Btw-zomerbrief: de regering pakt uit met een pakket ingrijpende btw-wijzigingen

Net voor het zomerreces zijn de wetgever en de regering zeer actief geweest op vlak van aanpassingen van de btw-wetgeving en uitvoeringsbepalingen. Dit betreft een resem van topics, naast de diverse ingrijpende wijzigingen die reeds in werking zijn getreden n.a.v. de nieuwe e-commerce regels op EU-niveau (klik hier voor onze laatste nieuwsbrief ter zake). Een aantal van de vernoemde wijzigingen moeten op datum van deze nieuwsbrief (2 augustus 2021) evenwel nog in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd. We vatten hierna de meest relevante veranderingen en hun impact voor de praktijk kort samen.


Aanpassing btw-vrijstelling voor kostendelende verenigingen


De wet van 27 juni 2021 houdende diverse bepalingen inzake btw (klik hier) voert een aantal technische aanpassingen door in het btw-wetboek.


De meest opvallende wijziging betreft de aanpassing/beperking van de btw-vrijstelling voor kostendelende verenigingen (artikel 44, §2bis W.Btw). De toepassing van deze vrijstelling zal worden beperkt tot leden van de groepering die handelingen stellen die vrijgesteld zijn op basis van artikel 44, § 1 en 2 W.Btw, de zogenaamde vrijstellingen van algemeen belang. De vrijstelling voor kostendelende verenigingen geldt bijgevolg niet langer t.a.v. leden die handelingen die vrijgesteld zijn op basis van artikel 44, § 3 W.Btw, verrichten. Dit laatste betreft met name vrijgestelde handelingen inzake vastgoed (verkopen, verhuur) en financiële dienstverrichtingen (financiële instelling, verzekeraars,…).

De beperking van de vrijstelling voor kostendelende verenigingen is het gevolg van Europese rechtspraak die Lidstaten verplicht om de vrijstelling slechts toe te kennen voor activiteiten verricht “in het algemeen belang” (medische diensten, handelingen van sociale aard zoals sportinrichtingen, onderwijs, musea, culturele activiteiten,…). Meer toelichting kan gevonden worden in onze eerdere nieuwsbrief hierover (klik hier).


Voor de vastgoed- en financiële sector is dit een belangrijke wijziging, doch de verwachting is dat de impact hiervan eerder beperkt zal zijn, gelet op het alternatief van de btw-eenheid. Natuurlijk, in situaties waar een btw-eenheid niet mogelijk of opportuun is zal dit o.i. wel belangrijke gevolgen kunnen hebben. We denken met name aan grensoverschrijdende kostendelingen of kostendelingen binnen vastgoedgroepen waar een btw-eenheid niet optimaal is (bv. in het kader van gesplitste verkopen grond en gebouw).

Deze wetswijziging treedt pas in werking vanaf 1 januari 2022. Evenwel geldt een onmiddellijke toepassing vanaf 1 juli 2021 voor nieuw opgerichte kostendelende verenigingen én voor nieuwe leden die wensen toe te treden tot een bestaande kostendelende vereniging.


Aanpassing btw-vrijstelling medische diensten


De wet van 11 juli 2021 voert een belangrijke wijziging door aan de btw-vrijstelling inzake medische dienstverlening (klik hier). Dit is het gevolg van rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, mede na prejudiciële vraagstelling aan het Europees Hof van Justitie, die de huidige vrijstellingsbepaling strijdig achtte met de Europese regels (arrest nr. 194/2019 van 5 december 2019, klik hier).

Allereerst wordt de btw-vrijstelling voor medische diensten uitgebreid t.a.v. met name beoefenaars van chiropraxie en osteopathie. Algemeen wordt de vrijstelling niet langer exclusief voorbehouden voor de beoefenaars van gereglementeerde medische of paramedische beroepen. Ook de beroepsbeoefenaars van (para)medische beroepen die door een adequate opleiding geacht kunnen worden een equivalent kwaliteitsniveau te bereiken, zullen zich kunnen beroepen op de vrijstelling.


Niet-gereglementeerde medische of paramedische beroepen kunnen kwalificeren onder de btw-vrijstelling onder volgende voorwaarden:

  • Ze moeten houder zijn van een certificaat afgeleverd door een instelling die door een bevoegde overheid erkend is;
  • De administratie erkent op basis van dit certificaat dat het kwaliteitsniveau voldoende hoog is.

Hoewel het nog af te wachten is hoe dit alles zal uitgewerkt worden in de praktijk, zou hiermee toch finaal de huidige onzekere btw-positie van osteopaten en chiropractors definitief moeten verholpen worden in België.


Daarnaast wordt een belangrijke wijziging doorgevoerd m.b.t. het materieel toepassingsgebied van de btw-vrijstelling voor medische dienstverlening. In navolging van vaststaande rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof van Justitie wordt nu uitdrukkelijk bepaald dat de btw-vrijstelling voor medische dienstverlening uitsluitend kan gelden voor diensten met een therapeutisch doel. Waar in het verleden diensten met een esthetisch karakter reeds uitdrukkelijk werden uitgesloten van de vrijstelling, zal dit nu ook gelden voor alle diensten van (para)medische beroepen en ziekenhuizen die op zich geen therapeutisch doel hebben.


In dit kader wordt de link met de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor de toepassing van de btw-vrijstelling volledig doorgeknipt. Het therapeutisch doel van de dienst is noodzakelijk doch voldoende voor de toepassing van de vrijstelling. Aan de andere kant is een loutere inschrijving van een prestatie in de RIZIV-nomenclatuur niet langer bepalend voor de toepassing van de btw-vrijstelling.


Als gevolg hiervan zal het voor de toepassing van de btw-vrijstelling niet meer volstaan dat een bepaalde handeling tot de “normale” beroepsuitoefening van de (para)medische zorgverstrekker of het ziekenhuis behoort. Er zal iedere keer moeten bepaald worden of een bepaalde prestatie al dan niet een therapeutisch karakter heeft.


Diensten zonder therapeutisch karakter én leveringen van goederen kunnen nog kwalificeren onder de btw-vrijstelling voor zover deze samenhangen met een hoofddienst met een therapeutisch karakter. De wetswijziging zal hier ook voorzien in striktere regels waarbij een dubbele voorwaarde zal gelden: (i) dergelijke prestaties dienen onontbeerlijk te zijn voor de levering van de diensten met een therapeutisch karakter én (ii) deze prestaties mogen niet in concurrentie zijn met handelingen van commerciële ondernemingen.


In de Memorie van Toelichting worden onder meer de volgende voorbeelden gegeven van btw-belaste diensten: het opstellen van een medisch deskundigenrapport, het afleveren van medische attesten voor administratieve doeleinden, het vervoer van menselijke organen en monsters, de terbeschikkingstelling van televisie of telefoon in een ziekenhuis; de verkoop van dranken, de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen en kappers- of manicurediensten.


In de praktijk kan/zal dit tot gevolg hebben dat heel wat (para)medische zorgverstrekkers gemengd btw-plichtig worden, met de verplichting om zich voor btw te registreren en btw-aangiftes in te dienen. Ook voor de ziekenhuizen betekent dit o.i. een belangrijke aanpassing. Waar in het verleden op vlak van btw eerder een gedoogbeleid gold (zie voor een overzicht “Btw-Commentaar, Boekwerk II, Hoofdstuk 9, Afdeling 6. Prestaties van inrichtingen voor gezondheidszorg”, klik hier), zullen ziekenhuizen o.i. voor veel meer prestaties verplicht worden om btw aan te rekenen. In dit kader zal ook goed dienen bekeken te worden wat de concrete impact is voor verrekeningen onder samenwerkingsverbanden (associaties en dgl.) tussen ziekenhuizen. We begrijpen dat ook m.b.t. deze problematiek een aanpassing zal gebeuren van de huidige administratieve toelichtingen.


Gezien de grote impact van deze wetswijziging wordt de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen uitgesteld tot 1 januari 2022. In de tussentijd is het de bedoeling om de impact van de nieuwe regels in concreto te verduidelijken in administratieve richtlijnen. Daarbij begrijpen we dat hiertoe in overleg wordt getreden met de betrokken beroepsgroepen, waarbij ook wordt aangegeven dat er met de betreffende sectoren een gedetailleerde lijst zal worden opgesteld van prestaties die al dan niet kunnen genieten van de btw-vrijstelling. Natuurlijk, gelet op het strikte wettelijke kader dat nu wordt gecreëerd, en gelet op de duidelijke Europese en Belgische rechtspraak, vragen we ons af of er op dit punt nog veel mogelijkheden zullen zijn om bijzondere afwijkingen te onderhandelen.


Geen btw op verhuur van studentenkoten


De Ministerraad heeft een voorontwerp van wet goedgekeurd waarbij onder meer de verhuur van studentenkoten verplicht zou gekwalificeerd worden als een btw-vrijgestelde onroerende verhuur. Dit vormt een reactie op met name een standpunt van de Dienst Voorafgaande Beslissingen waarbij werd aanvaard dat dergelijke verhuur, onder bepaalde voorwaarden, kan kwalificeren als een btw-belaste hoteldienst (zie met name voorafgaande beslissing nr. 2020.1867, 6 oktober 2020; klik hier).


Men zal nu de toepassing van de btw op hoteldiensten expliciet uitsluiten voor inrichtingen “waar gewoonlijk onderdak wordt verleend aan studenten”.


We vragen ons nadrukkelijk af of deze wetsaanpassing wel conform is met de Europese regels en rechtspraak m.b.t. de invulling van het begrip “hoteldienst”. Een expliciete uitsluiting t.a.v. studentenkoten wordt niet voorzien in de Europese bepalingen. Voor zover uit de feiten blijkt dat de verhuur van korte duur is en gepaard gaat met voldoende relevante bijkomende diensten moet dit o.i. wel degelijk kunnen kwalificeren als een btw-belaste hoteldienst, ongeacht of de betreffende ruimte door een student wordt gebruikt.

Daarnaast zien we mogelijke discussies over de omschrijving “gewoonlijk onderdak”. Wat met gebouwen die gemengd worden gebruikt, bv. niet louter voor studenten maar ook voor derden, zoals buitenlandse gastprofessoren?


Het is momenteel de bedoeling om deze nieuwe bepaling in werking te laten treden vanaf 1 oktober 2021. Daarbij stelt zich o.i. ook de vraag hoe dit zal moeten toegepast worden tav projecten met studentenwoningen die momenteel, al dan niet op basis van een voorafgaande beslissing, met toepassing van de btw worden geëxploiteerd. In principe zal door de nieuwe bepaling het btw-regime moeten wijzigen, met negatieve btw-herziening tot gevolg in hoofde van de eigenaar/exploitant.


Het komt ons voor dat over deze nieuwe bepaling het laatste woord nog niet gezegd is.


Diverse wijzigingen

Tot slot wordt voorzien in een resem technische aanpassingen aan het btw-wetboek én wijzigingen op vlak van btw-verplichtingen. We sommen de meest in het oog springende wijzigingen hierna op:

  • Aangifte aanvang, wijziging of stopzetting van een btw-activiteit moet vanaf 12 juli 2021 verplicht elektronisch gebeuren (klik hier).
  • De melding voor de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik voor de btw-aftrek bij gemengde btw-plicht zal verplicht elektronisch dienen te gebeuren, via het MyMinfin portaal. Een gunstig antwoord van de btw-administratie op dit verzoek zal niet meer afgewacht moeten worden. Na melding kan er meteen gebruik gemaakt worden van de regel van het werkelijk gebruik, onder voorbehoud van verificatie door de btw-administratie weliswaar. Deze verplichting treedt in werking op 1 januari 2022. Ook gemengde btw-plichtigen die momenteel de regel van het werkelijk gebruik toepassen zouden deze verplichting uiterlijk op 31 december 2021 moeten voldoen.
  • Vanaf 1 januari 2022 wordt de forfaitaire regeling voor de heffing van de btw afgeschaft voor belastingplichtigen die hun activiteiten aanvangen vanaf deze datum. T.a.v. belastingplichtigen die reeds toepassing maken van de forfaitaire regeling zal dit definitief komen te vervallen op 1 januari 2028.
  • Aanpassing van de regels inzake teruggave van de btw voor belastingplichtigen die bijzondere btw-aangiftes indienen én t.a.v. niet-EU ondernemingen die teruggaaf verzoeken onder toepassing van de 13de M.b.t. deze laatste categorie wenst men de regels gelijk te schakelen met de EU-procedure inzake teruggaaf. Men voorziet op dit punt een aanpassing van KB nr. 56.

De vraag is of er bij de wijziging van KB nr. 56 rekening gehouden zal worden met het arrest van het Hof van Cassatie van 25 juni 2021 (klik hier). Op grond van deze rechtspraak kan een verzoek van een niet-EU onderneming op grond van de 13de Richtlijn immers ingediend worden tot het 3e jaar volgend het op jaar waarin de btw opeisbaar geworden is. Een verzoek door een EU-onderneming daarentegen moet ingediend zijn uiterlijk op 30 september volgend op het jaar waarin de btw opeisbaar geworden is.

  • Verlenging van een aantal COVID-maatregelen: verlaagde boetes bij laattijdige betaling btw (van 15% naar 10%, klik hier), verlaagde interestvoet (van 9,6% naar 4% per jaar) en toepassing van het 6%-tarief voor mondmaskers en handgels (klik hier) tot 30 september 2021.

De concrete impact van al deze wijzigingen zal nog moeten blijken. Bij vragen over de mogelijke gevolgen, aarzel alvast niet om het Tiberghien btw-team te contacteren.


Stijn Vastmans - Partner (stijn.vastmans@tiberghien.com)
Gert Vranckx - Senior Associate (gert.vranckx@tiberghien.com)


Bron: Tiberghien, 2 augustus 2021

Mots clés