
De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting publiceerde op 05/01/2026 de Circulaire 2026/C/2 over de federale vastgoedfiscaliteit – wijzigingen vanaf aanslagjaar 2026.
Commentaar op de art. 2, 3, 10, 11, 13 en 14 van de wet van 18.12.2025 (BS 30.12.2025 -Numac: 2025009647) houdende diverse bepalingen.
Inhoudstafel
B. Federale belastingvermindering voor interesten van groene leningen
C. Federale belastingvermindering voor bijkomende interesten
D. Federale belastingvermindering voor het bouwsparen
E. Federale belastingvermindering voor enige woning (federale woonbonus)
F. Overheveling van de belastingvermindering tussen echtgenoten (art. 516, § 4, WIB 92)
III. Schematisch overzicht (aanslagjaar 2026)
VI. Gecoördineerde versie van het WIB 92
1. Deze circulaire bespreekt de wijzigingen die door de wet van 18.12.2025 (1) zijn aangebracht aan de federale belastingvoordelen voor uitgaven die verband houden met onroerende goederen. Het gaat om onroerende goederen die op de datum van betaling van de uitgaven niet de eigen woning zijn.
(1) Wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (BS 30.12.2025) (hierna W 18.12.2025).
2. Concreet zijn de volgende federale belastingvoordelen vanaf aanslagjaar 2026 niet meer van toepassing:
- de federale gewone interestaftrek (2)
- de federale belastingvermindering voor interesten van groene leningen (3)
- de federale belastingvermindering voor bijkomende interesten (4)
- de federale belastingvermindering voor het bouwsparen (5)
- de federale belastingvermindering voor enige woning (federale woonbonus) (6).
(2) Art. 14, eerste lid, 1° en 3°, WIB 92, zoals het bestond alvorens te zijn gewijzigd door art. 2, W 18.12.2025.
(3) Art. 14524, § 3, WIB 92, zoals het bestond alvorens te zijn opgeheven door art. 3, W 18.12.2025.
(4) Art. 526, § 1, WIB 92.
(5) Art. 526, § 2, WIB 92.
(6) Art. 539, WIB 92.
3. Hierna worden de verschillende maatregelen afzonderlijk besproken. Daarbij wordt niet stil gestaan bij de specifieke regels die gelden voor de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen).
5. Van de inkomsten van onroerende goederen worden afgetrokken mits zij in het belastbare tijdperk zijn betaald of gedragen (7):
- de interest uit hoofde van schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden waarvan het inkomen na toepassing van art. 12, WIB 92 begrepen is in de belastbare onroerende inkomsten, met uitzondering van de interesten waarvoor een rentesubsidie werd aangevraagd (8)
- de termijnen en de waarde van ermee gelijkgestelde lasten met betrekking tot de aanschaffing van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten met betrekking tot onroerende goederen waarvan het inkomen na toepassing van art. 12, WIB 92 begrepen is in de belastbare onroerende inkomsten, met uitsluiting van de in art. 10, § 2, WIB 92 vermelde rechten van gebruik
- de teruggevorderde rentesubsidies (9).
(7) Art. 14, eerste lid, WIB 92, zoals het bestond alvorens te zijn gewijzigd door art. 2, W 18.12.2025.
(8) Zoals bepaald in art. 8.2.3 van het Vlaams Energiedecreet van 08.05.2009 en in de art. 7.15.1 tot 7.15.5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19.11.2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid.
(9) Zoals bepaald in art. 7.15.5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19.11.2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid.
6. Vanaf aanslagjaar 2026 kunnen de volgende uitgaven niet meer van de inkomsten van onroerende goederen worden afgetrokken (10):
- de interesten die betaald zijn voor schulden die specifiek zijn aangegaan voor het verwerven of behouden van een ander onroerend goed dan de eigen woning. Dit geldt zowel voor nieuwe als lopende schulden.
- de teruggevorderde rentesubsidies (11).
(10) Art. 2, W 18.12.2025.
(11) Zoals bepaald in art. 7.15.5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19.11.2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid.
7. De inkomsten van onroerende goederen kunnen wel nog worden verminderd met de termijnen en de waarde van ermee gelijkgestelde lasten met betrekking tot de aanschaffing van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten met betrekking tot onroerende goederen waarvan het inkomen na toepassing van art. 12, WIB 92 begrepen is in de belastbare onroerende inkomsten, met uitsluiting van de in art. 10, § 2, WIB 92 bedoelde rechten van gebruik (12).
(12) Art. 14, eerste lid, WIB 92.
Deze vergoedingen blijven aftrekbaar van de inkomsten van onroerende goederen, mits zij in het belastbare tijdperk zijn betaald of gedragen.
8. Wanneer het onroerend goed waarvoor de onder randr. 7 bedoelde termijnen zijn betaald, na toepassing van art. 12, WIB 92 slechts gedurende een gedeelte van het belastbaar tijdperk belastbare onroerende inkomsten heeft opgebracht, zijn de termijnen slechts aftrekbaar wanneer ze zijn betaald in het gedeelte van het belastbaar tijdperk waarin het onroerend goed belastbare onroerende inkomsten heeft opgebracht.
9. De regels voor de aanrekening van de aftrek van de onroerende inkomsten (13) blijven onveranderd.
(13) Zoals bedoeld in art. 14, derde tot en met vijfde lid, WIB 92.
(14) Art. 14524, § 3, WIB 92 zoals het bestond alvorens te zijn opgeheven door art. 3, W 18.12.2025.
11. Het gaat om interesten van leningen gesloten vanaf 01.01.2009 tot en met 31.12.2011 om energiebesparende uitgaven te financieren, ook wel groene leningen genoemd.
(15) Art. 3, W 18.12.2025.
13. De interestbonificatie van 1,5 % voor groene leningen (16) blijft wel verder van toepassing.
(16) Art. 2 van de economische herstelwet van 27.03.2009.
14. De federale belastingvermindering voor bijkomende interesten is enkel nog mogelijk via een overgangsregeling (17).
(17) Art. 526, § 1, WIB 92.
15. Deze belastingvermindering kan van toepassing zijn op interesten van hypothecaire leningen die in beginsel vóór 01.01.2005 zijn aangegaan om de enige woning te bouwen, verwerven of verbouwen (18).
(18) Of hypothecaire leningen die vanaf 01.01.2005 en uiterlijk op 31.12.2013 zijn aangegaan, terwijl voor dezelfde woning nog een hypothecaire lening van vóór 01.01.2005 in aanmerking komt voor de bijkomende interestaftrek of voor het bouwsparen.
16. Om in aanmerking te komen voor de federale belastingvermindering voor bijkomende interesten moeten de voorwaarden van art. 526, § 1, WIB 92 voldaan zijn.
17. De federale belastingvermindering voor bijkomende interesten is vanaf aanslagjaar 2026 niet meer van toepassing (19).
(19) Art. 11, 1°, W 18.12.2025.
18. De federale belastingvermindering voor het bouwsparen is enkel nog mogelijk via een overgangsregeling (20).
(20) Art. 526, § 2, WIB 92.
19. Deze belastingvermindering kan van toepassing zijn op:
- de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen (hierna kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen) die vanaf 01.01.1993 en in beginsel vóór 01.01.2005 zijn aangegaan voor het bouwen, verwerven of verbouwen van de woning (21) en
- de bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract (hierna premies van individuele levensverzekeringen) definitief heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en dat uitsluitend dient voor het waarborgen of wedersamenstellen van een dergelijke lening.
(21) Of hypothecaire leningen die vanaf 01.01.2005 en uiterlijk op 31.12.2013 zijn aangegaan, terwijl voor dezelfde woning nog een hypothecaire lening van vóór 01.01.2005 in aanmerking komt voor de bijkomende interestaftrek of voor het bouwsparen.
20. Om in aanmerking te komen voor de federale belastingvermindering voor het bouwsparen moeten de voorwaarden van art. 1451, 2° of 3°, 1454 of 1455 en art. 526, § 2, WIB 92 voldaan zijn.
21. De kapitaalaflossingen of de hiermee verband houdende premies van individuele levensverzekeringen komen bovendien slechts in aanmerking voor de federale belastingvermindering voor het bouwsparen in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 50.000 euro, 52.500 euro, 55.000 euro, 60.000 euro en 65.000 euro (niet-geïndexeerde bedragen) van het aanvangsbedrag van de voor die woning aangegane leningen, naargelang de belastingplichtige geen, één, twee, drie of meer dan drie kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar na het jaar van afsluiting van de lening (22).
(22) Art. 14517 tot 14520, WIB 92, zoals die bestonden alvorens te zijn opgeheven door art. 400, PW 27.12.2004.
22. De belastingplichtige moet deze begrenzing in voorkomend geval zelf doorvoeren bij het invullen van zijn aangifte.
23. De verhoogde belastingvermindering voor het federale bouwsparen is vanaf aanslagjaar 2026 niet meer van toepassing (23).
(23) Art. 11, 2°, W 18.12.2025.
24. Vanaf aanslagjaar 2026 zullen, als aan alle voorwaarden is voldaan (24), de onder randnr. 18 vermelde kapitaalaflossingen en de daarmee verband houdende premies van individuele levensverzekeringen wel nog in aanmerking kunnen komen voor de federale belastingvermindering voor het lange termijnsparen.
(24) Art. 1451, 2° en 3°, 1454 en 1455, WIB 92.
25. De kapitaalaflossingen komen slechts in aanmerking voor de federale belastingvermindering voor het lange termijnsparen in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 50.000 euro (niet-geïndexeerd bedrag) van het aanvangsbedrag van de voor die woning aangegane leningen (25).
(25) Art. 1456, WIB 92.
26. De belastingplichtige moet deze begrenzing in voorkomend geval zelf doorvoeren bij het invullen van zijn aangifte.
27. Voorbeeld
Een belastingplichtige ging in 2004 een hypothecaire lening aan voor de aankoop van zijn enige woning A. Op 01.01.2005 had hij drie kinderen ten laste.
De belastingplichtige verhuisde in 2015 naar een andere woning B. Deze woning is zijn eigen woning. Woning A wordt verhuurd.
De belastingplichtige mag de kapitaalaflossingen in zijn belastingaangifte vermelden in de mate dat zij betrekking hebben op de eerste schijf van de lening.
Het in aanmerking te nemen aanvangsbedrag bedraagt:
- tot en met aanslagjaar 2025:
73.090 euro (geïndexeerd bedrag voor leningen van 2004, rekening houdende met 3 kinderen ten laste)
De (begrensde) kapitaalaflossingen komen in aanmerking voor de federale belastingvermindering voor het bouwsparen (codes 1355/2355 van de voorbereiding van de aangifte in de personenbelasting)
- vanaf aanslagjaar 2026:
60.910 euro (geïndexeerd bedrag voor leningen van 2004)
De (begrensde) kapitaalaflossingen komen in aanmerking voor de federale belastingvermindering voor het lange termijnsparen (codes 1358/2358 van de voorbereiding van de aangifte in de personenbelasting).
28. De federale belastingvermindering voor enige woning (federale woonbonus) is enkel nog mogelijk via een overgangsbepaling (26).
(26) Art. 539, WIB 92.
29. Deze belastingvermindering kan van toepassing zijn op:
- de kapitaalaflossingen en interesten van hypothecaire leningen die vanaf 01.01.2005 en uiterlijk op 31.12.2013 specifiek zijn aangegaan om een enige woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen en
- de premies van individuele levensverzekeringen die de belastingplichtige definitief heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en die uitsluitend dienen voor het waarborgen of wedersamenstellen van een dergelijke hypothecaire lening.
30. Om in aanmerking te komen voor de federale woonbonus moeten de voorwaarden van art. 539, WIB 92 voldaan zijn.
31. De federale woonbonus is vanaf aanslagjaar 2026 niet meer van toepassing (27).
(27) Art. 13, W 18.12.2025.
32. De interesten die voor de federale woonbonus in aanmerking kwamen komen ook niet in aanmerking voor de federale gewone interestaftrek.
33. De kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen en de daarmee verband houdende premies van individuele levensverzekeringen kunnen, als aan alle voorwaarden is voldaan (28), vanaf aanslagjaar 2026 wel in aanmerking komen voor de federale belastingvermindering voor het lange termijnsparen.
(28) Art. 1451, 2° en 3°, 1454 en 1455, WIB 92.
34. De kapitaalaflossingen komen slechts in aanmerking voor de federale belastingvermindering voor het lange termijnsparen in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 50.000 euro (niet-geïndexeerd bedrag) van het aanvangsbedrag van de voor die woning aangegane leningen (29).
(29) Art. 1456, WIB 92.
35. De belastingplichtige moet deze begrenzing in voorkomend geval zelf doorvoeren bij het invullen van zijn aangifte.
36. Voorbeeld
Een belastingplichtige ging in 2006 een hypothecaire lening aan voor de aankoop van zijn enige en eigen woning A.
De belastingplichtige verhuisde in 2015 naar een andere woning B. Deze woning is zijn eigen woning. Woning A wordt verhuurd.
De belastingplichtige heeft steeds de toepassing gevraagd van de federale woonbonus.
Het in aanmerking te nemen aanvangsbedrag bedraagt:
- aanslagjaar 2025:
De uitgaven die in aanmerking komen voor de federale woonbonus dienen bij het invullen van de aangifte te worden begrensd tot 2.450 euro (codes 1370/2370 en 1371/2371 van de voorbereiding van de aangifte in de personenbelasting)
- vanaf aanslagjaar 2026:
De kapitaalaflossingen kunnen, indien aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan in aanmerking komen voor het federale lange termijnsparen.
De belastingplichtige mag de kapitaalaflossingen maar in zijn aangifte vermelden in de mate dat zij betrekking hebben op de eerste schijf van 63.920 euro (geïndexeerd bedrag voor leningen van 2006) (codes 1358/2358 van de voorbereiding van de aangifte in de personenbelasting).
37. De toekenning van een meewerkinkomen aan de meewerkende echtgenoot en/of de toepassing van het huwelijksquotiënt, kan tot gevolg hebben dat, voor contracten gesloten vóór 01.01.1989 op naam van één van de echtgenoten, de kapitaalaflossingen en daarmee verband houdende premies van een individuele levensverzekering (30), ten name van die echtgenoot niet volledig in aanmerking komen voor een belastingvermindering. Het verschil kon tot en met aanslagjaar 2025 zonder splitsing van het contract tot het bedrag bepaald in art. 1456, eerste lid, WIB 92, aanleiding geven tot een ‘bijkomende vermindering’ ten gunste van de andere echtgenoot.
(30) Zoals bedoeld in art. 1451, 2° en 3°, WIB 92 zoals het bestond voordat het door art. 397, PW 27.12.2004 werd gewijzigd.
38. Die bijkomende federale vermindering wordt vanaf aanslagjaar 2026 opgeheven (31).
(31) Art. 10, W 18.12.2025.
39. De overige bepalingen met betrekking tot dergelijke leningen zoals vermeld in art. 516, § 1, WIB 92 (voorwaarden en grensbedragen) blijven onverminderd van toepassing.
40. Zie bijlage.
41. De art. 2, 3, 10, 11 en 13 van de W 18.12.2025 treden in werking vanaf aanslagjaar 2026 (32).
(32) Art. 14, W 18.12.2025.
42. Art. 2, 3, 10, 11, 13 en 14, van de wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (BS 30.12.2025).
43. Na de wijzigingen door de W 18.12.2025 luiden de betrokken bepalingen van het WIB 92 als volgt. De wijzigingen zijn in vet weergegeven.
Art. 14, WIB 92
De termijnen en de waarde van ermee gelijkgestelde lasten met betrekking tot de aanschaffing van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten met betrekking tot onroerende goederen waarvan het inkomen na toepassing van artikel 12 begrepen is in de belastbare onroerende inkomsten, met uitsluiting van de in artikel 10, § 2, bedoelde rechten van gebruik, zijn aftrekbaar van de inkomsten van onroerende goederen mits zij in het belastbare tijdperk zijn betaald of gedragen.
Wanneer het onroerend goed waarvoor de in het eerste lid bedoelde termijnen zijn betaald, na toepassing van artikel 12 slechts gedurende een gedeelte van het belastbaar tijdperk belastbare onroerende inkomsten heeft opgebracht, zijn de in het eerste lid vermelde termijnen slechts aftrekbaar wanneer ze zijn betaald in het gedeelte van het belastbaar tijdperk waarin het onroerend goed belastbare onroerende inkomsten heeft opgebracht.
Het totale bedrag van de in het eerste lid vermelde aftrek is beperkt tot het overeenkomstig de artikelen 7 tot 13 bepaalde onroerend inkomen.
Deze aftrek wordt evenredig afgetrokken van de inkomsten van onroerende goederen.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de in het eerste lid bedoelde aftrek van de ene belastingplichtige groter is dan zijn inkomsten van onroerende goederen, wordt het saldo aangerekend op de inkomsten van de onroerende goederen van de andere belastingplichtige.
Art. 14524 , WIB 92
(…)
Art. 516, WIB 92
§ 1. In afwijking van artikel 1456, tweede lid, wordt de belastingvermindering op de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen die vanaf 1 januari 1963 tot 31 december 1992 zijn aangegaan slechts verleend op voorwaarde dat:
1° met betrekking tot contracten aangegaan tot 31 december 1988:
a) de lening is aangegaan om een sociale woning, een kleine landeigendom of een woning die krachtens de Huisvestingscode ermede gelijkgesteld is, te bouwen, te verwerven of te verbouwen;
b) de lening is aangegaan om een woning die krachtens de Huisvestingscode als middelgroot wordt beschouwd, te bouwen, te verwerven of te verbouwen; in dit geval wordt de lening slechts in aanmerking genomen tot een aanvangsbedrag van 9.915,74 euro.
Met betrekking tot contracten die vanaf 1 mei 1986 tot 31 december 1988 zijn aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen of in nieuwe staat te verwerven, wordt het aanvangsbedrag van 9.915,74 euro op 49.578,70 euro gebracht.
Een woning wordt geacht in nieuwe staat te zijn verworven wanneer zij door de verkoper met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde is overgedragen aan de belastingplichtige;
2° met betrekking tot contracten aangegaan tussen 1 januari 1989 en 31 december 1992, de lening is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen; de betalingen komen slechts in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 49.578,70 euro van het aanvangsbedrag van de lening.
§ 2. (...)
§ 3. (...)
§ 4. (…)
§ 5. De bedragen vermeld in § 1, 2° worden overeenkomstig artikel 178 aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast.
Art. 526, WIB 92
§ 1. Deze paragraaf is tot en met aanslagjaar 2025 van toepassing wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de belastingplichtige heeft een of meerdere hypothecaire leningen aangegaan om zijn enige woning te bouwen, verwerven of verbouwen:
a) vóór 1 januari 2005;
b) vanaf 1 januari 2005 en uiterlijk op 31 december 2013, terwijl voor dezelfde woning nog een hypothecaire lening die is bedoeld in a) in aanmerking komt voor de aftrek van interesten van hypothecaire leningen of voor het bouwsparen;
2° de woning waarvoor de in het 1° vermelde hypothecaire leningen zijn aangegaan, is de eigen woning van de belastingplichtige geweest, en ze is vóór 1 januari 2016 een andere dan de eigen woning geworden;
3° de belastingplichtige heeft voor het vorige belastbare tijdperk voor de interesten van de in het 1° vermelde hypothecaire leningen de toepassing gevraagd van de artikelen 104, 9°, 115 en 116 zoals die bestonden alvorens te zijn gewijzigd of opgeheven door de artikelen 394 en 395 van de programmawet van 27 december 2004.
In dat geval kan de belastingplichtige de toepassing vragen van de artikelen 104, 115 en 116, zoals die bestonden alvorens te zijn gewijzigd of opgeheven door de artikelen 394 en 395 van de programmawet van 27 december 2004, en artikel 242, § 2, zoals het bestond voordat het werd gewijzigd bij artikel 74 van de wet van 8 mei 2014 voor de interesten van een in het eerste lid bedoelde hypothecaire lening, evenwel met dien verstande dat:
1° het voordeel wordt verleend onder de vorm van een belastingvermindering berekend op het bedrag dat overeenkomstig het voormelde artikel 116 aftrekbaar zou zijn van het totale nettoinkomen;
2° de belastingvermindering wordt berekend tegen het voor de belastingplichtige hoogste belastingtarief als vermeld in artikel 130, met een minimum van 30 %. In geval de uitgaven die voor de vermindering in aanmerking komen betrekking hebben op meer dan één belastingtarief, wordt voor elk deel van de uitgaven het overeenstemmend tarief in aanmerking genomen;
3° in geval van een gemeenschappelijke aanslag, het bedrag waarop de belastingvermindering wordt berekend, evenredig wordt omgedeeld in functie van het overeenkomstig artikel 130 belaste inkomen van elk der echtgenoten ten opzichte van de som van de overeenkomstig artikel 130 belaste inkomens van de beide echtgenoten;
4° de belastingvermindering wordt aangerekend overeenkomstig artikel 178/1, na de in artikel 1451, 1°, bedoelde belastingvermindering;
5° de belastingvermindering in aanmerking wordt genomen om de gemiddelde aanslagvoeten als bedoeld in artikel 171, 5° en 6 te bepalen.
De in het voormelde artikel 104, 9°, bedoelde interesten komen niet voor de belastingvermindering in aanmerking wanneer de woning waarvoor de hypothecaire lening is aangegaan op het moment van de betaling van de interesten de eigen woning is van de belastingplichtige.
Voor de toepassing van het voormelde artikel 115 wordt de notie 'in België' vervangen door de notie 'in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte'.
§ 2. Deze paragraaf is tot en met aanslagjaar 2025 van toepassing wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de belastingplichtige heeft een of meerdere hypothecaire leningen aangegaan om zijn enige woning te bouwen, verwerven of verbouwen:
a) vóór 1 januari 2005;
b) vanaf 1 januari 2005 en uiterlijk op 31 december 2013, terwijl voor dezelfde woning nog een hypothecaire lening die is bedoeld in a) in aanmerking komt voor de aftrek van interesten van hypothecaire leningen of voor het bouwsparen;
2° de woning waarvoor de in het 1° vermelde hypothecaire lening is aangegaan, is de eigen woning van de belastingplichtige geweest, en vóór 1 januari 2016 is ze een andere dan de eigen woning geworden;
3° de belastingplichtige heeft voor het vorige belastbare tijdperk voor de betalingen voor de in het 1° vermelde hypothecaire leningen en voor de bijdragen betaald ter uitvoering van een levensverzekeringscontract dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van die hypothecaire leningen, de toepassing gevraagd van de artikelen 14517 tot 14520, zoals die bestonden alvorens te zijn opgeheven door artikel 400 van de programmawet van 27 december 2004.
In dat geval kan de belastingplichtige de toepassing vragen van de artikelen 14517 tot 14520, zoals die bestonden alvorens te zijn opgeheven door artikel 400 van de programmawet van 27 december 2004, voor de betalingen voor de aflossing van een in het eerste lid, 1°, bedoelde hypothecaire lening of de bijdragen betaald ter uitvoering van een verzekeringscontract dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van die hypothecaire lening.
Voor de toepassing van het voormelde artikel 14517 wordt de notie 'in België' vervangen door de notie 'in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte'.
Het tweede lid is eveneens van toepassing voor de belastingplichtigen voor wie de belasting overeenkomstig artikel 243/1 wordt berekend, met dien verstande dat de toepassing van de voormelde artikelen 14517 tot 14520 slechts kan worden gevraagd als de hypothecaire lening aan de in artikel 243/1, 2°, vermelde voorwaarden voldoet.
§ 3. De uitgaven met betrekking tot de in vorige paragrafen bedoelde leningen en contracten komen niet in aanmerking voor de aftrek als bedoeld in artikel 14 zoals het bestond alvorens het werd gewijzigd door artikel 2 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen noch voor de belastingverminderingen als bedoeld in artikel 1451, 2° en 3°, en in paragraaf 1 wanneer:
1° de belastingplichtige
a) tussen 1 januari 2005 en 31 december 2013 een hypothecaire lening heeft gesloten om de enige woning te verwerven of te behouden terwijl voor dezelfde woning nog een lening die is bedoeld in § 1, eerste lid, of § 2, eerste lid, 1°, in aanmerking kwam voor de aftrek van interesten bij toepassing van artikel 526, § 1, zoals het bestond voordat het werd vervangen door artikel 101 van de wet van 8 mei 2014, de aftrek van interesten van hypothecaire leningen of het bouwsparen of;
b) een individueel levensverzekeringscontract sluit dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of waarborgen van een in a) bedoelde lening;
2° en de belastingplichtige in zijn aangifte betreffende het belastbaar tijdperk waarin een in 1°, a, bedoelde lening of een in 1°, b, bedoeld contract is gesloten, heeft vermeld dat hij voor die lening of dat contract opteert voor toepassing van de aftrek voor enige woning als bedoeld in artikel 104, 9°, zoals het bestond voordat het door artikel 20 van de wet van 8 mei 2014 werd opgeheven;
Die keuze is definitief, onherroepelijk en bindend voor de belastingplichtige.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, moeten beide belastingplichtigen dezelfde keuze maken.
§ 4. De in euro uitgedrukte bedragen bedoeld in de artikelen die in de §§ 1 en 2 zijn opgenomen, worden, naargelang het geval, jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast overeenkomstig artikel 178.
§ 5. Voor de toepassing van § 2, eerste lid, 2°, worden de bijdragen en premies die zijn betaald in het kader van levensverzekeringscontracten die vóór 1 januari 2009 werden afgesloten en die niet voldoen aan de begunstigingsclausule bedoeld in artikel 1454, zoals het is gewijzigd bij artikel 173 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen en artikel 114 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (1), in afwijking van die bepaling, toch in aanmerking genomen voor de aldaar bedoelde belastingvermindering voor zover die contracten beantwoorden aan de begunstigingsclausule zoals die in het genoemde artikel bestond alvorens het werd gewijzigd door de hiervoor vermelde wetten.
Art. 539, WIB 92
§ 1. Dit artikel is tot en met aanslagjaar 2025 van toepassing wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de belastingplichtige heeft vanaf 1 januari 2005 en uiterlijk op 31 december 2013 een of meerdere hypothecaire leningen aangegaan om zijn enige woning te bouwen, verwerven of verbouwen;
2° de woning waarvoor een in het 1° vermelde hypothecaire lening is aangegaan, is de eigen woning van de belastingplichtige geweest en vervolgens vóór 1 januari 2016 een andere dan de eigen woning geworden;
3° de belastingplichtige heeft voor het vorige belastbare tijdperk voor de betalingen voor de in het 1° vermelde hypothecaire leningen en voor de bijdragen betaald ter uitvoering van een verzekeringscontract dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van die hypothecaire leningen, de toepassing gevraagd van de artikelen 104, 9°, 115, 116 en 1451, 2° en 3°, zoals ze bestonden alvorens ze werden gewijzigd of opgeheven bij de artikelen 20, 22 en 24 van de wet van 8 mei 2014.
In die gevallen kan de belastingplichtige voor die leningen en contracten de toepassing vragen van de artikelen 104, 9°, 115, 116, 1451, 2° en 3°, en 242, § 2, zoals ze bestonden alvorens ze werden gewijzigd of opgeheven bij de artikelen 20, 22, 24 en 74 van de wet van 8 mei 2014, evenwel met dien verstande dat:
1° het voordeel wordt verleend onder de vorm van een belastingvermindering;
2° het overeenkomstig de in voormelde artikelen 115, § 1, eerste lid, 6°, en 116 bepaalde maximumbedrag waarvoor de belastingvermindering kan worden verleend, wordt verminderd met het bedrag van de uitgaven voor het verwerven of behouden van de eigen woning waarvoor de in de artikelen 14537 en 14539 vermelde verminderingen kunnen worden verleend;
3° de belastingvermindering wordt berekend tegen het voor de belastingplichtige hoogste belastingtarief als vermeld in artikel 130, met een minimum van 30 %. In geval de uitgaven die voor de vermindering in aanmerking komen betrekking hebben op meer dan één belastingtarief, wordt voor elk deel van de uitgaven het overeenstemmend tarief in aanmerking genomen;
4° wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en beide echtgenoten uitgaven hebben gedaan waarvoor de toepassing van de voormelde artikelen wordt gevraagd, de echtgenoten deze uitgaven vrij kunnen verdelen binnen de in de voormelde artikelen 115, § 1, eerste lid, 6°, en 116 bedoelde begrenzingen;
5° de belastingvermindering wordt aangerekend overeenkomstig artikel 178/1, na de in artikel 1451, 1°, vermelde belastingvermindering;
6° de belastingvermindering in mindering wordt gebracht om de gemiddelde aanslagvoeten als bedoeld in artikel 171, 5° en 6° te bepalen.
De belastingvermindering wordt verleend voor zover de woning waarvoor de lening is aangegaan niet de eigen woning is van de belastingplichtige wanneer de uitgaven worden gedaan.
§ 2. De interesten van de in § 1, eerste lid, bedoelde leningen waarvoor de belastingplichtige overeenkomstig § 1, tweede lid, de toepassing heeft gevraagd van de daar vermelde artikelen, komen niet in aanmerking van de toepassing van artikel 14 zoals het tot en met aanslagjaar 2025 van toepassing is.
Het bedrag waarvoor de belastingvermindering wordt verleend, wordt in mindering gebracht van het in artikel 1456, eerste lid, eerste streepje, bedoelde bedrag, zonder rekening te houden met het verschil tussen de eventuele verhogingen bedoeld in het in § 1, tweede lid, vermelde artikel 116 en de eventuele verhogingen bedoeld in artikel 14537 waarvoor de in datzelfde artikel bedoelde belastingvermindering kan worden verleend.
§ 3. De in euro uitgedrukte bedragen die zijn vermeld in de in § 1, tweede lid, vermelde artikelen 115 en 116 worden jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast overeenkomstig artikel 178, § 3, tweede lid. Artikel 174/1 is van toepassing op diezelfde bedragen.
§ 4. Elke handeling die vanaf 1 januari 2023 wordt gesteld en tot doel of gevolg heeft dat de in dit artikel bedoelde belastingvermindering voor een langere looptijd kan worden verleend dan het geval was op 31 december 2022, wordt als niet bestaande beschouwd wat betreft de verlenging van de duurtijd waarin de belastingvermindering kan worden verleend.
Interne ref.: 746.910