• FR
  • NL
  • EN

Circulaire 2026/C/56 betreffende de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland

De Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen publiceerde op 22/0/2026 de Circulaire 2026/C/56 betreffende de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland.

Inhoudstafel

Circulaire 2026/C/56 betreffende de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland

Inleiding

Deel I: Algemeen

1.1. Wettelijke basis

1.2. Definities

1.3. Algemene principes – oorsprongsregels

1.3.1. Toepasselijke algemene vereisten voor producten van oorsprong

1.3.2. Cumulatie

1.3.3. Geheel en al verkregen producten

1.3.4. Toleranties

1.3.5. Ontoereikende be- of verwerking

1.3.6. In aanmerking te nemen eenheid

1.3.7. Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen gebruikt voor verzending

1.3.8. Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen voor detailhandelsverkoop

1.3.9. Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

1.3.10. Stellen of assortimenten

1.3.11. Neutrale elementen

1.3.12. Methode van gescheiden boekhouding voor onderling vervangbare materialen en vervangbare producten

1.3.13. Geretourneerde producten

1.3.14. Niet-wijziging

1.4. Oorsprongsprocedure

1.4.1. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling

1.4.2. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling na invoer

1.4.3. Attest van oorsprong

1.4.4. Geringe vergissingen of geringe afwijkingen

1.4.5. Aan de importeur bekende informatie

1.4.6. Verplichtingen voor de bewaring van de documenten

1.4.7. Vrijstellingen van procedurevoorschriften

1.4.8. Verificatie

1.4.9. Administratieve samenwerking

1.4.10. Weigering van toekenning van de preferentiële tariefbehandeling

1.4.11. Vertrouwelijkheid

1.4.12. Administratieve maatregelen en sancties

2. Deel II: Het systeem van geregistreerde exporteur

2.1. Registratie van exporteurs en vrijstelling van registratieplicht

2.2. Verplichtingen van de autoriteiten

2.3. Toegangsrechten tot de databank

2.4. Gegevensbescherming

2.5. Bekendmaking

2.6. Verplichtingen van exporteurs

3. Deel III: Oorsprongsbewijzen en praktische bepalingen

3.1. Het attest van oorsprong

3.1.1. Algemene voorwaarden betreffende het attest van oorsprong

3.1.2. De formulering van het attest van oorsprong

3.1.3. Het attest van oorsprong bij meervoudige zendingen van identieke producten

3.1.4. Geldigheid van het attest van oorsprong

3.1.5. Vervanging van een bewijs van preferentiële oorsprong

3.2. Aan de importeur bekende informatie

3.3. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling na invoer

3.3.1. Attest van oorsprong voor een enkele zending

3.3.2. Attest van oorsprong voor meervoudige zendingen van identieke producten

3.3.3. Aan de importeur bekende informatie

3.4. Te gebruiken codes op de douaneaangifte

4. Deel IV: Verificatie

4.1. Verificatieprocedure

4.2. Vertrouwelijkheid van informatie

4.2.1. Door de exporteur verstrekte informatie

4.2.2. Rechten en verplichtingen van de Partijen

5. Deel V: Beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

5.1. Voorafgaande beslissingen

5.2. Beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

6. Deel VI: Andere bepalingen

6.1. Oorsprongscontingenten

6.2. Preferentiële tariefcontingenten

6.3. Te gebruiken codes op de douaneaangifte in het kader van de contingenten

6.4. ‘Drawback’

6.5. Ceuta en Melilla

6.6. Gemengd Comité douanesamenwerking

6.7. Aanvullende informatiebronnen en contact

6.7.1. Aanvullende informatiebronnen

6.7.2. Contact

BIJLAGEN

Bijlage I: Model van een leveranciersverklaring als bedoeld in artikel 3.3 (Cumulatie van oorsprong), lid 4

Bijlage II: Aanvraag tot registratie als geregistreerd exporteur

Bijlage III: Aantekeningen met betrekking tot toleranties die gelden voor textiel

Bijlage IV: Oorsprongscontingenten en alternatieven voor de productspecifieke oorsprongsregels in bijlage 3-B (Productspecifieke oorsprongsregels)


Inleiding

§ 1. Op 25 maart 2024 werd de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie (hierna; de EU) en Nieuw-Zeeland gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie PB L 2024/866. Deze vrijhandelsovereenkomst is in werking getreden op 1 mei 2024.

Het nieuwe vrijhandelsakkoord elimineert alle douanerechten op de van de Europese Unie naar Nieuw-Zeeland geëxporteerde producten en verlaagt de EU-douanerechten op de meeste Nieuw-Zeelandse goederen die naar de EU worden uitgevoerd aanzienlijk, of schaft die af. Deze overeenkomst zou moeten leiden tot een toename van de handel met 30%. Op dit moment exporteert de EU al goederen naar Nieuw-Zeeland ter waarde van ongeveer 5,5 miljoen euro per jaar en importeert zij producten uit Nieuw-Zeeland ter waarde van 2,3 miljoen euro.

Deze verlaging of afschaffing van de douanerechten wordt uitgewerkt in artikel 2.5 van de vrijhandelsovereenkomst (hierna: de Overeenkomst) en in bijlage 2-A (Lijsten inzake tariefafschaffing):

ARTIKEL 2.5
Afschaffing van douanerechten

'1. Tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald, verlaagt elke Partij haar douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere Partij of schaft die af overeenkomstig bijlage 2-A (Lijsten inzake tariefafschaffing).

2. Voor de toepassing van lid 1 is het basistarief van de douanerechten het basistarief dat voor elk goed is vastgesteld in bijlage 2-A (Lijsten inzake tariefafschaffing).

3. Indien een Partij haar douanetarief voor de meest begunstigde natie verlaagt, is dit tarief van toepassing op goederen van oorsprong uit de andere Partij zolang het lager is dan het douanetarief vastgesteld overeenkomstig bijlage 2-A (Lijsten inzake tariefafschaffing).

4. twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst plegen de Partijen, op verzoek van een Partij, overleg om de in bijlage 2-A (Lijsten inzake tariefafschaffing) vermelde tarieven versneld te verlagen of af te schaffen. Het Handelscomité kan een besluit nemen tot wijziging van bijlage 2-A (Lijsten inzake tariefafschaffing) om de verlaging of afschaffing van douanerechten te versnellen.

5. Een Partij kan te allen tijde autonoom de afschaffing van de in de bijlage 2-A (Lijsten inzake tariefafschaffing) vermelde douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere Partij versnellen. Deze Partij informeert de andere Partij zo spoedig mogelijk voordat het nieuwe douanerecht van kracht wordt.

6. Indien een Partij de afschaffing van douanerechten overeenkomstig lid 5 van dit artikel autonoom versnelt, mag zij de douanerechten in kwestie verhogen tot het niveau dat in bijlage 2-A (Lijsten inzake tariefafschaffing) voor het betrokken jaar na de autonome verlaging is vastgesteld".

Om gebruik te kunnen maken van de verlaging of afschaffing van invoerrechten moeten de voorwaarden worden nageleefd die zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van de Overeenkomst: 'Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures’.

In dit hoofdstuk worden de gebruikelijke definities en de regels van oorsprong behandeld die onder andere de begrippen ‘product van oorsprong’, ‘toereikende productie’, ‘tolerantie’, ‘cumulatie’, enz. bepalen. Vervolgens worden de oorsprongsprocedures toegelicht, welk bewijs van oorsprong van toepassing is, hoe het bewijs moet worden gebruikt, de geldigheidsduur ervan, de verificatieprocedures, enz.

De bepalingen van hoofdstuk 3 worden aangevuld met hoofdstuk 4 dat betrekking heeft op douanezaken en de bevordering van de handel, evenals met een aantal bijlagen, met name:

 Bijlage 3-A: aantekeningen bij de productspecifieke oorsprongsregels;

 Bijlage 3-B: productspecifieke oorsprongsregels;

 Bijlage 3-C: tekst van het attest van oorsprong;

 Bijlage 3-D: Leveranciersverklaring als bedoeld in artikel 3.3 (Cumulatie van oorsprong), lid 4;

 Bijlage 3-E: gezamenlijke verklaring betreffende het Vorstendom Andorra;

 Bijlage 3-F: gemeenschappelijke verklaring betreffende de Republiek San Marino.

Deze circulaire heeft tot voornaamste doel om de belangrijkste oorsprongsregels en -procedures uit hoofdstuk 3 van de Overeenkomst en haar bijlagen toe te lichten.

Deel I: Algemeen

1.1. Wettelijke basis

§ 2. De vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland is op 1 mei 2024 in werking getreden. Deze Overeenkomst werd gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU nr. L 2024/866 van 25 maart 2024.

De volgende delen van de Overeenkomst hebben betrekking op de preferentiële oorsprongsregels:

 Hoofdstuk 3 over 'Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures;

 Hoofdstuk 4 over 'Douane en handelsbevordering ‘;

 Bijlagen 3-A tot en met 3-F.

De afschaffing van de invoerrechten enerzijds en de tariefcontingenten anderzijds kunnen worden teruggevonden in bijlage 2-A: ‘Lijsten inzake tariefafschaffing’.

§ 3. Ook de volgende Europese verordeningen zijn van toepassing:

 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het Douanewetboek van de Unie (DWU);

 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het Douanewetboek van de Unie (DWU DA);

 Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Douanewetboek van de Unie (DWU IA).

In het bijzonder zijn voor deze circulaire de volgende artikelen relevant:

 Artikel 14 DWU: ‘Verstrekking van inlichtingen door de douaneautoriteiten’;

 Artikel 26 DWU: ‘Geldigheid van beschikkingen in de gehele Unie’;

 Artikel 33 DWU: ‘Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen’;

 Artikel 34 DWU: 'Beheer van beschikkingen aangaande bindende inlichtingen’;

 Artikel 56 DWU: ‘Gemeenschappelijk douanetarief en -toezicht’;

 Artikel 64 DWU: ‘Preferentiële oorsprong van goederen’;

 Artikel 117 DWU: ‘Invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht’;

 Artikel 170 DWU: 'Indienen van een douaneaangifte';

 Artikel 16 DWU IA: 'Aanvraag voor een beschikking betreffende een bindende inlichting';

 Artikel 18 DWU IA: 'Mededeling van BOI-beschikkingen';

 Artikel 61 DWU IA: 'Leveranciersverklaringen en het gebruik ervan’;

 Artikel 62 DWU IA: 'Langlopende leveranciersverklaring’;

 Artikel 63 DWU IA: 'De opstelling van leveranciersverklaringen’;

 Artikel 64 DWU IA: 'Afgifte van het inlichtingenblad INF 4’;

 Artikel 65 DWU IA: ‘Administratieve samenwerking tussen de lidstaten’;

 Artikel 66 DWU IA: ‘Controle van de leveranciersverklaringen’;

 Artikel 68 DWU IA: ‘Registratie van exporteurs buiten het kader van het SAP-stelsel van de Unie’;

 Artikel 69 DWU IA: 'Vervanging van oorsprongsdocumenten die buiten het kader van het SAP-stelsel van de Unie zijn afgegeven of opgesteld’.

1.2. Definities

§ 4. Voor de toepassing van deze circulaire worden in artikel 3.1 van de Overeenkomst de volgende definities gegeven:

‘zending: een product dat gelijktijdig van een afzender naar een geadresseerde wordt verzonden of dat vergezeld gaat van één enkel vervoersdocument voor de verzending van de afzender naar de geadresseerde, of bij gebreke daarvan, van één enkele factuur;

exporteur: een in een Partij gevestigde persoon die overeenkomstig de voorschriften van de wetgeving van die Partij het product van oorsprong uitvoert of produceert en een attest van oorsprong opstelt;

importeur: een persoon die het product van oorsprong invoert en daarvoor om preferentiële tariefbehandeling verzoekt;

materiaal: elke stof die wordt gebruikt bij de productie van een product, met inbegrip van alle ingrediënten, grondstoffen, bestanddelen of onderdelen;

niet van oorsprong zijnd materiaal: materiaal dat uit hoofde van dit hoofdstuk niet als van oorsprong wordt aangemerkt, met inbegrip van materiaal waarvan de oorsprongsstatus niet kan worden bepaald;

product: het resultaat van productie, zelfs indien het is bedoeld om als materiaal bij de productie van een ander product te worden gebruikt, en

productie: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage’.

1.3. Algemene principes – oorsprongsregels

1.3.1. Toepasselijke algemene vereisten voor producten van oorsprong

§ 5. Artikel 3.2 van de Overeenkomst betreffende de algemene vereisten bevat de drie regels die het mogelijk maken om te bepalen of een product van oorsprong is van een van de Partijen. Een product moet naargelang het geval:

 geheel zijn verkregen in de EU of in Nieuw-Zeeland (zie § 7 van deze circulaire);

 in die Partij uitsluitend uit materialen van oorsprong zijn vervaardigd; of

 in die Partij vervaardigd zijn en er mogen niet van oorsprong zijnde materialen in zijn verwerkt, op voorwaarde dat het een be- of verwerking heeft ondergaan die toereikend is om te voldoen aan de specifieke oorsprongsregels die zijn opgenomen in bijlage 3-B bij de Overeenkomst.

Als een product overeenkomstig de bovenstaande vereisten de oorsprongsstatus heeft verkregen, worden de niet van oorsprong zijnde materialen die zijn gebruikt bij de productie van het product, als van oorsprong beschouwd wanneer dat product als materiaal in een ander product worden verwerkt.

De in de overeenkomst opgenomen vereisten met betrekking tot het verkrijgen van de oorsprongsstatus moeten zonder onderbreking in Nieuw-Zeeland of de EU worden voldaan.

1.3.2. Cumulatie

§ 6. De Overeenkomst voorziet in volgende twee vormen van cumulatie:

 Bilaterale cumulatie met enkel materialen van oorsprong uit één van beide Partijen. Een product van oorsprong uit één van de Partijen wordt beschouwd als van oorsprong uit de andere Partij indien het daar bewerkt wordt, mits ze in die Partij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan de in artikel 3.6 van de Overeenkomst vermelde ontoereikende be- of verwerkingen

 Volledige cumulatie waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de niet-oorsprongsmaterialen, maar ook met de be- of verwerkingen die de niet-oorsprongsmaterialen hebben ondergaan, of met de in de Partijen toegevoegde waarde. In tegenstelling tot andere vormen van cumulatie is het niet nodig dat de goederen van oorsprong zijn uit een Partij voordat ze worden uitgevoerd naar de andere Partij met het doel een latere be- of verwerking te ondergaan. De volledige cumulatie is evenwel niet van toepassing indien de verrichte be- of verwerkingen niet ingrijpender zijn dan de verrichtingen die opgesomd worden in artikel 3.6 van de Overeenkomst.

Om in het kader van de volledige cumulatie te kunnen aantonen welke be- of verwerking reeds heeft plaatsgevonden, is het nodig om een leveranciersverklaring af te geven voor het geleverd product waarin de niet van oorsprong zijnde materialen die een be- of verwerking hebben ondergaan zijn omschreven (zie bijlage I bij deze circulaire: model van een leveranciersverklaring voor de uitwisseling van informatie tussen de twee Partijen). Deze leveranciersverklaring kan worden opgesteld voor een enkele zending of voor meerdere zendingen van hetzelfde materiaal geleverd binnen een termijn van één jaar. Naast de leveranciersverklaring mag ook een gelijkwaardig document met dezelfde informatie worden gebruikt, waarin de niet van oorsprong zijnde materialen voldoende duidelijk zijn omschreven om ze te kunnen identificeren.

1.3.3. Geheel en al verkregen producten

§ 7. De volgende producten worden beschouwd als volledig in een Partij verkregen:

‘a) een uit de bodem of zeebodem van een Partij ontgonnen of gewonnen minerale of van nature voorkomende stof;

b) een in een Partij geteelde of geoogste plant of groente;

c) een in een Partij geboren en opgekweekt levend dier;

d) een product afkomstig van in een Partij opgekweekt levend dier;

e) een product afkomstig van in een Partij geboren en opgekweekt geslacht dier;

f) een in een Partij, maar niet buiten de uiterste grenzen van de territoriale wateren van de Partij, door jacht of bevissing verkregen product;

g) een product afkomstig van aquacultuur in een Partij, indien aquatische organismen, met inbegrip van vis, weekdieren, schaaldieren, andere ongewervelde waterdieren en waterplanten, zijn geboren of opgekweekt uit uitgangsmateriaal zoals eieren, hom en kuit, visbroed, pootvis of larven, door ingrepen in het kweek- en groeiproces teneinde de productie te vergroten, zoals het uitzetten, voeren, of beschermen tegen predatoren;

h) een product van de zeevisserij en andere overeenkomstig het internationale recht buiten een territoriale zee door een vaartuig van een Partij uit de zee gewonnen producten;

i) een product dat, uitsluitend uit een in punt h) bedoeld product, aan boord van een fabrieksschip van een Partij is vervaardigd;

j) een product dat buiten een territoriale zee door een Partij of een persoon van een Partij uit de zeebodem of ondergrond is ontgonnen of gewonnen, op voorwaarde dat die Partij of die persoon van die Partij het recht heeft die zeebodem of ondergrond te bewerken overeenkomstig het internationale recht;

k) resten en afval afkomstig van in een Partij verrichte fabricagehandelingen;

l) een in een Partij verzameld gebruikt product dat alleen nog kan worden gebruikt voor de terugwinning van grondstoffen, met inbegrip van die grondstoffen, en

(m) een product dat in een Partij uitsluitend uit de in de punten a) tot en met l) bedoelde producten is vervaardigd.

§ 8. Onder ‘vaartuig van een Partij’ respectievelijk ‘fabrieksschip van een Partij’ in § 7, punten h) en i), wordt uitsluitend verstaan een vaartuig respectievelijk fabrieksschip dat:

a) in een lidstaat of in Nieuw-Zeeland is geregistreerd;

b) onder de vlag van een lidstaat of van Nieuw-Zeeland vaart; en

c) aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

i) het is voor ten minste 50 % eigendom van onderdanen van een lidstaat of van Nieuw-Zeeland; of
ii) het is eigendom van één of meer rechtspersonen die ieder:

A) hun hoofdkantoor en hun belangrijkste economische activiteit in een lidstaat of in Nieuw-Zeeland hebben, en
B) voor ten minste 50 % eigendom zijn van publieke entiteiten of rechtspersonen van
een lidstaat of van Nieuw-Zeeland'.

1.3.4. Toleranties

§ 9. De tolerantieregels laten toe om af te wijken van de voorwaarden voor toereikende productie opgenomen in bijlage 3-B van de Overeenkomst. Volgens de tolerantieregels is het bijvoorbeeld mogelijk om een maximum percentage niet van oorsprong zijnde materialen te gebruiken zonder dat dit een invloed heeft op de oorsprong van het eindproduct.

Er zijn in de Overeenkomst twee soorten toleranties voorzien:

§ 10. Tolerantie mag niet worden toegepast om een in bijlage 3-B maximaal toegelaten grenswaarde (uitgedrukt als een percentage) voor niet van oorsprong zijnde materialen te overschrijden.

§ 11. De tolerantie is niet van toepassing op volledig in een Partij verkregen producten in de zin van artikel 3.4 van de Overeenkomst. Indien op grond van bijlage 3-B is vereist dat de bij de productie van een product gebruikte materialen volledig zijn verkregen in een Partij, zijn §§ 9 en 10 van deze circulaire wel van toepassing.

1.3.5. Ontoereikende be- of verwerking

§ 12. De Overeenkomst bevat een limitatieve lijst van be- of verwerkingen die als ontoereikend worden beschouwd om de oorsprong van de Partij te verlenen. Dit wil zeggen dat wanneer enkel één of meerdere van deze be -of verwerkingen worden uitgevoerd op niet van oorsprong zijnde materialen tijdens het fabricageproces, deze niet volstaan om oorsprong te verlenen. Zo zijn behandelingen zoals het schoonmaken, het verpakken, …. ontoereikend om oorsprong aan de goederen te verlenen.

Volgende behandelingen zijn ontoereikend om een product als van oorsprong uit een Partij te beschouwen:

a) ’conserveerbehandelingen zoals drogen, invriezen, pekelen en andere soortgelijke behandelingen die uitsluitend bedoeld zijn om ervoor te zorgen dat de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat blijven[1];

b) het splitsen of samenvoegen van colli;

c) het wassen of schoonmaken; verwijderen van stof, roest, olie, verf of dergelijke;

d) het strijken of persen van textielstoffen en textielwaren;

e) het eenvoudig schilderen of polijsten;

f) het ontvliezen of doppen en geheel of gedeeltelijk vermalen van rijst; polijsten en glanzen van granen en rijst;

g) het kleuren of aromatiseren van suiker of vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van suiker in vaste vorm;

h) het pellen, ontpitten of schillen van noten, vruchten of groenten;

i) het aanscherpen, eenvoudig vermalen of versnijden;

j) het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van stellen of assortimenten van artikelen;

k) het eenvoudig plaatsen in flessen, blikken, flacons, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de verpakkingen;

l) het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;

m) eet eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten; het mengen van suiker met enige stof;

n) het eenvoudig toevoegen van water of het verdunnen met water of een andere stof die de kenmerken van het product niet wezenlijk wijzigt, drogen of denatureren van producten;;

o) het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel en het uit elkaar nemen van producten in onderdelen;

p) het slachten van dieren’.

§ 13. Voor de toepassing van de huidige Overeenkomst worden behandelingen als eenvoudig beschouwd wanneer voor het uitvoeren daarvan geen bijzondere vaardigheden noch speciaal daarvoor gemaakte of geïnstalleerde machines, toestellen of uitrustingsstukken nodig zijn.

1.3.6. In aanmerking te nemen eenheid

§ 14. De in aanmerking te nemen eenheid is het bijzondere product dat bij de indeling van het product in het Geharmoniseerd Systeem (GS) als basiseenheid wordt beschouwd.

Wanneer een zending bestaat uit een aantal identieke producten die onder dezelfde post van het GS zijn ingedeeld, moet elk product afzonderlijk worden beschouwd.

1.3.7. Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen gebruikt voor verzending

§ 15. Met betrekking tot verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen bepaalt artikel 3.8 van de Overeenkomst het volgende:

Bij de bepaling of een product van oorsprong is, wordt geen rekening gehouden met het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen die voor verzending worden gebruikt en die dienen om een product tijdens het vervoer te beschermen’.

1.3.8. Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen voor detailhandelsverkoop

§ 16. Artikel 3.9 van de Overeenkomst maakt een onderscheid tussen verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen gebruikt voor verzending enerzijds en voor de detailhandelsverkoop anderzijds:

‘1. Bij de bepaling of de bij de productie van dat product gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen voorwerp van de toepasselijke wijziging in tariefindeling of van een specifieke fabricage- of bewerkingshandeling als bedoeld in bijlage 3-B (Productspecifieke oorsprongsregels) zijn geweest dan wel of het product volledig is verkregen in een Partij in de zin van artikel 3.4 (geheel en al verkregen producten), wordt geen rekening gehouden met het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen waarin het product is verpakt voor de detailhandelsverkoop, voor zover dat verpakkingsmateriaal en die verpakkingsmiddelen bij het product worden ingedeeld.

2. Wanneer voor een product een in bijlage 3-B (Productspecifieke oorsprongsregels) vermelde voorwaarde met betrekking tot waarde geldt, worden het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen waarin het product is verpakt voor de detailhandelsverkoop, voor zover dat verpakkingsmateriaal en die verpakkingsmiddelen bij dat product worden ingedeeld, wat de waarde ervan betreft, bij de berekening met het oog op de toepassingen van die voorwaarde op het product in aanmerking genomen als van oorsprong zijnde of niet van oorsprong zijnde materialen, naar gelang het geval’.

1.3.9. Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

§ 17 De bepalingen van hoofdstuk 3 van de Overeenkomst zijn van toepassing op toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en instructie- of ander voorlichtingsmateriaal voor zover zij:

Bij het bepalen of een product:

a) volledig is verkregen in een Partij in de zin van artikel 3.4 (geheel en al verkregen producten), dan wel aan een in bijlage 3-B (Productspecifieke oorsprongsregels) vermelde voorwaarde met betrekking tot productieprocedé of wijziging in tariefindeling voldoet, worden toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en instructie- of ander voorlichtingsmateriaal van dat product buiten beschouwing gelaten, en

b) aan een in bijlage 3-B (Productspecifieke oorsprongsregels) vermelde voorwaarde met betrekking tot waarde voldoet, worden de toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en het instructie- of ander voorlichtingsmateriaal van dat product, wat de waarde ervan betreft, bij de berekening met het oog op de toepassing van die voorwaarde op het product in aanmerking genomen als van oorsprong zijnde of niet van oorsprong zijnde materialen, naar gelang het geval.

1.3.10. Stellen of assortimenten

§ 18. Stellen of assortimenten bedoeld in algemene regel 3, punten a) en b), van de algemene regels voor de interpretatie van het GS worden als van oorsprong uit een Partij beschouwd wanneer alle samenstellende delen ervan de oorsprongsstatus hebben verkregen.

Wanneer een stel of assortiment bestaat uit van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde samenstellende delen, wordt het stel of assortiment als geheel beschouwd als van oorsprong uit een Partij indien de waarde van alle niet van oorsprong zijnde samenstellende delen niet meer dan 15 % van de prijs af fabriek van dat stel of assortiment bedraagt.

1.3.11. Neutrale elementen

§ 19. Om de oorsprong van een product te bepalen, wordt er geen rekening gehouden met de oorsprong van bepaalde elementen die bij de productie van dat product mogelijk zijn gebruikt. Deze elementen worden 'neutrale elementen’ genoemd.

Het betreft de volgende elementen:

a) 'energie en brandstof;

b) fabrieksuitrusting, met inbegrip van producten die voor het onderhoud van die uitrusting worden gebruikt;

c) machines, werktuigen, matrijzen en gietvormen;

d) vervangingsonderdelen en materialen voor het onderhoud van materieel en gebouwen;

e) smeermiddelen, vetten, samenstellende materialen en andere materialen die worden gebruikt bij de productie of om materieel en gebouwen te laten functioneren;

f) handschoenen, brillen, schoeisel, kleding, veiligheidsuitrusting en benodigdheden;

g) materieel, apparatuur en benodigdheden voor het testen of inspecteren van de producten;

h) katalysatoren en oplosmiddelen, en

i) andere materialen die niet in het product zijn verwerkt en ook niet bedoeld zijn om in de uiteindelijke samenstelling van het product te worden verwerkt.

1.3.12. Methode van gescheiden boekhouding voor onderling vervangbare materialen en vervangbare producten

§ 20. De Overeenkomst voorziet in de toepassing van een gescheiden boekhouding voor onderling vervangbare materialen en bepaalde onderling vervangbare producten.

Onder ‘onderling vervangbare materialen’ of ‘onderling vervangbare producten’ wordt verstaan materialen of producten van dezelfde soort en handelskwaliteit, met dezelfde technische en fysieke kenmerken, die ten behoeve van het bepalen van de oorsprong niet van elkaar te onderscheiden zijn.

Als gevolg hiervan moeten onderling vervangbare materialen of producten tijdens de opslag fysiek gescheiden worden met het oog op het behoud van hun status van ‘van oorsprong zijnde’ en ‘niet van oorsprong zijnde’.

De Overeenkomst voorziet echter in een methode van een gescheiden boekhouding, waardoor van oorsprong en niet van oorsprong zijnde materialen kunnen worden gebruikt bij de productie van een product zonder fysiek te worden gescheiden tijdens de opslag.

Daarnaast mogen van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde onderling vervangbare producten die zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 10, 15, 27, 28, 29, posten 32.01 tot en met 32.07, of posten 39.01 tot en met 39.14 van het GS vóór uitvoer naar de andere Partij in een Partij worden opgeslagen zonder fysiek gescheiden te zijn, indien een gescheiden boekhouding wordt toegepast.

Indien er zowel van oorsprong zijnde als niet van oorsprong zijnde onderling vervangbare materialen worden gebruikt bij de be- of verwerking van een product, dan kan de vaststelling van de oorsprong van de gebruikte materialen gebeuren op basis van de methode van gescheiden boekhouding. Wanneer deze methode wordt toegepast hoeven de onderling vervangbare materialen niet in fysiek gescheiden voorraden te worden bijgehouden.

De methode van gescheiden boekhouding wordt in overeenstemming met een voorraadbeheersysteem toegepast op grond van in de Partij algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen.

Deze methode moet ervoor zorgen dat te allen tijde het aantal producten dat als van oorsprong uit een Partij kan worden beschouwd, niet groter is dan het aantal dat zou zijn verkregen door de fysieke scheiding van de voorraden tijdens de opslag.

Een verzoek om deze toestemming te verkrijgen moet eerst worden verstuurd naar da.ops.douane1@minfin.fed.be waarna de regionale bevoegde douanedienst zal onderzoeken of de exporteur of producent hiervoor in aanmerking komt.

1.3.13. Geretourneerde producten

§ 21. Wanneer een Partij een product van oorsprong uit die Partij naar een derde land exporteert en het derde land beslist om het betrokken product te retourneren, dan zal dit product als niet van oorsprong zijnde worden beschouwd. Het is echter mogelijk om die beschouwing te wijzigen door aan de douaneautoriteit van de Partij aan te tonen dat het geretourneerde product:

 hetzelfde is als het uitgevoerde product, en

 terwijl het zich in het derde land waarnaar het is uitgevoerd bevond of bij de uitvoer ervan geen andere behandelingen heeft ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om het in goede staat te bewaren.

1.3.14. Niet-wijziging

§ 22. In de Overeenkomst wordt gebruik gemaakt van de niet-wijzigingsregel (ook gekend als niet-manipulatieregel) hetgeen een soepeler regeling is dan de regel inzake direct vervoer in oudere preferentiële overeenkomsten.

De niet wijzigingsregel houdt in dat producten waarvan werd aangegeven dat ze van preferentiële oorsprong zijn, niet mogen worden gewijzigd, getransformeerd of worden onderworpen aan andere behandelingen dan die welke noodzakelijk waren om het in goede staat te bewaren of die welke bestaan in het toevoegen of aanbrengen van merken, etiketten, verzegelingen of andere documentatie om te waarborgen dat aan de specifieke vereisten van de Partij van invoer wordt voldaan.

§ 23. Het aanbrengen van merken, etiketten, verzegelingen of andere documentatie om te waarborgen dat aan de specifieke vereisten van de Partij van invoer wordt voldaan, is evenwel toegestaan.

Een product mag in een derde land worden opgeslagen of tentoongesteld indien het niet in dat derde land in verbruik wordt gesteld.

Bovendien mogen zendingen worden gesplitst in een derde land, op voorwaarde dat de zendingen in dat derde land niet in verbruik worden gesteld.

§ 24. In geval van twijfel over de vraag of aan de voorwaarden is voldaan, kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer de importeur verzoeken om alle nodige bewijzen te leveren. Dit bewijs kan met alle middelen worden geleverd, waaronder:

1.4. Oorsprongsprocedure

1.4.1. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling

§ 25. De Partij van invoer kent een preferentiële tariefbehandeling toe aan een product van oorsprong uit de andere Partij, op grond van een verzoek van de importeur om preferentiële tariefbehandeling. De importeur is derhalve verantwoordelijk voor de juistheid van het verzoek en de naleving van de voorwaarden die in de Overeenkomst zijn voorzien.

§ 26. Een verzoek om preferentiële tariefbehandeling wordt gedaan op basis van:

a) ‘een door de exporteur opgesteld attest van oorsprong waaruit blijkt dat het product van oorsprong is, of

b) de aan de importeur bekende informatie dat het product van oorsprong is’.

§ 27. Een verzoek om preferentiële tariefbehandeling en de grondslag ervan (= het oorsprongsbewijs), worden in overeenstemming met de wetgeving van de Partij van invoer in de douaneaangifte ten invoer opgenomen.

§ 28. De importeur die om een preferentiële tariefbehandeling verzoekt op basis van een attest van oorsprong, bewaart het attest van oorsprong en verstrekt de douaneautoriteit van de Partij van invoer desgevraagd een kopie daarvan.

1.4.2. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling na invoer

§ 29. Indien de importeur ten tijde van de invoer geen verzoek om preferentiële tariefbehandeling heeft ingediend en het product ten tijde van de invoer voor preferentiële tariefbehandeling in aanmerking zou zijn gekomen, kent de Partij van invoer een preferentiële tariefbehandeling toe en betaalt zij een teveel aan betaalde douanerechten terug of scheldt zij die kwijt.

§ 30. Om een preferentiële tariefbehandeling te kunnen toekennen op basis van een na invoer ingediend verzoek, kan de Partij van invoer eisen dat de importeur een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indient en de basis vermeldt waarop dit verzoek is gebaseerd overeenkomstig de bepalingen van de Overeenkomst.

Dat verzoek wordt niet later ingediend dan drie jaar na de datum van invoer of binnen een langere termijn als bepaald in de wetgeving van de Partij van invoer.

1.4.3. Attest van oorsprong

§ 31. Het attest van oorsprong kan door de exporteur van het product worden opgesteld op basis van informatie waaruit blijkt dat het product van oorsprong is. Deze informatie beschrijft, in voorkomend geval, onder meer de oorsprong van de materialen die zijn gebruikt bij de vervaardiging van het product.

De exporteur is verantwoordelijk voor de juistheid van het attest van oorsprong en van de verstrekte informatie.

§ 32. De te gebruiken tekst van het attest van oorsprong is terug te vinden in bijlage 3-C van de Overeenkomst. Deze tekst moet worden vermeld op een factuur of ander handelsdocument waarop het product van oorsprong voldoende duidelijk is omschreven om het te kunnen identificeren.

De Partij van invoer verlangt van de importeur geen vertaling van het attest van oorsprong.

§ 33. Voor de toepassing van de oorsprongsregels van deze Overeenkomst is een attest van oorsprong 1 jaar geldig vanaf de datum waarop het werd opgesteld.

§ 34. Een attest van oorsprong kan worden gebruikt voor:

 één enkele zending van een of meer in een Partij ingevoerde producten, of

 meerdere zendingen van identieke producten die worden ingevoerd in een Partij binnen de in het attest van oorsprong aangegeven periode van maximaal twaalf maanden.

§ 35. De Partij van invoer staat, op verzoek van de importeur en met inachtneming van de eventuele voorschriften van de Partij van invoer, één attest van oorsprong toe voor niet-gemonteerde of gedemonteerde producten in de zin van algemene regel 2, punt a), van de algemene regels voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, die onder de afdelingen XV tot en met XXI van het geharmoniseerd systeem vallen, indien deze producten in deelzendingen worden ingevoerd.

1.4.4. Geringe vergissingen of geringe afwijkingen

§ 36. De douaneautoriteit van de Partij van invoer mag een verzoek om preferentiële tariefbehandeling niet afwijzen wegens geringe vergissingen of geringe afwijkingen in het attest van oorsprong.

1.4.5. Aan de importeur bekende informatie

§ 37. De inhoud van artikel 3.20 van de Overeenkomst betreffende de aan de importeur bekende informatie luidt als volgt:

De aan de importeur bekende informatie dat een product van oorsprong is uit de Partij van uitvoer is gebaseerd op informatie waaruit blijkt dat het product van oorsprong is en voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk.

§ 38. Het concept ‘aan de importeur bekende informatie’, ook gekend als ‘importer’s knowledge’, wordt verder uitgewerkt in §101 tot en met §112 van deze circulaire.

1.4.6. Verplichtingen voor de bewaring van de documenten

§ 39. Een importeur die verzoekt om preferentiële tariefbehandeling voor een in de Partij van invoer ingevoerd product, bewaart gedurende ten minste drie jaar na de datum van indiening van dat verzoek om preferentiële tariefbehandeling van het product:

 het door de exporteur opgesteld attest van oorsprong, indien het verzoek op een attest van oorsprong werd gebaseerd; of

 alle gegevens waaruit blijkt dat het product aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus voldoet, indien het verzoek op de aan de importeur bekende informatie werd gebaseerd.

Deze bewaarplicht is van toepassing op verzoeken om preferentiële tariefbehandeling bij invoer en op verzoeken na invoer.

§ 40. Een exporteur die een attest van oorsprong heeft opgesteld, bewaart gedurende ten minste vier jaar na de opstelling van het attest van oorsprong een kopie van dat attest en andere gegevens waaruit blijkt dat het product aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus voldoet.

§ 41. Indien een exporteur niet de producent van de producten is, en zich met betrekking tot de oorsprongsstatus van de producten op informatie van een leverancier heeft gebaseerd, moet de exporteur de door die leverancier verstrekte informatie bewaren.

§ 42. Alle documenten die door de importeur of exporteur moeten worden bewaard, mogen in elektronische vorm worden opgeslagen.

1.4.7. Vrijstellingen van procedurevoorschriften

§ 43. Een bewijs van oorsprong is niet vereist voor producten die in een klein pakket door een particulier naar een andere particulier worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van een reiziger, op voorwaarde dat deze producten voldoen aan de voorwaarden van Hoofdstuk 3 van de Overeenkomst en zolang de douaneautoriteiten van de Partij van invoer geen twijfels hebben over de juistheid van de ingediende verklaring.

Deze vrijstelling is niet van toepassing op:

 producten die als handelsgoederen worden ingevoerd, behalve bij invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de ontvanger of de reiziger of de leden van diens gezin, indien uit de aard en de hoeveelheid van de producten blijkt dat de invoer geen commercieel doel heeft;

 producten waarvan de invoer deel uitmaakt van een reeks invoertransacties waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij afzonderlijk zijn verricht om de vereisten van artikel 3.16 van de Overeenkomst (Verzoek om preferentiële tariefbehandeling) te ontwijken.

§ 44. De waarde van de producten mag niet meer bedragen dan:

a) voor invoeren naar de Unie:

 500 EUR in geval van in kleine pakketten verzonden producten of

 1.200 EUR in geval van producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers;

b) b) voor invoeren naar Nieuw-Zeeland:

1.000 NZD zowel in geval van in kleine pakketten verzonden producten als in geval van producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

1.4.8. Verificatie

§ 45. De douaneautoriteit van de Partij van invoer kan op basis van risicobeoordelingsmethoden, die een willekeurige steekproef kunnen omvatten, controleren of een product van oorsprong is of dat aan de andere voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan. Deze controle kan worden verricht door middel van een verzoek om informatie aan de importeur die het verzoek om preferentiële tariefbehandeling heeft ingediend op het tijdstip waarop de aangifte ten invoer wordt ingediend, hetzij voor of na de vrijgave van de producten.

§ 46. De door de douaneautoriteit gevraagde informatie kan ten hoogste betrekking hebben op de volgende elementen:

a) het attest van oorsprong, indien het verzoek om preferentiële behandeling op een attest van oorsprong werd gebaseerd; en

b) informatie over het voldoen aan de oorsprongscriteria, te weten:

- als het oorsprongscriterium ‘volledig verkregen’ is, de toepasselijke categorie (zoals oogst, ontginning, bevissing) en plaats van productie;

- als het oorsprongscriterium is gebaseerd op een wijziging in tariefindeling, een lijst van alle niet van oorsprong zijnde materialen, met inbegrip van het tariefindelingsnummer ervan (in 2, 4 of 6 cijfers, afhankelijk van het oorsprongscriterium);

- als het oorsprongscriterium is gebaseerd op een waardemethode, de waarde van het eindproduct evenals de waarde van alle bij de productie gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen;

- als het oorsprongscriterium is gebaseerd op gewicht, het gewicht van het eindproduct alsook het gewicht van de desbetreffende in het eindproduct gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen;

- als het oorsprongscriterium is gebaseerd op een specifiek productieprocedé, een beschrijving van dat specifieke procedé.

§ 47. Wanneer de importeur de gevraagde informatie verstrekt, kan hij daaraan alle andere informatie toevoegen die hij met het oog op de verificatie nuttig acht.

§ 48. Indien het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een attest van oorsprong en de importeur niet over het attest van oorsprong beschikt, stelt die importeur de douaneautoriteit van de Partij van invoer daarvan in kennis. In dat geval kan de importeur de douaneautoriteit ervan in kennis stellen dat de gevraagde informatie rechtstreeks door de exporteur zal worden verstrekt.

§ 49. Indien het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op importer’s knowledge, kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer die de verificatie verricht, na eerst om de informatie uit §46, onder b) te hebben verzocht, een verzoek om aanvullende informatie richten aan de importeur indien zij van oordeel is dat aanvullende informatie vereist is om te controleren of een product de oorsprongsstatus heeft verkregen of om na te gaan of aan de overige vereisten van dit hoofdstuk is voldaan. De douaneautoriteit van de Partij van invoer kan indien van toepassing de importeur om specifieke documentatie en informatie verzoeken..

§ 50. Als de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling wordt geschorst in afwachting van de resultaten van de verificatie, stelt de douaneautoriteit van de Partij van invoer de importeur voor het product vrij te geven, zij het onder voorbehoud van passende conservatoire maatregelen, waaronder waarborgen. De schorsing wordt zo snel mogelijk opgeheven indien de douaneautoriteiten van mening zijn dat na de verificatie de preferentie kan worden toegekend.

1.4.9. Administratieve samenwerking

§ 51. De douaneautoriteiten van de Partijen werken samen om te controleren of het product van oorsprong is en voldoet aan de voorwaarden die in de Overeenkomst zijn voorzien.

§ 52. Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een attest van oorsprong, kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer die de verificatie verricht, indien zij dit nodig acht, aanvullende informatie vragen aan de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer om de oorsprongsstatus van de goederen te controleren en/of om na te gaan of aan de andere vereisten van de Overeenkomst is voldaan.

Alvorens over te gaan tot deze administratieve samenwerking dient de douaneautoriteit die de verificatie verricht eerst bij de importeur de in §46 van deze circulaire vermelde informatie opvragen (waarvan minstens het attest van oorsprong vereist is). Vervolgens moet het verzoek worden verstuurd binnen de twee jaar te rekenen vanaf de datum van het verzoek om preferentiële behandeling.

§ 53. Het verzoek om informatie omvat onder andere:

a) ‘het attest van oorsprong [of een kopie daarvan];

b) de identiteit van de douaneautoriteit waarvan het verzoek afkomstig is;

c) de naam van de exporteur;

d) het onderwerp en de reikwijdte van de controle; en

e) indien van toepassing, andere relevante documenten’.

§ 54. De douaneautoriteit van de Partij van uitvoer kan in overeenstemming met haar toepasselijke wetgeving om documenten of een onderzoek verzoeken door bewijsmateriaal op te vragen of een bezoek te brengen aan de bedrijfsruimten van de exporteur met het oog op de controle van gegevens en inspectie van de bij de productie van het product gebruikte infrastructuur.

§ 55. De douaneautoriteit van de Partij van uitvoer die het verzoek om informatie ontvangt, moet van haar kant de volgende elementen verstrekken:

a) ‘de gevraagde documentatie, voor zover beschikbaar;

b) een advies inzake de oorsprongsstatus van het product;

c) de beschrijving van het product dat het voorwerp van onderzoek is en de voor de toepassing van dit hoofdstuk relevante tariefindeling;

d) een beschrijving van en een toelichting bij het productieprocedé ter staving van de oorsprongsstatus van het product;

e) informatie over de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd; en

f) in voorkomend geval, bewijsstukken’.

§ 56. De douaneautoriteit van de Partij van uitvoer verstrekt de douaneautoriteit van de Partij van invoer de in §55 vermelde informatie niet zonder toestemming van de exporteur.

§ 57. Elke Partij deelt de andere Partij de contactgegevens van haar respectieve douaneautoriteiten en, binnen 30 dagen na de datum van enige wijziging van die contactgegevens, alle wijzigingen daarvan mee.

1.4.10. Weigering van toekenning van de preferentiële tariefbehandeling

§ 58. De douaneautoriteit van de Partij van invoer kan, naargelang de situatie, de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling weigeren.

De termijnen waarna de douaneautoriteiten van het land van invoer de preferentiële tariefbehandeling kunnen weigeren zijn als volgt:

 drie maanden na de datum van het eerste verzoek om informatie zoals bedoeld indien binnen die termijn:

 Drie maanden na de datum van een aanvullend verzoek om informatie indien er gebruik wordt gemaakt van ‘importer’s knowledge’ en er binnen die termijn:

 Tien maanden na een verzoek om informatie op grond van de administratieve samenwerking en er binnen die termijn:

§ 59. Als de importeur een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indient voor een product, maar wanneer hij niet voldoet aan de andere voorwaarden van Hoofdstuk 3 van de Overeenkomst dan die welke betrekking hebben op de oorsprongsstatus van het product, dan kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer de preferentiële tariefbehandeling weigeren.

§ 60. Als de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer in het kader van de administratieve samenwerking aan de douaneautoriteit van de Partij van invoer een advies heeft overgemaakt waarin de oorsprongsstatus wordt bevestigd, maar deze laatste gegronde redenen heeft om de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling te weigeren, dan moet ze de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer binnen twee maanden na ontvangst van dat advies in kennis stellen van het voornemen om de preferentiële tariefbehandeling te weigeren.

§ 61. In geval van een dergelijke kennisgeving vindt binnen drie maanden na de datum van de kennisgeving op verzoek van een Partij overleg plaats. De Partijen kunnen de termijn voor overleg in onderlinge overeenstemming geval per geval verlengen. Het overleg vindt plaats volgens de procedure die is vastgesteld door het Gemengd Comité douanesamenwerking, tenzij de douaneautoriteiten van de Partijen anders overeenkomen.

Wanneer, na het verstrijken van de termijn voor overleg, de douaneautoriteit van de Partij van invoer niet kan bevestigen dat de goederen van oorsprong zijn, dan kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer uitsluitend weigeren de preferentiële tariefbehandeling toe te kennen wanneer zij daartoe over voldoende gronden beschikt en nadat zij de importeur in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.

Wanneer de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer de oorsprongsstatus van de producten bevestigt en die bevestiging onderbouwt, zullen de douaneautoriteiten van de Partij van invoer de preferentiële tariefbehandeling van een product niet weigeren op de enkele grond dat artikel 3.24, lid 6 van de Overeenkomst (zie §§55-56), is toegepast.

§ 62. De douaneautoriteit van de Partij van invoer stelt de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer die in het kader van de administratieve samenwerking een opinie inzake de oorsprongsstatus van het bedoelde product heeft uitgebracht binnen twee maanden na de datum van haar definitieve beslissing over de oorsprongsstatus van het product van deze beslissing in kennis.

1.4.11. Vertrouwelijkheid

§ 63. Beide Partijen respecteren, in overeenstemming met hun respectievelijke wetgeving, de vertrouwelijke aard van alle informatie met betrekking tot hoofdstuk 3 van de Overeenkomst die door de andere Partij of een persoon van die Partij wordt verstrekt. De Partijen beschermen deze informatie tegen elke mogelijke vorm van openbaarmaking.

Zo mag alle informatie die door de autoriteiten van de Partij van invoer wordt verkregen, uitsluitend voor de toepassing van dit hoofdstuk van de Overeenkomst worden gebruikt.

§ 64. Een Partij kan de verzamelde informatie evenwel gebruiken in administratieve, rechterlijke of buitengerechtelijke procedures die zijn ingeleid wegens niet-naleving van de voorwaarden van hoofdstuk 3 van de Overeenkomst. De persoon of Partij die de betrokken informatie heeft verstrekt, moet vooraf van die gebruikmaking in kennis worden gesteld.

§ 65. Elke Partij ziet erop toe dat de vertrouwelijke informatie die wordt verzameld, niet wordt gebruikt voor andere doeleinden dan het beheer en de handhaving van besluiten en bepalingen met betrekking tot de oorsprong van producten en douanezaken, tenzij de persoon of de Partij die de vertrouwelijke informatie heeft verstrekt, daarvoor toestemming heeft gegeven.

§ 66. Indien om vertrouwelijke informatie wordt verzocht met het oog op rechterlijke procedures die geen verband houden met oorsprong en douanezaken om de wetgeving van een Partij na te leven, en op voorwaarde dat die Partij de andere Partij of een persoon van die Partij die de informatie heeft verstrekt daarvan vooraf in kennis stelt en de wettelijke vereisten voor dat gebruik vermeldt, is geen toestemming vereist van de andere Partij of een persoon van die Partij die de vertrouwelijke informatie heeft verstrekt.

1.4.12. Administratieve maatregelen en sancties

§ 67. Elke Partij legt, overeenkomstig haar wet- en regelgeving, administratieve maatregelen en, indien passend, sancties op voor inbreuken op de verplichtingen op grond van het hoofdstuk betreffende de oorsprongsregels en -procedures.

2. Deel II: Het systeem van geregistreerde exporteur

2.1. Registratie van exporteurs en vrijstelling van registratieplicht

§ 67. Zoals vermeld in §26 is één van de twee opties om preferentiële tariefbehandeling te vragen het indienen van een attest van oorsprong dat is opgesteld door de exporteur in het land van oorsprong.

EU-exporteurs moeten beschikken over een REX-identificatienummer (REX = Registered Exporter System) indien zij zendingen met goederen van preferentiële EU-oorsprong met een waarde van meer dan 6.000 euro willen uitvoeren naar Nieuw-Zeeland. Dit nummer moet op het attest van oorsprong worden vermeld.

De marktdeelnemers in de EU die reeds zijn geregistreerd in de REX-database van de Europese Commissie om andere bewijzen van oorsprong die een REX-nummer dragen op te maken in kader van andere overeenkomsten, kunnen het aan hen toegekende REX-nummer blijven gebruiken. Er hoeft dus geen uitbreiding van het gebruik van dat nummer te worden aangevraagd.

§ 68. Sinds 25 januari 2021 vervangt een nieuwe uitsluitend digitale procedure de papieren registratieprocedure (aanvraag in pdf-formaat verstuurd per e-mail). De marktdeelnemers aan wie nog geen REX-nummer is toegekend, kunnen het voortaan aanvragen via het portaal van de douanediensten van de Unie van DG TAXUD dat bestemd is voor de marktdeelnemers. Via dit portaal kunnen de marktdeelnemers zich inschrijven en hun inschrijving raadplegen.

Meer informatie over de registratieprocedure is beschikbaar via deze link:

https://financien.belgium.be/nl/douane_accijnzen/ondernemingen/facilitatie/rex-de-zelfcertificatie

§ 69. Het REX-nummer bestaat uit de ISO-code van het land (twee letters), gevolgd door ‘REX’, gevolgd door een reeks van maximaal 30 alfanumerieke tekens.

In België ziet het identificatienummer er als volgt uit: BEREXBE1234567890123.

De registratie is geldig vanaf de datum waarop onze bevoegde dienst de volledige registratieaanvraag ontvangt.

Het kan gebeuren dat de exporteur die de oorsprong moet bewijzen en die beschikt over een REX-nummer, wordt vertegenwoordigd door een douanevertegenwoordiger die zal instaan voor de uitvoervoerformaliteiten en die eveneens een REX-nummer heeft. In zulk geval moet het REX-nummer van de exporteur inzake oorsprong worden gebruikt en niet het nummer van de vertegenwoordiger.

Wanneer het bedrag van de geëxporteerde goederen minder dan 6.000 euro bedraagt, dan wordt de exporteur vrijgesteld van de registratieplicht.

§ 70. De registratie in de REX-database van een exporteur die in de EU is gevestigd, is geldig voor het volledige douanegebied van de Unie zoals bepaald in artikel 26 van de DWU. Het REX-nummer mag worden gebruikt voor de export van producten in de verschillende lidstaten en niet alleen in de lidstaat waar het nummer werd uitgereikt.

Zoals eerder vermeld, hoeft een EU-exporteur zich slechts één keer te laten registreren in de REX-database. Vervolgens kan hij zijn REX-nummer gebruiken voor alle preferentiële overeenkomsten op grond waarvan de REX-registratie verplicht is. Indien de exporteur dus al is geregistreerd, onder meer in het kader van het Stelsel van Algemene Tariefpreferenties (SAP), hoeft hij zich niet meer opnieuw te registreren in het kader van deze nieuwe Overeenkomst.

2.2. Verplichtingen van de autoriteiten

§ 71. De verplichtingen die de autoriteiten moeten naleven, zijn beschreven in artikel 80 van het DWU IA. De Commissie heeft het systeem voor de registratie van exporteurs die bevoegd zijn om een verklaring inzake de oorsprong van goederen af te geven (het REX-systeem) opgezet en op 1 januari 2017 beschikbaar gesteld.

In België is de Dienst Operationele Expertise – Douane 1 (Oorsprong) van de centrale component van de Administratie Operations bevoegd voor de controle van de aanvraagformulieren die onmiddellijk een nummer van geregistreerd exporteur toekent aan de exporteur of, in voorkomend geval, aan de wederverzender van de goederen. Dat nummer van geregistreerd exporteur wordt vervolgens in het systeem gecodeerd, samen met de registratiegegevens die op het aanvraagformulier zijn ingevuld. Bij de invoering van deze gegevens geeft de dienst de begindatum van geldigheid van de REX-registratie in.

Het registratienummer en de begindatum van de geldigheid worden daarna meegedeeld aan de exporteur of wederverzender van de goederen.

Indien de Dienst Operationele Expertise – Douane 1 (Oorsprong) van mening is dat de gegevens in de aanvraag onvolledig zijn, moet hij de exporteur daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen.

Deze dienst is ook verantwoordelijk voor het bijwerken van de gegevens die in het REX-systeem zijn geregistreerd.

2.3. Toegangsrechten tot de databank

§ 72. Aangezien het systeem is opgezet door de Commissie, moet die ervoor zorgen dat toegang tot het REX-systeem wordt geboden in overeenstemming met artikel 82 van het DWU IA.

De Commissie heeft toegang tot alle gegevens.

De douaneautoriteiten van de lidstaten hebben toegang om de gegevens te raadplegen die door henzelf, door de douaneautoriteiten van andere lidstaten, en door de bevoegde autoriteiten van andere landen die het REX-systeem toepassen, werden geregistreerd.

Die toegang tot de gegevens dient voor de verificatie van douaneaangiften op grond van artikel 188 van de DWU of voor de controles a posteriori op grond van artikel 48 van de DWU.

2.4. Gegevensbescherming

§ 73. De geregistreerde exporteurs krijgen informatie over:

 de rechtsgrond van de verwerkingen waarvoor de gegevens bestemd zijn;

 de bewaringstermijn van de gegevens.

Deze informatie wordt meegedeeld via een advies dat wordt bijgevoegd bij het ’verzoek tot registratie als geregistreerd exporteur’.

Elke bevoegde douaneautoriteit in een lidstaat die gegevens in het REX-systeem invoert, wordt beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking van die gegevens. De AADA wordt met andere woorden beschouwd als verantwoordelijke. Om te garanderen dat de geregistreerde exporteur zijn rechten kan laten gelden, wordt de Commissie echter beschouwd als gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van alle gegevens.

De rechten van de geregistreerde exporteur op het vlak van de verwerking van de gegevens die zijn opgeslagen in het REX-systeem en die worden verwerkt in het kader van de nationale systemen, worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetgeving ter omzetting van de Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.

De rechten van de geregistreerde exporteur met betrekking tot de verwerking van zijn registratiegegevens door de Commissie worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725.

Elk verzoek van een geregistreerd exporteur om het recht op toegang, rectificatie, uitwissen of afschermen van gegevens overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 uit te oefenen, wordt ingediend bij en onderzocht door de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens.

Wanneer een geregistreerd exporteur een dergelijk verzoek bij de Commissie indient zonder een poging te hebben gedaan zijn rechten bij de verwerkingsverantwoordelijke te doen gelden, stuurt de Commissie dat verzoek door naar de verwerkingsverantwoordelijke van de geregistreerde exporteur.

Wanneer de geregistreerde exporteur er niet in slaagt zijn rechten te doen gelden bij de verwerkingsverantwoordelijke, kan hij zijn verzoek indienen bij de Commissie, die dan als verwerkingsverantwoordelijke optreedt. De Commissie is immers gemachtigd om de gegevens te rectificeren, te wissen of te blokkeren.

De nationale toezichthoudende gegevensbeschermingsautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werken, elk binnen de grenzen van hun eigen bevoegdheden, samen en zorgen voor een gecoördineerd toezicht op de registratiegegevens.

Zo kunnen zij:

 relevante informatie uitwisselen;

 elkaar bijstaan in de uitvoering van controles en inspecties;

 problemen behandelen bij de uitlegging of toepassing van het DWU IA;

 zich buigen over problemen bij de uitoefening van het onafhankelijk toezicht of bij de uitoefening van de rechten van betrokkenen;

 geharmoniseerde voorstellen voor gemeenschappelijke oplossingen voor problemen opstellen; en

 indien nodig het bewustzijn over gegevensbeschermingsrechten bevorderen.

2.5. Bekendmaking

§ 74. Met instemming van de exporteur zal de Commissie de volgende informatie voor het publiek beschikbaar stellen:

 de naam van de geregistreerde exporteur;

 het adres van de plaats waar de geregistreerde exporteur is gevestigd;

 de contactgegevens zoals vermeld in vak 2 van het formulier;

 een indicatieve beschrijving van de goederen die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling, samen met een indicatieve lijst van posten of hoofdstukken van het GS, zoals vermeld in vak 4 van het formulier;

 het EORI-nummer of TIN-nummer (identificatienummer handelaar) van de geregistreerde exporteur.

De exporteur kan tijdens de online registratie zijn toestemming geven om zijn gegevens te publiceren. De weigering om deze toestemming te verlenen vormt geen geldige reden om de registratie van de exporteur te weigeren.

§ 75. De volgende gegevens zijn altijd toegankelijk voor het publiek, zonder voorafgaande toestemming van de exporteur:

 het nummer van geregistreerd exporteur;

 de begindatum van de geldigheid van de registratie;

 indien van toepassing, de datum van intrekking van de registratie;

 een vermelding of de registratie ook van toepassing is op uitvoer naar Noorwegen en Zwitserland;

 de datum van de laatste synchronisatie tussen het REX-systeem en de openbare website.

2.6. Verplichtingen van exporteurs

§ 76. Artikel 91 van de DWU IA somt op aan welke verplichtingen exporteurs en geregistreerde exporteurs moeten voldoen. Zo moeten ze:

 een passende boekhouding voeren met betrekking tot de productie en levering van goederen die voor preferentiële behandeling in aanmerking komen;

 alle bewijsstukken bewaren in verband met de materialen die zij bij de vervaardiging gebruiken;

 alle douanedocumenten bewaren in verband met de materialen die zij bij de vervaardiging gebruiken;

 de administratie in verband met de attesten van oorsprong die zij hebben opgesteld bewaren, alsook de rekeningen in verband met de van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde materialen, vervaardiging en voorraden. Die administratie moet worden bewaard gedurende een periode van drie jaar vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de attesten van oorsprong werden opgesteld, of langer indien het nationale recht dit vereist.

Die administratie mag in elektronisch formaat worden bewaard, zolang het aan de hand daarvan mogelijk is de materialen die bij de vervaardiging van de uitgevoerde producten zijn gebruikt, te traceren en hun oorsprong te bevestigen.

Hogervermelde verplichtingen zijn ook van toepassing op de door leveranciers aan exporteurs afgegeven leveranciersverklaringen met betrekking tot de oorsprong van de goederen die zij hebben geleverd.

3. Deel III: Oorsprongsbewijzen en praktische bepalingen

3.1. Het attest van oorsprong

3.1.1. Algemene voorwaarden betreffende het attest van oorsprong

§ 77. Een attest van oorsprong kan worden opgesteld voor:

 een eenmalige zending van één of meerdere producten die in het gebied van een Partij worden geïmporteerd; of

 meerdere zendingen van identieke producten die binnen een periode, vermeld op het attest van oorsprong, in een Partij worden geïmporteerd, waarbij deze periode niet langer dan 12 maanden mag zijn.

§ 78. Een attest kan worden afgegeven door een exporteur op basis van informatie en documentatie die aantonen dat het desbetreffende product van oorsprong is, inclusief de oorsprongsstatus van de materialen die werden gebruikt tijdens de productie ervan mocht dit van toepassing zijn.

§ 79. De exporteur is een persoon die zich op het grondgebied van een Partij (EU of Nieuw-Zeeland) bevindt en die, in overeenstemming met de wet- en regelgeving van die Partij, het product van oorsprong uitvoert en/of produceert. De exporteur hoeft het product van oorsprong dus niet zelf te hebben geproduceerd. Hij kan ook een handelaar zijn die het product van oorsprong exporteert zolang hij maar voldoet aan de bepalingen van de Overeenkomst.

De exporteur is verantwoordelijk voor de juistheid van het attest van oorsprong en de informatie die erop wordt vermeld.

§ 80. Het attest van oorsprong is geen apart document, maar een verklaring waarmee de exporteur de oorsprongsstatus van een product bevestigt.

Het bestaat uit een voorgeschreven tekst en blanco velden die door de exporteur moeten worden ingevuld op basis van de informatie in de voetnoten (zie bijlage 3-C van de Overeenkomst).

De tekst kan worden getypt, afgedrukt, gestempeld of met de hand geschreven op een factuur of ander handelsdocument (bijv. paklijst, afleveringsnota, pro forma factuur) waarop de exporteur en de producten van oorsprong in voldoende detail zijn beschreven om ze te kunnen identificeren.

Eventuele niet-oorsprongsproducten die op het document staan, moeten duidelijk worden onderscheiden van de oorsprongsproducten.

Het document met het attest van oorsprong kan elektronisch worden verstrekt.

De exporteur moet de voorgeschreven tekst overnemen en mag deze niet wijzigen. De douaneautoriteiten zullen de aanvragen niet afwijzen indien het attest van oorsprong kleine fouten of discrepanties bevat.

§ 81.Als de exporteur gevestigd is in de Partij van uitvoer (EU of Nieuw-Zeeland), maar de handelaar die het handelsdocument afgeeft in een derde land gevestigd is, is het niet de bedoeling dat de exporteur het attest van oorsprong opstelt op het document van die handelaar uit het derde land. Wanneer de exporteur het attest van oorsprong echter niet op zijn eigen handelsdocument kan opstellen, mag volgens de diensten van de Commissie een handelsdocument van een derde Partij (een handelaar) worden gebruikt. Dit kan het geval zijn wanneer een Partij producten van oorsprong in een derde land wordt opgesplitst in overeenstemming met de voorwaarden van niet-wijziging. Wanneer dergelijke zendingen worden onderworpen aan een verificatie zal er steeds een administratieve samenwerkingsprocedure worden opgestart teneinde te verzekeren dat het attest van oorsprong door de Nieuw-Zeelandse exporteur op het document werd geplaatst.

§ 82. Export uit de Europese Unie naar Nieuw-Zeeland:

EU-exporteurs moeten hun geldig REX-nummer vermelden in het attest van oorsprong.

Exporteurs die niet in het REX-systeem zijn geregistreerd, mogen echter alleen attesten van oorsprong opstellen voor zendingen van producten van oorsprong met een waarde van niet meer dan 6 000 EUR.

In beide gevallen is de ondertekening van het attest van oorsprong niet vereist.

Operatoren uit de Europese Unie die reeds zijn geregistreerd in het REX-systeem van de Commissie in kader van eerdere preferentiële regelingen, kunnen het aan hen toegewezen REX-nummer blijven gebruiken. Er moet dus geen uitbreiding van het gebruik van dit nummer worden gevraagd.

Operatoren die nog niet over een REX-nummer beschikken kunnen dit vanaf 25 januari 2021 aanvragen via de EU Customs Trader Portal van DG TAXUD. Via dit portaal kunnen bedrijven zich registreren en hun registratie raadplegen. Meer informatie over de registratieprocedure kan u hier terugvinden: Geregistreerd exporteur (REX) - Zelfcertificatie | FOD Financiën

Gedetailleerde informatie over de wijze waarop u zich kunt registreren in het REX-systeem wordt beschreven in § 67 e.v. van deze circulaire of is beschikbaar op de website van DG TAXUD: REX – Registered Exporter system - European Commission.

§ 83. Export uit Nieuw-Zeeland naar de EU:

Nieuw-Zeelandse handelaren gebruiken over het algemeen hun Customs Client Code op het attest van oorsprong. Deze Customs Client Code bestaat uit 8 cijfers en een letter (vb.: 12345678A). Custom Client Codes worden toegekend aan marktdeelnemers die betrokken zijn bij de import en export van zendingen met een waarde van 1.000 Nieuw-Zeelandse dollar (NZD) of meer.

In bepaalde uitzonderlijke gevallen mag het veld voor het referentienummer op het attest van oorsprong blanco worden gelaten (bijlage 3C, voetnoot 2). Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de producent van de goederen het attest van oorsprong opstelt, maar de uitvoer wordt georganiseerd door een handelaar. In de overgrote meerderheid van de gevallen zijn Nieuw-Zeelandse producenten echter ook exporteurs van hun goederen en vermelden ze hun Customs Client code op hun attesten van oorsprong.

Een Nieuw-Zeelandse particulier die voor meer dan 1.000 NZD aan goederen exporteert, kan een Client Number op zijn attest van oorsprong gebruiken in plaats van een Customs Client Code, in het (zeer) onwaarschijnlijke geval dat hij voor deze goederen aanspraak wil maken op preferentie onder de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en NZ. Het Client Number ziet er precies hetzelfde uit als de Customs Client Code en dient hetzelfde doel.

Voor meer informatie over de klantcode kunt u terecht op de volgende website : Client Code - Douane Nieuw-Zeeland.

3.1.2. De formulering van het attest van oorsprong

§ 84. De verschillende taalversies van de tekst van het attest van oorsprong die op de factuur of een ander handelsdocument kunnen worden aangebracht en de toelichtingen zijn opgenomen in bijlage 3-C van de Overeenkomst. De douaneautoriteiten van de Partij van invoer zullen geen vertaling van het attest van oorsprong eisen. De voorgeschreven tekst mag in geen enkel geval worden gewijzigd. Enkel de blanco velden moeten conform de voetnoten worden ingevuld. De voetnoten zelf hoeven niet te worden overgenomen

Nederlandse versie

'[voor meerdere zendingen]; Periode: van ……………tot en met …………… (1)

De exporteur van de producten waarop dit document van toepassing is (referentienr. exporteur ........ (2)) verklaart dat, behoudens uitdrukkelijke andersluidende vermelding, deze producten van preferentiële oorsprong zijn uit ……………… (3).

……………………………………………………………………………………………….………………….. (4)

(Plaats en datum)

...……………………………………………………………………………………………………………………

(Naam van de exporteur)

Verklarende noten

(1) Wanneer het attest van oorsprong wordt opgesteld voor meerdere zendingen van dezelfde producten van oorsprong in de zin van artikel 3.18 (Attest van oorsprong), lid 4, (b), de periode vermelden gedurende welke het attest van oorsprong van toepassing is. Deze periode mag niet meer dan 12 maanden bedragen. Alle producten moeten binnen de aangegeven periode worden ingevoerd. Dit veld mag leeg blijven indien een periode niet van toepassing is.

(2) Vermeld het referentienummer aan de hand waarvan de exporteur kan worden geïdentificeerd. Voor de exporteurs van de Europese Unie is dit het overeenkomstig de wet- en regelgeving van de Europese Unie toegewezen nummer. Voor de Nieuw-Zeelandse exporteurs is dit de Customs Client Code. Wanneer de exporteur geen nummer heeft, mag dit veld leeg blijven.

(3) Vermeld de oorsprong van het product: "Nieuw-Zeeland’ of "Europese Unie’.

(4) Plaats en datum kunnen achterwege blijven indien de gegevens reeds op het document met het attest van oorsprong zelf zijn aangegeven.

§ 85 Aanvulling bij voetnoot 3: EU-exporteurs moeten de oorsprong van hun producten aangeven met de woorden "Europese Unie", "EU" of een equivalente term in de officiële taalversies van de EU. Lidstaten mogen niet worden vermeld.

Nieuw-Zeelandse exporteurs moeten " New Zealand” of “NZ“ vermelden. Ze mogen ook “Aotearoa” gebruiken oftewel Nieuw-Zeeland in de taal van de Maori’s. Een dubbele vermelding zoals "Europese Unie / Nieuw-Zeeland" is niet toegestaan, aangezien EU-exporteurs geen Nieuw-Zeelandse oorsprong kunnen verklaren en vice versa.

§ 86. Als de exporteur die het attest van oorsprong heeft opgesteld, redenen heeft om te geloven dat het onjuiste informatie bevat of gebaseerd is op dergelijke informatie, moet hij de importeur onmiddellijk (schriftelijk) informeren over elke wijziging die invloed heeft op de oorsprongsstatus van het product. In dit geval moet de importeur de invoeraangifte corrigeren en de toepasselijke douanerechten betalen die verschuldigd zijn.

3.1.3. Het attest van oorsprong bij meervoudige zendingen van identieke producten

§ 87. De Overeenkomst voorziet dat een attest van oorsprong ook kan worden gebruikt voor meerdere zendingen van identieke producten en dit binnen een termijn van maximum twaalf maanden.

Met identieke producten worden producten bedoeld die in alle opzichten overeenkomen met de producten die in de productomschrijving zijn beschreven en die hun oorsprong onder dezelfde omstandigheden hebben verkregen. Het voornaamste voordeel van dit type van attest is dat exporteurs slechts één attest van oorsprong moeten opstellen voor al deze zendingen van identieke producten binnen de op het attest bepaalde termijn.

§ 88. De procedure om preferentiële tariefbehandeling te vragen met een attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke goederen verschilt van het standaard attest van oorsprong voor een enkele zending.

In de praktijk moet het attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten worden geplaatst op de factuur of op een ander handelsdocument met betrekking tot de eerste zending van de identieke producten. Voor de latere zendingen moeten er geen nieuwe oorsprongsattesten worden opgesteld, op voorwaarde dat de producten worden ingevoerd in de periode waarop deze verklaring betrekking heeft. De importeur moet steeds het initiële attest van oorsprong kunnen voorleggen.

Wat de douaneaangifte ten invoer betreft, moet voor de eerste zending en voor alle volgende zendingen code 'U121' worden ingegeven in gegevenselement 12 03 001 000 (voorheen vak 44) , samen met de referentie van het document waarop het attest van oorsprong is .

§ 89. Het attest van oorsprong voor meervoudige zendingen gebruikt hetzelfde model als het oorsprongsattest voor een enkele zending. Het belangrijkste verschil is dat de termijn bovenaan het attest moet worden ingevuld. De datum moet steeds dag, maand en jaartal vermelden, bijvoorbeeld 1 mei 2025 of 01.05.2025. Daarnaast moet het attest van oorsprong de volgende drie datums bevatten:

§ 90 Het kan ook voorvallen dat de eerste zending bestaat uit meerdere producten waarbij het de bedoeling is dat diezelfde producten meerdere malen zullen worden ingevoerd binnen een bepaalde periode (bijvoorbeeld, onderdelen voor de productie van wagens of ingrediënten bedoeld voor de farmaceutische industrie). Ook hiervoor mag een attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke goederen worden opgesteld, zelfs al worden bij de navolgende zendingen niet steeds alle goederen uit de eerste zending ingevoerd.

Voorbeeld: Een importeur voert een eerste zending in bestaande uit twintig verschillende onderdelen voor wagens. De exporteur plaatst op hun factuur een attest van meerdere zendingen van identieke goederen.

De importeur kan voor al deze zendingen preferentiële tariefbehandeling vragen aangezien het telkens gaat om identieke goederen die reeds deel uitmaakten van de eerste zending.

§ 91 Het is evenwel niet toegestaan om het attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke goederen te gebruiken voor goederen die geen deel uitmaken van de eerste zending waarop het attest betrekking heeft, zelfs al gaat het ook om identieke producten die herhaaldelijk worden ingevoerd.

Voorbeeld: Een importeur voert een eerste zending in bestaande uit twintig verschillende onderdelen voor wagens. De exporteur plaatst op hun factuur een attest van meerdere zendingen van identieke goederen, maar voegt (al dan niet retroactief) een lijst toe van vijftig onderdelen waarvan er dertig geen deel uitmaakten van de eerste zending. De importeur kan op basis van het initiële attest van oorsprong van meerdere zendingen van identieke goederen géén preferentiële tariefbehandeling vragen voor deze dertig onderdelen aangezien ze geen deel uitmaakten van de eerste zending. In dergelijke gevallen moet men per zending een attest van oorsprong op de factuur of op het gebruikte handelsdocument vermelden.

§ 92. Een exporteur in de EU hoeft niet geregistreerd te zijn om een attest van oorsprong voor meerdere zendingen op te stellen wanneer elke zending afzonderlijk – waarop het attest van oorsprong betrekking heeft – niet meer dan 6.000 EUR bedraagt. Dit is ongeacht de totale waarde van alle zendingen samen in de periode waarop het attest van oorsprong betrekking heeft. Van zodra de waarde van één zending evenwel meer dan 6.000 EUR bedraagt, dient hiervoor ofwel een nieuw attest voor de zending afzonderlijk te worden opgesteld, of er moet een nieuw attest voor meerdere zendingen van identieke producten worden afgegeven. Om bovenstaande problemen te vermijden, adviseren we om steeds een REX-nummer te vermelden.

§ 93. Een attest van oorsprong voor meervoudige zendingen moet door de exporteur worden ingetrokken als niet langer aan de voorwaarden voor het gebruik ervan wordt voldaan. De intrekking moet samen met het oorspronkelijke attest van oorsprong voor meerdere zendingen worden geregistreerd. Wanneer de intrekking geregistreerd is, moet een nieuw attest van oorsprong worden opgesteld indien de geleverde producten opnieuw producten van oorsprong zijn.

§ 94. Het attest van oorsprong voor meervoudige zendingen van identieke goederen kan worden gebruikt als basis voor de preferentiële tariefbehandeling van invoeraangiftes die worden aanvaard tussen de begin- en einddatum die op het attest van oorsprong zijn vermeld. Invoeraangiften waarvan de data niet binnen de geldigheidsduur van het attest van oorsprong vallen, kunnen geen preferentiële tariefbehandeling genieten op basis van dat attest. Als het attest van oorsprong bv. een periode vermeldt voor zendingen van 1 maart 2025 tot en met 31 oktober 2025, dan kan dit attest niet worden gebruikt voor een zending van identieke goederen die wordt ingevoerd op 15 november 2025.

§ 95. De importeurs moeten altijd het attest van oorsprong aan de douaneautoriteiten kunnen voorleggen. De omschrijving van de producten van oorsprong in het document dat wordt gebruikt om het attest van oorsprong op te stellen en in de documenten die de daaropvolgende zendingen vergezellen, moet voldoende nauwkeurig zijn om de betrokken producten gemakkelijk te kunnen identificeren en vergelijken.

3.1.4. Geldigheid van het attest van oorsprong

§ 96. Het attest van oorsprong, zowel voor een enkele zending als voor meerdere zendingen van identieke goederen, is 1 jaar geldig vanaf de datum waarop het is opgesteld. Het moet binnen deze termijn worden ingediend om de preferentiële tariefbehandeling te verzoeken, hetzij wanneer de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, hetzij in het geval van een terugbetaling of kwijtschelding van de douanerechten indien de goederen reeds in het vrije verkeer zijn gebracht.

Indien een attest van oorsprong wordt opgesteld na de invoer van de goederen, moet er rekening worden gehouden met de bepalingen uit §113 – 119.

3.1.5. Vervanging van een bewijs van preferentiële oorsprong

§ 97. Hoewel dit niet in de Overeenkomst wordt vermeld, kan het attest van oorsprong binnen de Europese Unie worden vervangen. Aangezien het hier gaat om een interne regel van de Europese Unie is de wettelijke grondslag met betrekking tot de vervanging van het bewijs van preferentiële oorsprong opgenomen in artikel 69 DWU IA.

Wanneer producten van oorsprong waarop een bewijs van preferentiële oorsprong betrekking heeft dat eerder is afgegeven of opgesteld voor de toepassing van een preferentiële tariefmaatregel nog niet voor het vrije verkeer zijn vrijgegeven en onder toezicht van een douanekantoor in de Unie zijn geplaatst, kan het oorspronkelijk oorsprongsattest door een of meer vervangende oorsprongsattesten worden vervangen om alle of een deel van die producten naar een andere plaats in de Europese Unie te zenden.

§ 98. Het vervangende attest van oorsprong moet worden opgesteld in dezelfde vorm als het oorspronkelijke oorsprongsattest; in het kader van de Overeenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland moet daarbij de tekst worden gebruikt die is opgenomen in bijlage 3-C van de Overeenkomst.

§ 99. Wie dat vervangende oorsprongsdocument opstelt, hangt af van de totale waarde van de producten van oorsprong in de oorspronkelijke zending. Zo kan een vervangend document worden opgesteld door:

 een toegelaten of geregistreerd exporteur in de EU, die de goederen doorzendt, ongeacht de waarde van de producten van oorsprong die deel uitmaken van de oorspronkelijke zending;

 een niet-toegelaten of niet-geregistreerd wederverzender van goederen in de EU wanneer de totale waarde van de producten van oorsprong in de op te splitsen oorspronkelijke zending niet hoger is dan 6.000 euro;

 een niet-toegelaten of niet-geregistreerd wederverzender van goederen in de Europese Unie wanneer de totale waarde van de producten van oorsprong in de op te splitsen oorspronkelijke zending hoger is dan 6.000 euro en er bij het vervangende oorsprongsdocument een kopie van het oorspronkelijke oorsprongsdocument is gevoegd.

§ 100. Wanneer overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, tweede lid, DWU IA, een wederverzender niet toegelaten noch geregistreerd is en de waarde van de producten van oorsprong in de op te splitsen oorspronkelijke zending hoger is dan 6.000 EUR en het om welke reden dan ook onmogelijk is om een kopie van het oorspronkelijke oorsprongsdocument bij te voegen (bijvoorbeeld in het geval van een handelsgeheim), dan mag dat document in de vorm van een certificaat EUR.1 worden afgeleverd door het douanekantoor dat voor de goederen bevoegd is.

3.2. Aan de importeur bekende informatie

§ 101. Het concept van ‘aan de importeur bekende informatie’ of ‘importer’s knowledge’ is gebaseerd op de commerciële relatie tussen de exporteur en de importeur. Een importeur die ervan gebruik wil maken moet van de exporteur de nodige informatie en documentatie aangaande de oorsprong van het product bekomen. Wanneer de importeur in de Partij van invoer de tariefpreferentie aanvraagt moet hij op basis van die informatie kunnen bewijzen dat de ingevoerde producten van oorsprong zijn. Met aan de importeur bekende informatie kunnen importeurs ervoor kiezen om tariefpreferenties aan te vragen op basis van de inlichtingen en documenten waarover zij beschikken over de preferentiële oorsprong van de goederen die zij invoeren.

§ 102. Aan de importeur bekende informatie veronderstelt dat exporteurs van het product deze gegevens en documenten aan importeurs verstrekken of deze indirect ter beschikking stellen. Daarbij kan het gaan om bedrijfsgevoelige informatie van de exporteur, zoals prijsberekeningen, materiaallijsten en leveranciersinformatie. De informatie waarover ze beschikken, moet echter nauwkeurig en tastbaar bewijs zijn dat het product als van oorsprong kan worden beschouwd en deze informatie moet tijdens controles kunnen worden overgelegd. Kortom, importeurs moeten beschikken over alle nodige bewijsstukken aan de hand waarvan de douaneautoriteit van het land van invoer de oorsprong van de goederen kan controleren.

§ 103. De importeur moet de bewijsstukken of bescheiden waaruit de preferentiële oorsprong van de producten blijkt, voor minstens 3 jaar vanaf de datum van invoer bewaren. Bovendien kunnen de ondersteunende documenten, hetzij origineel, hetzij in de vorm van een kopie, zowel elektronisch (bijv. PDF, Excel, Word) als op papier worden bewaard.

§ 104. Wanneer EU-importeurs ervoor kiezen om hun aanvraag te baseren op het principe van aan de importeur bekende informatie, moeten zij met de exporteur de nodige afspraken maken om de nodige informatie en documenten te bekomen waaruit de preferentiële oorsprong van de ingevoerde goederen blijkt.

§ 105. Mocht de importeur gebruik maken van een douanevertegenwoordiger, wordt hem bovendien aangeraden de voorwaarden voor het gebruik van aan de importeur bekende informatie te formaliseren om aanspraak te maken op de tariefpreferentie in het dienstencontract of het vertegenwoordigingsmandaat.

§ 106. Mocht de importeur in de Partij van invoer vaststellen dat hij, vóórdat hij het verzoek om preferentiële tariefbehandeling heeft ingediend, niet over de nodige informatie zal kunnen beschikken, dan mag de exporteur in de Partij van uitvoer alsnog een attest van oorsprong opstellen en aan de importeur bezorgen. Dit kan voorkomen wanneer de exporteur van mening is dat bepaalde informatie vertrouwelijk is.

§ 107. Een door de exporteur opgesteld attest van oorsprong mag niet worden gebruikt als bewijsstuk in kader van ‘importer’s knowledge’. Indien de exporteur beschikt over een correct en geldig attest van oorsprong raden we steeds aan om tariefpreferenties aan te vragen op basis van dat attest in plaats van op ‘importer’s knowledge’.

§ 108. De importeur die gebruikmaakt van aan de importeur bekende informatie hoeft niet in de REX-databank te worden geregistreerd.

§ 109. De bij te houden informatie heeft voornamelijk betrekking op de oorsprongscriteria en de naleving van de desbetreffende oorsprongsregels:

 als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een specifiek productieprocedé, een specifieke beschrijving van dat procedé;

 als het oorsprongscriterium ‘volledig verkregen’ was, de toepasselijke categorie (zoals oogst, ontginning, bevissing) en plaats van productie;

 als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een waardemethode, de waarde van het product alsmede de waarde van alle bij de productie gebruikte niet van oorsprong zijnde of, waar nodig om de naleving van de voorwaarde met betrekking tot waarde vast te stellen, van oorsprong zijnde materialen

 als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op gewicht, het gewicht van het product alsmede het gewicht van de desbetreffende in het product verwerkte niet van oorsprong zijnde of, waar nodig om de naleving van de voorwaarde met betrekking tot gewicht vast te stellen, van oorsprong zijnde materialen;

 als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een wijziging in tariefindeling, een lijst van alle niet van oorsprong zijnde materialen, met inbegrip van het tariefindelingsnummer ervan overeenkomstig het geharmoniseerd systeem (in twee, vier of zes cijfers, afhankelijk van de oorsprongscriteria).

§ 110. De documenten of gegevens die moeten worden verstrekt om aan de importeur bekende informatie aan te tonen, zijn afhankelijk van de respectieve oorsprongscriteria en andere toepasselijke oorsprongsregels. De douane kan ook de lokalen bezoeken, bijvoorbeeld om rechtstreeks toegang te krijgen tot de administratie. In het geval van verbonden ondernemingen kan toegang tot de administratie van de exporteur op deze manier mogelijk zijn.

De bewijsstukken omvatten handelsdocumenten en andere documenten die door de exporteur zijn verstrekt, documenten die zijn afgegeven door andere overheidsinstanties in de EU of in derde landen, of openbaar beschikbare informatie.

§ 111. De volgende niet-uitputtende lijst bevat de documenten of bescheiden die eventueel kunnen worden overgelegd:

 Voorbeelden van handelsdocumenten en andere documenten waarover de exporteur beschikt, zijn onder meer:

 Voorbeelden van documenten die door andere overheidsinstanties zijn afgegeven, zijn:

 Voorbeelden van openbaar beschikbare informatie die kan helpen bij het vaststellen van de door de importeur verstrekte informatie zijn:

§112. Een importeur moet over volledige en correcte informatie en documentatie beschikken voor de desbetreffende producten indien hij gebruik wenst te maken van aan de importeur bekende informatie. Een spreadsheet, foto’s van het productieproces of een leveranciersverklaring alleen zullen het dus niet mogelijk maken om de processen of de plaats van productie te beoordelen. Zij moeten worden aangevuld met commerciële of contractuele documenten en informatie. Wanneer de importeur de producten verkrijgt van een leverancier die ze niet heeft vervaardigd, mag hij geen aanspraak maken op tariefpreferenties op basis van aan de importeur bekende informatie, tenzij hij van die leverancier-wederverkoper de documenten en informatie kan verkrijgen die nodig zijn om de kennis van de importeur aan te tonen. Het is evenmin voldoende om over een soort van verklaring te beschikken waarin de exporteur zegt dat de producten van oorsprong zijn volgens een bepaald criterium.

De ontvankelijkheid van de documenten wordt overgelaten aan het oordeel van de controlerende douanediensten.

3.3. Verzoek om preferentiële tariefbehandeling na invoer

§ 113. In de Europese Unie wordt een verzoek om preferentiële tariefbehandeling normaal gezien ingediend op het moment dat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, maar het verzoek kan ook betrekking hebben op een terugbetaling of kwijtschelding van reeds betaalde invoerrechten bij vroegere ingevoerde zendingen. De indiening van een verzoek om preferentiële tariefbehandeling na de invoer is voorzien in artikel 3.17 van de Overeenkomst.

Op grond van dit artikel kunnen importeurs een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indienen als ze dat niet hebben gedaan op het moment van het in het vrije verkeer brengen van de goederen en niet later dan drie jaar na die datum.

Wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een attest van oorsprong, moet het verzoek bovendien worden ingediend binnen de geldigheidsduur van het attest, zijnde één jaar.

3.3.1. Attest van oorsprong voor een enkele zending

§ 114. Het attest van oorsprong kan op eender welk moment worden opgesteld, dus zowel vóór, op moment van als na de uitvoer van de betreffende producten. Daarop zit geen beperking.

De exporteur moet evenwel nog steeds rekening worden gehouden met de geldigheidstermijn van één jaar. Van zodra deze termijn is verlopen, kan het attest van oorsprong niet meer worden gebruikt als basis voor een verzoek om preferentiële tariefbehandeling.

Hoewel het attest van oorsprong in principe apart gedateerd moet zijn, is het eveneens toegelaten dat men hiervoor verwijst naar de factuurdatum of de datum van het handelsdocument. Wanneer de exporteur echter in kader van een terugbetalingsdossier een attest van oorsprong plaatst op een factuur die meer dan 12 maanden oud is zonder deze apart te dateren, zal dit attest moeten worden afgewezen wegens een verlopen geldigheidstermijn. Er kan immers enkel worden verwezen naar de initiële factuurdatum. Daarom is het belangrijk dat het attest van oorsprong dat na de invoer wordt opgesteld ook apart wordt gedateerd. Op deze manier kunnen dergelijke problemen worden vermeden.

3.3.2. Attest van oorsprong voor meervoudige zendingen van identieke producten

§ 115. Een attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten kan achteraf worden opgesteld en ingediend, afhankelijk van het feit of de importeur al dan niet reeds een verzoek om preferentiële tariefbehandeling heeft ingediend.

§ 116. Scenario 1:

Er werd reeds een verzoek om preferentiële tariefbehandeling ingediend voor één of meerdere zendingen van identieke producten zonder dat een attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten bestond op dat moment.

Voor deze zendingen kan er geen attest voor meerdere zendingen van identieke producten worden opgesteld. Er wordt dan immers een situatie gecreëerd waarbij er geen attest van oorsprong bestond op moment van het verzoek om preferentiële tariefbehandeling. Het attest kan niet met terugwerkende kracht worden toegepast wanneer er al een verzoek werd ingediend. Met andere woorden, het attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten heeft geen retroactieve werking.

Voorbeeld:

Een Nieuw-Zeelandse exporteur begint op 1 mei 2025 met de uitvoer van zendingen van identieke producten naar zijn EU-klant, maar heeft hiervoor nog geen attest van oorsprong voor meerdere zendingen opgesteld.

De EU-importeur klaart deze zendingen direct in en vraagt eveneens direct de preferentiële tariefbehandeling in de veronderstelling dat het attest zal worden opgestuurd.

Uiteindelijk stelt de Nieuw-Zeelandse exporteur pas op 1 augustus 2025 een attest van oorsprong op met als begindatum 1 mei 2025 en als einddatum 30 april 2026.

Dit attest kan niet retroactief gebruikt worden voor de eerdere zendingen waarvoor reeds preferenties werden gevraagd.

Het kan echter wel worden gebruikt voor de identieke zendingen die vanaf de datum van opstellen (1 augustus) worden ingevoerd zolang de opgegeven termijn niet wordt overschreden.

Voor de zendingen die reeds werden ingevoerd kan er nog preferentiële tariefbehandeling worden gevraagd op basis van een attest van oorsprong per zending.

§ 117. Scenario 2:

Er werden verschillende zendingen van identieke producten ingevoerd zonder dat de preferentiële tariefbehandeling werd gevraagd.

In dat geval kan er wel nog een attest van oorsprong voor meerdere zendingen achteraf worden opgesteld om de preferenties te vragen voor deze eerdere zendingen en voor toekomstige.

Afhankelijk van de termijn die wordt ingevuld, kan het attest ook worden gebruikt voor toekomstige zendingen van identieke producten zolang de maximale termijn van 12 maanden niet wordt overschreden.

De begindatum moet verwijzen naar de datum van de eerste zending die (zonder preferentie) werd ingevoerd of naar een eerder tijdstip, bijvoorbeeld het tijdstip van uitvoer.

De einddatum kan verwijzen naar een zending die al is ingevoerd zonder gebruik te hebben gemaakt van preferenties of naar een toekomstige zending van identieke producten die die nog zal worden ingevoerd na de datum van opstellen van het oorsprongsattest. In ieder geval moeten alle invoeren die onder de regeling zullen vallen, plaatsvinden binnen de aangegeven periode.

De importeur mag dan retroactief een verzoek om preferentiële tariefbehandeling indienen vanaf de datum waarop het attest van oorsprong werd opgesteld.

Voorbeeld:

Een EU-importeur voert in de periode mei, juni en juli 2025 chemische producten in zonder dat er preferenties werden gevraagd.

De eerste zending werd ingevoerd op 20 mei 2025.

De Nieuw-Zeelandse exporteur stelt op 1 september 2025 een attest van oorsprong voor meerdere zendingen op met als startdatum de datum van invoer in de EU (20 mei 2025).

Aangezien er nog zendingen gepland zijn, geeft de Nieuw-Zeelandse exporteur als einddatum 19 mei 2026 op.

Op basis van dit attest:

§ 118. Voor wat betreft de uiterste termijn om het attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten in te dienen, is hetzelfde principe van toepassing zoals beschreven in §113.

3.3.3. Aan de importeur bekende informatie

§ 119. Aangezien er bij aan de importeur bekende informatie geen mogelijkheid is voorzien om administratieve samenwerking op te starten, kan een verzoek om preferentiële tariefbehandeling tot drie jaar vanaf het ontstaan van de douaneschuld worden ingediend. Ook hier gelden de bepalingen zoals voorzien in §§101–112 van deze circulaire.

3.4. Te gebruiken codes op de douaneaangifte

§ 120. De preferentiële tariefbehandeling wordt in de praktijk gevraagd door op de douaneaangifte een bepaalde combinatie van codes in te vullen in de daartoe bestemde gegevenselementen (G.E) of vakken.

Voor wat betreft deze Overeenkomst zijn de volgende codes van toepassing:

G.E. 16 09 000 000 (vak 34) – land van preferentiële oorsprong:

 ISO alpha-2-landcode ‘NZ’: met deze code wordt aangegeven dat de goederen van Nieuw-Zeelandse preferentiële oorsprong zijn.

G.E. 14 11 000 000 (vak 36) - preferentiecode:

 300: verzoek om preferentiële tariefbehandeling

G.E. 12 03 002 000 (vak 44) - bewijsstukken:

 U120 : attest van oorsprong;

 U121 : attest van oorsprong voor meerdere zendingen van identieke producten. Deze code moet steeds worden gekoppeld aan de referentie van het oorspronkelijke handelsdocument waarop het initiële oorsprongsattest wordt gebruikt.

 U122 : wanneer het verzoek is gebaseerd op ‘Importer’s knowledge’.

§ 121. Voor wat betreft de uitvoer kunnen volgende codes worden vermeld:

G.E. 16 08 000 000 (vak 34):

 ISO-landcode van EU-lidstaat van oorsprong

G.E. 12 03 001 000 (vak 44):

 U120: wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling in Nieuw-Zeeland is gebaseerd op een oorsprongsattest voor één enkele zending.

 U121: wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling in Nieuw-Zeeland is gebaseerd op een oorsprongsattest voor meerdere zendingen van identieke producten.

 C100: indien het nummer van geregistreerd exporteur (REX) wordt vermeld op het attest van oorsprong.

De code U122 hoeft niet te worden vermeld op de exportaangifte. In dit geval legt de exporteur geen specifieke verklaring over de oorsprong af. Hij hoeft de relevante informatie enkel door te geven aan de importeur van de andere Partij.

Voor meer informatie kunt u terecht op de website van AGD&A - Gegevensvereisten voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus: Toelichtingen voor de gegevenssets | FOD Financiën (belgium.be).

4. Deel IV: Verificatie

4.1. Verificatieprocedure

§ 122. De douaneautoriteit van de Partij van invoer kan een verificatie verrichten om vast te stellen of een product van oorsprong is en of aan de andere vereisten met betrekking tot oorsprong opgenomen in de Overeenkomst is voldaan.

Wanneer de douaneautoriteit van de Partij van invoer aan de hand van de verificatie kan vaststellen dat aan alle voorwaarden voor de toekenning van een preferentiële tariefbehandeling is voldaan, kent zij de preferentiële tariefbehandeling voor de betrokken producten zo spoedig mogelijk toe.

Omgekeerd kan de douaneautoriteit, indien zij tijdens het verificatieproces tot de conclusie komt dat niet aan alle voorwaarden voor de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling is voldaan, de preferentiële tariefbehandeling weigeren in overeenstemming met artikel 3.25, lid 1 en 2, van de Overeenkomst.

§ 123. De verificatieprocedure kan worden gestart op basis van een risicobeoordelingsmethode, met inbegrip van een willekeurige selectie, naar aanleiding van een verzoek om preferentiële tariefbehandeling door de importeur, hetzij in de douaneaangifte voor het vrije verkeer, hetzij achteraf in een verzoek om kwijtschelding of terugbetaling.

De douaneautoriteit van de Partij van invoer kan de verificatie verrichten hetzij op het tijdstip van de douaneaangifte ten invoer (dus vóór de vrijgave van de producten), hetzij na de vrijgave van de producten. Dit kan ertoe leiden dat de preferentiële tariefbehandeling wordt geweigerd en er een douaneschuld ontstaat.

§ 124 De vrijgave van producten kan worden onderworpen aan het stellen van een garantie of het nemen van andere passende beschermende maatregelen.

§ 125. De verificatieprocedure verschilt afhankelijk van het soort aanvraag voor een preferentiële tariefbehandeling, namelijk:

§ 126. Wanneer het verzoek om een preferentiële tariefbehandeling gebaseerd is op een attest van oorsprong, vraagt de douaneautoriteit van de Partij van invoer de importeur om het attest van oorsprong en om eventuele andere bewijsstukken (artikel 3.22, lid 2, (b), van de Overeenkomst) die zij noodzakelijk acht. De importeur kan ook alle andere informatie toevoegen die hij met het oog op de verificatie nuttig acht.

Er moet binnen de drie maanden te rekenen vanaf de datum van het verzoek om inlichtingen een antwoord worden gegeven, zo niet kan de preferentiële tariefbehandeling voor de betrokken producten worden geweigerd.

Indien de douaneautoriteit van de Partij van invoer een antwoord ontvangt van de importeur, kan zij de autoriteit van de Partij van uitvoer in het kader van de procedure voor administratieve samenwerking een verzoek om informatie toezenden.

Dit verzoek moet worden ingediend binnen de twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het verzoek om een preferentiële tariefbehandeling werd ingediend, dat wil zeggen :

Indien een verzoek om inlichtingen wordt ingediend in het kader van de administratieve samenwerking, moet de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer antwoorden binnen een termijn van 10 maanden.

Indien binnen deze termijn geen antwoord is ontvangen of indien de oorsprong van de producten aan de hand van de ontvangen informatie niet kan worden bevestigd, kan de douaneambtenaar van de Partij van invoer de preferentiële tariefbehandeling weigeren.

§ 127. Wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling gebaseerd is op de aan de importeur bekende informatie, vraagt de douaneautoriteit van de invoerende Partij de inlichtingen rechtstreeks aan de importeur. De importeur kan alle andere inlichtingen toevoegen die hij met het oog op de verificatie nuttig acht.

Een antwoord moet binnen de drie maanden, te rekenen vanaf de datum van het verzoek om inlichtingen worden gegeven.

Indien de importeur niet binnen deze termijn antwoordt of indien de verstrekte inlichtingen niet bevestigen dat de goederen van oorsprong zijn, kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer de preferentiële tariefbehandeling weigeren.

Wanneer de verstrekte inlichtingen onvoldoende zijn om de oorsprong van de producten te bevestigen, maar de douaneautoriteit van de Partij van invoer van oordeel is dat de importeur eventueel aanvullende inlichtingen kan verstrekken om de oorsprong te bevestigen, kan zij deze specifieke documenten en inlichtingen opvragen.

De importeur beschikt over een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van het verzoek. Indien echter binnen deze termijn geen antwoord is ontvangen of indien de importeur aanvullende inlichtingen verstrekt, maar alle informatie tezamen nog steeds onvoldoende is om te bevestigen dat de goederen van oorsprong zijn, kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer het verzoek om een preferentiële tariefbehandeling afwijzen.

Aangezien er geen administratieve samenwerking is met de Partij van uitvoer, moet de importeur dus aan alle verplichtingen voldoen. Als de importeur ze niet nakomt en de gevraagde informatie niet verstrekt, kan dit leiden tot:

4.2. Vertrouwelijkheid van informatie

4.2.1. Door de exporteur verstrekte informatie

§ 128. Voor het vaststellen van de preferentiële oorsprong van een product is gedetailleerde informatie nodig, die vertrouwelijk kan zijn, aangezien openbaarmaking van dergelijke informatie de commerciële belangen van de betrokken exporteur zou kunnen schaden. Dit betekent dat:

 de exporteur bepaalde informatie mogelijk niet met de importeur wil delen;

 de douaneautoriteiten van beide Partijen de verzamelde informatie volledig vertrouwelijk moeten behandelen.

De exporteur is vrij om te bepalen welke informatie over de oorsprong van de producten hij met de importeur deelt, indien van toepassing. De exporteur kan besluiten:

 geen vertrouwelijke informatie te delen. In dat geval zal de importeur waarschijnlijk een preferentiële tariefbehandeling moeten aanvragen op basis van een attest van oorsprong, of

 voldoende informatie, met inbegrip van vertrouwelijke informatie, met de importeur te delen, zodat deze laatste zijn aanvraag kan baseren op aan de importeur bekende informatie. Deze informatie moet beschikbaar zijn op het moment dat de aanvraag wordt ingediend.

Wanneer de invoerende Partij via administratieve samenwerking de uitvoerende Partij verzoekt om een verificatie van de oorsprong van het product, is het aan de exporteur om, overeenkomstig artikel 3.24, lid 6, van de Overeenkomst, te beslissen of de documentatie die hij aan de douaneautoriteit van de uitvoerende Partij verstrekt, door die autoriteit mag worden doorgestuurd naar de douaneautoriteit van de invoerende Partij.

Directe verzoeken om informatie van de douaneautoriteit van de invoerende Partij aan de exporteur, of deelname aan bezoeken aan de bedrijfsruimten van de exporteur zijn niet mogelijk.

4.2.2. Rechten en verplichtingen van de Partijen

§ 129. Artikel 3.26 van de Overeenkomst verplicht elke Partij om de vertrouwelijkheid van informatie die door de andere Partij wordt verstrekt op grond van hoofdstuk 3 inzake oorsprongsprocedures en oorsprongsprocedures, te beschermen tegen openbaarmaking en het gebruik ervan te beperken tot de doeleinden van dit hoofdstuk. Niet-naleving van deze bepalingen, voor beide Partijen binnen de grenzen van hun eigen wetgeving inzake gegevensbescherming, vormt een schending van de verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst.

Gevoelige informatie omvat doorgaans de beschrijving en uitleg van het productieproces die voldoende is om de oorsprong van het product vast te stellen. Vertrouwelijke informatie die door de douaneautoriteiten van de importerende Partij is verkregen, mag worden gebruikt in administratieve, gerechtelijke of quasi-gerechtelijke procedures wegens niet-naleving van de vereisten van hoofdstuk 3 inzake oorsprongsregels en oorsprongsprocedures. Er bestaat een verplichting tot voorafgaande kennisgeving aan de persoon of Partij die de informatie heeft verstrekt.

De zogenaamde “doelbindingsclausule” houdt in dat alle informatie door elke Partij uitsluitend mag worden gebruikt voor het beheer en de handhaving van beslissingen en vaststellingen met betrekking tot de oorsprong en douanezaken, behalve met toestemming van de persoon of Partij die de vertrouwelijke informatie heeft verstrekt.

5. Deel V: Beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

5.1. Voorafgaande beslissingen

§ 130. Voor de toepassing van artikel 4.12 van de Overeenkomst wordt onder ‘voorafgaande beslissing’ verstaan een door de douaneautoriteiten genomen beslissing waarin de behandeling wordt omschreven die overeenkomstig de wet- en regelgeving zal worden toegepast op goederen. Het gaat om een schriftelijke of elektronische beslissing die binnen een bepaalde termijn aan de aanvrager wordt meegedeeld en die alle nodige informatie bevat.

Deze voorafgaande beslissingen kunnen betrekking hebben op:

 de tariefindeling van goederen;

 de oorsprong van de goederen; en

 de methode of de criteria die moeten worden toegepast om de douanewaarde van de goederen te bepalen op basis van een bepaalde reeks feiten, indien de wet- en regelgeving van een Partij dit toestaan.

§ 131. De periode gedurende welke een voorafgaande beslissing geldig is, is drie jaar geldig vanaf de datum waarop deze is afgegeven of vanaf een andere datum indien dit in de beslissing is gespecificeerd.

§ 132. Wanneer een beslissing gebaseerd is op onjuiste, onvolledige, valse of misleidende informatie of op een administratieve fout, of wanneer er een wijziging optreedt in de wet of in de belangrijke feiten of omstandigheden waarop de beslissing is gebaseerd, kan de Partij die de beslissing heeft genomen ze wijzigen, intrekken, ongeldig of nietig verklaren.

Indien een voorafgaande beslissing wordt gewijzigd, ingetrokken, ongeldig of nietig verklaard, stelt de Partij de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis, met vermelding van de relevante feiten en de grondslag van haar beslissing. Bovendien kan de Partij een voorafgaande beslissing alleen met terugwerkende kracht wijzigen, intrekken, ongeldig verklaren of nietig verklaren indien de voorafgaande beslissing gebaseerd was op onvolledige, onjuiste, of misleidende informatie.

§ 133. Elke Partij maakt ten minste het volgende bekend:

a) ‘de vereisten voor het aanvragen van een voorafgaande beslissing, met inbegrip van de te verstrekken informatie en het formaat;

b) de termijn waarbinnen zij een voorafgaande beslissing zal afgeven, en

c) de periode gedurende welke de voorafgaande beslissing geldig is. ‘

De voorafgaande beslissing is bindend voor de Partij die ze heeft afgegeven en die Partij kan bepalen dat zij ook bindend is voor de aanvrager.

5.2. Beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)

§ 134. Een economische operator kan op basis van artikel 33 DWU een beschikking betreffende een bindende inlichting inzake oorsprong aanvragen bij de bevoegde douaneautoriteiten.

De BOI kan worden aangevraagd als er twijfel bestaat over de bepaling van de preferentiële oorsprong en om rechtszekerheid te verschaffen. In de BOI wordt aangegeven of de goederen al dan niet als product van oorsprong kunnen worden beschouwd.

Deze voorafgaande beschikkingen zijn afkomstig van de bevoegde douaneautoriteiten en zijn enkel bindend voor het vaststellen van de oorsprong van de goederen:

 jegens de houder van de beschikking ten aanzien van goederen, maar enkel voor de goederen waarvoor de douaneformaliteiten worden vervuld na de datum waarop de beschikking van kracht wordt;

 jegens de houder van de beschikking en jegens de douaneautoriteiten, met ingang van de datum waarop hem mededeling van de beschikking wordt gedaan of wordt geacht te zijn gedaan.

BOI-beschikkingen gelden voor een periode van drie jaar vanaf de datum waarop de beschikking van kracht wordt.

De houder van een BOI moet kunnen aantonen dat de goederen en de omstandigheden die voor het verkrijgen van de oorsprong bepalend zijn, in elk opzicht overeenstemmen met de in de beschikking omschreven goederen en omstandigheden.

Er is geen specifieke voorwaarde in de wetgeving die vereist dat de economische operator die een BOI-beslissing aanvraagt, gevestigd moet zijn in het douanegebied van de Unie. Een Nieuw-Zeelandse exporteur kan dus eveneens een BOI aanvragen voor zijn goederen die zullen worden ingevoerd in de EU. Indien de exporteur niet over een EORI-nummer beschikt in overeenstemming met artikel 9, lid 2 DWU, kan hij zich laten vertegenwoordigen.

Wat België betreft, kunnen aanvragen inzake preferentiële oorsprong per mail worden ingediend en opgestuurd naar het volgende adres: da.ops.douane1@minfin.fed.be.

6. Deel VI: Andere bepalingen

6.1. Oorsprongscontingenten

§ 135. Naast de in bijlage 3-B opgenomen productspecifieke oorsprongsregels bevat de Overeenkomst ook een bepalingen in verband met ‘oorsprongscontingenten en alternatieven voor de productieve oorsprongsregels in aanhangsel 3-B-1 van de Overeenkomst.

Dit houdt in dat er voor de producten die in deze aanhangsel 3-B-1 zijn opgenomen alternatieve productspecifieke regels kunnen worden toegepast binnen de grenzen van het jaarlijkse toegewezen contingent.

De contingenten waarop aanhangsel 3-B-1 van toepassing is, hebben betrekking op bepaalde textiel- en kledingproducten die uit Nieuw-Zeeland naar de EU worden uitgevoerd, evenals op bepaalde vis- en schaaldierproducten. Oorsprongscontingenten worden beheerd volgens het principe ‘wie het eerst komt, het eerst maalt' en de waarde of de hoeveelheid van de producten die in het kader van deze oorsprongscontingenten zijn binnengekomen/toegelaten, wordt berekend op basis van de invoer in de EU.

§ 136. Textiel- en kledingproducten:

Overeenkomstig de specifieke regels in aanhangsel 3-B kan aan weefsels, geïmpregneerd, bekleed of bedekt met, dan wel met inlagen van kunststof, (andere dan die bedoeld bij post 5902) ingedeeld onder GS-code 5903, slechts een preferentiële oorsprongsstatus worden gegeven indien zij aan de volgende be- of verwerkingen voldoen:

 Weven, breien of haken samen met impregneren, met het aanbrengen van een deklaag, met bekleden, met het voorzien van inlagen of met metalliseren;

 Weven samen met bedrukken; of

 Bedrukken (als zelfstandige bewerking)

Aanhangsel 3-B-1 bevat echter een alternatieve regel volgens welke binnen de limieten van het jaarlijks oorsprongscontingent de oorsprong voor GS-post 5903 ook kan worden verkregen bij een verandering van tariefpost of ‘VP’ (= wijziging van tariefindeling op vier cijfers). Dit betekent dat het product moet worden vervaardigd uit niet van oorsprong zijnde materialen van een andere post dan die van het product.

Met andere woorden, de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging van het product zijn gebruikt, moeten onder een andere tariefpost (wijziging van tariefindeling op vier cijfers) worden ingedeeld dan post 5903 (= verandering van post).

Om te bewijzen dat aan deze regel is voldaan, moet de importeur dus de tariefindeling kennen van de materialen die niet van oorsprong zijn en die zijn gebruikt bij de vervaardiging van het eindproduct, evenals hun oorsprong.

Aanhangsel 3-B-1 bevat ook een alternatieve regel die specifiek geldt voor producten die zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 61 en 62, binnen de limieten van het toepasselijke jaarlijkse contingent. De regel die wordt voorzien is deze van verandering van hoofdstuk, of “’VH’. Dit houdt in dat alle niet van oorsprong zijnde materialen die gebruikt zijn bij de productie van het product een andere tariefindeling moeten krijgen (wijziging van tariefindeling op twee cijfers). Deze alternatieve regel verschilt van de normale productspecifieke regels voor textielproducten van hoofdstukken 61 en 62 die steeds in een minimum van twee bewerkingen voorzien om oorsprong te verkrijgen, ook gekend als het criterium van de dubbele transformatie.

§ 137. Indien een EU-operator deze oorsprongscontingenten wil aanvragen en daarvoor gebruik wenst te maken van het attest van oorsprong, dan moet dit attest bijkomend de volgende verklaring bevatten:

NL: "Oorsprongscontingenten – Product van oorsprong in overeenstemming met aanhangsel 3-B-1".

EN : "Origin quotas – Product originating in accordance with Appendix 3-B-1’

§ 138. Vis en visserijproducten:

De productspecifieke regels in bijlage 3-B van de Overeenkomst bepalen dat vis en visserijproducten ingedeeld onder GS-tariefposten 03.01 – 03.09 in principe oorsprong verkrijgen op basis van volgende productspecifieke regel:

‘Productie waarbij alle gebruikte materialen uit Hoofdstuk 3 volledig zijn verkregen’

De producten van onderverdelingen 0303.54, 0303.55, 0303.66, 0303.68, 0303.69, 0303.89, en 0307.43 kunnen de oorsprong verkrijgen krachtens andere productspecifieke oorsprongsregels binnen de limieten van de jaarlijkse contingenten zoals vermeld in aanhangsel 3-B-1. Deze andere specifieke regel is de regel van ‘vangen en invriezen’. De productie moet evenwel steeds verder gaan dan de ontoereikende bewerkingen of verwerkingen zoals voorzien in artikel 3.6 van de Overeenkomst.

Indien een EU-operator deze oorsprongscontingenten wil aanvragen en daarvoor gebruik wenst te maken van het attest van oorsprong, dan moet dit attest bijkomend de volgende verklaring bevatten:

NL: ‘Oorsprongsquota - Overeenkomstig aanhangsel 3-B-1 door het buitenlandse gecharterde vaartuig [naam van het vaartuig] in de exclusieve economische zone van Nieuw-Zeeland gevangen product onder visvergunningsnummer [vergunningsnummer]".

EN : "Origin quotas – Product originating in accordance with Appendix 3-B-1, caught by the foreign chartered vessel [name of vessel] in the exclusive economic zone of New Zealand under fishing permit number [permit number]".

§ 139. Een importeur kan zich ook baseren op importer’s knowledge om een oorsprongscontingent aan te vragen. Hij moet dan wel beschikken over de nodige bewijsstukken om de alternatieve oorsprongsregel te kunnen staven.

EU-exporteurs hoeven de bovenvermelde verklaringen niet op te nemen bij het opstellen van een attest van oorsprong voor dergelijke producten. De oorsprongscontingenten en alternatieve oorsprongsregels zijn uitsluitend van toepassing zijn op de export van Nieuw-Zeeland naar de EU.

6.2. Preferentiële tariefcontingenten

§ 140. Naast de oorsprongscontingenten van aanhangsel 3-B-1 zijn er in Hoofdstuk 2 en bijlage 2-A vastgestelde preferentiële tariefcontingenten van toepassing op bepaalde landbouwproducten van oorsprong uit Nieuw-Zeeland. Om voor deze contingenten in aanmerking te komen, moeten de betrokken producten voldoen aan de preferentiële oorsprongsregels van de Overeenkomst. In tegenstelling tot de bovengenoemde oorsprongscontingenten zijn voor deze preferentiële tariefcontingenten geen alternatieve oorsprongsregels vastgesteld.

Om van deze preferentiële tariefcontingenten gebruik te kunnen maken, moeten importeurs altijd een bewijs van oorsprong overleggen overeenkomstig artikel 3.16 van de Overeenkomst. Bovendien kunnen voor sommige van deze contingenten ook de zogenaamde ontvankelijkheidscertificaten worden vereist. Deze certificaten worden afgegeven door de ‘New Zealand Meat Board’ of door het ‘New Zealand Ministry for Primary Industries’, afhankelijk van de productcategorie (melk en melkproducten, en vlees en vleesproducten van oorsprong uit Nieuw-Zeeland).

Gelieve er tevens rekening mee te houden dat voor sommige van deze landbouwproducten ook het AGRIM-invoercertificaat moet worden overgelegd.

Tot slot is het belangrijk op te merken dat er naast oorsprongscontingenten en preferentiële tariefcontingenten ook niet-preferentiële tariefcontingenten kunnen zijn voor producten van oorsprong uit Nieuw-Zeeland. Voor de niet-preferentiële tariefcontingenten is geen bewijs van oorsprong overeenkomstig artikel 3.16 vereist.

§ 141. Om te weten te komen welk type contingent van toepassing is op een product van oorsprong uit Nieuw-Zeeland, en welke specifieke bewijzen moeten worden ingediend voor elk type contingent, kan de nationale TARBEL-applicatie worden geraadpleegd.

6.3. Te gebruiken codes op de douaneaangifte in het kader van de contingenten

§ 142. Er zijn ook specifieke codes die moeten worden vermeld bij het gebruik van oorsprongscontingenten en preferentiële tariefcontingenten. Het gaat om de specifieke codes U120, U121 of U122 samen met

 Y165: Bijzondere vermeldingen op het attest van oorsprong van de exporteur ([2]).

Ook bij de aanvraag van preferentiële tariefcontingenten moet een één van de bovenvermelde codes worden vermeld.

§ 143. Daarnaast vereisen sommige contingenten dat er aanvullende documenten worden voorgelegd zoals het ontvankelijkheidscertificaat. De code en het type van ontvankelijkheidscertificaat hangt af van het ordernummer van het contingent:

 C093: Certificaat dat in aanmerking komt voor de tariefcontingenten met volgnummers 09.7901, 09.7898, 09.7899, 09.7902, 09.7896 en 09.7897;

 C094: Certificaat waaruit blijkt dat de producten in aanmerking komen voor de tariefcontingenten met volgnummer 09.4456;

 C095: Certificaat waaruit blijkt dat de producten in aanmerking komen voor de tariefcontingenten met volgnummers 09.4518, 09.4519 en 09.4520.

Zowel de oorsprongscontingenten als voor de preferentiële tariefcontingenten worden op de aangifte aangevraagd door in vak 36 (nummer gegevenselement 14 11 000 000) referentiecode 320 te vermelden.

Het volgnummer van het contingent wordt ingevuld in vak 39 en bij IDMS-aangiften in G.E. 99 01 000 000.

Voor een volledig overzicht van de aanvullende bewijsstukken, kan TARBEL worden geraadpleegd.

6.4. ‘Drawback’

§ 144. De Overeenkomst bevat geen bepalingen die betrekking hebben op de drawback-regel. Hierdoor is drawback toegestaan. Indien niet van oorsprong zijnde materialen worden gebruikt bij de vervaardiging van een product in de EU, kunnen deze materialen bijgevolg in aanmerking komen voor teruggave of vrijstelling van de invoerrechten wanneer deze producten de preferentiële oorsprong uit de EU hebben verkregen en in het kader van de preferenties naar Nieuw-Zeeland worden uitgevoerd. Dit geldt voornamelijk voor de marktdeelnemers die goederen in de EU onder de regeling actieve veredeling be- of verwerken en wanneer het eindproduct als gevolg van deze be- of verwerking de preferentiële oorsprong uit de EU verkrijgt.

6.5. Ceuta en Melilla

§ 145. In de Overeenkomst zijn Ceuta en Melilla uitgesloten uit de term ‘Partij’.

Toch is bepaald dat uit Nieuw-Zeeland afkomstige producten die worden ingevoerd in Ceuta of Melilla genieten van een preferentiële tariefbehandeling net zoals producten die naar de rest van de Europese Unie worden geïmporteerd.

Ook uit Ceuta of Melilla afkomstige producten die in Nieuw-Zeeland worden ingevoerd, genieten van de preferentiële tariefbehandeling.

Hieruit volgt dat de oorsprongsregels en de bepalingen die in deze Circulaire werden beschreven eveneens van toepassing zijn op de uitvoer uit Nieuw-Zeeland naar Ceuta en Melilla en op de uitvoer uit Ceuta en Melilla naar Nieuw-Zeeland.

Hetzelfde geldt voor de cumulatiebepalingen die ook van toepassing zijn op de in- en uitvoer van producten tussen de EU, Nieuw-Zeeland, Ceuta en Melilla.

Bovendien worden Ceuta en Melilla in het kader van de Overeenkomst als één grondgebied beschouwd.

6.6. Gemengd Comité douanesamenwerking

§ 146. Het Gemengd Comité douanesamenwerking treedt onder auspiciën van het Handelscomité op als gespecialiseerd comité, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder hoofdstuk 3 (Oorsprongsregels en oorsprongsprocedures), hoofdstuk 4 (Douane en handelsbevordering) en de bepalingen inzake handhaving aan de grens en douanesamenwerking in hoofdstuk 18 (Intellectuele eigendom) en eventuele andere douanegerelateerde bepalingen van deze overeenkomst (artikel 24.4, lid 4).

§ 147. Het Gemengd Comité douanesamenwerking heeft met betrekking tot hoofdstuk 3 van de Overeenkomst de volgende taken:

a) mogelijke wijzigingen van dit hoofdstuk in overweging nemen, met inbegrip van wijzigingen die voortvloeien uit de herziening van het geharmoniseerde systeem;

b) bij besluit toelichtingen opstellen om de toepassing van dit hoofdstuk te vergemakkelijken, en

c) een besluit nemen tot vaststelling van de raadplegingsprocedure als bedoeld in artikel 3.25 (Weigering van preferentiële tariefbehandeling), lid 4.

6.7. Aanvullende informatiebronnen en contact

6.7.1. Aanvullende informatiebronnen

§ 148. Om te weten te komen welke preferentiële tariefregels en specifieke regels op uw product van toepassing zijn, raadpleegt u de Access2Markets applicatie: https://trade.ec.europa.eu/access-to-markets/nl/home. Met de tool “ROSA” van “My Trade Assistant” kunt u stap voor stap controleren of het product in kwestie in aanmerking komt voor een preferentiële tariefbehandeling.

Verdere tarifaire informatie kan worden teruggevonden via de webapplicatie TARBEL:

https://financien.belgium.be/nl/E-services/tarbel.

§ 149. Meer informatie over de Vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland, kunt u terugvinden op de website van de Europese Commissie: The EU-New Zealand agreement explained (enkel beschikbaar in het Engels).

Daarnaast heeft DG TAXUD in samenwerking met de EU-lidstaten een leidraad opgesteld over de toepassing van de oorsprongsregels. Dit document is beschikbaar via de volgende website: EU-New Zealand Free Trade Agreement Guidance on rules of origin - European Commission (enkel beschikbaar in het Engels).

6.7.2. Contact

§ 150. Voor verdere juridische vragen kunt u contact opnemen met de dienst Douanewetgeving op volgend e-mailadres: da.lex.douane@minfin.fed.be.

Voor de Administrateur-generaal van de douane en accijnzen
De Adviseur-generaal,
Jo LEMAIRE

Interne ref.: D.I. 561 – OEO/DD 022.543


BIJLAGEN

Bijlage I: Model van een leveranciersverklaring als bedoeld in artikel 3.3 (Cumulatie van oorsprong), lid 4

(bijlage 3-D van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland)

De in artikel 3.3 (Cumulatie van oorsprong), lid 4, bedoelde leveranciersverklaring wordt beperkt tot de volgende elementen:

a) beschrijving en GS-tariefindelingsnummer van het geleverde product en beschrijving en GS-tariefindelingsnummer van de bij de productie van dat product gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen

b) indien waardemethoden worden toegepast in overeenstemming met bijlage 3-B
(Productspecifieke oorsprongsregels), de waarde per eenheid en de totale waarde van het geleverde product en de waarde per eenheid en de totale waarde van de bij de productie van het product gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen;

c) indien specifieke productieprocessen vereist zijn in overeenstemming met bijlage 3-B (Productspecifieke oorsprongsregels), een beschrijving van het op de gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen toegepaste proces; en

d) een verklaring van de leverancier dat de in de punten a) tot en met c) bedoelde elementen van informatie juist en volledig zijn, de datum waarop de verklaring wordt verstrekt alsmede de naam en het adres van de leverancier in blokletters.

Bijlage II: Aanvraag tot registratie als geregistreerd exporteur

Ten behoeve van de stelsels van algemene tariefpreferenties van de Europese Unie, Noorwegen, Zwitserland en Turkije (1)
of
in het kader van de CETA of andere vrijhandelsovereenkomsten die werden afgesloten door de EU en die berusten op zelfcertificatie (REX).


(1) Dit aanvraagformulier is gemeenschappelijk voor de SAP-stelsels van vier entiteiten: de Unie (EU), Noorwegen, Zwitserland en Turkije ('de entiteiten') Opgemerkt zij dat de landen en producten in de respectieve SAP-stelsels van deze entiteiten kunnen verschillen. Daarom is een afgegeven registratie alleen te gebruiken voor uitvoer in het kader van het SAP-stelsel of de SAP-stelsels waarin uw land als een begunstigd land wordt beschouwd.

(2) De vermelding van het EORI-nummer is verplicht voor EU-exporteurs en wederverzenders. Voor exporteurs in begunstigde landen, Noorwegen, Zwitserland en Turkije is de vermelding van het TIN verplicht.

(3) Wanneer aanvragen tot registratie als geregistreerde exporteur of andere uitwisselingen van informatie tussen geregistreerde exporteurs en bevoegde autoriteiten in begunstigde landen of douaneautoriteiten in de lidstaten worden gedaan door elektronische technieken voor gegevensverwerking te gebruiken, wordt de in de vakken 5, 6 en 7 genoemde handtekening en stempel vervangen door een elektronische authenticatie.

  • Aanhangsel 3-B-1: Oorsprongscontingenten en alternatieven voor de productspecifieke oorsprongsregels in bijlage 3-B (Productspecifieke oorsprongsregels)
  • een algemene tolerantie waarbij de waarde van de bij de productie van de betreffende producten gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen niet hoger is dan 10 % van de prijs af fabriek van die producten, met uitzondering van de onder de GS-hoofdstukken 50 tot en met 63 ingedeelde producten);
  • een specifieke tolerantie voor textielproducten van GS-hoofdstukken 50 tot en met 63 waarbij de aantekeningen 7 en 8 van bijlage 3-A van de Overeenkomst moeten worden geraadpleegd.
  • bij het product zijn ingedeeld en samen met het product worden geleverd en in rekening gebracht, en
  • van het soort, de hoeveelheid en de waarde zijn die gebruikelijk zijn voor het betrokken product
  • vervoersovereenkomsten zoals cognossementen; of
  • feitelijk/concreet bewijsmateriaal zoals merktekens of nummering van de colli; of
  • een certificaat van niet-manipulatie; of
  • ander bewijsmateriaal betreffende het product zelf.
  • de importeur geen antwoord heeft verstrekt;
  • in gevallen waarin het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een attest van oorsprong, er geen attest van oorsprong is verstrekt, of
  • in kader van aan de importeur bekende informatie wel informatie werd verstrekt, maar deze onvoldoende is om te bevestigen dat het product van oorsprong is.
  • geen antwoord wordt verstrekt; of
  • de verstrekte informatie onvoldoende is om te bevestigen dat het product van oorsprong is;
  • geen antwoord wordt verstrekt door de douaneautoriteit van de exporterende Partij; of
  • informatie wordt verstrekt die niet volstaat om te bevestigen dat het product van oorsprong is.
  1. de datum waarop het werd opgesteld door de exporteur
  2. de datum waarop de termijn begint (= startdatum); en
  3. de datum waarop de termijn eindigt en dewelke niet later mag zijn dan 12 maanden vanaf de startdatum (= einddatum).
  • De tweede zending bestaat uit twintig identieke onderdelen;
  • de derde zending bestaat uit zes van de twintig onderdelen;
  • de vierde zending uit vijftien van de twintig onderdelen; etc.
  • materiaalstaat/productiekaart (een volledige lijst van materialen, onderdelen en onderdelen en een beschrijving van het productieproces dat nodig is om een product te vervaardigen);
  • facturen/pro-formafacturen, inkoop-/verkooporders, leveringsbonnen, paklijsten;
  • contracten;
  • uittreksels uit het boekhoudsysteem;
  • technische fiches, productietekeningen, foto's;
  • documenten van derden, bv. cognossementen.
  • uittreksels uit registers/registers;
  • sanitaire, veterinaire, mijnbouw-, nalevingsdocumenten enz.;
  • inspectiegegevens van andere overheidsinstanties;
  • een geografische aanduiding;
  • door het partnerland afgegeven oorsprongs- of rubriceringsbeschikkingen (BOI, BTI);
  • een intellectuele-eigendomstitel;
  • douaneaangiften ten uitvoer, enz.
  • informatie over scheepsregisters;
  • informatie over handelsregisters;
  • scheepvaartbewegingen;
  • financiële overzichten;
  • statistische gegevens over de landen, de productie of de producenten;
  • websites van de exporteurs;
  • De EU-importeur kan vanaf 1 september 2025 een terugbetalingsdossier opstarten en de preferenties vragen voor de zendingen die sinds 20 mei 2025 werden ingevoerd.
  • Hij kan datzelfde attest eveneens gebruiken voor de toekomstige zendingen van identieke producten tot en met 19 mei 2026.
  • aan de importeur bekende informatie; of
  • het attest van oorsprong.
  • hetzij de datum van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van het (de) betrokken product(en);
  • hetzij de datum van het verzoek om kwijtschelding/terugbetaling.
  • de weigering van de preferentiële tariefbehandeling en
  • zo nodig, het nemen van administratieve maatregelen of het opleggen van sancties.

1. Naam, adres en land van de uitvoerder, gegevens, EORI of identificatienummer van de operator (TIN) (2).

2. Aanvullende gegevens, met inbegrip van telefoon- en faxnummer, alsook het e-mailadres, in voorkomend geval (optioneel).

3. Aangeven of de hoofdactiviteit productie of verkoop is.

4. Gelieve een indicatieve omschrijving te geven van de goederen die in aanmerking komen voor preferentiële behandeling, samen met een indicatieve lijst van de posten van het geharmoniseerde systeem (of de hoofdstukken wanneer bedoelde goederen onder meer dan twintig posten van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld).

5. Verbintenissen van een exporteur

Ondergetekende verklaart:

● dat bovenstaande gegevens juist zijn;



● dat een eerdere registratie niet werd ingetrokken of, als dit wel het geval is geweest, dat de omstandigheden die tot deze intrekking hebben geleid, zijn verholpen;



● zich ertoe te verbinden slechts attesten van oorsprong op te stellen voor goederen die voor de preferentiële behandeling in aanmerking komen en die aan de oorsprongsregels van het stelsel van algemene preferenties voldoen;



● zich ertoe te verbinden een passende boekhouding te voeren over de productie/levering van goederen die voor de preferentiële behandeling in aanmerking komen en deze boekhouding ten minste drie jaar te bewaren vanaf het eind van het kalenderjaar waarin het attest van oorsprong is opgemaakt;



● zich ertoe te verbinden de bevoegde autoriteit na verkrijging van het nummer van geregistreerd exporteur onmiddellijk in kennis te stellen van eventuele wijzigingen in zijn registratiegegevens;



● zich ertoe te verbinden samen te werken met de bevoegde autoriteit;


● zich ertoe te verbinden te aanvaarden dat de door hem opgestelde attesten van oorsprong worden gecontroleerd, onder meer door administratieve controles aan zijn bedrijfsruimten door de Europese Commissie of de autoriteiten van de lidstaten en de autoriteiten van Noorwegen, Zwitserland en Turkije (enkel van toepassing op exporteurs uit begunstigde SAP-landen);



● zich ertoe te verbinden te verzoeken om intrekking van zijn registratie in het systeem zodra hij niet langer aan de voorwaarden voldoet om goederen in het kader van het stelsel uit te voeren;



● zich ertoe te verbinden te verzoeken om intrekking van zijn registratie in het systeem zodra hij niet langer voornemens is deze goederen in het kader van het stelsel uit te voeren.

Plaats, datum en handtekening van de gemachtigde ondertekenaar, naam en functie (3)

6. Toestemming van de exporteur voor de bekendmaking van de door hem verstrekte gegevens op de openbare website



De ondergetekende wordt hierbij meegedeeld dat de in zijn aanvraag verstrekte gegevens op de openbare website aan het publiek kunnen worden bekendgemaakt. De ondergetekende aanvaardt de bekendmaking van deze gegevens op de openbare website. De ondergetekende kan zijn toestemming om deze gegevens op de openbare website bekend te maken, intrekken door een verzoek te sturen naar de voor de registratie verantwoordelijke bevoegde autoriteiten.


Plaats, datum en handtekening van de gemachtigde ondertekenaar, naam en functie (3)

7. Vak bestemd voor de bevoegde autoriteit

De aanvrager is geregistreerd onder het volgende nummer:

Registratienummer:----------------------------

Datum van registratie------------------------------------

Datum vanaf wanneer de registratie geldig is---------------------

Handtekening en stempel (3)--------------------------------


Bijlage III: Aantekeningen met betrekking tot toleranties die gelden voor textiel

(Bijlage 3-A - Aantekening 6 tot en met 8 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland)

Aantekening 6
Definities van nuttige termen gebruikt in afdeling XI van bijlage 3-B (Productspecifieke oorsprongsregels).

Voor de toepassing van productspecifieke oorsprongsregels wordt verstaan onder:

a) ‘synthetische of kunstmatige vezels’: kabel van synthetische of kunstmatige filamenten, synthetische of kunstmatige stapelvezels of afval daarvan, van de posten 55.01 tot en met 55.07;

b) ‘natuurlijke vezels’: andere dan synthetische of kunstmatige vezels. Het gebruik ervan is beperkt tot het stadium vóór het spinnen, met inbegrip van afval, en omvat, tenzij anders vermeld, ook vezels die zijn gekaard, gekamd of anderszins bewerkt, doch niet gesponnen; ‘natuurlijke vezels’ omvat paardenhaar van post 05.11, zijde van de posten 50.02 en 50.03, wol, fijn of grof haar van de posten 51.01 tot en met 51.05, katoen van de posten 52.01 tot en met 52.03 en andere plantaardige vezels van de posten 53.01 tot en met 53.05;

c) ‘bedrukken’: techniek waarmee aan een textielsubstraat door middel van digitale, zeef-, wals- of transfertechnieken een permanente objectief te beoordelen functie, zoals kleur, ontwerp of technische prestatie, wordt verleend; en

‘bedrukken (als zelfstandige bewerking)’: techniek waarmee aan een textielsubstraat door middel van digitale, zeef-, wals- of transfertechnieken een permanente objectief te beoordelen functie, zoals kleur, ontwerp of technische prestatie, wordt verleend, samen met ten minste twee bewerkingen (voorbewerking of afwerking, zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanent finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen, scheren, schroeien, droogtrommelproces, spanproces, vermalen, stomen en krimpen alsook nat decatiseren), mits de waarde van alle gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen niet hoger is dan 50% van de prijs af fabriek.

Aantekening 7
Toleranties voor producten die twee of meer basistextielmaterialen bevatten

1. Voor de toepassing van deze aantekening wordt onder basistextielmaterialen verstaan:

a) zijde;

b) wol;

c) grof haar;

d) fijn haar;

e) paardenhaar (crin);

f) katoen;

g) papier en materiaal voor het vervaardigen van papier;

h) vlas;

i) hennep;

j) jute en andere bastvezels;

k) sisal en andere textielvezels van het geslacht Agave;

l) kokosvezels, abaca, ramee en andere plantaardige textielvezels;

m) synthetische filamenten;

n) kunstmatige filamenten;

o) filamenten die elektriciteit geleiden;

p) synthetische stapelvezels van polypropyleen;

q) synthetische stapelvezels van polyester;

r) synthetische stapelvezels van polyamide;

s) synthetische stapelvezels van polyacrylonitril;

t) synthetische stapelvezels van polyimide;

u) synthetische stapelvezels van polytetrafluorethyleen;

v) synthetische stapelvezels van polyfenyleensulfide;

w) synthetische stapelvezels van polyvinylchloride;

x) andere synthetische stapelvezels;

y) kunstmatige stapelvezels;

z) andere stapelvezels;

aa) garen van polyurethaan met soepele segmenten van polyether, al dan niet omwoeld;

bb) garen van polyurethaan met soepele segmenten van polyester, al dan niet omwoeld;

cc) producten van post 56.05 (metaalgarens) met strippen bestaande uit een kern van aluminiumfolie of van kunststoffolie, al dan niet bedekt met aluminiumpoeder, met een breedte van niet meer dan 5 mm, welke kern met behulp van een doorzichtig of gekleurd kleefmiddel is bevestigd tussen twee strippen kunststof;

dd) andere producten van post 56.05;

ee) glasvezels; en

ff) metaalvezels.

2. Wanneer in bijlage 3-B (Productspecifieke oorsprongsregels) naar deze aantekening wordt verwezen, zijn de in kolom 2 van bijlage 3-B (Productspecifieke oorsprongsregels) genoemde vereisten bij wijze van tolerantie niet van toepassing op bij de productie van een product gebruikte niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen, mits:

a) het product twee of meer basistextielmaterialen bevat, en

b) het gewicht van de niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen samen niet hoger is dan 10% van het totale gewicht van alle gebruikte basistextielmaterialen.

Voorbeeld: voor een weefsel van wol van post 51.12 bevattende garen van wol van post 51.07 en garen van katoen van post 52.05 mag niet van oorsprong zijnd garen van wol dat niet aan de vereisten van bijlage 3‑B (Productspecifieke oorsprongsregels) voldoet of niet van oorsprong zijnd garen van katoen dat niet aan de vereisten van bijlage 3‑B (Productspecifieke oorsprongsregels) voldoet, of een combinatie van beide, worden gebruikt, mits het totale gewicht ervan niet hoger is dan 10 % van het gewicht van alle basistextielmaterialen.

Aantekening: deze tolerantieregel is pas van toepassing indien het weefsel twee of meer basistextielmaterialen bevat.

3. Niettegenstaande lid 2, punt b), bedraagt de tolerantie voor producten bevattende ‘garen van polyurethaan, met soepele segmenten van polyether, al dan niet omwoeld’ ten hoogste 20 %. Het percentage van de andere niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen mag evenwel niet meer dan 10 % bedragen.

4. Niettegenstaande lid 2, punt b), bedraagt de tolerantie voor producten bevattende ‘strippen bestaande uit een kern van bladaluminium of van kunststoffolie, al dan niet bedekt met aluminiumpoeder, met een breedte van niet meer dan 5 mm, welke kern met behulp van een doorzichtig of gekleurd kleefmiddel is bevestigd tussen twee strippen kunststoffolie’ ten hoogste 30 %. Het percentage van de andere niet van oorsprong zijnde basistextielmaterialen mag evenwel niet meer dan 10 % bedragen.

Aantekening 8
Andere toegestane afwijkingen voor bepaalde textielproducten

Voorbeeld: wanneer op grond van een vereiste van bijlage 3‑B (Productspecifieke oorsprongsregels) voor een bepaald textielartikel (zoals een pantalon) garen moet worden gebruikt, dan sluit dat het gebruik van niet van oorsprong zijnde artikelen van metaal (zoals knopen) niet uit, omdat artikelen van metaal niet zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 50 tot en met 63. Om dezelfde reden is het gebruik van niet van oorsprong zijnde ritssluitingen toegestaan, al bevatten die normalerwijze ook textiel.

3. Wanneer een vereiste van bijlage 3‑B (Productspecifieke oorsprongsregels) bestaat in een maximumwaarde voor niet van oorsprong zijnde materialen wordt bij de berekening van de waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen rekening gehouden met de waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen die niet zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 50 tot en met 63.


Bijlage IV: Oorsprongscontingenten en alternatieven voor de productspecifieke oorsprongsregels in bijlage 3-B (Productspecifieke oorsprongsregels)

(bijlage 3-B-1 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland)

Gemeenschappelijke bepalingen

Tabel 1 – Jaarlijkse contingenten voor bepaalde textielproducten en kledingartikelen die vanuit Nieuw-Zeeland naar de Unie worden uitgevoerd

Afbeelding met tekst, schermopname, Lettertype, nummer  Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Tabel 2 – Jaarlijkse contingenten voor vanuit Nieuw-Zeeland naar de Unie uitgevoerde vis en visserijproducten die in de exclusieve economische zone van Nieuw-Zeeland worden gevangen door in Nieuw-Zeeland geregistreerde buitenlandse gecharterde vaartuigen die gerechtigd zijn onder de vlag van Nieuw-Zeeland te varen en onder die vlag varen, en die actief zijn op grond van een Nieuw-Zeelands visdocument

Afbeelding met tekst, schermopname, Lettertype, nummer  Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Bepaling met betrekking tot de verhoging voor tabel 2

1. Indien meer dan 80 % van het oorsprongscontingent voor een in tabel 2 opgenomen product in de loop van een kalenderjaar wordt gebruikt, zal het oorsprongscontingent voor het volgende kalenderjaar worden verhoogd.

2. De verhoging bedraagt 10 % van het aan dat product in het voorafgaande kalenderjaar toegewezen oorsprongscontingent.

3. De bepaling met betrekking tot de verhoging zal voor het eerst van toepassing zijn na het verstrijken van het eerste volledige kalenderjaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst en zal worden toegepast voor in totaal drie jaar binnen de eerste zes volledige kalenderjaren na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst.

4. Elke verhoging van het oorsprongscontingent treedt in het eerste kwartaal van het daaropvolgende kalenderjaar in werking. Wanneer aan de voorwaarde van lid 1 is voldaan, stelt de Partij van invoer de Partij van uitvoer hiervan schriftelijk in kennis en stelt haar, in voorkomend geval, in kennis van de verhoging van het oorsprongscontingent en de datum waarop de verhoging wordt toegepast. De Partijen zien erop toe dat het verhoogde oorsprongscontingent en de datum waarop het van toepassing wordt, openbaar worden gemaakt.

Herziening van de contingenten voor textielproducten en kledingartikelen in tabel 1 en vis en visserijproducten in tabel 2

1. Ten vroegste drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst herziet het Handelscomité op verzoek van een van de Partijen en bijgestaan door het Gemengd Comité douanesamenwerking de contingenten voor textielproducten en kledingartikelen in tabel 1 en voor vis en visserijproducten in tabel 2. Deze herzieningen kunnen afzonderlijk van elkaar worden uitgevoerd.

2. De in lid 1 bedoelde herzieningen berusten op beschikbare informatie over de marktomstandigheden in beide Partijen en op informatie over hun invoer en uitvoer van de desbetreffende producten.

3. Op basis van het resultaat van de herziening op grond van lid 1 kan het Handelscomité een besluit tot verhoging of handhaving van de hoeveelheid, tot wijziging van de reikwijdte of tot verdeling of wijziging van de verdeling over de producten aannemen voor de contingenten voor textielproducten en kledingartikelen in tabel 1, of voor vis en visserijproducten in tabel 2.

  1. Wanneer in bijlage 3‑B (Productspecifieke oorsprongsregels) naar deze aantekening wordt verwezen, mogen niet van oorsprong zijnde textielmaterialen (met uitzondering van voeringen en tussenvoeringen) die niet voldoen aan de in kolom 2 van bijlage 3‑B (Productspecifieke oorsprongsregels) vermelde vereisten voor een geconfectioneerd textielproduct, worden gebruikt, mits die onder een andere post vallen dan het product en de waarde ervan niet hoger is dan 8 % van de prijs af fabriek van het product.
  1. Indien een vereiste in kolom 2 van bijlage 3‑B (Productspecifieke oorsprongsregels) een bepaald proces specificeert, mogen niet van oorsprong zijnde materialen die niet onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 zijn ingedeeld zonder beperking worden gebruikt bij de productie van textielproducten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 zijn ingedeeld, ongeacht of zij textiel bevatten.
  1. Voor de in de onderstaande tabellen vermelde producten zijn, binnen de grenzen van het toepasselijke jaarlijkse contingent, de overeenkomstige oorsprongsregels alternatieven voor die van bijlage 3‑B (Productspecifieke oorsprongsregels).
  2. Een op grond van tabel 1 van deze bijlage opgesteld attest van oorsprong bevat de volgende verklaring: ‘Oorsprongscontingenten – Product van oorsprong in overeenstemming met aanhangsel 3‑B‑1’.
  3. Een op grond van tabel 2 van deze bijlage opgesteld attest van oorsprong bevat de volgende verklaring: ‘Oorsprongscontingenten – Product van oorsprong in overeenstemming met aanhangsel 3‑B‑1, gevangen door het buitenlandse gecharterde vaartuig [naam van het vaartuig] in de exclusieve economische zone van Nieuw-Zeeland onder visdocument [nummer van het document]’.
  4. In de Unie worden alle in dit aanhangsel bedoelde hoeveelheden bijgehouden door de Europese Commissie, die alle administratieve maatregelen neemt die zij dienstig acht voor een doelmatig beheer ervan in het kader van het toepasselijke recht van de Unie.
  5. In Nieuw-Zeeland worden alle in dit aanhangsel bedoelde hoeveelheden bijgehouden door zijn bevoegde autoriteiten, die alle administratieve maatregelen nemen die zij dienstig achten voor een doelmatig beheer ervan in het kader van het toepasselijke recht van Nieuw-Zeeland. 6. De Partij van invoer beheert de oorsprongscontingenten volgens het principe ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’ en berekent op basis van de invoer van die Partij de waarde of hoeveelheid van de producten die in het kader van die oorsprongscontingenten zijn binnengekomen.

[1] In de context van punt a) worden conserveerbehandelingen zoals koelen, invriezen en verluchten als ontoereikend beschouwd, maar worden behandelingen als inleggen, drogen of roken die bedoeld zijn om het product bijzondere of andere kenmerken te verlenen, niet als ontoereikend beschouwd.

[2] Hoewel niet expliciet vermeld in de beschrijving van de code, kunnen deze oorsprongscontingenten ook worden aangevraagd door middel van importer’s knowledge. De importeur die zich hierop beroept, moet eveneens bewijzen kunnen voorleggen die aantonen dat aan de voorwaarden voor het toestaan van deze oorsprongscontingenten is voldaan. De importeur vermeldt dan op de aangifte codes U122 en Y165.

nl


Mots clés

Articles recommandés

Fiscaliteit
De expert aan het woord
F.F.F.

Vereenvoudigde fiscale architectuur ten dienste van EU-bedrijven en -burgers

Gepubliceerd op 05 Aug 2025 bij 04:00
Lezen 5min
HRM, jobs & training
De expert aan het woord
F.F.F.

Eerste AI-richtlijnen van kracht op de werkvloer28 juli 2025

Gepubliceerd op 02 Aug 2025 bij 04:00
Lezen 5min