
De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Vennootschapsbelasting publiceerde op 24/02/2026 de Circulaire 2026/C/33 over de afzonderlijke aanslag op meerwaarden verwezenlijkt op aandelen van beleggingsvennootschappen en vastgoedvennootschappen en de verrekening van de roerende voorheffing op de dividenden van die vennootschappen.
Deze circulaire bespreekt de invoering door de wet van 18.12.2025 van een afzonderlijke aanslag op meerwaarden verwezenlijkt op aandelen van beleggingsvennootschappen en vastgoedvennootschappen en van een minimumbezoldigingsvoorwaarde in het kader van de verrekening van de RV met betrekking tot dividenden die worden betaald of toegekend door die vennootschappen.
Inhoudstafel
1. Vennootschappen onderworpen aan de aanslag
IV. Verrekening van de roerende voorheffing
1. Deze circulaire bespreekt de art. 46 tot 50, W 18.12.2025, die hoofdzakelijk tot doel hebben (1):
- een afzonderlijke aanslag in te voeren op de meerwaarden die worden verwezenlijkt op aandelen van beleggingsvennootschappen en vastgoedvennootschappen in de mate dat die meerwaarden werden vrijgesteld volgens art. 192, § 1, WIB 92 (2), en
- ervoor te zorgen dat de verrekening van de roerende voorheffing (RV) met betrekking tot dividenden die van de winst worden afgetrokken volgens de art. 202 en 203, WIB 92, en die worden betaald of toegekend door beleggingsvennootschappen of vastgoedvennootschappen, slechts mogelijk is voor zover de verkrijgende vennootschap tijdens het belastbare tijdperk van ontvangst van de inkomsten de minimale bedrijfsleidersbezoldiging zoals bepaald in art. 215, derde lid, 4°, WIB 92 toekent (3).
(1) Wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen, BS 30.12.2025.
(2) Parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 26.
(3) Parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 28.
2. Hierna worden de relevante wettelijke bepalingen van de W 18.12.2025 hernomen.
Art. 46, W 18.12.2025
In titel III, hoofdstuk III, afdeling 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 219sexies ingevoegd, luidende:
'Art. 219sexies. In hoofde van de vennootschappen die overeenkomstig artikel 192, § 1, vrijgestelde meerwaarden verwezenlijken op de in het tweede lid bedoelde aandelen, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd.
Het toepassingsgebied van de in het eerste lid bedoelde afzonderlijke aanslag omvat de aandelen van een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde beleggingsvennootschap of een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2°bis, bedoelde beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, een gereglementeerde vastgoedvennootschap of een buitenlandse vennootschap, waarvan de uitgekeerde inkomsten in ten minste één van de voorgaande belastbare tijdperken in toepassing van de artikelen 202 en 203 van de winst werden afgetrokken.
De in het eerste lid bedoelde afzonderlijke aanslag wordt niet geheven op de vrijgestelde meerwaarde gerealiseerd op aandelen van private privaks, als bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders. De beleggingsvennootschappen die in een lidstaat van de Europese Unie beantwoorden aan de kenmerken van een alternatieve instelling voor collectieve belegging als bedoeld in artikel 298 van de voormelde wet van 19 april 2014, waarvan de effecten volgens de in die lidstaat overeenkomstige bepalingen met betrekking tot het openbaar beroep op het spaarwezen privaat worden aangehouden, worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met de private privaks bedoeld in artikel 298 van dezelfde wet.
Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbare tijdperk tijdens hetwelk deze meerwaarden worden verwezenlijkt.
Die aanslag is gelijk aan 5 pct. van het totaal bedrag van de verwezenlijkte meerwaarden, in de mate dat die overeenkomstig artikel 192, § 1, worden vrijgesteld.
Deze afzonderlijke aanslag staat los van, en komt in voorkomend geval bovenop andere aanslagen die overeenkomstig andere bepalingen van dit Wetboek of in voorkomend geval in uitvoering van bijzondere wetsbepalingen verschuldigd zijn'.
Art. 47, W 18.12.2025
Artikel 233 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 juli 2025, wordt aangevuld met een lid, luidende:
'Daarenboven wordt een afzonderlijke aanslag vastgesteld volgens de regels bedoeld in artikel 219sexies'.
Art. 48, W 18.12.2025
Artikel 246, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 juli 2025, wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende:
'5° De afzonderlijke aanslag bedoeld in artikel 233, vierde lid, wordt berekend volgens de regels bedoeld in artikel 219sexies'.
Art. 49, W 18.12.2025
In titel VI, hoofdstuk II, afdeling 3, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 282/1 ingevoegd, luidende:
'Art. 282/1. Uit hoofde van dividenden die in toepassing van de artikelen 202 en 203 van de winst worden afgetrokken, wordt geen roerende voorheffing verrekend indien deze dividenden worden betaald of toegekend door een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde beleggingsvennootschap of een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2°bis, bedoelde beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, een gereglementeerde vastgoedvennootschap of een buitenlandse vennootschap, tenzij de belastingplichtige aan ten minste één in artikel 32 bedoelde bedrijfsleider de minimale bezoldiging bedoeld in artikel 215, derde lid, 4°, ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de inkomsten worden verkregen, heeft toegekend.
Dit artikel is niet van toepassing op de dividenden die worden verkregen door in artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde erkende coöperatieve vennootschappen'.
Art. 50, W 18.12.2025
Deze onderafdeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
Elke wijziging die vanaf 3 februari 2025 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, en die door de belastingplichtige niet wordt verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van de bepalingen van deze afdeling, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van deze onderafdeling.
3. Art. 46, W 18.12.2025, voert art. 219sexies, WIB 92, in om een afzonderlijke aanslag te vestigen op de meerwaarden die worden verwezenlijkt op aandelen van bepaalde beleggingsvennootschappen en vastgoedvennootschappen, in de mate dat die meerwaarden werden vrijgesteld volgens art. 192, § 1, WIB 92 (4).
(4) Parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 26.
4. De afzonderlijke aanslag is verschuldigd door elke vennootschap die meerwaarden verwezenlijkt die binnen het toepassingsgebied van de bepaling vallen (zie titel 2. hierna).
De art. 233 en 246, eerste lid, WIB 92, zijn gewijzigd door de art. 47 en 48, W 18.12.2025, om die afzonderlijke aanslag ook te voorzien in de belasting van niet-inwoners (BNI/ven.) voor de buitenlandse vennootschappen die via een Belgische vaste inrichting meerwaarden op de bedoelde aandelen verwezenlijken (5).
(5) Parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 28.
5. Enkel de meerwaarden die worden verwezenlijkt op aandelen van bepaalde beleggingsvennootschappen en vastgoedvennootschappen zijn bedoeld. Een gelijke behandeling is voorzien voor alle vormen van beleggingsvennootschappen en vastgoedvennootschappen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden (6).
(6) Parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 26.
6. Art. 219sexies, tweede lid, WIB 92, bepaalt dat de verwezenlijkte meerwaarden op aandelen van de volgende vennootschappen bedoeld zijn:
- de beleggingsvennootschappen zoals bedoeld in art. 203, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92, namelijk diegenen die, alhoewel ze onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard, een belastingregeling genieten die afwijkt van het gemeen recht
- de vennootschappen zoals bedoeld in art. 203, § 1, eerste lid, 2°bis, WIB 92, namelijk beleggingsvennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, gereglementeerde vastgoedvennootschappen en gelijkaardige buitenlandse vennootschappen die voldoen aan de in dat artikel gestelde voorwaarden, waaronder de voorwaarde om een belastingregeling te genieten die afwijkt van het gemeen recht.
7. De door die vennootschappen uitgekeerde inkomsten moeten in ten minste één van de voorgaande belastbare tijdperken in toepassing van de art. 202 en 203 WIB 92, van de winst van de belastingplichtige zijn afgetrokken.
Anders gezegd, alle vennootschappen vermeld in art. 203, § 1, eerste lid, 2° en 2°bis, WIB 92, vallen binnen het toepassingsgebied van de bepaling, maar slechts in de mate dat hun inkomsten in het verleden effectief de DBI-aftrek hebben genoten, wat enkel mogelijk is indien die vennootschappen voldoen of hebben voldaan aan de voorwaarden van art. 202, § 2, derde lid, WIB 92, en art. 203, § 2, WIB 92 (7).
(7) Zie in die zin, parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 27.
Immers, wat die vennootschappen kenmerkt, is dat de verkregen, verleende of toegekende inkomsten, volgens art. 202, § 2, derde lid, WIB 92, zijn vrijgesteld van de in art. 202, § 2, eerste lid, WIB 92, bedoelde participatievoorwaarde. Bovendien bevestigt art. 203, § 1, eerste lid, WIB 92, dat die beleggingsvennootschappen en vastgoedvennootschappen evenmin voldoen aan de taxatievoorwaarde voor de DBI-aftrek, maar worden zij van de toepassing van de taxatievoorwaarde uitgesloten indien zij aan de toepasselijke bepalingen van art. 203, § 2, WIB 92, voldoen (8).
(8) Parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 26.
8. In toepassing van art. 219sexies, derde lid, WIB 92, worden niet bedoeld de vrijgestelde meerwaarden die worden gerealiseerd op aandelen van private privaks, zoals bedoeld in art. 298, W 19.04.2014 (9). Hetzelfde geldt voor de beleggingsvennootschappen die in een lidstaat van de Europese Unie beantwoorden aan de kenmerken van een alternatieve instelling voor collectieve belegging zoals bedoeld in dat artikel, waarvan de effecten volgens de in die lidstaat overeenkomstige bepalingen met betrekking tot het openbaar beroep op het spaarwezen privaat worden aangehouden.
(9) Wet van 19.04.2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, BS 17.06.2014.
9. Volgens art. 219sexies, eerste lid, WIB 92, zijn enkel de vennootschappen die in toepassing van art. 192, § 1, WIB 92, vrijgestelde meerwaarden verwezenlijken, onderworpen aan de afzonderlijke aanslag. Bijgevolg, vallen dividenden die worden uitgekeerd door de vennootschappen zoals bedoeld in art. 219sexies, tweede lid, WIB 92, niet binnen het toepassingsgebied van die afzonderlijke aanslag. Die uitsluiting is ook van toepassing voor de dividenden zoals bedoeld in art. 186, WIB 92, die ontstaan in het geval die beleggings- en vastgoedvennootschappen hun eigen aandelen van de belastingplichtige terugkopen (10).
(10) Parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 27.
10. De aanslag wordt volgens art. 219sexies, vierde lid, WIB 92, gevestigd voor het belastbare tijdperk waarin de meerwaarden worden verwezenlijkt. Volgens art. 219sexies, vijfde lid, WIB 92, is de aanslag gelijk aan 5 % van het totale bedrag van de verwezenlijkte meerwaarden, in de mate dat die in toepassing van art. 192, § 1, WIB 92, worden vrijgesteld.
11. Aangezien art. 192, WIB 92, bepaalt dat de meerwaarden op aandelen zijn vrijgesteld in de mate dat de eventuele inkomsten van die aandelen in aanmerking komen om volgens de art. 202, §§ 1 en 2, en 203, WIB 92, van de winst te worden afgetrokken, kan de vrijstelling van de verwezenlijkte meerwaarden in bepaalde gevallen gedeeltelijk worden toegekend.
In die gevallen is de afzonderlijke aanslag dus enkel verschuldigd op het vrijgestelde bedrag van de verwezenlijkte meerwaarden.
12. Volgens art. 219sexies, zesde lid, WIB 92, staat de afzonderlijke aanslag los van en komt, in voorkomend geval, bovenop andere aanslagen die volgens andere bepalingen van het WIB 92 of in voorkomend geval in uitvoering van bijzondere wetsbepalingen zijn verschuldigd.
Bijgevolg kunnen geen van de in de art. 199 tot 206, 536 en 543, WIB 92, bepaalde aftrekken of compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk worden verricht.
13. Art. 49, W 18.12.2025 voert art. 282/1, WIB 92, in. Dat artikel bepaalt dat de verrekening van de RV met betrekking tot dividenden die in toepassing van de art. 202 en 203, WIB 92, van de winst worden afgetrokken en die worden betaald of toegekend door een bedoelde beleggingsvennootschap of vastgoedvennootschap (zie nr. 6), alleen mogelijk is voor zover de verkrijgende vennootschap tijdens het belastbare tijdperk van ontvangst van de inkomsten, de in art. 215, derde lid, 4°, WIB 92, bedoelde minimale bezoldiging toekent aan haar bedrijfsleider (11).
(11) Parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 28.
14. Die maatregel heeft tot doel fiscaal misbruik te voorkomen door ervoor te zorgen dat bedrijfsleiders niet uitsluitend worden vergoed door dividenden, die vaak een gunstigere fiscale behandeling genieten dan bezoldigingen. Het doel is dus ervoor te zorgen dat een deel van de vergoedingen van bedrijfsleiders wordt betaald in de vorm van een bezoldiging, die hoger wordt belast, om de fiscale billijkheid te waarborgen (12).
(12) Parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 28 en 29.
15. Art. 282/1, WIB 92, is van toepassing op elke vennootschap die de bedoelde dividenden ontvangt, ongeacht of zij al dan niet inwoner is (zie nr. 17 en volgende). De bedoelde buitenlandse vennootschappen zijn die welke onderworpen zijn aan de BNI/ven. en die de bedoelde dividenden ontvangen via een Belgische vaste inrichting.
16. Naar analogie met art. 215, derde lid, 4°, WIB 92, is die bepaling echter niet van toepassing op de dividenden die worden ontvangen door erkende coöperatieve vennootschappen zoals bedoeld in art. 8:4, WVV (art. 282/1, tweede lid, WIB 92) (13).
(13) Zie in die zin, parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 29.
17. Om de samenhang van het toepassingsgebied te behouden, wordt ook hier, naar analogie met art. 219sexies, WIB 92, in een gelijke behandeling voorzien van alle vormen van beleggingsvennootschappen en vastgoedvennootschappen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden (14).
(14) Parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 28.
18. Het betreft de dividenden die worden betaald of toegekend door de volgende vennootschappen:
- beleggingsvennootschappen zoals bedoeld in art. 203, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92, namelijk diegenen die, alhoewel ze onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard, een belastingregeling genieten die afwijkt van het gemeen recht
- vennootschappen zoals bedoeld in art. 203, § 1, eerste lid, 2°bis, WIB 92, met andere woorden beleggingsvennootschappen met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, gereglementeerde vastgoedvennootschappen en gelijkaardige buitenlandse vennootschappen die voldoen aan de in dat artikel gestelde voorwaarden, waaronder de voorwaarde om een belastingregeling te genieten die afwijkt van het gemeen recht.
19. In tegenstelling tot art. 219sexies, derde lid, WIB 92, is er geen uitzondering voorzien voor private privaks en gelijkaardige buitenlandse vennootschappen.
20. Het toepassingsgebied van dat artikel omvat bijgevolg alle vennootschappen die zijn opgenomen in art. 203, § 1, eerste lid, 2° en 2°bis, WIB 92, maar slechts in de mate dat de inkomsten ervan in het belastbare tijdperk effectief DBI-aftrek genieten, wat slechts kan als die vennootschappen beantwoorden aan de voorwaarden van art. 202, § 2, derde lid, WIB 92 , en art. 203, § 2, WIB 92 (15).
(15) Parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/001, blz. 28.
Met andere woorden, in voorkomend geval, zal de RV met betrekking tot het gedeelte van de dividenden dat niet aftrekbaar is als DBI, in principe kunnen worden verrekend, op voorwaarde dat de toepasselijke bepalingen ter zake worden nageleefd (zie in het bijzonder de art. 279 tot 283, WIB 92).
21. Bovendien geldt het verrekeningsverbod niet voor dividenden die voldoen aan de voorwaarden van de art. 202 en 203, WIB 92, en die volgens die bepalingen niet van de winst van het belastbare tijdperk worden afgetrokken (16). Het huidige art. 205, § 3, WIB 92, laat echter niet toe dat een vennootschap, die een dividend als DBI kon aftrekken maar dat niet heeft gedaan, dat dividend overdraagt naar volgende belastbare tijdperken.
(16) Zie in die zin, parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/029, blz. 395.
22. Er wordt geen RV verrekend op de bedoelde dividenden, tenzij de belastingplichtige aan ten minste één in art. 32 WIB 92, bedoelde bedrijfsleider de minimale bezoldiging zoals bedoeld in art. 215, derde lid, 4°, WIB 92, ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de inkomsten worden verkregen, heeft toegekend (17).
(17) Ofwel een bezoldiging die ten minste gelijk is aan 45.000 euro, ofwel, indien de bezoldiging lager is dan dat bedrag, een bezoldiging die gelijk is aan of hoger is dan het belastbaar inkomen van de vennootschap.
23. Art. 215, derde lid, 4°, WIB 92, dient in zijn geheel in aanmerking te worden genomen, inclusief de regel volgens dewelke de minimale bezoldiging moet worden toegekend vanaf het vijfde belastbare tijdperk vanaf de oprichting van de vennootschap. Kleine startende vennootschappen kunnen dus in de eerste vier boekjaren sinds hun oprichting de RV op de bedoelde dividenden verrekenen, ook als ze geen bezoldiging toekennen (18).
(18) Zie in die zin, parl. st., Kamer, zitting 2024-2025, DOC 56 0963/029, blz. 395.
24. Wat betreft de buitenlandse vennootschappen die de bedoelde dividenden ontvangen via een Belgische inrichting, worden alleen de in art. 233, eerste lid, WIB 92, bedoelde winsten in aanmerking genomen om na te gaan of aan die voorwaarde is voldaan.
25. Volgens art. 50, W 18.12.2025, treden de nieuwe art. 219sexies en 282/1, WIB 92, evenals de wijzigingen aangebracht aan de art. 233 en 246, WIB 92, in werking vanaf aj. 2026.
26. Elke wijziging die vanaf 03.02.2025 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht en die door de belastingplichtige niet wordt verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van die bepalingen, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van die bepalingen.
NAMENS DE MINISTER :
Voor de Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,
Bernard BROSTEAUX
Adviseur-generaal
Interne ref.: 747.925