
Het beheerscomité van het openbare Fonds heeft beslist om de maximale bedragen van de financiële tussenkomst voor de arbeidsplaatsen toegekend vóór 2020 te verhogen.
De volgende jaarbedragen zijn van toepassing vanaf 2026:
De maximale bedrag voor de toegekende arbeidsplaatsen vanaf 2020 die reeds hoger zijn, blijven ongewijzigd:
In het kader van de onderhandelingen over de verhoging van de waarde van de maaltijdcheques herinnert de RSZ eraan dat het bedrag van de maaltijdcheques voor het 1ste kwartaal 2026 kan worden geregulariseerd tot uiterlijk 30 april 2026.
Wanneer een sectorale- of ondernemings-cao retroactief wordt afgesloten die voorziet in een verhoging van de werkgeverstussenkomst in maaltijdcheques vanaf een bepaalde datum, kan de werkgever het werkgeversaandeel in de maaltijdcheques met terugwerkende kracht verhogen, voor zover dat gebeurt binnen de geldende regularisatietermijnen.
De rechtzetting moet voldoen aan volgende voorwaarden:
Voor de individuele overeenkomsten geldt dat het bedrag van de maaltijdcheques toegekend via een individuele overeenkomst niet hoger mag zijn dan het bedrag van de maaltijdcheques toegekend bij cao in dezelfde onderneming.
Huisarbeiders - aantal arbeidsdagen
De RSZ aanvaardt dat het aantal arbeidsdagen voor huisarbeiders berekend wordt op basis van het GGMMI. Vanaf 1 april 2026 wordt dit verhoogd tot 2.189,81 EUR overeenkomstig CAO nr. 43-18.
Doelgroepvermindering kunstenaars
Het grensbedrag voor de doelgroepvermindering kunstenaars is ook aangepast aan de verhoging van het GGMMI.
Algemene regeling/overgangsmaatregelen: 6.569,43 EUR.
Ingevolge de verhoging van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI) overeenkomstig CAO nr. 43-18, is er een aanpassing van de loongrenzen, de hellingscoëfficiënten en van de maximale verminderingsbedragen nodig voor de berekening van de werkbonus.
Hieronder vindt u in tabelvorm de nieuwe bedragen vanaf 1 april 2026. De uiteindelijke sociale werkbonus is de som van de 2 componenten.
Bedienden (*)
| LUIK A (lage lonen) | LUIK B (zeer lage lonen) | ||
|---|---|---|---|
S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) | S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) |
≤ 2.880,32 | 125,04 | ≤ 2.255,50 | 168,62 |
> 2.880,32 en ≤ 3.336,98 | 125,04 - ( 0,2738 x (S - 2.880,32)) | > 2.255,50 en ≤ 2.880,32 | 168,62 - ( 0,2699 x (S - 2.255,50)) |
| > 3.336,98 | 0,00 | > 2.880,32 | 0,00 |
| LUIK A (lage lonen) | LUIK B (zeer lage lonen) | ||
|---|---|---|---|
S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) | S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) |
≤ 2.880,32 | 135,04 | ≤ 2.255,50 | 182,11 |
> 2.880,32 en ≤ 3.336,98 | 135,04 - ( 0,2957 x (S - 2.880,32)) | > 2.255,50 en ≤ 2.880,32 | 182,11 - ( 0,2915 x (S - 2.255,50)) |
| > 3.336,98 | 0,00 | > 2.880,32 | 0,00 |
(*) Onder 'Bedienden' moet worden verstaan: de werknemers die moeten worden aangegeven aan 100 %, dus ook bijvoorbeeld arbeiders in de openbare sector.
(**) Onder 'Arbeiders' moet worden verstaan: de werknemers die moeten worden aangegeven aan 108 %, dus ook bijvoorbeeld kunstenaars.
R wordt rekenkundig afgerond op de dichtstbijzijnde eenheid (Eurocent).
De maximale kilometervergoeding voor de woon-werkverplaatsingen en beroepsverplaatsingen bedraagt 0,4327 EUR/km vanaf 1 april 2026 tot en met 30 juni 2026 (omzendbrief nr. 764, BS van 31 maart 2026).
Door de verhoging van het GGMMI vanaf 1 april 2026 overeenkomstig de CAO nr. 43-18 worden de forfaitaire daglonen (met fooien betaalden, gelegenheidswerknemers horeca, land- en tuinbouw) gewijzigd.
De tabel bevat de dagforfaits die gelden vanaf 1 april 2026, variërend naargelang de sector, de uitgeoefende functie en de leeftijd van de werknemer op de laatste dag van het kwartaal.
De forfaitaire bedragen voor de zeevissers en de aangestelden toiletten buiten de horeca ondergaan geen wijzigingen ten opzichte van het 1ste kwartaal 2026.
Voor statutairen en sommige andere personen in de openbare is de toepassing van de socialezekerheidswetgeving beperkt tot bepaalde regelingen van de sociale zekerheid. Een bijzondere regeling van onderwerping voorziet dat deze personen in geval van ontslag, onder bepaalde voorwaarden, toch recht hebben op werkloosheidsuitkeringen en uitkeringen van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (ZIV).
De regularisatie gebeurt door de storting aan de RSZ van de bijdragen voor het werkloosheidsstelsel én het stelsel van de ZIV. Deze bijdragen, berekend op basis van de laatste activiteitswedde, dienen de noodzakelijke periode te dekken opdat de betrokkene de sociale voordelen kan genieten die door de beide stelsels worden toegekend, met name:
Vanaf 1 maart 2026 moet een voltijdse werknemer voor de regeling werkloosheid een wachttijd doorlopen van 312 arbeidsdagen ongeacht de leeftijd en zal de te dekken regularisatieperiode eveneens 312 arbeidsdagen bedragen (wet van 18 juli 2025 - BS van 29 juli 2025). Let wel, de duur van de in aanmerking te nemen periodes (voor elk van beide stelsels) mag in geen geval groter zijn dan de duur van de periode waarin de arbeidsverhouding bestaan heeft.
De opsplitsing van de code '1' - loopbaanmaatregel zachte landingsbaan in een code '1' en een nieuwe code '3' naargelang het een situatie betreft met of zonder overgang van een voltijdse tewerkstelling naar een deeltijdse tewerkstelling, werd ten onrechte opgenomen in de instructies van het 1ste kwartaal 2026.
Om de 'werknemers in een zachte landingsbaan' te kunnen onderscheiden van 'gewone werknemers' is en blijft enkel de code '1' de aangewezen code.