
Ondanks hun verschillende principiële standpunten, hebben de representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties gezamenlijk de volgende opmerkingen geformuleerd.
De sociale partners betreuren het gebrek aan waardering van de regering voor het sociaal overleg. Zij hekelen het feit dat zij te laat werden geraadpleegd: pas na het advies van de Raad van State en zelfs na de indiening van het wetsontwerp in de Kamer.
Daarnaast kregen zij onvoldoende tijd om een kwalitatief sociaal overleg te voeren en om deze complexe maatregel grondig te analyseren.
Ten slotte wijzen zij erop dat zij niet over de maatregel in zijn geheel werden geraadpleegd. Sommige modaliteiten moeten nog bij koninklijk besluit worden vastgesteld. Zij vragen daarom om tijdig betrokken te worden indien de maatregel wordt aangenomen.
De Raden stellen vast dat de geplafonneerde indexering, beter bekend als de “centenindex”, bijzonder complex is. Die complexiteit komt tot uiting in alle onderdelen, zowel op het vlak van indexering als van de bijdragen.
De toepassing zal bovendien verschillen per sector, omdat de indexeringsmodaliteiten niet uniform zijn. Daardoor zal elke sector een eigen implementatie uitwerken.
Deze complexiteit zet zich door op ondernemingsniveau. Werkgevers, hr-diensten en sociale secretariaten zullen meer inspanningen moeten leveren om werknemers correct te informeren. Dit leidt tot extra administratieve lasten voor werkgevers en maakt de regeling minder transparant voor werknemers.
Daarnaast zal de maatregel de loonbarema’s en de loonspanningen tussen functiecategorieën wijzigen. In veel gevallen zullen daarom potentieel opnieuw onderhandelingen nodig zijn op sector- en ondernemingsniveau.
Ook de loonmatigingsbijdrage zelf is qua opzet complex. Het systeem voorziet in vier verschillende soorten bijdragen. Bovendien overlappen de toepassingsperiodes van bepaalde bijdragen, wat de afstemming bemoeilijkt. Volgens de Raden zal deze opeenstapeling leiden tot een enorme administratieve complexiteit voor de ondernemingen.
De Raden wijzen er ook op dat het systeem gevolgen heeft voor de financiering van sectoren die diensten van algemeen belang verlenen via privé-instellingen.
Ten slotte benadrukken zij dat het begrotingskader en het verwachte rendement onzeker blijven. Sinds februari 2026 is er immers geen nieuwe rendementsbeoordeling gemaakt. Daarnaast zijn de toekomstige modaliteiten van bepaalde bijdragen nog niet bekend. Dat gebrek aan duidelijkheid maakt het uiteindelijke rendement van de maatregel bijzonder onzeker.