Mogelijke impact van de COVID-19-crisisop de controlewerkzaamheden

MEDEDELING1 2020/04 VAN DE RAAD VAN HET INSTITUUT VAN DE BEDRIJFSREVISOREN

Het coronavirus COVID-19 blijft zich in veel landen verspreiden. Ook in België zijn er steeds meer gevallen van de ziekte. Deze ontwikkeling heeft nu al economische gevolgen voor veel ondernemingen, bijvoorbeeld door beperkingen in de productie en de handel of door beperkingen op de verplaatsingen. De economische effecten van de COVID-19-crisis hebben ook gevolgen voor de boekhouding en voor de controle van de jaarrekeningen, de jaarverslagen en de financiële situatie van veel ondernemingen of groepen.

Wij hebben de afgelopen dagen veel vragen gekregen over de gevolgen van de COVID-19-crisis voor de controlewerkzaamheden en met name voor het voltooien van de commissarisverslagen.


Beroep ten dienste van het algemeen belang

Het is belangrijk in herinnering te brengen dat de basisopdracht van het beroep van bedrijfsrevisor het geven van een deskundig oordeel over de getrouwheid van de jaarrekening van entiteiten inhoudt, ten behoeve van alle belanghebbenden, namelijk de aandeelhouders, het management, de cliënten en leveranciers, de administraties en tot slot het personeel van de entiteiten die bedrijfsrevisoren controleren.

In deze crisisperiode is het van essentieel belang dat de bedrijfsrevisoren hun professionele oordeelsvorming ten volle toepassen zodat deze basisopdracht ten dienste van het algemeen belang volledig kan worden vervuld. De bedrijfsrevisoren kunnen een belangrijke rol spelen door het bestuursorgaan aan te zetten de gevolgen van de crisis voor hun ondernemingen of hun groep te analyseren.

De bedrijfsrevisoren dienen te overwegen wat de potentiële impact van de COVID- 19-crisis is op:
  • de risico-inschatting en de vraag of deze aangepast dient te worden;
  • de wijze waarop voldoende en geschikte controle-informatie wordt verkregen, waarbij de geplande controleaanpak mogelijks aangepast moet worden en/of alternatieve werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Het is belangrijk dat de bedrijfsrevisor in staat is om de controle-informatie te verkrijgen die hem toelaat om verslag uit te brengen en, zo nodig, een aangepast oordeel tot uitdrukking te brengen;
  • de manier waarop de groepsauditor het werk van de auditor van de groepsonderdelen dient te beoordelen om ISA 600 te kunnen naleven, met inbegrip van de vraag welke alternatieve werkzaamheden kunnen opgezet worden indien bijvoorbeeld reizen beperkt is;
  • de beoordeling door de bedrijfsrevisor van de geschiktheid van het hanteren door het bestuursorgaan van de continuïteitsveronderstelling, in overeenstemming met ISA 570 (Herzien), in het bijzonder gezien de toegenomen wereldwijde economische onzekerheid;
  • het adequaat karakter van de door het bestuursorgaan verstrekte toelichtingen in de jaarrekening en het jaarverslag inzake de impact van de COVID-19-crisis op de entiteit en haar activiteiten opdat de gebruikers van de jaarrekening correct geïnformeerd zijn;
  • de mogelijke noodzaak om bepaalde kernelementen van de controle opnieuw te evalueren als gevolg van de snel wijzigende situatie, en dit tot aan de ondertekening van het controleverslag. Het is belangrijk dat de bedrijfsrevisor bekijkt op welke wijze hij in zijn verslag toelicht wat de significante impact van de huidige omstandigheden op het controleoordeel en op het uitbrengen van het verslag is, bijvoorbeeld als een kernpunt van de controle, het opnemen van een paragraaf ter benadrukking van een bepaalde aangelegenheid, enz.
Hierna wordt ingegaan op een aantal aspecten van de controle die mogelijks beïnvloed kunnen worden door de COVID-19-crisis.

I. Impact op het bedrijfsleven

Continuïteitsveronderstelling

Voor sommige entiteiten kan de COVID-19-crisis een aanzienlijke achteruitgang van de economische omstandigheden veroorzaken. Voor andere entiteiten kan het een toename van de economische onzekerheid met zich meebrengen. Het bestuursorgaan dient te beoordelen of deze gebeurtenissen of omstandigheden, individueel of gezamenlijk, aanzienlijke twijfel kan doen rijzen over het vermogen van de entiteit om de bedrijfsactiviteit voort te zetten, of in sommige ernstige gevallen, of de continuïteitsveronderstelling nog steeds gepast is bij het opstellen van de jaarrekening.

Voor zover gebeurtenissen en omstandigheden worden geïdentificeerd die aanzienlijke twijfel kunnen doen rijzen over het vermogen van een entiteit om haar activiteiten voort te zetten, is een bijkomende toelichting in de jaarrekening vereist. Dit geldt in het bijzonder wanneer deze gebeurtenissen onzekerheden van materieel belang zijn of indien wordt geconcludeerd dat de omstandigheden gecreëerd door de COVID-19-crisis weliswaar gerede twijfel kunnen doen ontstaan over de mogelijkheid van de entiteit om haar continuïteit te handhaven, maar dat de bedrijfsrevisor op basis van de verkregen controle-informatie concludeert dat er geen sprake is van een onzekerheid van materieel belang (het zogenaamde “close call”-scenario) (cf. par. 20 en A24-A25 van ISA 570 (Herzien)).

In veel gevallen zullen de begrotingen en prognoses die mogelijk zijn gebruikt ter ondersteuning van de initiële beoordeling door het bestuursorgaan van de continuïteitsveronderstelling nu wellicht minder relevant zijn, gezien de snel veranderende economische en zakelijke omstandigheden, en kunnen zij een aanzienlijke herziening vereisen om de beoordeling door het bestuursorgaan in de huidige omstandigheden te kunnen ondersteunen. In sommige gevallen zal dit zelfs leiden tot een aangepaste beoordeling door het bestuursorgaan van de continuïteitsveronderstelling.

De bedrijfsrevisor dient rekening te houden met alle omstandigheden die ontstaan zijn tussen de afsluitingsdatum tot aan de datum van zijn verslag.2 Hij dient zijn professionele oordeelsvorming toe te passen om na te gaan of de nodige informatie wordt verstrekt zodat een gebruiker correct geïnformeerd is omtrent de financiële situatie en de perspectieven van de gecontroleerde entiteit.
De bedrijfsrevisor dient na te gaan of de beoordeling van de continuïteitsveronderstelling door het bestuursorgaan werd geactualiseerd om rekening te houden met alle relevante informatie die beschikbaar is tot de datum waarop de jaarrekening wordt goedgekeurd. Zo kunnen zowel het bestuursorgaan als de bedrijfsrevisor in het kader van de opvolging van de gebeurtenissen na balansdatum rekening houden met de door de overheid genomen steunmaatregelen om ondernemingen in moeilijkheden door de COVID-19-crisis te ondersteunen.

In deze context mag niet vergeten worden dat het bestuursorgaan de alarmbelprocedure dient toe te passen in het geval het nettoactief3 negatief wordt of, in het geval van een BV of een CV, dreigt te worden (art. 5:153, art. 6:119, art. 7:228 WVV). Ook dienen de commissarissen die in de uitoefening van hun opdracht gewichtige en overeenstemmende feiten vaststellen die de continuïteit van de economische activiteit van de vennootschap in het gedrang kunnen brengen, het bestuursorgaan hiervan schriftelijk en op een omstandige wijze op de hoogte te brengen (art. 3:69 WVV).

Gebeurtenissen na de einddatum van het boekjaar afgesloten op 31 december 2019 die al dan niet leiden tot aanpassing van de jaarrekening

Over het algemeen zullen de gevolgen van de uitbraak op de jaarrekening voor het boekjaar afgesloten op 31 december 2019 worden verantwoord als een gebeurtenis na balansdatum die niet leidt tot aanpassing van de jaarrekening, aangezien de significante veranderingen in de bedrijfsactiviteiten en de economische omstandigheden zich hebben voorgedaan als gevolg van gebeurtenissen na de balansdatum, zoals de maatregelen genomen door de regering en de privésector als reactie op de uitbraak van het virus.

Veronderstellingen die gehanteerd worden bij de waardering van financiële en niet-financiële activa op de balansdatum moeten de informatie zoals die op 31 december beschikbaar was op voorzichtige, redelijke en onderbouwde wijze weergeven.
De entiteiten dienen te beoordelen welke toelichtingen bij de jaarrekening gepast zijn om nieuwe gebeurtenissen of veranderingen in voorwaarden na de balansdatum getrouw weer te geven, met inbegrip van de inschatting van de financiële impact indien deze vastgesteld kan worden. De bedrijfsrevisor kan de entiteit wijzen op de mogelijke financiële risico’s als gevolg van de uitzonderlijke omstandigheden.

Verder verwijzen we naar het CBN-advies 2018/08 van 9 mei 2018, “Gebeurtenissen na afsluitingsdatum van het boekjaar”.


Boekjaren afgesloten na 31 december 2019

Voor jaarrekeningen van boekjaren afgesloten na 31 december 2019 en in het bijzonder na de COVID-19-crisis in de landen waar de entiteit actief is, zal het bestuursorgaan rekening moeten houden met de impact van de uitbraak op het opstellen van de jaarrekening (bijv. op niveau van impairment/duurzame waardeverminderingen, continuïteitsveronderstelling, etc.).


Jaarverslag

De bedrijfsrevisor dient bijzondere aandacht te besteden aan de wettelijke verplichting tot het in het jaarverslag beschrijven van de voornaamste risico’s en onzekerheden waarmee de entiteit wordt geconfronteerd alsook het verstrekken van informatie over de belangrijke gebeurtenissen die na het einde van het boekjaar hebben plaatsgevonden.


Algemene vergaderingen en ondernemingsraden

Een bijzonder gevolg van de COVID-19-crisis en de maatregelen die door de overheid genomen worden, is de potentiële onmogelijkheid om algemene vergaderingen te houden of om een ondernemingsraad te organiseren binnen de door de wet of de statuten voorziene termijn.

In de mate van het mogelijke kan het bestuursorgaan overwegen om de algemene vergadering uit te stellen4. Het is evenwel niet altijd mogelijk of eenvoudig om de algemene vergaderingen uit te stellen, bijvoorbeeld voor een beurgenoteerde vennootschap of als er geen akkoord is tussen de bestuurders, de aandeelhouders of de leden, of in het geval van specifieke wettelijke, reglementaire of contractuele verplichtingen. Een zekere flexibiliteit omtrent de naleving van deze termijnen is hier dan ook noodzakelijk.

Gesprekken zijn gaande met de minister van Justitie om na te gaan of en welke algemene maatregelen kunnen worden genomen om deze vormelijke verplichtingen te versoepelen en dit voor alle vennootschappen (al dan niet beursgenoteerd) en alle verenigingen. Een koninklijk besluit, dat op dit ogenblik wordt opgesteld, zou de ondernemingen moeten toelaten om hun algemene vergaderingen uit te stellen en/of de modaliteiten voor de stemming en de deelname aan de algemene vergaderingen aan te passen, zelfs indien de oproeping reeds werd gepubliceerd. Wij zullen u hierover inlichten zodra meer informatie beschikbaar is.


II. Moeilijkheden voor de bedrijfsrevisoren om controlewerkzaamheden uit te voeren

Ministerieel besluit van 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken5

De economische beroepen zijn niet opgenomen in de lijst van diensten die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de vitale belangen van de Natie en de behoeften van de bevolking, gehecht aan het Ministerieel besluit van 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.

Overeenkomstig dit ministerieel besluit is telethuiswerk verplicht bij alle niet essentiële bedrijven, welke grootte zij ook hebben, voor alle personeelsleden wiens functie zich ertoe leent. Dit betekent dat de bedrijfsrevisoren principieel van thuis uit moeten werken en ook voor de medewerkers van hun kantoren de nodige maatregelen dienen te nemen.

Voor de functies waar telethuiswerk niet kan toegepast worden, moeten de bedrijven de nodige maatregelen nemen om de naleving van de regels van social distancing te garanderen, in het bijzonder het behoud van een afstand van 1,5 meter tussen elke persoon.

Dit betekent dat een bedrijfsrevisor zijn cliënt nog kan bezoeken voor zover een verplaatsing strikt noodzakelijk is en praktisch mogelijk is (en wenselijk is), bijvoorbeeld wat het bijwonen van een voorraadopname betreft (zie ook verder), en op voorwaarde dat de gecontroleerde entiteit nog steeds toegankelijk is en dat de regels van social distancing worden nageleefd.


Uitdagingen bij het uitvoeren van een controle

Het is belangrijk om inzicht te hebben in de aard en de omvang van de potentiële operationele of financiële blootstelling van een entiteit aan de gevolgen van de uitbraak en om de potentiële impact op de jaarrekening te beoordelen, in het bijzonder de beoordeling van het bestuursorgaan van de mogelijkheid van de entiteit om haar continuïteit te handhaven en de mogelijke noodzaak om in de jaarrekening en in het jaarverslag bijkomende toelichtingen te verstrekken over de onzekerheden en de potentiële volatiliteit die door de uitbraak worden veroorzaakt.
Bedrijfsrevisoren kunnen geconfronteerd worden met grote uitdagingen bij het uitvoeren van hun controle:
  • door belemmeringen bij het verkrijgen van de informatie die nodig is om de werkzaamheden uit te voeren en een oordeel te vormen;
  • omdat de opgezette interne beheersingsmaatregelen voor het opstellen van de jaarrekening gewijzigd kunnen zijn of minder efficiënt werken door afwezigheid van personeel van de gecontroleerde entiteit omwille van ziekte of regelingen omtrent thuiswerken; dit kan leiden tot een verhoogd risico op fouten of fraude waarmee de commissaris rekening zal moeten houden in zijn controleaanpak;
  • door moeilijkheden bij het contacteren van het bestuursorgaan en anderen, met inbegrip van juridische adviseurs, deskundigen ingeschakeld door het bestuursorgaan of door de bedrijfsrevisor;
  • door moeilijkheden om toegang te krijgen tot de lokalen van de klant om de werkzaamheden uit te kunnen voeren (bv. het niet kunnen observeren van de voorraadtellingen door het bestuursorgaan of het fysiek verifiëren van de vaste activa op het einde van het boekjaar);
  • omdat controlewerkzaamheden niet de verwachte controle-informatie leveren waardoor wijzigingen in de controleaanpak nodig zijn (bv. een aanzienlijke daling van het aantal antwoorden op verzoeken om confirmaties van banken en/of schuldenaren);
  • omwille van de noodzaak om in te spelen op risico’s van materieel belang als gevolg van de beperkingen inzake de informatie en/of het bestuursorgaan dat minder tijd dan normaal heeft om de financiële informatie op te stellen;
  • door moeilijkheden om toegang te krijgen de auditor van groepsonderdelen, inclusief het verkrijgen van voldoende en geschikte controle-informatie met betrekking tot groepsonderdelen of van voldoende inzicht in de werkzaamheden van de auditor van de groepsonderdelen;
  • omwille van de noodzaak om aanvullende controlewerkzaamheden uit te voeren om in te spelen op risico’s van materieel belang als gevolg van de potentiële financiële gevolgen van de uitbraak (bv. aanvullende werkzaamheden ter evaluatie van de geschiktheid van de beoordeling door het bestuursorgaan van de mogelijkheid voor de entiteit om haar continuïteit te handhaven); en
  • door moeilijkheden bij het aansturen van en toezien op de werkzaamheden uitgevoerd door andere teamleden en belemmeringen bij het uitvoeren van de controle als gevolg van het feit dat bepaalde leden van het opdrachtteam op afstand moet werken en leden van het opdrachtteam door ziekte of door de zorg voor anderen afwezig zijn..
De commissaris kan in deze omstandigheden gebruikmaken van technologische oplossingen, zoals vergaderen via communicatiekanalen zoals Teams, Zoom, Google Hangouts6, inscannen van documenten, gebruikmaken van tools voor het delen van dossiers, op elektronische wijze overmaken van dossiers, e.d. om de beperkingen inzake de toegang tot informatie te verhelpen.
De uitbraak van het virus kan ook een aantal potentiële uitdagingen voor het bestuursorgaan met zich meebrengen, zoals bijvoorbeeld het organiseren van de voorraadopnames, met inbegrip van het bijwonen door de bedrijfsrevisor van de inventarisatie. Indien de bedrijfsrevisor concludeert dat de uitleg van het bestuursorgaan in de gegeven omstandigheden redelijk lijkt, kan hij met het bestuursorgaan bespreken of de voorraadopname op een latere datum kan worden uitgevoerd, na het opheffen van de beperkingen of wanneer de bezorgdheden niet meer zo groot zijn.
Deze uitdagingen kunnen leiden tot aanzienlijke vertragingen bij de voltooiing van controles en kunnen ook van invloed zijn op het vermogen van de bedrijfsrevisoren om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen, en bijgevolg ook op het controleoordeel (oordeel met voorbehoud of oordeelonthouding). De bedrijfsrevisor mag zich in ieder geval niet onder druk laten zetten om op basis van onvolledige informatie of een onvolledig gedocumenteerd dossier een onvoldoend onderbouwd oordeel tot uitdrukking te brengen.


III. Mogelijke impact op het commissarisverslag

Het mogelijk niet tijdig verkrijgen van voldoende en geschikte controle-informatie kan tot gevolg hebben dat de ondertekening van het commissarisverslag wordt vertraagd. Er bestaan evenwel wettelijke termijnen waarbinnen de commissaris verslag dient uit te brengen.

De mogelijke impact op het eerste deel van het commissarisverslag kan zijn:
  • het opnemen van een paragraaf ter benadrukking van bepaalde gelegenheden om een significante gebeurtenis na balansdatum die in de jaarrekening werd toegelicht, te benadrukken of met betrekking tot een van materieel belang zijnde onzekerheid die voortvloeit uit de COVID-19- crisis; (ISA 706 (Herzien), par. A5)
  • het opnemen van een sectie met betrekking tot een van materieel belang zijnde onzekerheid betreffende de continuïteit; (ISA 570 (Herzien))
  • het eventueel opnemen van een kernpunt van de controle; (ISA 701)
  • het tot uitdrukking brengen van een oordeel met voorbehoud of een afkeurend oordeel in geval van toelichtingen die niet adequaat zijn; (ISA 705 (Herzien))
  • het tot uitdrukking brengen van een oordeel met voorbehoud of het formuleren van een oordeelonthouding als gevolg van een beperking in de uitvoering van de controle indien de commissaris niet in staat is geweest om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen (ISA 705 (Herzien), par. A8 tot A11).
De commissaris dient tevens te overwegen wat de mogelijke impact is op het tweede deel van het commissarisverslag, in het bijzonder de vermeldingen inzake de naleving van de termijn tot bijeenroepen van de algemene vergadering en de informatie die opgenomen dient te worden in het jaarverslag van de entiteit.
De commissaris dient ook te overwegen of hij het commissarisverslag elektronisch kan ondertekenen. Een digitale handtekening via ID-card (eID) bij een ondertekening van een verslag van een commissaris is inderdaad rechtsgeldig en evenwaardig is als een manuele handtekening. Wij verwijzen onder meer naar het ICCI-advies van 21 december 2018, “Actuele vragen in het kader van de digitalisering en/of paperless werken”7.

Verslag van niet-bevinding

Artikel 3:74, tweede lid van het Wetboek van vennootschappen en vennootschappen stelt dat een verslag van niet-bevinding opgesteld dient te worden indien het bestuursorgaan in gebreke blijft om de stukken nodig voor de controle van de jaarrekening aan de commissaris te overhandigen binnen de wettelijke termijn. Indien evenwel de stukken niet tijdig overgemaakt kunnen worden louter en alleen omwille van de inperkingsmaatregelen opgelegd door de overheid als gevolg van de COVID-19-crisis, kan dit beschouwd worden als een geval van overmacht. De bedrijfsrevisor dient zijn professionele oordeelsvorming toe te passen om te bepalen of het, in de gegeven omstandigheden, gepast is om geen verslag van niet-bevinding op te stellen. Dit dient verantwoord te worden in het controledossier. Er kan ook melding gemaakt worden van de situatie in het tweede deel van het commissarisverslag.

Over deze vraag zal meer informatie verstrekt worden in functie van het koninklijk besluit betreffende de organisatie van de algemene vergaderingen, dat op dit ogenblik wordt opgesteld.


IV. Een bedrijfsrevisor die zelf besmet is geraakt met het coronavirus

Het is natuurlijk mogelijk dat een bedrijfsrevisor getroffen wordt door het coronavirus en daardoor niet in staat is om het commissarisverslag te ondertekenen.

Wij herinneren daarom aan de doctrine die hieromtrent bestaat. Wat de afwezigheid betreft van een confrater die de vaste vertegenwoordiger is van het bedrijfsrevisorenkantoor, is de Raad van het IBR van mening dat het volgend onderscheid dient te worden gemaakt. Indien het gaat om een lange afwezigheid, moet het bedrijfsrevisorenkantoor een nieuwe vaste vertegenwoordiger aanstellen in toepassing van artikel 3:60 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Hierbij mag niet uit het oog verloren worden dat voor de benoeming en de beëindiging dezelfde regels van openbaarmaking gelden alsof de opdracht in eigen naam en voor eigen rekening wordt vervuld (art. 3:60 WVV).

Indien de afwezigheid slechts van korte duur is, dient de vaste vertegenwoordiger niet te worden vervangen. In deze omstandigheden is de Juridische Commissie van het IBR van mening dat het aanvaardbaar zou zijn dat, wanneer geen vervanger dient te worden aangesteld (afwezigheid van korte duur), een andere bedrijfsrevisor het verslag tekent, met de vermelding “afwezig bij de ondertekening”. De tweede bedrijfsrevisor zal er zich evenwel moeten van vergewissen dat de vaste vertegenwoordiger alle vereiste controlewerkzaamheden heeft verricht.

Geval van “overmacht”

Deze crisis dient juridisch beschouwd te worden als een geval van overmacht. Overmacht is een uitzonderlijke en onvoorzienbare gebeurtenis die iedereen, zowel de cliënten als de bedrijfsrevisoren, moet ondergaan. Indien de betrokkene kan aantonen dat hij in de gegeven omstandigheden voorzichtig en zorgvuldig heeft gehandeld kan overmacht bevrijdend werken. We verwijzen onder meer naar artikel 22 van het model van algemeen contractueel kader voor prestaties, dat beschikbaar is op de website van het ICCI.
Aangezien het hier duidelijk een geval van overmacht betreft, zal er ongetwijfeld een zekere flexibiliteit in de toepassing van de rechtsregels nodig zijn. Indien deze situatie evenwel lang blijft duren, kan mogelijks niet meer gesproken worden over een geval van overmacht, zelfs al blijven de beperkingen volledig of gedeeltelijk gelden en blijven deze een impact hebben op de dienstverlening. Het is daarom aangewezen om in de opdrachtbrieven die vanaf vandaag opgesteld worden aan te geven dat indien het materieel niet mogelijk is om een deel van de contractuele verbintenissen binnen de overeengekomen termijn na te komen door omstandigheden die ontstaan zijn door de COVID-19-crisis en buiten elke wil om werden gecreëerd, deze partij de andere partij binnen een redelijke termijn verwittigt zodat overeengekomen kan worden dat de termijn voor de betrokken verbintenissen verlengd kan worden.

Wij blijven tot uw dienst

De situatie is onzeker en snel evoluerend. Het IBR blijft de situatie op de voet volgen en zal deze mededeling aanvullen zodat u steeds over de meest actuele informatie beschikt bij het uitvoeren van de controle.



------------
1 Via mededelingen ontwikkelt het Instituut de rechtsleer inzake de audittechnieken en de goede toepassing door de bedrijfsrevisoren van het wettelijk, reglementair en normatief kader dat de uitoefening van hun beroep regelt (art. 31, §7 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren); enkel de normen en aanbevelingen zijn bindend.
2 Zie ook het CBN-advies 2018/18 van 11 juli 2018, “Going concern - Waarderingsregels bij de stopzetting of gedeeltelijke stopzetting van het bedrijf van een onderneming”, waarop het IBR gereageerd heeft. Deze reactie vindt u hier: https://doc.ibr-ire.be/nl/Documents/actueel/nieuws/IRE-reaction-projet-d-avis-going-concern.pdf. Een bijkomende analyse van de materie zal door het ICCI via een FAQ gemaakt worden.
3 In tegenstelling tot het W. Venn. bestaat de nieuwigheid onder het WVV erin dat, voor de toepassing van de alarmbelprocedure in de BV, CV en NV, het nettoactief wordt berekend op basis van het totaalbedrag van de activa, verminderd met de voorzieningen, de schulden en MET de nog niet afgeschreven bedragen van de oprichtings- en uitbreidingskosten en de kosten voor onderzoek en ontwikkeling (art. 5 :142, derde lid (BV), art. 6:115, derde lid (CV) en art. 7:212, tweede lid (NV) WVV).
4 Het bestuursorgaan heeft het recht, tijdens de zitting, de beslissing over de goedkeuring van de jaarrekening drie weken uit te stellen. Bij een genoteerde vennootschap bedraagt deze termijn vijf weken. (art. 5:99 (BV), 6:84 (CV) en 7:150 (NV) WVV).
5 https://economie.fgov.be/sites/default/files/Files/Entreprises/AM-MB-20200318-covid-19.pdf.
6 Zie ook: https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2020/03/13/online-vergaderen-en-onderwijzen-van-thuis-hoe-pak-je-dat-het-b/.
7 https://www.icci.be/nl/adviezen/advies-detail-page/actuele-vragen-in-het-kader-van-de-digitalisering-en-of-paperless-werken.

    Tags

    • Algemene vergadering
    • Audit
    • Continuïteitsveronderstelling
    • Coronavirus
    • Jaarrekeningen
    • Jaarverslag