
Indien een echtgenoot zijn beroep uitoefent als werknemer of als zelfstandige natuurlijke persoon, of binnen een vennootschap waarvan de aandelen met gemeenschappelijke gelden werden gefinancierd, zijn alle inkomsten van de echtgenoot, met inbegrip van de door de aandelen van de betrokken vennootschap verkregen meerwaarde, daarentegen volledig gemeenschappelijk.
Het eigen vermogen van de echtgenoot die houder is van de aandelen van de vennootschap aan de hand waarvan hij zijn beroepsactiviteit uitoefent, is aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd die gelijk is aan het bedrag waarmee het gemeenschappelijk vermogen is verarmd, of nog het bedrag van de inkomsten die het gemeenschappelijk vermogen zou hebben ontvangen indien de beroepsactiviteit niet in het kader van een vennootschap was uitgeoefend.
In een recent arrest oordeelt het Grondwettelijk Hof dat die vergoeding ook de meerwaarde van de aandelen omvat die werd verkregen dankzij, hoofdzakelijk, de beroepsactiviteit van de aandeelhoudende echtgenoot tijdens het huwelijk.
Een vraag om vergoeding zal in de praktijk vooral aan de orde zijn in geval van echtscheiding. Het is dan aan de andere echtgenoot om het bewijs te leveren van de verschuldigde vergoeding, hetgeen op zich niet eenvoudig is en voer is voor discussie.
Is het dan niet mogelijk om zich hiertegen te wapenen op voorhand? Kan deze vergoedingsplicht specifiek worden uitgesloten in de huwelijksovereenkomst? Met een keuze voor een stelsel van scheiding van goederen wordt voormelde problematiek alleszins vermeden.
Opgelet dus voor echtgenoten gehuwd onder een gemeenschapsstelsel: de meerwaarde op hun eigen aandelen is niet alleen belast met ingang van 1 januari 2026 in geval van een overdracht met tegenprestatie. In geval van echtscheiding voorziet de fiscale wet dan wel in een vrijstelling van de meerwaardebelasting, civielrechtelijk kan er evenwel aanleiding zijn tot een vergoedingsplicht ten aanzien van de andere echtgenoot.