• FR
  • NL
  • EN

Circulaire 2026/C/5 over het belastingkrediet voor de aangroei van eigen middelen

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting publiceerde op 06/01/2026 la Circulaire 2026/C/5 over het belastingkrediet voor de aangroei van eigen middelen.

Bespreking van art. 51 en 52 van de wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen.

belastingkrediet; personenbelasting; belasting niet-inwoners; sociale bijdragen van zelfstandigen; eenmanszaken


Inhoudstafel

I. Inleiding

II. Bespreking

A. Bedoelde belastingplichtigen

B. Vaststelling van het belastingkrediet

III. Formaliteiten

IV. Inwerkingtreding

V. Wetteksten

A. W 18.12.2025

B. Gecoördineerde tekst van het WIB 92

I. Inleiding

1. Om zelfstandigen extra te ondersteunen wordt het belastingkrediet voor de aangroei van eigen middelen bedoeld in art. 289bis, § 1, WIB 92 verdubbeld.

Zowel het tarief als het maximumbedrag van het belastingkrediet wordt verdubbeld. Dit fiscaal voordeel gaat dus van 10 % met een maximum van 3.750 euro naar 20 % met een maximum van 7.500 euro (1).

(1) Art. 51 van de wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (BS 30.12.2025 Numac: 2025009647) - hierna W 18.12.2025.

II. Bespreking

A. Bedoelde belastingplichtigen

2. Het belastingkrediet voor de aangroei van eigen middelen wordt verleend aan zelfstandigen onderworpen aan:

- de personenbelasting (PB) die winst of baten behalen of verkrijgen bedoeld in art. 23, § 1, 1° en 2°, WIB 92 ;

- de belasting niet-inwoners (BNI/nat. pers.) die winst of baten behalen of verkrijgen bedoeld in art. 228, § 2, 3° en 4°, WIB 92.

3. Zowel zelfstandigen in hoofd- als in bijberoep kunnen van dat belastingkrediet genieten.

4. Echtgenoten en wettelijk samenwonenden kunnen beiden aanspraak maken op dit belastingkrediet als zij elk afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.

B. Vaststelling van het belastingkrediet

5. Het belastingkrediet is voortaan gelijk aan 20 %, met een maximum van 7.500 euro, van het positieve verschil tussen:

- het op het einde van het belastbare tijdperk bestaande positieve verschil tussen de fiscale waarde van de in art. 41, WIB 92 vermelde vaste activa en het totale bedrag van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die slaan op uitgeoefende beroepswerkzaamheden die winst of baten opbrengen

- en het op het einde van één van de vorige drie belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van dit verschil.

6. Bij de berekening van het belastingkrediet in de PB, wordt geen rekening gehouden met vaste activa en schulden in de mate dat zij verband houden met werkzaamheden die winst of baten opbrengen waarvoor een belastingvermindering voor inkomsten van buitenlandse oorsprong volgens art. 155, WIB 92 of 156, WIB 92 kan worden toegepast.

7. Voor de belastingplichtigen onderworpen aan de BNI/nat. pers. wordt:

- het belastingkrediet enkel verleend wanneer de belasting is berekend overeenkomstig art. 243/1, WIB 92 of 244, WIB 92 (2)

- voor de berekening van het belastingkrediet rekening gehouden met de vaste activa en de schulden die verband houden met de werkzaamheden die in de BNI/nat. pers. belastbare inkomsten opleveren.

(2) Het betreft belastingplichtigen die in België belastbare beroepsinkomsten hebben behaald of verkregen die ten minste 75 % bedragen van het geheel van hun in het belastbaar tijdperk behaalde of verkregen binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten.

8. Het maximumbedrag van het belastingkrediet (7.500 euro) wordt pro rata berekend wanneer het belastbaar tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar.

9. Dit belastingkrediet wordt volledig verrekend met de PB en de BNI/nat. pers. en het niet-verrekende saldo is terugbetaalbaar.

III. Formaliteiten

10. Om recht te kunnen hebben op het belastingkrediet moet de belastingplichtige bij zijn aangifte van het aanslagjaar waarvoor hij de verrekening van het belastingkrediet vraagt, de volgende documenten voegen:

- een ingevulde, gedagtekende en ondertekende opgave 276 J

- een attest van de sociale verzekeringskas waarbij hij aangesloten is, waarin bevestigd wordt dat hij in orde is met de betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen als zelfstandige.

In voorkomend geval moeten die documenten door elke echtgenoot (of wettelijk samenwonende) worden toegevoegd.

IV. Inwerkingtreding

11. Het tarief van 20 % en het maximumbedrag van 7.500 euro van het belastingkrediet zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2026 (3).

(3) Art. 52, W 18.12.2025.

V. Wetteksten

A. W 18.12.2025

Afdeling 10 Wijzigingen betreffende het belastingkrediet voor eigen middelen

Art. 51

In artikel 289bis, § 1, eerste lid, inleidende zin, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 december 1995 en vervangen bij de wet van 8 mei 2014, worden de woorden “10 pct.” vervangen door de woorden “20 pct.” en worden de woorden “3.750 euro” vervangen door de woorden “7500 euro”.

Art. 52

Deze afdeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.

B. Gecoördineerde tekst van het WIB 92

12. Na de wijzigingen door de W 18.12.2025 luiden de betrokken bepalingen van het WIB 92 als volgt. De wijzigingen zijn in vet weergegeven.

Art. 289bis, WIB 92

§ 1. Aan rijksinwoners die winst of baten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, en in artikel 227, 1°, vermelde niet-inwoners die winst of baten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 228, § 2, 3° en 4°, wordt een belastingkrediet verleend van 20 pct., met een maximum van 7500 euro, van het meerdere van:

- het op het einde van het belastbare tijdperk bestaande positieve verschil tussen de fiscale waarde van de in artikel 41 vermelde vaste activa en het totale bedrag van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die betrekking hebben op uitgeoefende beroepswerkzaamheden die winst of baten opbrengen;

- ten opzichte van het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van dit verschil.

Voor de berekening van het belastingkrediet wordt geen rekening gehouden met de vaste activa en de schulden in de mate dat die verband houden met werkzaamheden die inkomsten opbrengen waarvoor artikel 155 of 156 kan worden toegepast.

Het verlenen van het belastingkrediet is onderworpen aan de voorwaarde dat de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen een attest voegt waarvan het model door de Minister die bevoegd is voor het sociaal statuut van de zelfstandigen wordt vastgesteld en waarbij wordt bevestigd dat hij in orde is met de betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen als zelfstandige.

In de gevallen vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° en 3°, wordt het belastingkrediet bepaald alsof er geen verandering van belastingplichtige is geweest.

Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden het percentage, het bedrag en de grens bepaald in het eerste lid per echtgenoot beoordeeld.

Voor de in artikel 227, 1°, vermelde niet-inwoners, wordt:

- het belastingkrediet enkel verleend wanneer de belasting is berekend overeenkomstig artikel 243/1 of 244;

- voor de berekening van het belastingkrediet rekening gehouden met de vaste activa en de schulden die verband houden met de werkzaamheden die in de belasting niet-inwoners belastbare inkomsten opleveren.

§ 2. Artikel 174/1 is van toepassing op het in paragraaf 1, eerste lid, vermelde bedrag.

§ 3. Om recht te kunnen hebben op het belastingkrediet, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen voor het aanslagjaar waarvoor hij de verrekening vraagt, een ingevulde, gedagtekende en ondertekende opgave voegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.

Interne ref.: 745.796


Mots clés

Articles recommandés

Kaaimantaks: opvolging 2025 van de aanbevelingen

Strafboetes worden vanaf februari 2026 plots fors duurder

Welke sectoren mogen zich in 2026 aan flitscontroles verwachten?