• FR
  • NL
  • EN

Nieuwe Programmawet 2026: Impact op liquidatiereserves en VVPRbis

Op 23 februari 2026 is het ontwerp van de nieuwe programmawet gepubliceerd. Deze nieuwe wet bevat opnieuw tal van wijzigingen, zoals aangekondigd in het meest recente federale begrotingsakkoord. Onder meer de verdubbeling van de effectentaks, de veel besproken centenindex en een strengere beperking op de kostenaftrek voor auteursrechten maken hier deel van uit.

In onze huidige bijdrage focussen we op de wijzigingen inzake de liquidatiereserves en het VVPRbis-regime, waaronder ook twee nieuwe antimisbruikbepalingen.

Verhoging van de tarieven van de liquidatiereserve en VVPRbis naar 18%

Zoals eerder aangekondigd in het meest recente begrotingsakkoord, is de regering De Wever voornemens om de dividenduitkeringen die worden geput uit de liquidatiereserves of waarbij er toepassing wordt gemaakt van het VVPRbis-regime te verhogen van 15% naar 18%. Dit wordt bewerkstelligd in deze nieuwe programmawet.(1)

Voor de dividenduitkeringen die worden geput uit de liquidatiereserve zal het huidige tarief van 6,5% voor uitkeringen, waarbij de wachttermijn van drie jaar gerespecteerd is (en dat overigens nog maar net werd opgetrokken), verhoogd worden naar 9,8%. Rekeninghoudend met de anticipatieve heffing van ca. 10% komt dit uit op een totale belastingdruk van 18%.

Voor het VVPRbis-regime zal het tarief van 15% worden verhoogd naar 18%.

Twee antimisbruikbepalingen inzake de uitkering van liquidatiereserves

- De eerste antimisbruikbepaling: wijziging afsluitdatum

In het begrotingsakkoord werd er reeds aangekondigd dat voor dividenduitkeringen geput uit liquidatiereserves die werden aangelegd in boekjaren die afsluiten op 31 december 2025 (of later) het verlaagd tarief in de roerende voorheffing 9,8% (in plaats van 6,5%) zou gaan bedragen. Aangezien heel wat vennootschappen 31 december als balansdatum hanteren, zou dit willen zeggen dat latere dividenduitkeringen die betrekking hebben op de winst van boekjaar 2025 plots hoger zouden worden belast (dan eerder voorzienbaar was).

De programmawet behelst een specifieke antimisbruikbepaling waarbij wijzigingen van de afsluitingsdatum van het boekjaar vanaf 24 november 2025, namelijk de bekendmaking van het regeerakkoord, worden geviseerd.

Dit houdt in dat het naar voren schuiven van de afsluitingsdatum van het boekjaar vanaf 24 november 2025 niet aan de fiscale administratie zal kunnen worden tegengeworpen. Het toepasselijke tarief in de roerende voorheffing bij latere dividenduitkeringen van de winst van dit vervroegd afgesloten boekjaar zou dan (mits het respecteren van de wachttermijn van drie jaar) alsnog 9,8% bedragen.

Er is wettelijk weliswaar in een mogelijkheid van het aanvoeren van tegenbewijs voorzien: indien de belastingplichtige kan aantonen dat er hoofdzakelijk andere motieven aanwezig zijn voor het wijzigen van de afsluitdatum dan het ontwijken van inkomstenbelastingen, is deze antimisbruikbepaling niet van toepassing.

- De tweede antimisbruikbepaling: de ‘artificiële’ vereffening en ontbinding

Er wordt ook een specifieke antimisbruikbepaling geïntroduceerd om 'artificiële' vereffeningen en ontbindingen aan te pakken.

Het doel is te voorkomen dat vennootschappen enkel worden stopgezet om liquidatiereserves belastingvrij (tegen 0%) uit te keren, waarna dezelfde of gelijkaardige activiteiten onmiddellijk worden voortgezet via een andere vennootschap. In dergelijke gevallen zal het nultarief niet langer gelden.

In de memorie van toelichting bij de programmawet geeft men volgend voorbeeld:
Wanneer een arts-specialist zijn vennootschap liquideert om de reserves aan 0% uit te keren, om vervolgens onder hetzelfde RIZIV-nummer identieke prestaties te leveren via een nieuwe vennootschap. Of de specialist daarna voor hetzelfde dan wel een ander ziekenhuis werkt, is hierbij niet relevant; de continuïteit van de activiteit verhindert de gunstige belastingheffing.

Om te verduidelijken wanneer er sprake is van eenzelfde of gelijkaardige activiteit wordt er ook nog volgend voorbeeld aangehaald in de memorie van toelichting:
“Een CEO die CEO wordt bij een ander bedrijf oefent eveneens gelijkaardige activiteiten uit. Moest hij een andere leidinggevende functie uitoefenen zal dit eveneens als een gelijkaardige activiteit worden beschouwd. Stel dat deze CEO een totaal ander pad zou opgaan en bijvoorbeeld een winkel zou openen, dan is dit bezwaarlijk als “dezelfde of gelijkaardige activiteit” te beschouwen.”

De specifieke antimisbruikbepaling viseert enkel de aandeelhouder die binnen de drie jaar volgend op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van deze dividenden rechtstreeks of onrechtstreeks de functie van bedrijfsleider (2) uitoefent in een vennootschap die dezelfde of gelijkaardige activiteiten verricht als deze van de vennootschap. Het louter aanhouden van aandelen in deze nieuwe vennootschap met dezelfde of gelijkaardige activiteiten zal, aldus de memorie van toelichting, geen aanleiding geven tot de toepassing van fiscaal misbruik, althans niet krachtens deze nieuwe specifieke antimisbruikbepaling.

De aanvankelijk vrijgestelde uitkering wordt in het licht van deze nieuwe specifieke antimisbruikbepaling alsnog belast, zodra de aandeelhouder-genieter binnen de driejaarsperiode aan de slag gaat als bedrijfsleider in een vennootschap met (gelijkaardige) activiteiten. Betreft deze laatste een bestaande vennootschap: dan is de belasting verschuldigd in het belastbaar tijdperk dat de functie als bedrijfsleider start, ongeacht wanneer die vennootschap is opgericht. Betreft het een bestaande vennootschap (waar de aandeelhouder-genieter al bedrijfsleider is) welke binnen deze driejaarstermijn overschakelt naar dezelfde of gelijkaardige activiteiten, dan bevindt het belastbaar tijdstip zich in het jaar waarin die nieuwe activiteit effectief start.

Belangrijk om te weten is dat ook deze specifieke antimisbruikbepaling kan worden weerlegd. De belastingplichtige ontsnapt aan de bepaling wanneer hij aantoont dat de door hem gestelde handelingen, het liquideren van de vennootschap (mits toekenning van dividenden geput uit de liquidatiereserves) en daarna eenzelfde of gelijkaardige activiteit uitvoeren middels een andere vennootschap, hoofdzakelijk door andere motieven verantwoord is dan het 0%-tarief in de roerende voorheffing te genieten.

De memorie van toelichting illustreert bovenstaande aan de hand van de volgende voorbeelden:

Vb. 1: Een ondernemer zet zijn consultancybedrijf stop om een nieuwe functie als werknemer te aanvaarden ( in de publieke of in de private sector). Wanneer deze persoon na verloop van tijd, bijvoorbeeld na 2,5 jaar, besluit om opnieuw zelfstandig te worden en zijn consultancy activiteit te hervatten (na ontslag uit zijn vorige functie), kunnen de handelingen worden beschouwd als handelingen die hoofdzakelijk door andere motieven worden gerechtvaardigd.

Vb. 2: Een echtgenoot liquideert zijn vennootschap om voor zijn zwaar gehandicapte partner te zorgen. Deze partner overlijdt vervolgens. Indien de overlevende echtgenoot zijn activiteit opnieuw zou opstarten binnen de 3 jaar kunnen deze handelingen ook als hoofdzakelijk door andere motieven verantwoorde handelingen worden beschouwd.

Wanneer er geen tegenbewijs geleverd kan worden, zal de eerder uitgekeerde liquidatiereserve belast worden aan 30% in de personenbelasting (bovenop de eerder reeds ingehouden anticipatieve heffing van ca. 10%).

Wanneer treedt de programmawet in werking?

De programmawet treedt in globo in werking vanaf de tiende dag die volgt op de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad.

De bepalingen van het gewijzigd tarief van de VVPRbis en de tweede antimisbruikbepaling betreffende de liquidatiereserve treden dan weer in werking op de eerste dag van de maand volgend op de maand van de bekendmaking van de programmawet in het Belgisch Staatsblad. Gelet op het wetgevend proces en andere bronnen, gaan wij er thans vanuit dat deze bepalingen vermoedelijk in werking treden op 1 mei 2026.

Is anticiperen op de nieuwe wetgeving nog zinvol?

Indien u nog wil anticiperen op de nieuwe wetgeving inzonderheid op het vlak van dividenduitkeringen onder toepassing van het VVPRbis-regime, verwijzen we u graag naar ons vorig artikel van 22 december 2025 inzake ‘Dividenduitkering aan een tarief van 15% roerende voorheffing: de fiscale klok tikt!

Heeft u nog vragen omtrent de liquidatiereserves, VVPRbis of de ontbinding van uw vennootschap? Aarzel dan niet om ons te contacteren!

(1)Wetsontwerp programmawet, KAMER, 2025-2026, 23 februari 2026, nr. 1378/001
(2)De functie van bedrijfsleider (rechtstreeks of onrechtstreeks) als bedoeld in artikel 32, lid 1 WIB.

  1. De tweede antimisbruikbepaling: de ‘artificiële’ vereffening en ontbinding




Mots clés

Articles recommandés

1 maart 2026: wat er verandert in België en wat dit betekent voor bedrijven en hun adviesverlening ?

België 2026-2031: stabiele economische groei met cruciale aandacht voor overheidsfinanciën

Grondige hervorming van de Vlaamse fiscale gunstregeling voor de schenking en vererving van familiebedrijven