• FR
  • NL
  • EN

Nieuwe wet verduidelijkt verjaringstermijnvoor terugvordering roerende voorheffing.Wat betekent dit voor u?

DOOR DE WET VAN 19 DECEMBER 2025 WORDT DE BELGISCHE WET AANGEPAST AAN DE ZIENSWIJZE VAN DE ADMINISTRATIE DAT HET VOOR DE BELEGGER VOLDOENDE IS OM EERST BINNEN DE VIJF JAAR EEN TERUGGAVE TE VRAGEN AAN DE ADMINISTRATIE VOORALEER EVENTUEEL NAAR DE RECHTBANK TE STAPPEN.

WAT VOORAFGAAT

Jarenlang heerste er verwarring over de wijze waarop belastingplichtigen roerende voorheffing, die niet ingekohierd werd en evenmin voorwerp uitmaakte van een kennisgeving van inning zodat er geen administratieve beslissing bestond waartegen bezwaar kon worden aangetekend, moesten terugvorderen.

De relevante wetsbepalingen, artikels 368 en 368/1 WIB 92, waren niet eenduidig over de kwalificatie van de vordering die de belastingplichtige diende in te stellen: volstond enkel een aanvraag tot terugbetaling aan de Administratie? Of diende er eveneens een gerechtelijke vordering ingesteld te worden?

Dit mondde uit in rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof en vervolgens in een circulaire 2025/C/56, contra legem, van de belastingadministratie, met blijvende onduidelijkheid als gevolg.

In haar arrest van 21 december 2023 oordeelde het Hof van Cassatie dat een belastingplichtige een eerste verzoek tot terugbetaling van roerende voorheffing rechtstreeks bij de rechtbank kan indienen zonder een voorafgaand administratief beroep in te leiden bij de belastingadministratie.

De fiscus was van oordeel dat de zogenaamde uitputtingsvereiste moest worden nageleefd wat wil zeggen dat zonder voorafgaand administratief beroep een vordering voor de rechtbank onontvankelijk is. Of m.a.w. de fiscus beschouwde de terugvordering als een georganiseerd administratief beroep waarbij men eerst de teruggave vraagt aan de administratie en daarna pas aan de Rechtbank.

Het Hof volgde die redenering niet en kwalificeerde de termijn van vijf jaar van artikel 368 WIB als een verjaringstermijn waarbinnen een rechtsvordering tot terugbetaling van niet‑ingekohierde roerende voorheffing moet worden ingesteld. Wanneer geen inkohiering heeft plaatsgevonden, bestaat er immers geen administratieve beslissing waartegen bezwaar kan worden ingesteld. In dat geval kan volgens het Hof de uitputtingsvereiste geen toepassing vinden. Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek die de uitputtingsvereiste formuleert werd daardoor niet van toepassing verklaard op vorderingen tot terugbetaling van roerende voorheffing.

Het Grondwettelijk Hof bevestigde dezelfde interpretatie in zijn arrest van 13 maart 2025, waarin het artikel 368 WIB toetste aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het benadrukte dat bij het ontbreken van inkohiering geen bezwaar mogelijk is, en dus evenmin een uitputtingsvereiste geldt. Het Grondwettelijk Hof sloot zich met andere woorden volledig aan bij het Hof van Cassatie en concludeerde dat de vijfjarige termijn van artikel 368 WIB de termijn is waarbinnen de belastingplichtige een rechtsvordering tot terugbetaling moet instellen.

Een gedetailleerde bespreking van de wetsgeschiedenis en de achterliggende ratio van de wetgever zou ons te ver leiden. Wel rijzen er aanzienlijke vragen bij de wijze waarop de voormelde hoven deze procedureregel hebben geïnterpreteerd. De kwalificatie van de vijfjarige termijn als een termijn om een rechtsvordering in te stellen, en de daaruit voortvloeiende niet‑toepassing van de uitputtingsvereiste, heeft immers een belangrijk gevolg: belastingplichtigen die wél tijdig een verzoek tot teruggaaf bij de fiscus indienen, kunnen alsnog geconfronteerd worden met de verjaring van hun vordering voor de rechtbank wanneer het antwoord van de belastingadministratie op dit verzoek pas aan de belastingplichtige wordt bezorgd na het verlopen van diezelfde vijfjarige termijn.

Dit risico wordt alleen maar reëler wanneer we wijzen op het openbare orde-karakter van fiscale wetgeving met als gevolg dat de rechter de verjaring van de vordering ambtshalve zal controleren. In dit opzicht kan er verwezen worden naar het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel van 15 september 2025 waarin de rechtbank ambtshalve de onontvankelijkheid van de rechtsvordering opwierp.

ADMINISTRATIEVE CIRCULAIRE VAN 10 SEPTEMBER 2025

Op 10 september 2025 publiceerde de Belgische fiscus circulaire 2025/C/56. Daarmee bevestigt hij zijn klassieke visie, ondanks de andersluidende hogere rechtspraak: het indienen van een administratief verzoek tot terugbetaling blijft een verplichte en afsluitende administratieve rechtsgang. Het volstaat volgens de fiscus dat dit verzoek binnen de toepasselijke wettelijke termijn wordt ingediend.

In deze circulaire verzet de administratie zich dus radicaal tegen deze rechtspraak en stelt zij dat een gerechtelijke procedure ook na het verstrijken van die termijn nog mogelijk blijft, op voorwaarde dat het administratieve verzoek tot terugbetaling tijdig werd ingediend. Wanneer geen voorafgaand administratief verzoek werd ingediend, zal de fiscus de ontvankelijkheid van een gerechtelijke vordering betwisten. Zij zal zich daarentegen niet beroepen op verjaring bij gerechtelijke stappen die worden ingesteld na afloop van de vijfjarige termijn, zolang het administratieve verzoek tot teruggaaf tijdig werd ingediend.

Daar de waarde van zo’n circulaire onzeker was gelet op de andersluidende hogere rechtspraak, drong een een verduidelijking bij wet zich op.

WET VAN 19 DECEMBER 2025

Deze verduidelijking kwam er met de wet van 19 december 2025, die op 30 december 2025 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werd. Daarin formuleert de wetgever een nieuw artikel 368 WIB 92. De wetgever stelt uitdrukkelijk dat het verzoek tot teruggaaf moet worden ingediend voor de belastingadministratie binnen een termijn van vijf jaar. De wetgever heeft er ditmaal voor gekozen te expliciteren dat het hier gaat over een georganiseerd administratief beroep dat moet worden gevolgd met het indienen van een bezwaarschrift.

Het aanhangig maken van een geschil voor de rechtbank is aldus vanaf heden enkel mogelijk mits eerbiediging van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek. Dit artikel voorziet in twee termijnen voor het instellen van een vordering voor de bevoegde rechtbank. Allereerst geldt er een wachttermijn van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de fiscus, waarbinnen de belastingadministratie kan overgaan tot het onderzoek van het bezwaarschrift. Wanneer deze termijn is verstreken, mag de belastingplichtige de rechtsvordering instellen ook al heeft hij tot dan toe nog geen beslissing met betrekking tot zijn bezwaar ontvangen. Anderzijds geldt een vervaltermijn van drie maanden waarbinnen de rechtsvordering moet worden ingesteld wanneer de belastingplichtige wel een beslissing met betrekking tot zijn bezwaar ontvangt.

De wetgever voorziet eveneens in een overgangsbepaling om rechtsvorderingen ingesteld voor de rechtbank vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet maar binnen de vijfjarige termijn eveneens ontvankelijk te verklaren ook al is het voorafgaand georganiseerd administratief beroep niet ingesteld. Ter overgang naar deze nieuwe bepalingen voorziet de wetgever aldus in een uitzondering op de uitputtingsvereiste.

Deze wetsaanpassing is van toepassing vanaf 30 december 2025.


Mots clés

Articles recommandés

Cheque praktisch rijbewijs voor werkzoekende en werknemers met dienstencheques

Belasting op meerwaarden en de Belgische kapitaalmarkt: een zwak signaal met sterke gevolgen voor de financiering van ondernemingen