• FR
  • NL
  • EN

Circulaire 2026/C/22 betreffende het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde publiceerde op 21/01/2026 de Circulaire 2026/C/22 betreffende het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen.

Deze circulaire is een geactualiseerde toelichting bij de hoofdstukken 2 en 3 van het koninklijk besluit nr. 59 van 18.05.2020 met betrekking tot de onttrekking van handelsgeschenken van geringe waarde en de onttrekking voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft, zoals laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 17.12.2025. Voornoemd koninklijk besluit nr. 59 is een uitvoering van artikel 12, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek.


Inhoudstafel

1. Inleiding
2. De onttrekkingen van voedingsmiddelen met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden (artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, b) van het Btw-Wetboek)

2.1. Bedoelde voedingsmiddelen

2.1.1. Algemene kenmerken van de beoogde voedingsmiddelen
2.1.2. Voedingsmiddelen die niet meer tegen de normale commercialisatievoorwaarden kunnen worden verkocht

2.2. In welke vorm kunnen de voedingsmiddelen worden geschonken?
2.3. Welke belastingplichtigen zijn door de regeling beoogd?
2.4. Aan wie mag de btw-belastingplichtige de voedingsmiddelen schenken?
2.5. Het gratis karakter van de schenkingen en uitzonderingen
2.6. Btw-verplichtingen

2.6.1. Document dat de schenking vaststelt – het schenkingsdocument
2.6.2. Vereenvoudiging: het verzameldocument

3. De onttrekkingen van levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden (artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, c) van het Btw-Wetboek)

3.1. Bedoelde goederen

3.1.1. Algemene kenmerken van de beoogde goederen
3.1.2. Goederen die niet meer tegen de normale commercialisatievoorwaarden kunnen worden verkocht

3.2. Welke belastingplichtigen zijn door de regeling beoogd?
3.3. Aan wie mag de btw-belastingplichtige de goederen schenken?
3.4. Het gratis karakter van de schenkingen en uitzonderingen
3.5. Btw-verplichtingen

3.5.1. Document dat de schenking vaststelt
3.5.2. Vereenvoudiging: het verzameldocument

4. De verdeelplatformen

4.1. Wat is een verdeelplatform?
4.2. Hoe kan een verdeelplatform worden erkend?
4.3. Mag een verdeelplatform een vergoeding vragen voor de verdeling van de goederen?
4.4. Samenwerkingsovereenkomsten die het verdeelplatform moet sluiten

4.4.1. Samenwerkingsovereenkomst tussen het verdeelplatform en een belastingplichtige-schenker
4.4.2. Samenwerkingsovereenkomst tussen het verdeelplatform en een andere begunstigde

4.5. Btw-verplichtingen van verdeelplatformen

4.5.1. Document vereist in de relatie belastingplichtige-schenker en verdeelplatform – het 'schenkingsdocument'
4.5.2. Document vereist in de relatie verdeelplatform en andere begunstigde – het 'verdeeldocument'

4.5.2.1. Mogelijkheid 1: één document per verdeling van goederen
4.5.2.2. Mogelijkheid 2: het verzameldocument

4.5.3. Bij te houden register

5. Recht op aftrek in hoofde van de belastingplichtige-schenker
6. Mogelijke naheffing in hoofde van de belastingplichtige-schenker
7. Inwerkingtreding

1. Inleiding

Wanneer een belastingplichtige aan zijn bedrijf een goed onttrekt om het gratis te verstrekken dan wordt deze handeling in principe gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel bij toepassing van artikel 12, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek is ontstaan.

Door middel van de beslissing nr. E.T.124.417 van 31.07.2013 werd, onder bepaalde voorwaarden, de toepassing van artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, OUD, van het Btw-Wetboek al niet meer geëist voor onttrekkingen die werden verricht door belastingplichtige producenten en distributiebedrijven in de voedingssector die hun onverkoopbare voedingsmiddelen, bestemd voor menselijke consumptie, gratis verstrekten aan erkende voedselbanken met het oog op de gratis uitdeling ervan uitsluitend onder de behoeftige personen in België.

Middels de beslissing nr. E.T.127.958 van 21.05.2015 heeft de administratie deze toegeving uitgebreid tot schenkingen van voedingsmiddelen, bestemd voor menselijke consumptie, aan lokale besturen en aan door deze lokale besturen erkende lokale caritatieve instellingen.

De wet van 30.07.2018, voornoemd, heeft deze twee beslissingen reglementair verankerd in artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Btw-Wetboek (zie ook de circulaire 2019/C/3 van 25.01.2019 betreffende de aanpassingen aan het Btw-Wetboek door de wet van 30.07.2018), zodat het gratis verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen bestemd voor menselijk gebruik niet meer gelijkgesteld wordt met een levering onder bezwarende titel, mits naleving van bepaalde voorwaarden (artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Btw-Wetboek, zoals op 20.08.2018 gewijzigd en aangevuld door artikel 2 van de wet van 30.07.2018 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 10.08.2018)).

In een soortgelijk kader van armoedebestrijding en ondersteuning van de duurzame ontwikkeling, werd artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, vervolgens aangevuld met een punt c) zodat het gratis verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van bepaalde levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen niet meer wordt gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel, mits naleving van bepaalde voorwaarden (artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, c), van het Btw-Wetboek, zoals op 16.05.2019 gewijzigd en aangevuld door de wet van 07.04.2019 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde teneinde schenkingen van niet-voedingsmiddelen aan de meest behoeftigen van btw vrij te stellen (Belgisch Staatsblad van 06.05.2019)).

Deze wetswijziging werd besproken in de circulaire 2019/C/48 van 13.06.2019 betreffende het verstrekken van levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen voor liefdadigheidsdoeleinden.

Artikel 12, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek voorziet in een machtiging aan de koning om de toepassingsvoorwaarden vast te stellen met betrekking tot de aard van de door deze maatregelen bedoelde goederen, de bedoelde liefdadigheidsdoeleinden, de omstandigheden waarin de bedoelde voedingsmiddelen voor die doeleinden kunnen worden verstrekt, het bedrag dat als kosten in rekening kan worden gebracht en de vormvoorwaarden die moeten worden in acht genomen. Deze toepassingsvoorwaarden zijn opgenomen in het koninklijk besluit nr. 59.

In zijn eerste versie (van 28.05.2019) had het koninklijk besluit nr. 59 enkel betrekking op de onttrekking van handelsgeschenken van geringe waarde en voedingsmiddelen voor liefdadigheidsdoeleinden (zie Belgisch Staatsblad van 20.06.2019). Deze eerste versie wordt evenwel vervangen door het koninklijk besluit nr. 59 van 18.05.2020 met betrekking tot de onttrekking van handelsgeschenken van geringe waarde en de onttrekking voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft (Belgisch Staatsblad van 25.05.2020) (hierna: het koninklijk besluit nr. 59). Dit alles vloeit voort uit de invoering, van de bepaling onder c) in artikel 12, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek wat de schenking van bepaalde levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen betreft (zie bovengenoemde wet van 07.04.2019). Deze tweede versie werd toegelicht middels de circulaire 2020/C/116 betreffende het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen van 09.09.2020.

Met ingang van 10.01.2026 werd voormeld koninklijk besluit nr. 59 opnieuw gewijzigd ingevolge het koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 3, 4, 8, 10, 18, 19, 22, 27, 41, 44, 53 en 59 van 17.12.2025 (Belgisch Staatsblad van 31.12.2025), door het versoepelen van de voorwaarden onder de welke de operatoren gratis voedingsmiddelen aan liefdadigheidsinstellingen kunnen overdragen zonder dat het uitgeoefende recht op aftrek het voorwerp is van een fiscale rechtzetting door:

- de maximale termijn tussen de onttrekking van die voedingsmiddelen voor een liefdadigheidsdoel en de uiterste datum dat het goed kan gecommercialiseerd worden uit te breiden;

- de administratieve formaliteiten met betrekking tot die giften te vereenvoudigen.

Het koninklijk besluit nr. 59 is, wat de schenkingen van bepaalde voedingsmiddelen en niet-voedingsmiddelen betreft, als volgt gestructureerd:

- artikelen 2 tot en met 5: de onttrekkingen van voedingsmiddelen met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden;

- artikelen 6 tot en met 9: de onttrekkingen van levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden;

- artikelen 10 tot en met 13: de toepasselijke verplichtingen voor verdeelplatformen;

- artikelen 14 tot en met 17: slotbepalingen en inwerkingtreding.

Deze circulaire bespreekt aldus de btw-behandeling van het gratis verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en bepaalde levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen, zoals reglementair verankerd in artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, b) en c), van het Btw-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 59, rekening houdend met voormelde wijzigingen.

De circulaire bespreekt achtereenvolgens:

- de onttrekkingen van voedingsmiddelen met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden (titel 2);

- de onttrekkingen van levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden (titel 3);

- de toepasselijke verplichtingen voor verdeelplatformen in het kader van de onttrekkingen van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden (titel 4);

- sancties in hoofde van de begunstigden (titel 5);

- recht op aftrek in hoofde van de belastingplichtige-schenkers (titel 6);

- inwerkingtreding (titel 7).

2. De onttrekkingen van voedingsmiddelen met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden (artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, b) van het Btw-Wetboek)

Artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Btw-Wetboek, luidt als volgt:

'§ 1: Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld:

(…)

2° het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed om het om niet te verstrekken, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan, met uitzondering van de onttrekkingen die worden gedaan met het oog op:

(...)

b) het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen bestemd voor de menselijke consumptie, met uitzondering van geestrijke dranken, waarvan de intrinsieke kenmerken niet meer toelaten dat ze, in gelijk welke schakel van het reguliere economische circuit, worden verkocht tegen de oorspronkelijke commercialisatievoorwaarden;'

Die bepaling heeft tot gevolg dat het gratis (om niet) verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van bepaalde voedingsmiddelen niet wordt gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel mits bepaalde toepassingsvoorwaarden worden nageleefd. Die toepassingsvoorwaarden zijn, ingevolge de delegatie aan de koning die voorzien is in artikel 12, § 1, derde lid van het Btw-Wetboek, opgenomen in het koninklijk besluit nr. 59.

2.1. Bedoelde voedingsmiddelen

Op basis van artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, b), van het Btw-Wetboek zijn dus enkel de goederen beoogd die voldoen aan volgende voorwaarden:

1° het gaat om voedingsmiddelen bestemd voor de menselijke consumptie, met uitzondering van geestrijke dranken;

en

waarvan de intrinsieke kenmerken niet meer toelaten dat ze, in gelijk welke schakel van het reguliere economische circuit, worden verkocht tegen de oorspronkelijke commercialisatievoorwaarden.

Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 59 verduidelijkt deze voorwaarden en geeft aan welke voedingsmiddelen in aanmerking komen voor de regeling van de niet-gelijkstelling met een levering van goederen onder bezwarende titel en aldus door een belastingplichtige geschonken kunnen worden zonder dat die schenking aanleiding geeft tot een correctie van het uitgeoefende recht op aftrek:

Worden bedoeld, de goederen die:

'1° bestaan in voedingsmiddelen, met inbegrip van dranken andere dan geestrijke dranken, die:

a) bestemd zijn voor menselijke consumptie;
b) nog geschikt zijn voor menselijke consumptie;

2° niet meer verkocht kunnen worden tegen de normale commercialisatievoorwaarden wegens één of meer van de volgende redenen:

a) de houdbaarheidsdatum van het goed verstrijkt ten laatste :

- dertig dagen na de onttrekking van het goed;

- zes maanden na de onttrekking van het lang of zeer lang houdbare voedingsmiddel door andere belastingplichtigen dan die welke in hoofdzaak die goederen rechtstreeks of onrechtstreeks aan de consument leveren;

b) de verpakking van het goed is beschadigd of niet in overeenstemming met de commercialisatiestandaard van de fabrikant of handelaar;

c) het voedingsmiddel beantwoordt niet aan de productiestandaard vastgelegd door de fabrikant;

d) de gebruikelijke commercialisatieperiode voor het goed is verlopen.'

2.1.1. Algemene kenmerken van de beoogde voedingsmiddelen

De toepassing van de regeling is ten eerste afhankelijk van de aard van de voedingsmiddelen.

Artikel 3, eerste lid, 1° van het koninklijk besluit nr. 59, bepaalt dat het moet gaan om voedingsmiddelen, met inbegrip van dranken andere dan geestrijke dranken, die:

a. bestemd zijn voor menselijke consumptie
en
b. nog geschikt zijn voor menselijke consumptie.

Alle voedingsmiddelen en dranken (met uitzondering van geestrijke dranken zoals bijvoorbeeld 'eaux-de-vie' en likeuren) voor menselijke consumptie zijn beoogd, ongeacht het btw-tarief dat op de levering van die goederen van toepassing zou zijn geweest. Worden dus bijvoorbeeld ook bedoeld, kaviaar, langoesten, oesters, kreeften en dergelijke, waarvan de levering aan het btw-tarief van 21 % onderworpen is.

Het type producten is ook niet van belang. Het kan bijvoorbeeld gaan om al dan niet verpakte verse producten (boter, melk, fruit, groenten …), droge producten (pasta, rijst, koekjes …), diepgevroren producten, enzovoort.

2.1.2. Voedingsmiddelen die niet meer tegen de normale commercialisatievoorwaarden kunnen worden verkocht

De regeling geldt enkel voor de onder titel 2.1.1. beoogde voedingsmiddelen en dranken die overeenkomstig de vigerende standaarden bij de betrokken belastingplichtige niet meer kunnen worden verkocht tegen normale commercialisatievoorwaarden.

Verschillende objectieve redenen kunnen verantwoorden dat de producten niet meer gecommercialiseerd kunnen worden tegen normale voorwaarden.

Artikel 3, eerste lid, 2° van het koninklijk besluit nr. 59 legt vier mogelijke omstandigheden vast.

1. Eerste omstandigheid: de houdbaarheidsdatum van het goed verstrijkt ten laatste:

- dertig dagen na de onttrekking van het goed;

- zes maanden na de onttrekking van het lang of zeer lang houdbare voedingsmiddel door andere belastingplichtigen dan die welke in hoofdzaak die goederen rechtstreeks of onrechtstreeks aan de consument leveren.

Die eerste omstandigheid heeft betrekking op het bederfbaar karakter van het voedingsmiddel of de drank.

Het gaat hier om voedingsmiddelen die voorzien zijn van een houdbaarheidsdatum, ongeacht of het gaat om een datum van minimale houdbaarheid ('ten minste houdbaar tot …' of 'THT') dan wel om een uiterste consumptiedatum ('te gebruiken tot …' of 'TGT').

Er bestaat dus een dubbele termijn:

- een standaardtermijn van ten hoogste 30 dagen die van toepassing is, enerzijds, op alle voedingsmiddelen met beperkte of korte houdbaarheid en, anderzijds, op alle voedingsmiddelen die worden onttrokken door belastingplichtigen die deze goederen hoofdzakelijk rechtstreeks verkopen aan consumenten;

- voor de andere belastingplichtigen (hetzij producenten en tussenpersonen in de productieketen), een termijn van ten hoogste 6 maanden voor alle voedingsmiddelen die lang of zeer lang houdbaar zijn.

Voorbeeld 1: een fles melk vermeldt een houdbaarheidsdatum op 01.08.2020. Die fles kan vanaf 02.07.2020 voor liefdadigheidsdoeleinden geschonken worden (behoudens de eventuele toepassing van een van onderstaande gevallen).

Voorbeeld 2: een pakje suiker vermeldt een houdbaarheidsdatum op 01.08.2020. Dat pak kan voor liefdadigheidsdoeleinden geschonken worden vanaf 01.02.2020 (behoudens de eventuele toepassing van een van onderstaande gevallen).

2. Tweede omstandigheid: de verpakking van het goed is beschadigd of niet in overeenstemming met de commercialisatiestandaard van de fabrikant of handelaar.

De vorm van de verpakking is hierbij niet van belang.

Dit tweede geval beoogt voedingsmiddelen waarvan de verpakking op een dergelijke manier is beschadigd dat het product niet meer verkocht kan worden tegen de oorspronkelijke verkoopsvoorwaarden.

Hetzelfde geldt wanneer, vanaf de commercialisering van het product, de verpakking als niet-conform kan worden beschouwd. Die voorwaarde moet worden geëvalueerd in het licht van de kwaliteitsnormen die door de verkoper of fabrikant gewoonlijk worden gehanteerd, ongeacht of die normen reglementair van aard zijn dan wel verbonden zijn aan overwegingen omtrent marketing.

Voorbeelden

Een pak melk is op de grond gevallen en is ingedeukt. De verpakking is bijgevolg beschadigd en zal door een gemiddelde klant niet meer gekocht worden.

De fabrikant wijzigt om commerciële redenen de verpakking van een product. De overblijvende producten met een verouderde verpakking geraken moeilijker verkocht aan een gemiddelde klant.

De verpakking bevat drukfouten of (ver)taalfouten. Om imagoschade te vermijden, beslist de producent om zijn producten uit de rekken te laten halen.

3. Derde omstandigheid: het voedingsmiddel beantwoordt niet aan de productiestandaard vastgelegd door de fabrikant.

Dit derde geval geldt ongeacht of het een wijziging betreft in omvang, smaak, textuur of kleur, met dien verstande dat de betrokken producten in geen geval ongeschikt mogen zijn voor consumptie.

Voorbeelden

Fruit dat te rijp oogt om nog door gemiddelde klanten te worden verkocht.

Groenten die een afwijkende vorm hebben (kromme komkommers, misvormde tomaten …).

4. Vierde omstandigheid: de gebruikelijke commercialisatieperiode voor het goed is verlopen.

Dit laatste geval heeft betrekking op voedingsmiddelen die gewoonlijk slechts worden gecommercialiseerd gedurende relatief korte periodes.

Worden hier bijvoorbeeld bedoeld de voedingsmiddelen verkocht ter gelegenheid van traditionele feesten zoals Pasen, Kerstmis of Sinterklaas en die rechtstreeks en uitsluitend met dat feest verbonden zijn (Sinterklaasfiguren in chocolade of speculaas, paaseitjes, enzovoort).

Wanneer die periodes voorbij zijn, zijn dergelijke goederen dan ook veel moeilijker verkoopbaar, tenzij belangrijke kortingen worden toegekend.

Worden hier niet bedoeld, de voedingsmiddelen die gedurende een bepaalde periode van het jaar meer geconsumeerd worden maar die in feite niet rechtstreeks verbonden zijn met een bepaalde commercialisatieperiode. Bijvoorbeeld: kreeftensoep, eendenlever, waarvoor meer vraag bestaat in de Kerstperiode. Deze voedingsmiddelen kunnen eventueel wel beoogd worden onder één van voorgaande omstandigheden.

Opdat de schenking van een voedingsmiddel onder de regeling van de niet-gelijkstelling met een levering van goederen onder bezwarende titel zou kunnen vallen, is het dus van belang dat het voedingsmiddel omwille van één van de vier voornoemde mogelijkheden niet meer kan worden verkocht tegen de normale commercialisatievoorwaarden.

De schenking van voedingsmiddelen die niet onder één van voornoemde vier mogelijkheden valt, kan bijgevolg niet genieten van de uitzondering op de onttrekking zoals bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, b) van het Btw-Wetboek. Dit is bijvoorbeeld het geval voor voedingsmiddelen die louter omwille van een overtollige voorraad zouden geschonken worden, zonder dat één van de vier in het koninklijk besluit nr. 59 vermelde omstandigheden deze schenking kunnen motiveren.

2.2. In welke vorm kunnen de voedingsmiddelen worden geschonken?

De voedingsmiddelen kunnen door de belastingplichtige-schenkers worden geschonken in de staat waarin ze oorspronkelijk werden verhandeld of na verwerking of bereiding, in de vorm van maaltijden of voedselpakketten (zie artikel 3, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 59).

Bepaalde voedingsmiddelen dienen vrij snel bewerkt te worden. Dit is bijvoorbeeld het geval ter naleving van de voorschriften inzake voedselveiligheid. Sommige voedingsmiddelen (bijvoorbeeld verse groenten, vlees of vis) moeten onmiddellijk worden bewerkt aangezien die niet (opnieuw) kunnen worden ingevroren of diepgevroren. Die voedingsmiddelen kunnen trouwens eveneens worden gebruikt voor de bereiding van warme maaltijden die bestemd zijn voor bepaalde categorieën hulpbehoevende personen.

De belastingplichtige-schenkers mogen evenwel geen vergoeding vragen voor de eventuele verwerking of bereiding van de geschonken voedingsmiddelen.

De begunstigden (dit zijn de instellingen aan wie de belastingplichtige-schenker de voedingsmiddelen schenkt, zie titel 2.4.) kunnen de geschonken voedingsmiddelen uiteraard ook onder de behoeftige personen verdelen in de staat waarin ze gewoonlijk worden verhandeld (bijvoorbeeld per stuk) dan wel nadat ze door hun of een derde werden verwerkt of bereid in de vorm van bijvoorbeeld maaltijden of voedselpakketten.

De geschonken voedingsmiddelen kunnen trouwens eveneens worden gebruikt voor de bereiding van (warme) maaltijden die bestemd zijn voor de behoeftige personen.

De begunstigden kunnen dus vrij bepalen onder welke vorm zij de geschonken voedingsmiddelen onder de behoeftige personen verdelen (bijvoorbeeld per stuk vrij te kiezen door de behoeftige persoon, in de vorm van bereide maaltijden, als voedselpakket, enzovoort).

De voedingsmiddelen kunnen ook gebruikt worden voor het bereiden van maaltijden die verstrekt worden in erkende restaurants die zich richten tot behoeftige personen, in erkende centra voor armoedebestrijding, door erkende verenigingen die strijden tegen armoede, enzovoort. De voedingsmiddelen en dranken moeten uiteraard aangeboden worden aan behoeftige personen.

2.3. Welke belastingplichtigen zijn door de regeling beoogd?

De schenkers zijn de btw-belastingplichtigen die een onder titel 2.1., hiervoor, bedoeld goed hebben gekocht of geproduceerd, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de voorbelasting is ontstaan.

Het gaat niet uitsluitend om producenten en distributiebedrijven maar bijvoorbeeld ook om belastingplichtigen die voedingsmiddelen hebben aangekocht om deze in het kader van hun economische activiteit te gebruiken (bijvoorbeeld een horeca-uitbater).

De belastingplichtige-schenker moet kunnen aantonen dat hij de onder titel 2.1. beoogde voedingsmiddelen gratis voor liefdadigheidsdoeleinden aan een begunstigde (zie titel 2.4.) heeft verstrekt. Hiervoor moet hij bepaalde formaliteiten naleven (zie titel 2.6.).

De belastingplichtige-schenkers mogen de voedingsmiddelen niet rechtstreeks onder de behoeftige personen verdelen.

2.4. Aan wie mag de btw-belastingplichtige de voedingsmiddelen schenken?

Artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 59 bepaalt op limitatieve wijze aan wie de btw-belastingplichtigen de voedingsmiddelen voor liefdadigheidsdoeleinden kunnen schenken om beoogd te kunnen zijn door deze regeling van niet-gelijkstelling met een levering van goederen onder bezwarende titel.

De voedingsmiddelen moeten door de belastingplichtige-schenkers gratis (om niet) worden verstrekt aan een van de vier onderstaande categorieën begunstigden:

1° een voedselbank:

a. die lid is van de Belgische Federatie van Voedselbanken of van een instelling die zelf lid is van de Europese Federatie van Voedselbanken
b. waarvan het doel bestaat in de verdeling van voedselhulp aan behoeftige personen via caritatieve verenigingen erkend door de voedselbanken.

De voedselbanken staan ten dienste van liefdadigheidsorganisaties die strijden tegen de honger en de sociale uitsluiting. Die organisaties zijn aangesloten bij de voedselbanken en moeten aan precieze criteria voldoen. De voedselhulp wordt verstrekt aan personen die zich in acute of chronische noodsituatie verkeren en de hulp moet worden aangevuld door een sociale omkadering die tot doel heeft om op te komen tegen uitsluiting. De doelstelling van de voedselbanken is om voedselhulp te verlenen aan de behoeftigen door te strijden tegen de honger en de verspilling van levensmiddelen.

Het is vereist dat de betrokken voedselbanken lid zijn van de Belgische Federatie van Voedselbanken of van een instelling die zelf lid is van de Europese Federatie van Voedselbanken en dat hun doel erin bestaat om voedselhulp te verlenen aan behoeftige personen door middel van caritatieve verenigingen erkend door de voedselbanken.

Die twee voorwaarden zijn nauw met elkaar verbonden in de mate waarin, op Belgisch niveau, de erkenning door de Belgische Federatie van Voedselbanken impliceert dat de caritatieve verenigingen een dergelijk doel van sociale aard nastreven.

2° een lokale, gemeentelijke, intercommunale, provinciale, gemeenschaps-, gewestelijke of federale administratie of overheid, in het kader van hun opdrachten tot het verdelen van voedselhulp aan behoeftige personen.

Worden bijvoorbeeld bedoeld: de OCMW's, de sociale hulpdiensten, de regionale of gemeentelijke distributieplatformen.

3° elke door een overheid bedoeld onder 2° erkende caritatieve organisatie.

Die laatste categorie, die bijzonder ruim is, heeft betrekking op het geheel van actoren in de caritatieve sector (verenigingen, groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid, fora, projecten, enzovoort) voor zover ze erkend zijn door een openbare overheid.

Om erkend te kunnen zijn, moet een caritatieve organisaties zich uiteraard kenbaar maken bij de bevoegde administratie of overheidsinstantie (1). Als 'caritatieve organisatie' moet zij een sociale bestaansreden hebben, wat onder meer kan blijken uit haar doelstelling die bestaat in het verlenen van voedselhulp die zij kan laat samengaan met sociale begeleiding van behoeftige personen.

(1) Het betreft een erkenning door een administratie of overheidsinstantie bevoegd voor het sociaal beleid op het niveau dat overeenkomt met het werkgebied van de caritatieve organisatie (lokaal, provinciaal, regionaal of nationaal). Zo dient, bijvoorbeeld, een caritatieve organisatie die nationaal actief is, erkend te zijn door een federale administratie/overheidsinstantie.

In afwezigheid van een formele erkenningsprocedure door de bevoegde overheid, wordt een caritatieve organisatie geacht erkend te zijn indien zij een verklaring kan voorleggen van de bevoegde overheid (2), waarin die bevestigt dat de organisatie (zie artikel 4, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 59):

- zich inzet voor de strijd tegen de armoede en voor de bedeling van de beoogde voedingsmiddelen;

- in staat is om de beoogde goederen in goede omstandigheden te verdelen;

- zich ertoe verbindt om de beoogde goederen niet voor commerciële doeleinden te gebruiken en ze uitsluitend te verdelen onder behoeftige personen zonder enige andere tegenprestatie dan een financiële bijdrage die niet hoger is dan de uitgaven die rechtstreeks verband houden met die verdeling.

(2) De overheidsinstantie die de verklaring uitreikt wordt geacht voorafgaandelijk te onderzoeken, op de wijze die ze het meest geschikt acht, of de caritatieve organisatie voldoet aan de gestelde voorwaarden (sociale doelstelling, organisatie van de voedselbedeling, gevraagde vergoeding, enzovoort).

4° een door de minister van Financiën of zijn gemachtigde erkend verdeelplatform.

De verdeelplatformen worden afzonderlijke besproken onder titel 4., hierna.

De onder punten 1° tot en met 4°, hiervoor, bedoelde instellingen worden 'de begunstigden' genoemd.

2.5. Het gratis karakter van de schenkingen en uitzonderingen

De basispremisse blijft dat de bedeling van de voedingsmiddelen van bij de belastingplichtige-schenker tot bij de behoeftige personen in alle stadia van de verdeling gratis verloopt.

De belastingplichtige-schenker mag onder geen beding een vergoeding vragen, ook niet voor bepaalde administratieve, logistieke of verwerkingskosten. Mocht de belastingplichtige wel een vergoeding vragen dan zou het immers een eenvoudige levering van goederen betreffen en geen schenking.

Uit de ratio legis van de bepaling volgt dat de geschonken goederen niet meer worden verkocht tegen een vergoeding. De begunstigden als bedoeld onder titel 2.4. mogen bijgevolg in beginsel geen tegenprestatie vragen van de behoeftige personen.

Bij wijze van uitzondering kan de begunstigde aan de volgende schakel in de keten (behoeftige persoon of andere begunstigde beoogd in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 59) een bescheiden financiële bijdrage vragen. Die bijdrage mag niet hoger zijn dan de uitgaven die rechtstreeks met de verdeling van die voedingsmiddelen, in hun oorspronkelijke toestand of na verwerking of bereiding, verband houden. De verdeling van voedingsmiddelen kan immers op dezelfde manier gebeuren als bij hun normale commercialisatie (dit wil zeggen in dezelfde verpakking en in dezelfde vorm) maar de verdeling kan bijvoorbeeld ook de vorm aannemen van voorverpakte voedselpakketten.

Het is ook mogelijk dat - om logistieke redenen of om redenen verbonden aan de noodzaak om de producten snel te gebruiken - die voedingsmiddelen snel moeten worden verwerkt tot bereide maaltijden met het oog op hun verstrekking voor liefdadigheidsdoeleinden. Als dergelijke verwerkingen of bereidingen van de voedingsmiddelen noodzakelijk zijn, is het de bedoelde begunstigden toegelaten om van de volgende schakel in de keten (behoeftige persoon of andere begunstigde beoogd in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 59) een financiële bijdrage te vorderen die niet hoger mag zijn dan de uitgaven voor die verwerking of bereiding. Deze regeling geldt zowel voor de door de begunstigde zelfgemaakte uitgaven als op de uitgaven aangerekend door derden in het kader van die verwerking of bereiding van die voedingsmiddelen.

De vergoeding kan daarnaast ook betrekking hebben op de bijkomende uitgaven die de begunstigden binnen de distributieketting moeten maken om te verzekeren dat de voedingsmiddelen op een adequate manier tot bij de behoeftige persoon kunnen worden gebracht, zoals de kosten verbonden aan de opslag, het vervoer of de koeling van de voedingsmiddelen.

Voor sociale kruideniers wordt aanvaard dat zij enerzijds voedingsmiddelen tegen geringe bijdrage (bijdrage die bepaald wordt zoals hiervoor uiteengezet) verdelen aan de behoeftige personen en op bijkomstige wijze verkopen aan andere natuurlijke personen voor zover de uit laatstgenoemde verkopen verkregen inkomsten uitsluitend worden gebruikt voor de financiering van de caritatieve activiteiten van de sociale kruidenier. Enkel sociale kruideniers die onder de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2° van het Btw-Wetboek vallen, zijn hier beoogd.

2.6. Btw-verplichtingen

2.6.1. Document dat de schenking vaststelt – het schenkingsdocument

Om te bewijzen dat de belastingplichtige de betrokken voedingsmiddelen gratis heeft weggeschonken aan één van de begunstigden bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 59, moet krachtens artikel 5, § 1 van het koninklijk besluit nr. 59 een document worden opgesteld voor elke schenking.

Krachtens artikel 5, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 59, moet de belastingplichtige het document in twee exemplaren opstellen, met de volgende vermeldingen:

1° de datum waarop de begunstigde bezit genomen heeft van de goederen;
2° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer van de belastingplichtige;
3° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het ondernemingsnummer van de begunstigde;
4° de aard en de hoeveelheid van de geleverde goederen (3);
5° een vermelding dat de om niet verstrekte goederen beantwoorden aan één van de in artikel 3, eerste lid, 2°, bedoelde voorwaarden (4);
6° het kosteloze karakter van die levering;
7° een verklaring van de begunstigde, op grond waarvan die zich ertoe verbindt:

a. de ontvangen goederen niet voor commerciële doeleinden te gebruiken;
b. de ontvangen goederen te bestemmen voor een sociale actie ten voordele van behoeftige personen;
c. geen tegenprestatie te eisen bij de verdeling van die goederen, met uitzondering van een eventuele financiële bijdrage die niet hoger is dan de uitgaven die rechtstreeks verband houden met die verdeling.

(3) Deze vermelding mag worden vervangen door toevoeging van het kasticket of de scanningslijst met betrekking tot de geleverde goederen in bijlage van het document dat de schenking vaststelt (zie artikel 5, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 59). Bij ieder verzoek van de administratie moet het kasticket of scanningslijst, dat een geheel vormt met het document dat de schenking vaststelt, tezamen met dat document worden voorgelegd.

(4) Het betreft één van de volgende redenen:

a) de houdbaarheidsdatum van het goed verstrijkt ten laatste:

- dertig dagen na de onttrekking van het goed;

- zes maanden na de onttrekking van het lang of zeer lang houdbare voedingsmiddel door andere belastingplichtigen dan die welke in hoofdzaak die goederen rechtstreeks of onrechtstreeks aan de consument leveren;

b) de verpakking van het goed is beschadigd of niet in overeenstemming met de commercialisatiestandaard van de fabrikant of handelaar;

c) het voedingsmiddel beantwoordt niet aan de productiestandaard vastgelegd door de fabrikant;

d) de gebruikelijke commercialisatieperiode voor het goed is verlopen (zie titel 2.1.2., hiervoor).

Dit document wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de levering van goederen werd verricht (zie artikel 5, § 1, derde lid van het koninklijk besluit nr. 59).

Het document moet worden gedagtekend en medeondertekend door de begunstigde van de geleverde goederen (zie artikel 5, § 3 van het koninklijk besluit nr. 59).

2.6.2. Vereenvoudiging: het verzameldocument

Als afwijking op het bovengenoemd principe dat systematisch naar aanleiding van elke schenking een document moet worden opgesteld (zie titel 2.6.1.), is het toegestaan dat de belastingplichtige maar één enkel verzameldocument opstelt per maand.

Artikel 5, § 2 van het koninklijk besluit nr. 59 voorziet dat, in de plaats van het document beoogd onder titel 2.6.1., een verzameldocument mag worden opgesteld waarin de leveringen verricht in de loop van een maand worden gegroepeerd. Het verzameldocument mag enkel de schenkingen bevatten die in de loop van de maand waarop het betrekking heeft, werden gedaan.

Het verzameldocument bevat, per levering van goederen, de vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1 van het koninklijk besluit nr. 59 (zie titel 2.6.1., hiervoor), met uitzondering van de data waarop de begunstigden bezit hebben genomen van de goederen, die mogen worden vervangen door een globale verwijzing naar de maand waarop het document betrekking heeft.

De belastingplichtige schenkers moeten krachtens hun boekhoudkundige btw-verplichtingen immers de gedetailleerde gegevens bewaren van de betreffende schenkingen op basis waarvan het verzameldocument werd opgemaakt.

Het verzameldocument wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin die leveringen van goederen werden verricht (artikel 5, § 2 derde lid van het koninklijk besluit nr. 59).

Het document moet worden gedagtekend en medeondertekend door de begunstigde van de geleverde goederen (zie artikel 5, § 3 van het koninklijk besluit nr. 59).

3. De onttrekkingen van levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden (artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, c) van het Btw-Wetboek)

Artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, c) van het Btw-Wetboek, luidt als volgt:

'§ 1: Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld:

(…)

2° het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed om het om niet te verstrekken, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan, met uitzondering van de onttrekkingen die worden gedaan met het oog op:

c) het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen, andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt waarvan de intrinsieke kenmerken verhinderen dat ze, in gelijk welke schakel van het economische circuit, nog worden verkocht tegen de oorspronkelijke commercialisatievoorwaarden;

Die bepaling, die in werking is getreden op 16.05.2019, heeft tot gevolg dat het gratis (om niet) verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van bepaalde levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen niet meer wordt gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel mits bepaalde voorwaarden worden nageleefd.

3.1. Bedoelde goederen

Op basis van artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, c) van het Btw-Wetboek zijn dus enkel de goederen beoogd die voldoen aan volgende voorwaarden:

1° het gaat om levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen,
andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt;

en

3° die op grond van hun intrinsieke kenmerken, in gelijk welke schakel van het economische circuit, niet meer kunnen worden verkocht tegen de oorspronkelijke commercialisatievoorwaarden.

Artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 59 verduidelijkt deze voorwaarden en geeft aan welke goederen in aanmerking komen voor de regeling van de niet-gelijkstelling met een levering van goederen onder bezwarende titel:

Worden bedoeld, de goederen die:

'1° bestaan in goederen andere dan voedingsmiddelen:

a) die tegemoetkomen aan levensnoodzakelijke behoeften;

b) waarvan de wederverkoopwaarde aanzienlijk vermindert vanaf hun eerste gebruik;

2° niet meer kunnen worden verkocht tegen de normale commercialisatievoorwaarden wegens één of meer van de volgende redenen:

a) de houdbaarheidsdatum of de gebruiksdatum van het goed, naargelang van het geval, nadert of is verlopen op het tijdstip van de onttrekking van het goed;

b) de verpakking van het goed is beschadigd of niet in overeenstemming met de commercialisatiestandaard van de fabrikant of handelaar;

c) het goed beantwoordt niet aan de productiestandaard vastgelegd door de fabrikant;

d) de gebruikelijke commercialisatieperiode voor het goed is verlopen.'

De drie vereiste voorwaarden opdat een goed in aanmerking zou komen voor de regeling, worden hierna besproken onder de titels 3.1.1. en 3.1.2.

Om na te gaan of een goed onder de regeling kan worden geschonken, dient er in een eerste instantie te worden nagegaan of het goed ingevolge zijn aard als levensnoodzakelijk kan worden aangemerkt en niet bestemd is voor een duurzaam gebruik (zie titel 3.1.1.). In bevestigend geval, is vervolgens vereist dat het goed omwille van één van de genoemde redenen, niet meer kan worden verkocht tegen de normale commercialisatievoorwaarden (zie titel 3.1.2.).

3.1.1. Algemene kenmerken van de beoogde goederen

Hierna worden de twee eerste voorwaarden voor de toepassing van 12, § 1, eerste lid, 2°, c) van het Btw-Wetboek besproken, namelijk:

1° het gaat om levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen,
2° andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt.

Artikel 7, 1° van het koninklijk besluit nr. 59 verduidelijkt dat de beoogde goederen bestaan in goederen andere dan voedingsmiddelen:

a. die tegemoetkomen aan levensnoodzakelijke behoeften;
b. waarvan de wederverkoopwaarde aanzienlijk vermindert vanaf hun eerste gebruik.

In de eerste plaats moet het aldus gaan om goederen voor levensnoodzakelijke behoeften (andere dan voedingsmiddelen), namelijk goederen die de levenskwaliteit van mensen die in armoede leven daadwerkelijk kunnen verbeteren. Hier worden de goederen bedoeld die onmisbaar zijn in het dagelijks leven van de betrokken personen en die hen in staat stellen een menswaardig bestaan te leiden.

Producten die als niet noodzakelijk worden beschouwd alsook luxeproducten worden daarentegen niet bedoeld.

Het btw-tarief dat normaal op de levering van deze goederen van toepassing is, is geen relevant onderscheidingscriterium.

De tweede voorwaarde met betrekking tot de goederen betreft het feit dat hun wederverkoopwaarde aanzienlijk afneemt vanaf hun eerste gebruik. Goederen die de kenmerken van een bedrijfsmiddel hebben, zoals voertuigen, tuingereedschap of huishoudelijke apparaten, zijn derhalve uitgesloten.

Op basis van hetgeen voorafgaat kunnen volgende goederen bijvoorbeeld genieten van de regeling van de niet-onttrekking:

- basishygiëneproducten (zepen, shampoos, tandpasta en tandenborstels, toiletpapier, zakdoeken, incontinentiemateriaal, deodorant, inlegkruisjes, maandverband, en andere producten voor de vrouwelijke menstruatie zoals tampons, cups en menstruatie-ondergoed)

- basisschoonheids- en verzorgingsproducten (reinigingscrèmes, scheerapparaten al dan niet elektrisch, scheerschuim, scheermesjes, verzorgende crèmes voor haar, lichaam en aangezicht)

- producten voor baby's en jonge kinderen (luiers, aangepaste zepen, luierkussen, melkflesjes en spenen, vochtige doekjes en luierzalf)

- medische basisproducten voor huishoudelijk gebruik, zoals aspirine, verband en ontsmettingsmiddelen

- huishoudelijke schoonmaakmiddelen (vloerreinigers of multifunctionele reinigingsmiddelen, wasmiddelen, vuilniszakken, wegwerphanddoeken, …) en de schoonmaakbenodigdheden (sponzen, dweilen, emmers, borstels…)

- school- en kantooruitrusting (schooltassen, balpennen, potloden, etui, brooddoos, drinkfles, schrijfmateriaal, liniaal , passer, schriften)

- spelletjes en speelgoed met een beperkte levensduur

- gewoon keukengerei (servies, alledaagse potten en pannen, snijplank, glazen, bestek)

- kleding (broeken, rokken, kleedjes, pullovers, jassen, kousen, ondergoed, handschoenen, mutsen, sjaals, badpak en zwembroeken, …), schoenen (met uitsluiting van schoenen die uitsluitend aangepast zijn aan sportactiviteiten en/of die gecommercialiseerd worden voor hoofdzakelijk sportactiviteiten) en hun toebehoren en vervangstukken (veters, naald en draad, knopen, breiwol)

- huishoudlinnen (beddengoed, handdoeken, tafellaken, …)

- kaarsen

- gloeilampen

- batterijen

- slaapzak

- matrassen en het bedframe

- bijverwarmingstoestellen, meubels en losse meubels

- voedsel voor gezelschapsdieren.

A contrario, zijn volgende goederen, omdat ze niet levensnoodzakelijk zijn en/of omwille van hun duurzaam karakter, bijvoorbeeld niet beoogd door de regeling:

- elektrische huishoudelijke apparaten zoals microgolfovens, kookplaten, droogkasten, ventilator, elektrische verwarmingstoestellen die niet roerend en niet verplaatsbaar zijn, koelkasten …

- meubilair (zetels, tafels, stoelen, kasten, lampen)

- kinderwagens

- voertuigen (auto's, fietsen, steps, bromfietsen, …) en hun toebehoren (fietsstoeltje voor kinderen, fietsenrek, …)

- grasmaaiers

- cosmetica-producten (schmink, lippenstift, nagellak, parfum, …)

- lederwaren en bagage (portefeuilles, reiskoffers, toilettassen, trekkingsrugzakken, hand- of schoudertassen, …)

- sportartikelen (ski's, tennisraketten, fitnesstoestellen, schoenen uitsluitend geschikt voor sportactiviteiten (bijvoorbeeld voetbalschoenen met schroefnoppen) en/of gecommercialiseerd om hoofdzakelijk te worden gebruikt voor sportactiviteiten met inbegrip van sportschoenen die vaak worden gedragen als dagelijks schoenen), kampeerartikelen, …)

- muurverf

- pedaalemmers

- decoratieve voorwerpen (kussens voor in de zetel, cadeaupapier, tuinlampen, …)

- fotoalbums

- postkaarten (voor Kerst, Verjaardag, …)

- sierraden en uurwerken

- artikelen voor dieren, met uitzondering van voedsel voor gezelschapsdieren.

3.1.2. Goederen die niet meer tegen de normale commercialisatievoorwaarden kunnen worden verkocht

De derde voorwaarde met betrekking tot de goederen, betreft het feit dat zij niet meer tegen de normale commercialisatievoorwaarden kunnen worden verkocht, overeenkomstig de normen die voor de betrokken belastingplichtige gelden.

Verschillende objectieve redenen kunnen verantwoorden dat de producten niet meer gecommercialiseerd kunnen worden tegen normale voorwaarden.

Artikel 7, 2° van het koninklijk besluit nr. 59 legt vier omstandigheden vast.

1. Eerste omstandigheid: de houdbaarheidsdatum of de gebruiksdatum van het goed, naargelang van het geval, nadert of is verlopen op het tijdstip van de onttrekking van het goed.

Bepaalde goederen, hoewel het geen voedingsmiddelen betreft, hebben een houdbaarheidsdatum of gebruiksdatum. Het gaat bijvoorbeeld om condooms, ontsmettingsmiddelen, aspirine, …

2. Tweede omstandigheid: de verpakking van het goed is beschadigd of niet in overeenstemming met de commercialisatiestandaard van de fabrikant of handelaar.

De vorm van de verpakking is hierbij niet van belang.

Dit tweede geval beoogt goederen waarvan de verpakking op een dergelijke manier is beschadigd dat het product niet meer verkocht kan worden tegen de oorspronkelijke verkoopsvoorwaarden.

Hetzelfde geldt wanneer, vanaf de commercialisering van het product, de verpakking als niet-conform kan worden beschouwd. Die voorwaarde moet worden geëvalueerd in het licht van de kwaliteitsnormen die door de verkoper of fabrikant gewoonlijk worden gehanteerd, ongeacht of die normen reglementair van aard zijn dan wel verbonden zijn aan overwegingen omtrent marketing.

Voorbeelden

Een doos waspoeder is op de grond gevallen en is ingedeukt. De verpakking is bijgevolg beschadigd en zal door een gemiddelde klant niet meer gekocht worden.

De fabrikant wijzigt om commerciële redenen de verpakking van een product. De overblijvende producten met een verouderde verpakking geraken moeilijker verkocht aan een gemiddelde klant.

De verpakking bevat drukfouten of (ver)taalfouten. Om imagoschade te vermijden, beslist de producent om zijn producten uit de rekken te laten halen.

3. Derde omstandigheid: het goed beantwoordt niet aan de productiestandaard vastgelegd door de fabrikant.

Dit derde geval geldt ongeacht of het een wijziging betreft in omvang, smaak, textuur of kleur, met dien verstande dat de betrokken producten in geen geval ongeschikt mogen zijn voor consumptie.

4. Vierde omstandigheid: de gebruikelijke commercialisatieperiode voor het goed is verlopen.

Dit laatste geval heeft betrekking op goederen die gewoonlijk slechts worden gecommercialiseerd gedurende relatief korte periodes.

Worden hier bijvoorbeeld bedoeld de goederen verkocht ter gelegenheid van traditionele feesten zoals Pasen, Kerstmis of Sinterklaas en die rechtstreeks en uitsluitend met dat feest verbonden zijn. Wanneer die periodes voorbij zijn, zijn dergelijke goederen dan ook veel moeilijker verkoopbaar, tenzij belangrijke kortingen worden toegekend.

Worden hier niet bedoeld, de goederen die gedurende een bepaalde periode van het jaar meer verkocht worden maar die in feite niet rechtstreeks verbonden zijn met een bepaalde commercialisatieperiode.

Bijvoorbeeld: speelgoed voor kinderen wordt in het algemeen meer verkocht in december (Sinterklaas en Kerstperiode) maar speelgoed is in de regel het hele jaar door verkrijgbaar. Speelgoed kan eventueel wel onder de regeling worden geschonken indien deze onder één van voorgaande omstandigheden valt (bijvoorbeeld beschadigde verpakking).

Opdat de schenking van een goed onder de regeling van de niet-gelijkstelling met een levering van goederen onder bezwarende titel zou kunnen vallen, is het dus van belang dat het goed omwille van één van de vier voornoemde mogelijkheden niet meer kan worden verkocht tegen de normale commercialisatievoorwaarden.

De schenking van een goed die niet onder één van voornoemde vier mogelijkheden valt, kan niet genieten van de uitzondering op de onttrekking zoals bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, c) van het Btw-Wetboek.

3.2. Welke belastingplichtigen zijn door de regeling beoogd?

De schenkers die beoogd zijn door de regeling zijn de belastingplichtigen die een beoogd goed hebben gekocht of geproduceerd, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de voorbelasting is ontstaan.

Het gaat niet uitsluitend om producenten en distributiebedrijven maar bijvoorbeeld ook om belastingplichtigen die goederen hebben aangekocht om deze in het kader van hun economische activiteit te gebruiken (bijvoorbeeld een hotel-of restaurantuitbater).

De belastingplichtige-schenker moet kunnen aantonen dat hij de goederen gratis voor liefdadigheidsdoeleinden aan een va de beoogde begunstigden (zie titel 3.3.) heeft verstrekt. Hiervoor moet hij bepaalde formaliteiten naleven (zie titel 3.5.).

De belastingplichtige-schenkers mogen de goederen niet rechtstreeks onder de behoeftige personen verdelen.

3.3. Aan wie mag de btw-belastingplichtige de goederen schenken?

Artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 59 bepaalt op limitatieve wijze aan wie de btw-belastingplichtigen de goederen voor liefdadigheidsdoeleinden kunnen schenken opdat sprake kan zijn van het voordeel van de regeling van de niet-gelijkstelling met een levering van goederen onder bezwarende titel.

De goederen moeten door de belastingplichtige-schenkers gratis (om niet) worden verstrekt aan een van de drie onderstaande categorieën begunstigden:

1° een lokale, gemeentelijke, intercommunale, provinciale, gemeenschaps-, gewestelijke of federale administratie of overheid, in het kader van hun opdrachten tot het verdelen van materiële hulp aan behoeftige personen;
2° elke caritatieve organisatie erkend door een onder 1° bedoelde overheid (5);
3° een door de minister van Financiën of zijn gemachtigde erkend verdeelplatform.

(5) Het betreft een erkenning door een administratie of overheidsinstantie bevoegd voor het sociaal beleid op het niveau dat overeenkomt met het werkgebied van de caritatieve organisatie (lokaal, provinciaal, regionaal of nationaal). Zo dient, bijvoorbeeld, een caritatieve organisatie die nationaal actief is, erkend te zijn door een federale administratie/overheidsinstantie.

Voor meer uitleg wordt verwezen naar titel 2.4. De hier bedoelde begunstigden zijn dezelfde als de begunstigden van schenkingen van voedingsmiddelen, met uitzondering van de voedselbanken. De verdeelplatformen worden uitvoerig besproken onder titel 4.

Volledigheidshalve wordt evenwel gewezen op de problematiek van de erkenning van de caritatieve organisaties bedoeld onder 2°.

Artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 59 bepaalt dat in afwezigheid van een formele erkenningsprocedure door de bevoegde overheid, een caritatieve organisatie geacht worden erkend te zijn indien zij een verklaring kan voorleggen van de bevoegde overheid (6), waarin die bevestigt dat de organisatie:

1° zich inzet voor de strijd tegen de armoede en voor de bedeling van de bedoelde goederen;

2° in staat is om de bedoelde goederen in goede omstandigheden te verdelen;

3° zich ertoe verbindt om de bedoelde goederen niet voor commerciële doeleinden te gebruiken en ze uitsluitend te verdelen onder behoeftige personen zonder enige andere tegenprestatie dan een nanciële bijdrage die niet hoger is dan de uitgaven die rechtstreeks verband houden met die verdeling.

(6) De overheidsinstantie die de verklaring uitreikt wordt geacht voorafgaandelijk te onderzoeken, op de wijze die ze het meest geschikt acht, of de caritatieve organisatie voldoet aan de gestelde voorwaarden (sociale doelstelling, organisatie van de bedeling van de goederen, gevraagde vergoeding, enzovoort).

3.4. Het gratis karakter van de schenkingen en uitzonderingen

De basispremisse blijft dat de bedeling van de goederen van bij de belastingplichtige-schenker tot bij de behoeftige personen in alle stadia van de verdeling gratis verloopt.

De belastingplichtige-schenker mag onder geen beding een vergoeding vragen, ook niet voor bepaalde administratieve of logistieke kosten. Mocht de belastingplichtige wel een vergoeding vragen dan zou het immers een eenvoudige levering van goederen betreffen en geen schenking.

Uit de ratio legis van de bepaling volgt dat de geschonken goederen niet meer worden verkocht tegen een vergoeding. De begunstigden als bedoeld onder titel 3.3. mogen bijgevolg in beginsel geen tegenprestatie vragen van de volgende schakel in de keten (behoeftige persoon of andere begunstigde bedoeld in artikel 8, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 59).

Bij wijze van uitzondering kan de begunstigde desgevallend een kleine financiële bijdrage vragen die niet hoger mag zijn dan het bedrag van de uitgaven die rechtstreeks verband houden met die verdeling.

Voor sociale kruideniers wordt aanvaard dat zij enerzijds goederen tegen geringe bijdrage (bijdrage die bepaald wordt zoals onder deze titel uiteengezet of onder titel 2.5. voor wat de voedingsmiddelen betreft) verdelen aan de behoeftige personen en op bijkomstige wijze verkopen aan andere natuurlijke personen voor zover de uit laatstgenoemde verkopen verkregen inkomsten uitsluitend worden gebruikt voor de financiering van de caritatieve activiteiten van de sociale kruidenier. Enkel sociale kruideniers die onder de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2° van het Btw-Wetboek vallen, zijn hier beoogd.

3.5. Btw-verplichtingen

3.5.1. Document dat de schenking vaststelt

Om te bewijzen dat de belastingplichtige de betrokken goederen gratis heeft weggeschonken aan één van de begunstigden bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 59, moet krachtens artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit nr. 59 een document worden opgesteld voor elke schenking.

Overeenkomstig artikel 9, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 59, moet de belastingplichtige het document in twee exemplaren opstellen, met de volgende vermeldingen:

1° de datum waarop de begunstigde bezit genomen heeft van de goederen;
2° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer van de belastingplichtige;
3° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het ondernemingsnummer van de begunstigde;
4° de aard en de hoeveelheid van de geleverde goederen;
5° een vermelding dat de om niet verstrekte goederen beantwoorden aan één van de in artikel 7, 2°, bedoelde voorwaarden (7);
6° het kosteloze karakter van die levering;
7° een verklaring van de begunstigde, op grond waarvan die zich ertoe verbindt:

a. de ontvangen goederen niet voor commerciële doeleinden te gebruiken;
b. de ontvangen goederen te bestemmen voor een sociale actie ten voordele van behoeftige personen;
c. geen tegenprestatie te eisen bij de verdeling van die goederen, met uitzondering van een eventuele financiële bijdrage die niet hoger is dan de uitgaven die rechtstreeks verband houden met die verdeling (8).

(7) Het betreft één van de volgende redenen: a. de houdbaarheidsdatum of de gebruiksdatum van het goed, naargelang van het geval, nadert of is verlopen op het tijdstip van de onttrekking van het goed;

b. de verpakking van het goed is beschadigd of niet in overeenstemming met de commercialisatiestandaard van de fabrikant of handelaar;

c. het goed beantwoordt niet aan de productiestandaard vastgelegd door de fabrikant;

d. de gebruikelijke commercialisatieperiode voor het goed is verlopen (zie titel 3.1.2., hiervoor).
(8) De begunstigde verbindt zich ertoe om geen tegenprestatie te vragen wanneer hij op zijn beurt de goederen hetzij rechtstreeks verstrekt aan de behoeftige personen, hetzij verdeelt aan een andere begunstigde bedoeld in artikel 8, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 59 die voor de verdere verstrekking van de goederen instaan. Bij wijze van uitzondering kan de begunstigde desgevallend een kleine financiële bijdrage vragen die niet hoger mag zijn dan het bedrag van de uitgaven die rechtstreeks verband houden met die verdeling.

Dit document wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de levering van goederen werd verricht (zie artikel 9, § 1, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 59).

Het document moet worden gedagtekend en medeondertekend door de begunstigde van de geleverde goederen (zie artikel 9, § 3 van het koninklijk besluit nr. 59).

3.5.2. Vereenvoudiging: het verzameldocument

Als vereenvoudiging op het bovengenoemd principe dat systematisch naar aanleiding van elke schenking een document moet worden opgesteld (zie titel 3.5.1.), is het toegestaan dat de belastingplichtige maar één enkel verzameldocument opstelt per maand.

Artikel 9, § 2 van het koninklijk besluit nr. 59 voorziet dat, in de plaats van het document beoogd onder titel 3.5.1., een verzameldocument mag worden opgesteld waarin de leveringen verricht in de loop van een maand worden gegroepeerd. Het verzameldocument mag enkel de schenkingen bevatten die in de loop van de maand waarop het betrekking heeft, werden gedaan.

Het verzameldocument bevat, per levering van goederen, de vermeldingen bedoeld in artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit nr. 59 (zie titel 3.5.1., hiervoor), met uitzondering van de data waarop de begunstigden bezit hebben genomen van de goederen, die mogen worden vervangen door een globale verwijzing naar de maand waarop het document betrekking heeft.

De belastingplichtige schenkers moeten krachtens hun boekhoudkundige btw-verplichtingen immers de gedetailleerde gegevens bewaren van de betreffende schenkingen op basis waarvan het verzameldocument werd opgemaakt.

Het verzameldocument wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin die leveringen van goederen werden (artikel 9, § 2, derde lid van het koninklijk besluit nr. 59).

Het document moet worden gedagtekend en medeondertekend door de begunstigde van de geleverde goederen (zie artikel 9, § 3 van het koninklijk besluit nr. 59).

4. De verdeelplatformen

De toepasselijke verplichtingen voor verdeelplatforms in het kader van de onttrekkingen van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden, zijn opgenomen in de artikelen 10 tot en met 13 van het koninklijk besluit nr. 59.

4.1. Wat is een verdeelplatform?

De erkende verdeelplatformen maken deel uit van de mogelijke begunstigden van schenkingen van voedingsmiddelen en niet-voedingsmiddelen bedoeld in artikel 4, eerste lid en 8, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 59.

Verdeelplatformen kunnen zowel voedingsmiddelen als niet-voedingsmiddelen verdelen. Voor de leesbaarheid wordt hierna van 'goederen' gesproken.

De verdeelplatformen vormen belangrijke actoren in het kader van de verdeling van goederen voor liefdadigheidsdoeleinden. Het komt voor dat belastingplichtigen goederen van hun onderneming schenken door bemiddeling van dergelijke platformen die die goederen in ontvangst nemen, opslaan en vervolgens verdelen aan overheidsinstanties of caritatieve organisaties, waarbij laatstgenoemden worden gelast om de goederen te verstrekken aan de behoeftige personen.

Dergelijke platformen kunnen zowel door een overheidsinstantie opgericht zijn als uitgaan van een privé-initiatief.

Ze beschikken in principe over de logistieke en menselijke middelen om grotere hoeveelheden goederen bij schenkers op te halen, te vervoeren en op te slaan.

Om te kunnen worden beschouwd als een verdeelplatform, moet de organisatie cumulatief aan volgende voorwaarden voldoen (zie artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 59):

1° materiële voedings- of niet-voedingshulp ontvangen van belastingplichtigen en die verdelen aan de in de artikelen 4, eerste lid en 8, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 59 bedoelde begunstigden in het kader van activiteiten die rechtstreeks verband houden met liefdadigheidsdoeleinden ten voordele van behoeftige personen;
2° uitsluitend activiteiten uitoefenen die rechtstreeks verband houden met liefdadigheidsdoeleinden;
3° geen winstoogmerk nastreven.

4.2. Hoe kan een verdeelplatform worden erkend?

De erkenningsvoorwaarden zijn opgenomen in artikel 10, § 2 van het koninklijk besluit nr. 59.

Een verdeelplatform kan worden erkend wanneer het beantwoordt aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

1° het beschikt over voldoende logistieke middelen voor de inzameling, de opslag en de effectieve verdeling van voedings- en niet-voedingsmiddelen ten voordele van de in de artikelen 4, eerste lid en 8, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 59 bedoelde begunstigden;
2° het verbindt er zich toe de ontvangen goederen niet voor commerciële doeleinden te gebruiken en deze goederen uitsluitend te verdelen ten voordele van de in de artikelen 4, eerste lid en 8, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 59 bedoelde begunstigden;
3° het verbindt er zich toe geen tegenprestatie te eisen bij de verdeling van die goederen, met uitzondering van een eventuele financiële bijdrage die niet hoger is dan de uitgaven die rechtstreeks verband houden met die verdeling.

Overeenkomstig artikel 10, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 59 bepalen de minister van Financiën of zijn gemachtigde de manier waarop de erkenning moet worden aangevraagd en vernieuwd, de voor te leggen verantwoordingsstukken en de datum waarop de erkenning uitwerking heeft.

De erkenning moet door het verdeelplatform zelf worden aangevraagd.

Die aanvraag tot erkenning dient te worden gericht tot:

FOD Financiën
Algemene Administratie van de Fiscaliteit
Dienst Operationele Expertise en Ondersteuning - Dienst btw
Koning Albert II-laan 33 bus 25
1030 Brussel

Het aanvraagdossier moet alle elementen bevatten die de administratie in staat stelt om na te gaan of het verdeelplatform beantwoordt aan de vereiste erkenningsvoorwaarden. Zo dient het aanvraagdossier minstens volgende informatie te bevatten:

- een nota waarin het verdeelplatform haar activiteiten en werking voorstelt. Volgende informatie dient alvast vermeld te worden:

* de naam of maatschappelijke benaming, het adres, ondernemingsnummer, coördinaten vertegenwoordiger of contactpersoon;
* hoe het verdeelplatform georganiseerd is voor de inzameling en opslag van de geschonken goederen (hoe gebeurt de inzameling? waar worden de goederen opgeslagen?);
* hoe het verdeelplatform georganiseerd is voor de verdeling van de geschonken goederen aan de begunstigden;
* hoe worden de voorraadswijzigingen bijgehouden (ontvangen goederen ten opzichte van verdeelde goederen)?;
* op welke wijze worden de goederen getraceerd vanaf de ontvangst ervan door een belastingplichtige-schenker tot de verdeling ervan aan een begunstigde?;
* op welke wijze het verdeelplatform nagaat of de begunstigden waarmee het samenwerkt beoogd zijn door deze regeling;
* op welke wijze het platform zijn activiteiten financiert (subsidies? giften? sponsoring? …);
* wordt er van de begunstigden een vergoeding gevraagd? Zo ja, hoe wordt die bepaald?;
* is het verdeelplatform reeds actief? Zo ja, sinds wanneer?,

- de statuten;

- een voorbeeld van (of ontwerp van) de samenwerkingsovereenkomst die het verdeelplatform moet sluiten met de belastingplichtige-schenkers (zie titel 4.4.1., hierna);

- een voorbeeld van (of ontwerp van) de samenwerkingsovereenkomst die het verdeelplatform moet sluiten de begunstigden (zie titel 4.4.2., hierna).

De administratie onderzoekt de aanvraag op basis van bovengenoemde inlichtingen en kan, indien nodig, bijkomende inlichtingen opvragen.

De erkenning geldt voor een periode van 3 jaar en kan op verzoek van het verdeelplatform worden hernieuwd.

De administratie kent aan het platform een erkenningsnummer toe. Dat nummer, alsook de datum van uitwerking van de erkenning, moeten worden vermeld in de samenwerkingsovereenkomst die het verdeelplatform sluit met de belastingplichtige-schenkers (zie titel 4.4.1., hierna).

Op grond van artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 59 kan de erkenning van een verdeelplatform worden ingetrokken in de volgende gevallen:

1° wanneer die erkenning werd verkregen ingevolge onjuiste verklaringen;
2° wanneer het verdeelplatform niet langer de voorwaarden of engagementen vervult opgenomen in die erkenning;
3° wanneer het verdeelplatform niet langer de in artikel 12 van het koninklijk besluit bedoelde verplichtingen vervult (9).

(9) Het gaat om het verdeeldocument dat het verdeelplatform moet opstellen bij de verdeling van goederen aan een andere begunstigde alsook het door het platform bij te houden register (zie titels 4.5.2. en 4.5.3., hierna).

Wanneer een verdeelplatform niet langer over die erkenning beschikt, zal geen enkele schenking na die intrekking nog kunnen worden onderworpen aan de onderhavige regeling.

Om de belastingplichtige-schenkers de zekerheid te bieden dat de onderhavige regeling kan worden toegepast op de schenkingen die ze doen door bemiddeling van een platform, wordt de lijst van de erkende verdeelplatforms gepubliceerd op de website van de administratie belast met de belasting op de toegevoegde waarde.

4.3. Mag een verdeelplatform een vergoeding vragen voor de verdeling van de goederen?

Het principe is dat verdeelplatformen de ontvangen goederen daadwerkelijk gratis moeten verdelen aan de begunstigden.

Bij wijze van uitzondering kan het platform desgevallend een kleine financiële bijdrage vragen in het kader van de verdeling van die goederen, die niet hoger mag zijn dan het bedrag van de uitgaven die rechtstreeks daarmee verband houden. Hiermee worden met name bedoeld de kosten inzake vervoer, verpakking en opslag van de goederen, ongeacht of die kosten verbonden zijn aan de handelingen van het platform zelf dan wel aan betalingen voor de tussenkomst van derden.

4.4. Samenwerkingsovereenkomsten die het verdeelplatform moet sluiten

Artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 59 voorziet dat een verdeelplatform ertoe gehouden is om zowel met de belastingplichtige schenkers (artikel 11, § 1) als met de begunstigden (artikel 11, § 2) samenwerkingsovereenkomsten af te sluiten met betrekking tot de verdeling van de bedoelde goederen voor liefdadigheidsdoeleinden.

4.4.1. Samenwerkingsovereenkomst tussen het verdeelplatform en een belastingplichtige-schenker

Het verdeelplatform dat om niet (gratis) goederen ontvangt van een belastingplichtige-schenker is gehouden met deze belastingplichtige een overeenkomst af te sluiten waarin:

1° de belastingplichtige zich verbindt aan het platform goederen om niet te leveren met het oog op de verdeling ervan aan de in de artikelen 4, eerste lid en 8, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 59 bedoelde begunstigden;
2° het nummer van de in artikel 10, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 59 bedoelde erkenning wordt vermeld, evenals de datum vanaf wanneer die uitwerking heeft;
3° het platform zich verbindt geen tegenprestatie te eisen bij de verdeling van de goederen, met uitzondering van een eventuele financiële bijdrage die niet hoger is dan de uitgaven die rechtstreeks verband houden met die verdeling.

De overeenkomst wordt opgemaakt in twee exemplaren, waarvan het verdeelplatform en de belastingplichtige verklaren er elk één te hebben ontvangen. De overeenkomst wordt gedagtekend en ondertekend door beide partijen.

De partijen kunnen in die overeenkomst ook bepalingen opnemen omtrent de manier waarop de goederen aan het platform zullen worden overgemaakt (ophalen bij de belastingplichtige, leveren bij het platform, …).

De administratie mag, zowel aan de belastingplichtige-schenker als aan het verdeelplatform, verzoeken om de gesloten overeenkomsten aan haar voor te leggen.

Als er een schenking gebeurt tussen twee verdeelplatformen, dan zijn bovengenoemde verplichtingen op identieke wijze van toepassing.

Mits de modaliteiten tussen de contracterende partijen ongewijzigd blijven en zolang de erkenning geldt, dient er slechts één samenwerkingsovereenkomst per relatie te worden gesloten.

4.4.2. Samenwerkingsovereenkomst tussen het verdeelplatform en een andere begunstigde

Een verdeelplatform dat de geschonken goederen aan een andere in de artikelen 4, eerste lid en 8, eerste lid van het koninklijk besluit bedoelde begunstigde verdeelt, is gehouden met deze begunstigde een overeenkomst af te sluiten waarin:

1° het platform zich verbindt de goederen om niet te ontvangen van belastingplichtigen of, desgevallend, van een andere erkende verdeelplatform;
2° het nummer van de in artikel 10, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit bedoelde erkenning wordt vermeld, evenals de datum vanaf wanneer die uitwerking heeft.

De overeenkomst wordt opgemaakt in twee exemplaren, waarvan het verdeelplatform en de begunstigde verklaren er elk één te hebben ontvangen. De overeenkomst wordt gedagtekend en ondertekend door beide partijen.

De partijen kunnen in die overeenkomst ook bepalingen opnemen omtrent de manier waarop de goederen aan de begunstigden zullen worden overgemaakt (ophalen in depot, leveren bij de begunstigde,…).

De administratie mag, zowel aan het verdeelplatform als aan de begunstigde, verzoeken om de gesloten overeenkomsten aan haar voor te leggen.

Mits de modaliteiten tussen de contracterende partijen ongewijzigd blijven en zolang de erkenning geldt, dient er slechts één samenwerkingsovereenkomst per relatie te worden gesloten.

Er wordt volledigheidshalve eraan herinnerd dat het verdeelplatform geen tegenprestatie van de begunstigde mag eisen bij de verdeling van de goederen, met uitzondering van een eventuele financiële bijdrage die niet hoger is dan de uitgaven die rechtstreeks verband houden met die verdeling.

Als er een schenking gebeurt tussen twee verdeelplatformen, dan zijn bovengenoemde verplichtingen op identieke wijze van toepassing.

4.5. Btw-verplichtingen van verdeelplatformen

4.5.1. Document vereist in de relatie belastingplichtige-schenker en verdeelplatform – het 'schenkingsdocument'

Betreffende de verplicht op te stellen documenten die de schenking van voedingsmiddelen of niet-voedingsmiddelen door een belastingplichtige aan een erkend verdeelplatform vaststellen, wordt verwezen naar titels 2.6. en 3.5. hiervoor.

4.5.2. Document vereist in de relatie verdeelplatform en andere begunstigde – het 'verdeeldocument'

4.5.2.1. Mogelijkheid 1: één document per verdeling van goederen

Wanneer een verdeelplatform de geschonken goederen verdeelt aan een andere begunstigde beoogd in de artikelen 4, eerste lid of 8, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 59, moet het platform een document opstellen met de volgende vermeldingen (zie artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 59):

1° de datum waarop de begunstigde bezit genomen heeft van de goederen;
2° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het ondernemingsnummer van het verdeelplatform;
3° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het ondernemingsnummer van de begunstigde;
4° de aard en de hoeveelheid van de geleverde goederen (10);
5° de in artikel 3, eerste lid, 2° en in artikel 7, 2°, van het koninklijk besluit nr. 59 bedoelde reden waarom de goederen niet meer kunnen verkocht worden tegen de normale commercialisatievoorwaarden (11) (12);
6° het kosteloze karakter van die levering of, desgevallend, het bedrag van de in artikel 10, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 59 bedoelde financiële bijdrage;
7° een verklaring van de begunstigde waarin hij zich verbindt:

a. de ontvangen goederen niet voor commerciële doeleinden te gebruiken;
b. de ontvangen goederen te bestemmen voor een sociale actie ten voordele van behoeftige personen;
c. geen tegenprestatie te eisen bij de verdeling van die goederen, met uitzondering van een eventuele financiële bijdrage die niet hoger is dan de uitgaven die rechtstreeks verband houden met die verdeling.

(10) Wat voedingsmiddelen betreft, mag deze vermelding worden vervangen door toevoeging van het kasticket of de scanningslijst met betrekking tot de geleverde goederen in bijlage van het verdeeldocument. Bij ieder verzoek van de administratie moet het kasticket of scanningslijst, dat een geheel vormt met het document dat de verdeling vaststelt, tezamen met dat document worden voorgelegd.
(11) Wat de verdeling van voedingsmiddelen betreft, gaat het om één van de volgende redenen: a. de houdbaarheidsdatum van het goed verstrijkt ten laatste : hetzij dertig dagen na de onttrekking van het goed; hetzij zes maanden na de onttrekking van het lang of zeer lang houdbare voedingsmiddel door andere belastingplichtigen dan die welke in hoofdzaak die goederen rechtstreeks of onrechtstreeks aan de consument leveren; b. de verpakking van het goed is beschadigd of niet in overeenstemming met de commercialisatiestandaard van de fabrikant of handelaar; c. het voedingsmiddel beantwoordt niet aan de productiestandaard vastgelegd door de fabrikant; d. de gebruikelijke commercialisatieperiode voor het goed is verlopen
(12) Wat de verdeling van niet-voedingsmiddelen betreft, gaat het om één van de volgende redenen:

a. de houdbaarheidsdatum of de gebruiksdatum van het goed, naargelang van het geval, nadert of is verlopen op het tijdstip van de onttrekking van het goed;

b. de verpakking van het goed is beschadigd of niet in overeenstemming met de commercialisatiestandaard van de fabrikant of handelaar;

c. het goed beantwoordt niet aan de productiestandaard vastgelegd door de fabrikant;

d. de gebruikelijke commercialisatieperiode voor het goed is verlopen.

Dit document moet bij iedere verdeling van goederen worden opgesteld, in twee exemplaren. Dat document wordt gedagtekend en medeondertekend door de begunstigde en wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de verdeling van goederen werd verricht.

4.5.2.2. Mogelijkheid 2: het verzameldocument

Als vereenvoudiging op het bovengenoemd principe dat systematisch naar aanleiding van elke verdeling van goederen een document moet worden opgesteld (zie titel 4.5.2.1.), is het toegestaan dat het verdeelplatform, per begunstigde, maar één enkel verzameldocument opstelt per maand.

Artikel 12, § 2 van het koninklijk besluit nr. 59 voorziet dat, in de plaats van het document beoogd onder titel 4.5.2.1., een verzameldocument mag worden opgesteld waarin de verdelingen verricht in de loop van een maand worden gegroepeerd.

Het verzameldocument herneemt enkel de verdelingen van goederen die gedurende die maand werden gedaan.

Het verzameldocument bevat, per verdeling van goederen, de vermeldingen opgesomd in artikel 12, § 1 van het koninklijk besluit nr. 59 (zie titel 4.5.2.1.), met uitzondering van de data waarop de begunstigden bezit hebben genomen van de goederen, die mogen worden vervangen door een globale verwijzing naar de maand waarop het document betrekking heeft.

Het verzameldocument wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin die verdelingen van goederen werden verricht.

Dat document wordt gedagtekend en medeondertekend door de begunstigde en wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de verdeling van goederen werd verricht.

4.5.3. Bij te houden register

Om het mogelijk te maken de goederenstroom te volgen, voorziet artikel 12, § 4, van het koninklijk besluit nr. 59 dat het verdeelplatform een gedetailleerd register moet bijhouden van de inkomende goederen (ontvangen van de belastingplichtige-schenkers) en van de verdeelde goederen (aan de begunstigden).

Het platform vermeldt in dat register, voor elk ontvangen goed:

1° een volgnummer;
2° de datum van ontvangst van het goed;
3° de gebruikelijke benaming van dat goed of een identificatiemerk, indien aanwezig;
4° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer van de belastingplichtige die of, desgevallend, het platform dat het goed heeft geleverd (geschonken);
5° de datum waarop het goed aan een begunstigde werd verdeeld;
6° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het ondernemingsnummer van de begunstigde;
7° het bedrag dat eventueel van de begunstigde wordt geëist als de in artikel 10, § 2, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit nr. 59 bedoelde financiële bijdrage.

Dit register moet op elk verzoek van de administratie kunnen worden voorgelegd.

5. Recht op aftrek in hoofde van de belastingplichtige-schenker

De belastingplichtige die voedingsmiddelen of niet-voedingsmiddelen schenkt onder de regeling van artikel 12, § 1, tweede lid, 2°, b) of c) van het Btw-Wetboek, mits naleving van de uitvoeringsbepalingen van het koninklijk besluit nr. 59, behoudt zijn recht op aftrek van de btw dat hij uitoefende bij de aankoop van de betrokken goederen.

6. Mogelijke naheffing in hoofde van de belastingplichtige-schenker

Wanneer de belastingplichtige op het moment van de onttrekking wist of moest weten dat de voormelde voorwaarden of engagementen niet vervuld waren (bijvoorbeeld ingeval van intrekking van de erkenning van een platform of wanneer de goederen niet beantwoorden aan de voorwaarden opgenomen in de artikelen 3 en 7 van het koninklijk besluit nr. 59), blijft hij gehouden tot de voldoening van de belasting die verschuldigd is op de verrichte onttrekking.

7. Inwerkingtreding

De gewijzigde bepalingen zijn in werking getreden op 10.01.2026. De geactualiseerde lijst van voorbeelden van levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen die onder deze regeling vallen (zie punt 3.1.1., hiervoor) is vanaf dezelfde datum van toepassing.

Deze circulaire vervangt de circulaire 2020/C/116 van 09.09.2020 betreffende het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen.

Interne ref.: 137.529/2


Mots clés

Articles recommandés

Bedrijfsleiders: een sterke visie neerzetten te midden van chaos

Wijzigingen aan het Sociaal Strafwetboek: wees waakzaam !

Actieplan sociale fraudebestrijding 2026-2027: van strategie naar terreinactie