent aan de afnemer.

Het komt evenwel voor dat de distributienetbeheerder een klein deel van zijn werkzaamheden in het kader van het aansluitingsreglement (zoals het openen van de meter of het afsluiten ervan) aan de elektriciteitsleverancier factureert, die dan die kosten via een aparte factuur doorrekent aan de klant.

Aangezien de elektriciteitsleverancier verder niet tussenkomt bij de andere werkzaamheden die de DNB verricht in het kader van het aansluitingsreglement, die de hoofdzaak vormen en die rechtstreeks verstrekt en gefactureerd worden door DNB aan de klant in uitvoering van zijn overeenkomst met laatstgenoemde, staat het deel van de werkzaamheden die de elektriciteitsleverancier hier bij wijze van uitzondering doorfactureert aan de klant, zoals de andere werkzaamheden van de DNB in het kader van het aansluitingsreglement wettelijk los van de levering van elektriciteit. Dat deel kan m.a.w. in de gegeven omstandigheden niet worden beschouwd als een kost van de levering van elektriciteit door de elektriciteitsleverancier en wordt los daarvan doorgefactureerd aan de klant (in principe met toepassing van het normale btw-tarief).

2.3.2. Kortingen

2.3.2.1. Kortingen toegekend in functie van het verbruik

Kortingen in functie van het verbruik worden pro rata temporis omgedeeld door de leverancier van elektriciteit omgeslagen op de wijze zoals toegelicht onder punt 2.2.3.

Voorbeeld

De elektriciteitsleverancier kent een korting toe van 2 % op de energieprijs.

Die zodoende verminderde component van de maatstaf van heffing van het volledige verbruik tijdens de verbruiksperiode met btw-tariefwijziging wordt met het oog op de definitieve heffing van de btw op de eindafrekening omgeslagen aan de hand van het daadwerkelijk verbruik.

Wanneer de elektriciteitsleverancier, vóór de opmaak van de eindafrekening, niet beschikt over gegevens met betrekking tot dat daadwerkelijke verbruik zal dat verbruik worden bepaald aan de hand van het in de elektriciteitsmarkt vastgelegde verbruiksprofiel dat per kwartier van een volledig jaar het relatieve gebruik weergeeft van een bepaald type van afnemers-natuurlijke personen.

2.3.2.2. Eenmalige kortingen

Beoogd worden de kortingen die de elektriciteitsleverancier eenmalig toekent aan de klant en die geen verband houden met het verbruik (vb. eenmalige korting van 30 euro die aan een nieuwe klant wordt toegekend).

Overeenkomstig artikel 28, 2°, van het Btw-Wetboek behoren niet tot de maatstaf van heffing, de prijsverminderingen die door de leverancier aan de afnemer toegekend worden en die door deze laatste zijn verkregen op het tijdstip waarop de btw opeisbaar wordt.

Er dient te worden bepaald of de korting inclusief 6 % of 21 % btw moet worden vastgesteld.

Rekening houdend met de bijzondere wijze waarop de maatstaf van heffing van de levering van elektriciteit wordt vastgesteld (in functie van het werkelijke of geraamde verbruik over een bepaalde periode) werd beslist als uitgangspunt te nemen de dag waarop het recht op de korting verworven is door de afnemer. Het tijdstip waarop de korting in mindering wordt gebracht (bv. factuurdatum) is dus van geen belang.

Hieruit volgt dat enkel in het geval dat het tijdstip waarop de korting door de klant verworven is in de periode van 01.03.2022 tot en met 30.06.2022 (einde tijdelijke regeling) valt, de korting aangemerkt wordt inclusief het verlaagd btw-tarief van 6 % Anders is de korting inclusief het normale btw-tarief van 21 %.

Voorbeeld 1

Een 'welkomstkorting' van 30 euro wordt verworven door de klant op 05.02.2022. Het moment waarop de korting definitief is verworven volgt overigens uit de contractuele voorwaarden van de leverancier.

Deze korting is 21 % btw inclusief ongeacht het tijdstip waarop ze in mindering wordt gebracht.

Wanneer die korting in rekening wordt gebracht op de eindafrekening m.b.t. de verbruiksperiode met btw-tariefwijziging, wordt bij de berekening en de omslag van de maatstaf van heffing van het volledige verbruik tijdens die verbruiksperiode (zie punt 2.2.3.) dus geen rekening gehouden met voormelde prijsvermindering. De prijsvermindering wordt los daarvan in mindering gebracht op de eindafrekening, rekening houdend met het btw-tarief van 21 %.

Voorbeeld 2

Een leverancier kent een eenmalige commerciële korting toe van 10 euro aan een klant na een klacht. De korting wordt door de afnemer verkregen op 05.04.2022. Het moment waarop de korting definitief is verworven is bepalend.

Dat recht wordt voor de toepassing van de btw aangemerkt als een prijsvermindering die door de elektriciteitsleverancier aan de afnemer wordt toegekend en die door deze laatste is verkregen op 05.04.2022 (toepasselijke btw-tarief van 6 % ongeacht het tijdstip waarop ze in mindering wordt gebracht).

Wanneer die commerciële korting in rekening wordt gebracht op de eindafrekening m.b.t. de verbruiksperiode met btw-tariefwijziging, wordt bij de berekening en de omslag van de maatstaf van heffing van het volledige verbruik tijdens die verbruiksperiode (zie punt 2.2.3.) dus geen rekening gehouden met voormelde prijsvermindering. De prijsvermindering wordt los daarvan in mindering gebracht op de eindafrekening, rekening houdend met het btw-tarief van 6 %.

2.3.2.3. Weerkerende kortingen

Weerkerende kortingen (recurrente kortingen) worden om uiteenlopende redenen toegekend: gekozen betaalmethode (bv. domiciliëring), e-invoicing of e-billing, getrouwheidskorting, enz. Worden hier enkel beoogd de weerkerende kortingen die geen verband houden met het verbruik van elektriciteit.

Hoewel de voorwaarden om deze kortingen te genieten vooraf worden vastgelegd, is het noodzakelijk dat de klant telkens opnieuw voldoet aan de voorwaarden om ze te bekomen.

In tegenstelling tot éénmalige kortingen worden weerkerende kortingen dus telkens opnieuw verworven (vb. jaarlijks, maandelijks, dagelijks). Het moment waarop de korting definitief is verworven, is bepaald in de voorwaarden van de leverancier.

Voorbeeld

Een leverancier sluit op 05.03.2022 een overeenkomst voor de levering van elektriciteit vanaf 01.04.2022 voor één jaar. Hij kent een korting toe, die oploopt tot 30 euro, op voorwaarde de klant elektriciteit afneemt vanaf 01.04.2022 tot 31.03.2023. Als de klant zijn contract eerder opzegt dan zal deze korting (overeenkomstig de contractuele voorwaarden) pro rata temporis toegekend worden. Bijvoorbeeld: bij een opzeg van de overeenkomst met ingang van 10.07.2022 (na 100 dagen) ontvangt de klant een korting van 8,22 euro (30 x100/365).

Het betreft een weerkerende korting die dagelijks wordt verworven.

2.3.2.3.1. Periodiek opnieuw verworven kortingen in mindering gebracht op de eindafrekening

Voorbeeld

De klant gaat op 05.03.2022 akkoord om zijn voorschotfacturen elektronisch te ontvangen en verkrijgt hiervoor op 05.03.2022 een korting van 10 euro (volgens het contract verworven op 05.03.2022) die in de eerstvolgende jaarlijkse afrekening in juni 2022 (m.b.t. de verbruiksperiode 01.06.2021 – 31.05.2022) in mindering wordt gebracht. Volgens de voorwaarden van het contract verkrijgt de klant die korting elk jaar opnieuw op 5 maart en wordt ze in mindering gebracht op de eerstvolgende jaarlijkse afrekening in juni zolang hij niet afziet van de elektronische facturatie.

De verworven korting wordt hier dus jaarlijks opnieuw verworven (d.w.z. elk jaar op 5 maart) mits het vervullen van de contractuele voorwaarden in dat verband.

Op basis van de modaliteiten van de korting volgens het contract in het hiervoor gegeven voorbeeld (korting wordt jaarlijks opnieuw verworven voor zover de klant niet afziet van de elektronische facturatie), kan voor de korting die elk jaar op 5 maart wordt verworven, de jaarlijkse toepassing van de regeling van de éénmalige kortingen worden aanvaard (zie punt 2.3.2.2.).

Dat betekent dus dat de op 05.03.2022 verworven korting in mindering wordt gebracht rekening houdend met het btw-tarief van 6 % op de in juni 2022 ontvangen jaarlijkse afrekening.

Rekening houdend met het tijdelijk karakter van de huidige tariefverlaging zal de op 05.03.2023 verworven korting in mindering worden gebracht rekening houdend met het btw-tarief van 21 % op de in juni 2023 ontvangen jaarlijkse afrekening.

Voorwaarde voor de toepassing van de regeling uiteengezet in het vorig lid, is dus dat duidelijk bepaald is op welk tijdstip de korting is verworven (05.03.2022 in voorgaand voorbeeld).

Bij het verstrijken van de periode waarvoor ze wordt toegekend, wordt de korting dus slechts opnieuw verworven indien de voorwaarden op dat ogenblik nog steeds zijn vervuld.

2.3.2.3.2. Periodiek opnieuw verworven kortingen in mindering gebracht op de tussentijdse voorschotfacturen

Wanneer de periodiek opnieuw verworven kortingen (bv. maandelijks) in mindering worden gebracht op de tussentijdse voorschotfacturen, geldt de regeling van punt 2.3.2.3.1., hiervoor.

2.3.2.4. Gezamenlijke kortingen zowel voor gas als voor elektriciteit

Ingeval een korting wordt toegekend die betrekking heeft zowel op het contract inzake de levering van gas, als op het contract inzake de levering van elektriciteit en niet gerelateerd is aan het verbruik (bv. welkomkorting of korting voor domiciliëring als betalingswijze van de gas- en elektriciteitsfactuur), dient die korting in principe te worden opgesplitst: 50 pct. korting voor gas en 50 pct. korting voor elektriciteit waarop voorgaande bepalingen inzake eenmalige of weerkerende kortingen van toepassing zijn.

Wanneer de leverancier die gezamenlijke korting om praktische reden niet wenst op te splitsen, wordt eenvoudigheidshalve aanvaard dat ze op de jaarlijkse afrekening in mindering gebracht als een korting die volledig betrekking heeft op het contract inzake de levering van elektriciteit. Voorgaande bepalingen inzake eenmalige of weerkerende kortingen zijn zodoende dan van toepassing op de volledige korting.

2.3.3. Energie-audits en dergelijke prestaties

Energie-audits, de verkoop van energiekostenmeters en dergelijke prestaties die verstrekt aan personen die al dan niet elektriciteit afnemen van die leverancier, zijn aparte handelingen. De vergoeding gevraagd voor die van de levering van elektriciteit onderscheiden prestaties vormt dus geen element van de prijs van elektriciteit en blijft ook van 01.03.2022 tot en met 30.06.2022 te belasten met toepassing van het normale btw-tarief van 21 %.

2.3.4. Budgetmeter

De afnemer-natuurlijke persoon ontvangt geen tussentijdse voorschotfacturen of -aanrekeningen, maar de voorafbetalingen gebeuren onder de vorm van het opladen van de kaart van de budgetmeter.

Voor het toepasselijk btw-tarief is het tijdstip van opladen van de kaart in een oplaadpunt bepalend.

Uit artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20, voormeld, volgt:

- bij betalingen onder de vorm van opladen vóór 01.04.2022 en na 01.07.2022 is het normale btw-tarief van 21 % van toepassing

- bij betalingen onder de vorm van opladen vanaf 01.04.2022 tot en met 30.06.2022 is het verlaagd tarief van 6 % van toepassing.

De afnemer-natuurlijke persoon ontvangt net zoals alle consumenten een eindafrekening waarbij de maatstaf van heffing wordt omgeslagen in functie van het verbruik. Voor de eindafrekening m.b.t. de verbruiksperiode met btw-tariefwijziging, wordt verwezen naar punt 2.2.2.2. hiervoor.

2.3.5. Klanten met sociaal tarief

Ten aanzien van afnemers-natuurlijke personen die het sociaal tarief voor elektriciteit genieten gelden de algemene regels inzake,

- de voorlopige heffing van de btw op de tussentijdse voorschotfacturen uitgereikt in de verbruiksperiode met btw-tariefwijziging (zie punt 2.2.2.1.)

- de definitieve heffing van de btw op de eindafrekening m.b.t. de verbruiksperiode met btw-tariefwijziging (zie punt 2.2.2.2.).

2.3.6. Verwarmingspremie van 100 euro

De éénmalige forfaitaire federale verwarmingspremie van 100 euro zal automatisch worden uitgekeerd via de elektriciteitsfactuur en dit ongeacht de wijze van verwarmen (gas, stookolie, elektriciteit, …).

Deze verwarmingspremie is voor de btw niet te beschouwen als een prijssubsidie noch als een korting in de zin van punt 2.3.2. en beïnvloedt bijgevolg de maatstaf van heffing voor de levering van elektriciteit niet.

3. Maandelijkse teruggaaf btw

3.1. Wettelijke bepaling

Artikel 75 van het Btw-Wetboek bepaalt:

“De belasting kan slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin dit Wetboek voorziet.”

Artikel 76, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek bepaalt:

“Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de artikelen 45 tot 48 voor aftrek in aanmerking komt, aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is door de belastingplichtige die overeenkomstig artikel 50 voor btw-doeleinden is geïdentificeerd en gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, het verschil teruggegeven binnen drie maanden op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in artikel 55, §§ 1 of 2.”

Artikel 76, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek bepaalt:

“De Koning kan bepalen dat het overschot, in de door Hem te bepalen gevallen en onder de door Hem te stellen voorwaarden, vóór het einde van het kalenderjaar wordt teruggegeven.”

Artikel 80, eerste lid, van het Btw-Wetboek bepaalt:

“De Koning bepaalt de formaliteiten en voorwaarden waaraan de teruggaaf onderworpen is, de wijze waarop ze geschiedt en de ambtenaar die ze verricht.”

Artikel 80, tweede lid, eerste zin, van het Btw-Wetboek bepaalt:

“Hij stelt de minima vast die bereikt moeten zijn opdat op het verzoek om teruggaaf kan worden ingegaan.”

Artikel 81, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna “het koninklijk besluit nr. 4) bepaalt:

“Wanneer volgens de gegevens van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte, het eindresultaat een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag naar het volgende aangiftetijdvak overgebracht.”

Artikel 1 van het koninklijk besluit van 21.02.2022, voornoemd, wijzigt artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4 op de hierna volgende wijze.

Artikel 1, a), van het koninklijk besluit van 21.02.2022 vult artikel 81, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4 aan met een bepaling onder 6° luidende:

“6° het bedrag dat verschuldigd is door de Staat na het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde maandaangifte wanneer het 50 euro bereikt en wanneer de economische activiteit van deze belastingplichtige bestaat uit de levering van elektriciteit waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven."

Artikel 1, b), van het koninklijk besluit van 21.02.2022 vervangt artikel 81, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 4 als volgt:

“De teruggaaf bedoeld in het eerste lid, 1°, is afhankelijk van de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het kalenderjaar uiterlijk op 20 januari van het volgende jaar zijn ingediend. Voor de teruggaaf bedoeld in het eerste lid, 2° tot 6°, worden alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het lopende jaar ingediend uiterlijk de twintigste van de maand na, naargelang van het geval, het kwartaal of de maand op het einde waarvan het door de Staat verschuldigde bedrag blijkt. Voor de teruggaaf bedoeld in het eerste lid, 3° tot 6°, worden die aangiften bovendien ingediend overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde."

Artikel 81, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4 als gewijzigd door artikel 1, c), van het koninklijk besluit van 21.02.2022 luidt als volgt:

“De ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling, geschiedt uiterlijk de derde maand volgend op het tijdvak waarop de kwartaalaangifte of de aangifte van de laatste maand van dit kwartaal betrekking heeft. Ze geschiedt evenwel uiterlijk de tweede maand volgend op het tijdvak waarop de maandaangifte betrekking heeft in de gevallen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° tot 6°.”

Artikel 81, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4 als gewijzigd door artikel 1, d), van het koninklijk besluit van 21.02.2022 luidt als volgt:

“De teruggaaf bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°, 5° en 6° kan daarenboven alleen worden verkregen als de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert daartoe vergunning verleent. Die vergunning wordt aangevraagd met een brief die alle elementen bevat en vergezeld gaat van alle stukken die kunnen aantonen dat de belastingplichtige voldoet aan de bijzondere voorwaarden die voor het verkrijgen van die teruggaaf vereist zijn.”

Artikel 81, § 5, zevende lid, van het koninklijk besluit nr. 4 als gewijzigd door artikel 1, e), van het koninklijk besluit van 21.02.2022 luidt als volgt:

“Indien de administratie vaststelt dat de belastingplichtige niet meer voldoet aan de in paragraaf 2, eerste lid, 3°, 5° en 6°, bedoelde voorwaarden, kan ze bij een met redenen omklede beslissing de vergunning op ieder ogenblik intrekken.”

3.2. Bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf

Met de inwerkingtreding van artikel 81, § 2, eerste lid, 6° van het koninklijk besluit nr. 4 wordt het toepassingsgebied van de maandelijkse teruggaaf van het btw-krediet uitgebreid tot een nieuwe categorie van belastingplichtigen, namelijk de belastingplichtigen die maandelijkse periodieke btw-aangiften indienen en waarbij de economische activiteit van deze belastingplichtige bestaat uit de levering van elektriciteit waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd.

3.2.1. Rechthebbenden op de maandelijkse teruggaaf – bijzondere voorwaarden

3.2.1.1. Beoogde belastingplichtigen

De maandelijkse teruggaaf btw geldt enkel voor btw-belastingplichtige die maandelijks aangifte doet en hier uitdrukkelijk om verzoekt:

a) zowel de belastingplichtige die in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek;

b) als de belastingplichtige die niet in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek (2).

(2) Het feit of deze belastingplichtige al dan niet een aansprakelijk vertegenwoordiger heeft aangeduid speelt geen enkele rol.

3.2.1.2. Bijzondere toepassingsvoorwaarden

Voor de toepassing van de regeling dienen de bijzondere toepassingsvoorwaarden van het stelsel vervuld te zijn.

De basisvoorwaarde voor de toepassing van het hier bedoelde stelsel van maandelijkse teruggaaf is dat de economische activiteit van de belastingplichtige bestaat uit de levering van elektriciteit waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd.

Die belastingplichtigen dragen algemeen genomen een voorbelasting tegen het btw-tarief van 21 % zodat zij, door de verlaging van het btw-tarief voor de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten zich regelmatig of systematisch in een btw-teruggavepositie bevinden.

Er wordt op gewezen dat voor de toepassing van het hier bedoelde stelsel van maandelijkse teruggaaf, i.t.t. voor de toepassing van het klassieke stelsel van maandelijkse teruggaaf bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit nr. 4 en het bijzondere stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen bedoeld in 5° van datzelfde artikel, er geen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de omvang van het belastingkrediet van het voorafgaande kalenderjaar.

3.2.2. Vergunning

3.2.2.1. Algemeen

Krachtens artikel 81, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4 kan de maandelijkse teruggaaf alleen worden verkregen als de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert daartoe vergunning verleent.

De belastingplichtige kan de regeling toepassen vanaf de dag volgend op die van afgifte ter post van de aangetekende brief bij dewelke de administratie aan de belastingplichtige de vergunning heeft genotificeerd.

3.2.2.2. Aanvraag van de vergunning

De vergunning moet schriftelijk worden aangevraagd bij de bevoegde dienst waaronder de belastingplichtige ressorteert.

De aanvraag om vergunning moet alle elementen en bewijsstukken omvatten die nodig zijn om na te gaan of de belastingplichtige voldoet aan de bijzondere voorwaarden voor het bekomen van de vergunning.

Dit houdt meer concreet in dat de aanvraag de stukken dient te omvatten die aantonen dat de aanvrager een economische activiteit heeft die bestaat uit de levering van elektriciteit waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, van toepassing is en dat de aanvrager bijgevolg de stukken dient toe te voegen die aantonen dat hij elektriciteit levert in het kader van zogenaamde residentiële contracten, d.w.z. contracten waarvoor, met het oog op het afsluiten ervan, door de afnemer-natuurlijk persoon geen ondernemingsnummer is meegedeeld.

3.2.2.3. Toekenning van de vergunning

De gevraagde vergunning wordt verleend door de bevoegde dienst waaronder de belastingplichtige ressorteert binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, indien deze volledig is en alle gestelde voorwaarden zijn vervuld.

Wanneer de aanvraag niet volledig is, m.a.w. wanneer bij de aanvraag niet alle elementen en stukken zijn gevoegd waaruit blijkt dat de bijzondere voorwaarden voor toekenning van de vergunning zijn vervuld, verzoekt de bevoegde dienst de aanvrager schriftelijk om de aanvraag te vervolledigen met de ontbrekende elementen en stukken.

De termijn van één maand gesteld voor de uitreiking van de vergunning gaat dan ook slechts in op het tijdstip waarop de belastingplichtige de gevraagde elementen en bewijsstukken voorlegt die nodig zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag.

De vergunning wordt aan de belastingplichtige genotificeerd door middel van een aangetekende brief.

Indien blijkt dat de basisvoorwaarden (zie punt 3.2.1.) niet zijn vervuld of, wanneer de aanvraag gebaseerd is op de vooruitzichten, niet zullen vervuld worden, wordt de aanvraag binnen dezelfde termijn verworpen bij een met redenen omklede beslissing die eveneens aan de belastingplichtige wordt genotificeerd bij middel van een aangetekende brief.

3.2.2.4. Geldigheidsduur van de vergunning

Overeenkomstig artikel 81, § 5, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 4 geldt de vergunning voor de aanvragen tot teruggaaf in te dienen in de loop van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. Ze is bovendien eveneens geldig voor de daaropvolgende jaren wanneer de belastingplichtige aan de bijzondere voorwaarden blijft voldoen.

Aangezien evenwel artikel 1bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 20 als vervangen door artikel 2 van het koninklijk besluit 21.02.2022 de toepassing van het verlaagd tarief voor de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten beperkt tot de levering van elektriciteit van 01.03.2022 tot en met 30.06.2022, houdt dit in dat op het ogenblik van de inwerkingtreding van het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf de vergunning slechts kan gelden voor de periode van 01.03.2022 tot en met 30.06.2022 (een periode van vier maanden) (3).

(3) Artikel 2 van het koninklijk besluit van 23.03.2022 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4 en 20 betreffende de belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de vermindering van het tarief van de belasting over de toegevoegde waarde op de levering van elektriciteit, aardgas en warmte via warmtenetten in het kader van residentiële contracten (BS 30.03.2022), heeft de toepassing van het verlaagd tarief voor de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten verlengd tot 30.09.2022, hetgeen inhoudt dat de geldigheidsduur van de vergunning is verlengd tot 30.09.2022.

De administratie zal de verlenging van de toepassing van het verlaagde tarief op elektriciteit in het kader van residentiële contracten en de toepassing van dit verlaagde tarief tussen 01.04.2022 en 30.09.2022 op de levering van aardgas en warmte via warmtenetten in het kader van residentiële contracten toelichten in een afzonderlijke circulaire.

De belastingplichtige die voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de regeling en die een vergunning heeft verkregen, kan de versnelde teruggaaf bijgevolg verkrijgen met betrekking tot het overschot dat voortkomt van de tijdig ingediende aangiften die betrekking hebben op de aangifteperiode maart, april, mei en juni 2022, in te dienen bij toepassing van artikel 18, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 20 uiterlijk op 20 april, 20 mei, 20 juni en 20 juli.

3.2.2.5. Verval en intrekking van de vergunning

Wanneer de belastingplichtige niet langer aan de voorwaarden voldoet, vervalt de vergunning ambtshalve en mag hij er zich niet meer op beroepen.

Bovendien kan overeenkomstig artikel 81, § 5, zevende lid, van het koninklijk besluit nr. 4 de vergunning bij een met redenen omklede beslissing op ieder ogenblik worden ingetrokken indien de administratie vaststelt dat de belastingplichtige niet meer voldoet aan de vereiste bijzondere toepassingsvoorwaarden. De beslissing tot intrekking wordt aan de houder van de vergunning medegedeeld bij een ter post aangetekende brief. De vergunning mag niet meer worden ingeroepen te rekenen vanaf de dag na de afgifte ter post van deze aangetekende brief.

Onverminderd, in voorkomend geval, van toepassing van de door of krachtens de wet voorziene sancties, zal de vergunning overeenkomstig artikel 81, § 5, achtste lid, van het koninklijk besluit nr. 4 onmiddellijk worden ingetrokken wanneer:

a. de vergunning die werd afgeleverd, werd verkregen op grond van een onjuiste verklaring;
b. de belastingplichtige de bij de wet of bij de ter uitvoering ervan opgelegde verplichtingen niet nakomt;
c. de situatie bedoeld in artikel 81, § 3, vijfde lid, van hoger genoemd koninklijk besluit nr. 4 zich voordoet (bestaan van hetzij ernstige vermoedens, hetzij bewijzen, dat de aangifte waaruit het voor teruggaaf vatbaar overschot blijkt of de aangiften met betrekking tot daaraan voorafgaande perioden gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen).

3.2.3. Andere modaliteiten

De hierna volgende andere modaliteiten zijn eveneens van toepassing in het kader van het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 6° van het koninklijk besluit nr. 4.

3.2.3.1. Minimum van het belastingkrediet

De houder van de vergunning kan slechts effectief teruggaaf bekomen wanneer het door de staat verschuldigde bedrag na het indienen van de btw-maandaangifte waarin het verzoek om teruggaaf wordt gedaan, een belastingoverschot in zijn voordeel vertoont van minstens 50 euro (artikel 81, § 2, eerste lid, 6° van het koninklijk besluit nr. 4).

Indien het belastingoverschot geen 50 euro bereikt, wordt het in de regel automatisch overgedragen naar het volgende aangiftetijdvak.

3.2.3.2. Uitdrukkelijk verzoek

Het belastingkrediet wordt slechts teruggegeven op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige (artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek en artikel 81, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4).

Indien de belastingplichtige - houder van de vergunning voor maandelijkse teruggaaf – wenst dat het belastingoverschot hem wordt teruggegeven, dient hij die teruggaaf uitdrukkelijk aan te vragen door, bij het verstrijken van elke maand waarvoor een belastingoverschot teruggegeven kan worden, een kruisje te plaatsen in het vakje 'Aanvraag om terugbetaling' van de btw-aangifte met betrekking tot de handelingen van dat tijdvak (art. 81, § 4, van het koninklijk besluit nr. 4).

3.2.3.3. Tijdige indiening btw-aangiften

De maandelijkse teruggaaf is eveneens afhankelijk van de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot het lopende jaar ingediend zijn uiterlijk de twintigste van de maand na de maand op het einde waarvan het door de staat verschuldigde bedrag blijkt (artikel 81, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 4).

De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de voorwaarde om de indieningstermijn te respecteren (ten laatste de twintigste dag van de volgende maand) strikt wordt toegepast door de administratie, zelfs in de vakantieperiode, voor de houder van de vergunning van maandelijkse teruggave beoogd in artikel 81, § 2, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit nr. 4.

3.2.3.4. Elektronische indiening van de btw-aangiften

De teruggaaf is afhankelijk van de voorwaarde dat de aangiften met betrekking tot het lopende kalenderjaar worden ingediend overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (artikel 81, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 4).

Alle aangiften met betrekking tot het lopende kalenderjaar moeten bijgevolg langs elektronische weg zijn ingediend. De verplichting tot het indienen van elektronische aangiften geldt in beginsel voor alle belastingplichtigen gehouden tot het indienen van periodieke btw-aangiften.

3.2.3.5. Bankgegevens

De teruggaven voorzien in artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4 geschieden binnen de in artikel 12, § 1, van datzelfde besluit gestelde modaliteiten en bijgevolg rekening houdend met de aan de administratie meegedeelde bankgegevens vermeld in de informatieve aangifte 'Aanvraag tot btw-identificatie' (formulier 604A) of de informatieve aangifte 'Wijziging btw-identificatie' (formulier 604B).

Indien de belastingplichtige zijn rekeningnummer niet heeft meegedeeld bij de aanvang van zijn activiteit (formulier 604 A) of indien hij het rekeningnummer naderhand wijzigt, moet hij het rekeningnummer doorgeven via het formulier 'Aangifte tot wijziging van een identificatie' (formulier 604B).

De teruggaaf kan slechts plaatsvinden indien de belastingplichtige het bankrekeningnummer heeft meegedeeld middels een formulier 604 A of 604 B aan de administratie.

3.2.4. Ordonnancering

Artikel 1, c), van het koninklijk besluit van 21.02.2022, voornoemd, wijzigt het derde lid van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit nr. 4, zodat belastingplichtigen die voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van deze nieuwe categorie van maandelijkse teruggaaf, eveneens uiterlijk de tweede maand volgend op het tijdvak van de maandelijkse aangifte de teruggaaf kunnen genieten.

Krachtens artikel 81, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4 geschiedt de ordonnancering (het bevel tot betaling) in het geval van toepassing van het bijzondere stelsel van maandelijkse teruggaaf bedoeld in § 2, 6° van datzelfde artikel, uiterlijk de tweede maand volgend op het tijdvak waarop de maandaangifte betrekking heeft.

Dit houdt concreet in dat de ordonnancering tot de hierna vermelde aangifteperiode uiterlijk geschiedt op:

maart: 31 mei van het lopende kalenderjaar
april: 30 juni van het lopende kalenderjaar
mei: 31 juli van het lopende kalenderjaar
juni: 31 augustus van het lopende kalenderjaar.

Er wordt volledigheidshalve op gewezen dat het belastingkrediet door de administratie:

- wordt aangewend ter aanzuivering van een btw-belastingschuld die een schuldvordering vormt die zeker, vaststaand en opeisbaar is, wanneer op het tijdstip van de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met de betaling de belastingplichtige uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde belastingen, geldboeten, nalatigheidsinteresten of bijkomende kosten verschuldigd is die voortvloeien uit overtredingen begaan vóór het verstrijken van de periode, dit ongeacht of de belastingplichtige al dan niet heeft geopteerd voor de teruggaaf (artikel 81, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 4)

- wordt ingehouden tot beloop van de btw-belastingschuld die aan te zuiveren is indien de schuldvordering van de administratie geen schuldvordering is die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is indien de schuldvordering wordt betwist alsook in het geval van het bestaan van ernstige vermoedens of bewijzen dat de periodieke aangiften van de belastingplichtige onjuiste gegevens bevatten en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen (artikel 76, § 1, vierde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 81, § 3, vierde en vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 4).

- zonder formaliteit kan worden aangewend, door de bevoegde ambtenaar, ter betaling van de door de belastingplichtige verschuldigde sommen waarvan de inning en de invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet, worden verzekerd door de Federale Overheidsdienst Financiën. Bovendien, kan de bevoegde ambtenaar, voor het betwiste deel van de schuldvordering op belastingplichtige, overgaan tot een dergelijke aanwending zonder formaliteiten als bewarende titel indien de betwiste schuldvordering het voorwerp heeft uitgemaakt van een uitvoerbare titel (artikel 334, § 1 en § 4, in fine, van de programmawet van 27.12.2004, BS 31.12.2004).

4. Inwerkingtreding

De regeling treedt overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 21.02.2022 in werking op 01.03.2022.

Het bijzondere stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen welke hun economische activiteit bestaat uit de levering van elektriciteit waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20 en die voldoen aan alle voorwaarden voor een versnelde teruggaaf is van toepassing op verzoeken tot teruggaaf met betrekking tot een aangifteperiode die ten vroegste aanvangt op 01.03.2022, d.i. ten vroegste met betrekking tot de aangifte van de maand maart 2022 betreft, in te dienen uiterlijk 20.04.2022.

Interne ref.: 139.100

Bron: Fisconetplus

Mots clés