
De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting publiceerde op 10/02/2026 de Circulaire 2026/C/25 over de wijzigingen inzake personen ten laste.
Bespreking van art. 38 tot 41 van de wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (BS 30.12.2025 – Numac: 2025009647).
Inhoudstafel
II. Verhoging van het maximumbedrag
III. Doctoraatsbeurzen als bestaansmiddel
IV. Uitsluitingen als personen ten laste
A. Personen die beroepsinkomsten genieten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn
B. Personen die een leefloon verkrijgen
B. Gecoördineerde tekst van het WIB 92
1. De wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (hierna W 18.12.2025) heeft de voorwaarden en begrenzingen in verband met het ten laste nemen van personen gewijzigd (1). Die wijzigingen worden in deze circulaire besproken.
(1) Art. 38 tot 41, W 18.12.2025.
2. Art. 136, WIB 92 bepaalt dat als ten laste van de belastingplichtigen worden aangemerkt, mits zij deel uitmaken van hun gezin op 1 januari van het aanslagjaar en zij persoonlijk in het belastbare tijdperk geen bestaansmiddelen hebben gehad die meer dan 1.800 (basisbedrag) euro netto bedragen:
1° hun kinderen
2° hun ascendenten
3° hun zijverwanten tot en met de tweede graad
4° personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest.
3. Tot aanslagjaar 2023 voorzag art. 141, WIB 92 dat een kind om ten laste te zijn geen nettobestaansmiddelen mocht hebben van meer dan:
- 1.800 euro (2) voor een kind ten laste van belastingplichtigen die samen werden belast (3)
- 2.600 euro (2) voor een kind zonder zware handicap ten laste van een belastingplichtige die alleen werd belast (4)
- 3.300 euro (2) voor een kind met een zware handicap ten laste van een belastingplichtige die alleen werd belast (4).
(2) Basisbedragen vóór indexering.
(3) Art. 136, WIB 92.
(4) Art. 141, eerste lid, WIB 92.
4. Voor de aanslagjaren 2024 en 2025 werd het maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen voor alle kinderen ten laste gelijk geschakeld (5) op het hoogste bestaande maximumbedrag, nl. 3.300 euro (6) en dat ongeacht de samenlevingsvorm van de ouders.
(5) Art. 141, tweede lid, WIB 92 ingevoegd door art. 24, 2° van de wet houdende diverse fiscale bepalingen van 22.12.2023 (BS: 29.12.2023 – Numac: 2023048700 – en rechtzetting in BS 11.01.2024 – Numac: 2024000089). Zie ook circulaire 2024/C/36 van 27.05.2024.
(6) Basisbedrag vóór indexering.
5. Vanaf aanslagjaar 2026 voorziet de wetgever in een algemene verhoging van het maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen tot 5.265 euro (7) voor alle kinderen ten laste (8). Dit draagt bij tot een meer gelijke behandeling van ouders, ongeacht hun samenlevingsvorm.
(7) Basisbedrag vóór indexering. Na indexering is dat maximumbedrag 12.000 euro voor aanslagjaar 2026.
(8) Art. 38 en 41, W 18.12.2025.
6. Tot aanslagjaar 2025 kwamen studiebeurzen niet in aanmerking voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen (9).
(9) Art. 143, 1°, WIB 92.
Dit was ook van toepassing voor studiebeurzen die werden toegekend aan doctoraatsstudenten zodat die studenten doorgaans nog ten laste bleven van hun ouders. Nochtans is het netto-inkomen uit die studiebeurzen in beginsel gelijk aan het netto-inkomen dat iemand die in het kader van een assistentschap aan zijn doctoraat werkt, ontvangt. Dergelijke assistenten kunnen doorgaans niet ten laste zijn van hun ouders.
7. Het doel van de wetwijziging is om die doctoraatsbeurzen niet langer uit te sluiten als bestaansmiddel. Vanaf aanslagjaar 2026 zijn studiebeurzen die aanleiding geven tot de opbouw van al dan niet volledige rechten inzake sociale zekerheid te beschouwen als bestaansmiddelen (10).
(10) Art. 39 en 41, W 18.12.2025.
8. Studiebeurzen die geen aanleiding geven tot de opbouw van al dan niet volledige rechten inzake sociale zekerheid, blijven vrijgesteld als bestaansmiddel.
9. De bestaande uitsluiting voorzag reeds dat personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige en bezoldigingen genieten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn niet als ten laste van die belastingplichtige konden worden beschouwd.
10. Om reden van gelijke behandeling en om niet meer enkel personen die bezoldigingen genieten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn uit te sluiten, wordt deze maatregel uitgebreid tot personen die in het algemeen beroepsinkomsten genieten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn (11).
(11) Art. 145, eerste lid, 1°, WIB 92 zoals gewijzigd door art. 40, a), W 18.12.2025.
11. De verhoging van het maximumbedrag van de bestaansmiddelen (zie titel II.) zou ertoe kunnen leiden dat personen die een leefloon of equivalent leefloon verkrijgen (bijvoorbeeld een meerderjarig kind) nog als persoon ten laste kunnen worden beschouwd.
12. Om te vermijden dat er een dubbel voordeel zou zijn (het verkrijgen van een leefloon en het fiscaal als persoon ten laste nemen) voorziet een nieuwe uitsluiting dat personen die een leefloon verkrijgen, ongeacht het bedrag of de periode in het belastbare tijdperk waarin dat wordt verkregen, niet als persoon ten laste kunnen worden aangemerkt (12).
(12) Art. 145, eerste lid, 3°, WIB 92 zoals ingevoegd door art. 40, b), W 18.12.2025.
13. Onder leefloon wordt verstaan (13):
- het leefloon dat wordt toegekend bij toepassing van de wet van 26.05.2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en vergelijkbare tegemoetkomingen naar buitenlands recht
- de financiële hulp equivalent aan het leefloon die wordt verleend bij toepassing van artikel 60, § 3, van de organieke wet van 08.07.1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en vergelijkbare tegemoetkomingen naar buitenlands recht.
(13) Art. 145, derde lid, WIB 92 zoals ingevoegd door art. 40, c), W 18.12.2025.
14. De hierboven besproken maatregelen treden in werking vanaf aanslagjaar 2026 (14).
(14) Art. 41, W 18.12.2025.
15. De betrokken artikelen van de W 18.12.2025 zijn de volgende:
Art. 38
Artikel 141 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2023, wordt vervangen als volgt:
“Art. 141. Het in artikel 136 bedoelde bedrag van 1.800 euro wordt gebracht op 5.265 euro voor kinderen ten laste.”
Art. 39
In artikel 143 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 april 2025, worden in de bepaling onder 1° de woorden “die geen aanleiding geven tot de opbouw van al dan niet volledige rechten inzake sociale zekerheid” ingevoegd tussen de woorden “evenals studiebeurzen” en de woorden “en premies voor het voorhuwelijkssparen”.
Art. 40
In artikel 145 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in het eerste lid, 1° wordt het woord “bezoldigingen” vervangen door het woord “beroepsinkomsten”;
b) het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende: “3° een leefloon verkrijgen.”;
c) het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, wordt onder leefloon verstaan:
- het leefloon dat wordt toegekend bij toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en vergelijkbare tegemoetkomingen naar buitenlands recht
- de financiële hulp equivalent aan het leefloon die wordt verleend bij toepassing van artikel 60, § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en vergelijkbare tegemoetkomingen naar buitenlands recht.”
Art. 41
Deze afdeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
16. De gewijzigde artikelen van het WIB 92 zien er na de wijzigingen aangebracht door de W 18.12.2025 als volgt uit. De wijzigingen zijn in het vet weergegeven.
Art. 141, WIB 92
Het in artikel 136 bedoelde bedrag van 1.800 euro wordt gebracht op 5.265 euro voor kinderen ten laste.
Art. 143, WIB 92
Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen komen niet in aanmerking:
1° wettelijke kinderbijslagen, kraamgelden en adoptiepremies, evenals studiebeurzen die geen aanleiding geven tot de opbouw van al dan niet volledige rechten inzake sociale zekerheid en premies voor het voorhuwelijkssparen;
2° inkomsten verkregen door een persoon met een handicap die in beginsel recht heeft op de tegemoetkomingen bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, ten belope van het maximumbedrag waarop die persoon in uitvoering van die wet recht kan hebben;
3° pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen als bedoeld in artikel 34 die zijn verkregen door in artikel 132, eerste lid, 7°, bedoelde personen, tot beloop van 14.500 euro per jaar;
4° bezoldigingen verkregen door in artikel 135, bedoelde gehandicapten ingevolge tewerkstelling in een erkende beschutte werkplaats;
5° uitkeringen of aanvullende uitkeringen tot onderhoud die ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing, waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd, aan de belastingplichtige zijn betaald na het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben;
5°/1 overlevingspensioenen aan wezen in de publieke sector en wezenrenten waarvan de uitbetaling of toekenning door toedoen van de overheid of wegens het bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop ze in werkelijkheid betrekking hebben;
6° de uitkeringen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 3°, de niet in 5°/1 bedoelde overlevingspensioenen toegekend aan wezen in de publieke sector en de niet in 5°/1 bedoelde wezenrenten, die zijn toegekend aan kinderen tot beloop van 1.800 euro per jaar.
7° bezoldigingen en in artikel 90, eerste lid, 1°ter, bedoelde beloningen verkregen door studenten zoals bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bezoldigingen verkregen door leerlingen in een alternerende opleiding als bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, evenals winst, baten en bezoldigingen van een bedrijfsleider behaald of verkregen door studenten-zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 5quater van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, tot een bedrag van 3.000 euro per jaar.
Art. 145, WIB 92
Als ten laste worden niet aangemerkt de personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige en:
1° beroepsinkomsten genieten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn;
2° als student-zelfstandige zoals bedoeld in artikel 5quater van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bezoldigingen van bedrijfsleiders genieten die beroepskosten vormen voor een vennootschap, wanneer aan de twee onderstaande voorwaarden is voldaan:
a) de belastingplichtige oefent controle in de zin van artikel 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen uit over de vennootschap;
b) de belastingplichtige is, rechtstreeks of onrechtstreeks, een in artikel 2, eerste lid, bedoelde bedrijfsleider van de vennootschap.
3° een leefloon verkrijgen.
Het eerste lid, 2°, is slechts van toepassing wanneer de beoogde bezoldigingen van bedrijfsleiders meer bedragen dan 2.000 euro en meer dan de helft vormen van de belastbare inkomsten, met uitzondering van de onderhoudsuitkeringen.
Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, wordt onder leefloon verstaan:
- het leefloon dat wordt toegekend bij toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en vergelijkbare tegemoetkomingen naar buitenlands recht;
- de financiële hulp equivalent aan het leefloon die wordt verleend bij toepassing van artikel 60, § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en vergelijkbare tegemoetkomingen naar buitenlands recht.
Interne ref.: 748.017