• FR
  • NL
  • EN

Circulaire 2026/C/67 betreffende de gevolgen van het arrest nr. F.24.0044.N van het Hof van Cassatie van 22.01.2026

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde publiceerde op 16/06/2026 de Circulaire 2026/C/67 betreffende de gevolgen van het arrest nr. F.24.0044.N van het Hof van Cassatie van 22.01.2026.

Deze circulaire heeft tot doel toelichting te verschaffen bij de gevolgen van het arrest nr. F.24.0044.N van het Hof van Cassatie van 22.01.2026 en dit meer bepaald met betrekking tot de draagwijdte van de bepalingen van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek en met betrekking tot de toepassing van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, van 20.07.1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.



Inhoudstafel

I. Inleiding

II. Draagwijdte bepalingen artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek

III. Draagwijdte rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 inzake btw-tarieven

I. Inleiding

Uit de feiten voorgelegd aan het Hof van Beroep te Gent volgt dat Stad X. een nieuwe buitenschoolse kinderopvang heeft gebouwd op een locatie waar zich geen eigenlijke schoolinfrastructuur bevindt. Deze buitenschoolse kinderopvang wordt door de Stad X. zelf uitgebaat en wordt aangeboden aan de leerlingen van alle schoolinrichtingen in de stad. De stad zorgt hierbij zelf voor het busvervoer naar de buitenschoolse kinderopvang.

Middels haar arrest van 10.10.2023 oordeelde het hof van beroep te Gent dat de dienst van kinderopvang, die door de Stad X. wordt aangeboden in voornoemd gebouw, nauw samenhangt met de dienst inzake het verrichten van onderwijs dat wordt aangeboden voor kinderen van de kleuter- en lagere scholen gelegen op zijn grondgebied, zodat terecht aanspraak wordt gemaakt op het verlaagde btw-tarief van 6% (rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, van 20.07.1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven).

Hierbij benadrukt het Hof dat zonder dat buitenschoolse kinderopvang structureel georganiseerd wordt en voor alle kinderen als dienst wordt aangeboden, een kleuter- of lagere school momenteel (tegen de in het voornoemd arrest geschetste maatschappelijke achtergrond) haar onderwijsopdracht praktisch niet kan vervullen en dat buitenschoolse kinderopvang voor kleuter- en lager onderwijs ‘onontbeerlijk’ is om dat onderwijs te kunnen aanbieden.

Middels zijn arrest nr. F.24.0044.N van 22.01.2026 verwerpt het Hof van Cassatie het tegen het voornoemde arrest van 10.10.2023 van het hof van beroep te Gent ingediende cassatieberoep en stelt het Hof van Cassatie het volgende:

‘De appelrechter die op die gronden oordeelt dat de dienst van kinderopvang die door de verweerster wordt aangeboden in het onroerend goed waarop het geschil betrekking heeft ‘nauw samenhangt met de dienst van het onderwijs’ dat wordt aangeboden voor kinderen van de kleuter- en lagere scholen gelegen op haar grondgebied, zodat de verweerster terecht aanspraak maakt op de toepassing van het verlaagde tarief van 6 pct., verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen’.

II. Draagwijdte bepalingen artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 44, § 2, 4°, a) van het Btw-Wetboek zijn vrijgesteld:

‘a) het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikt didactisch materiaal, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichamen met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten;’

Voor een omstandige toelichting met betrekking de notie ‘Nauw met onderwijs samenhangende diensten en leveringen van goederen’ wordt verwezen naar de randnummers 20 tot en met 26 van circulaire AAFisc nr. 50/2013 (nr. E.T.124.537) van 29.11.2013.

In aanvulling hierop schikt de administratie zich naar voornoemd arrest nr. F.24.0044.N van 22.01.2026 van het Hof van Cassatie.

Uit dit arrest volgt dat ‘buitenschoolse kinderopvang’ dient te worden aangemerkt als een ‘nauw met onderwijs samenhangende dienst’ in de zin van de bepalingen van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek voor zover cumulatief aan nagenoemde voorwaarden is voldaan:

  • de opvang op schooldagen maar buiten de schooluren wordt georganiseerd
  • door een stad, gemeente of ander publiekrechtelijke lichaam of door een andere organisatie die daartoe als lichaam met soortgelijke doeleinden wordt aangemerkt in de zin van de randnummers 16 tot en met 19 van circulaire AAFisc nr. 50/2013 (nr. E.T.124.537) van 29.11.2013
  • de buitenschoolse kinderopvang voor kleuter- en lager onderwijs ‘onontbeerlijk’ is om betreffend onderwijs te kunnen aanbieden

We vestigen er de aandacht op dat de diensten verricht door zogenaamde kinderbewaarplaatsen, zuigelingentehuizen en instellingen die in hoofdzaak het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben in principe vrijgesteld zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek mits deze diensten worden verricht door organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend.

Slechts wanneer de opvang van kinderen ook kan worden aangemerkt als een vrijgestelde ‘nauw met onderwijs samenhangende dienst’ in de zin van voornoemde randnummers 20 tot en met 26 van circulaire AAFisc nr. 50/2013 (nr. E.T.124.537) van 29.11.2013, dient de mogelijke toepassing van de bepalingen van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek te worden onderzocht (vgl. Hof van Justitie, zaak C-415/04, van 09.02.2006, Staatssecretaris Financiën t/Stichting Kinderopvang Enschede, randnummers 17 tot en met 20).

Worden bijvoorbeeld niet beoogd door artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek: opvang van kinderen jonger dan 2,5 jaar (crèches), vakantiewerking, jeugdhuiswerking, speelpleinwerking…

III. Draagwijdte rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 inzake btw-tarieven

Rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 01.07.1970 inzake btw-tarieven bepaalt:

Het verlaagde tarief van zes pct. is van toepassing op

‘1° de leveringen van gebouwen, bestemd voor het school- of universitair onderwijs dat op grond van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Wetboek is vrijgesteld, alsook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld;

2° de levering van gebouwen bestemd voor de psycho-medisch-sociale centra en de centra voor leerlingenbegeleiding, die op grond van artikel 44, § 2, 2°, tweede lid, zesde streepje, van het Wetboek zijn vrijgesteld alsook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld;

3° het werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid, van het Wetboek, met uitsluiting van de reiniging, en de andere handelingen bedoeld in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, met betrekking tot de onder 1° en 2° genoemde gebouwen;

4° de onroerende financieringshuur of onroerende leasing bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek en de onroerende verhuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek, die betrekking hebben op de onder 1° en 2° bedoelde gebouwen.’

Voor een toelichting bij deze bepaling wordt verwezen circulaire 2018/C/6 van 18.01.2018 met betrekking tot het toepassingsgebied van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 inzake btw-tarieven.

De administratie schikt zich naar het arrest nr. F.24.0044.N van 22.01.2026 van het Hof van Cassatie wat betreft de gevolgen voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% ten aanzien van gebouwen die worden gebruikt voor het verstrekken van diensten inzake buitenschoolse kinderopvang die worden vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek (zie de bepalingen onder rubriek II hierboven)

Er wordt niettemin aan herinnerd dat een gebouw slechts als schoolgebouw wordt aangemerkt wanneer het hoofdzakelijk wordt gebruikt voor vrijgesteld onderwijs.

Bij gemengd gebruik van een gebouw (dit is het geval wanneer er nog andere handelingen plaatsvinden dan niet-vrijgesteld onderwijs of niet-vrijgesteld leerlingenbegeleiding) dient men bijgevolg steeds na te gaan of het door rubriek XL, voormeld, beoogd gebruik van een gebouw overwegend is.

Zo is er bijvoorbeeld sprake van gemengd gebruik indien een gebouw voor naschoolse kinderopvang ook wordt gebruikt voor de opvang van kinderen en jongeren op andere dagen dan schooldagen, de opvang van kinderen jonger dan 2,5 jaar of voor speelpleinwerking.

De voorbeelden onder randnummers 26 en 27 van de circulaire 2018/C/6 van 18.01.2018 met betrekking tot het toepassingsgebied van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 inzake btw-tarieven worden als volgt vervangen:

’26. Wanneer een gemeente een gebouw, gelegen buiten de schoolsite, ter beschikking stelt van een private instelling waar deze laatste de buitenschoolse opvang organiseert voor verschillende vrijgestelde gemeentescholen in de buurt komen de schilderwerken aan de lokalen van dat gebouw echter niet in aanmerking voor het verlaagde btw-tarief.

27. Wanneer de gemeente dat gebouw niet ter beschikking stelt maar zelf de buitenschoolse opvang organiseert voor zowel het gemeentelijk onderwijs, gemeenschapsonderwijs als het vrij onderwijs in de buurt komen de schilderwerken aan de lokalen van dat gebouw echter wel in aanmerking voor het verlaagde btw-tarief wanneer dat gebouw hoofdzakelijk wordt gebruikt voor vrijgestelde onderwijsdiensten of nauw daarmee samenhangende diensten of leveringen van goederen.’

Opmerking

Wanneer belastingplichtige leveranciers of dienstverrichters of hun medecontractant (in de gevallen waarin de regeling verheffing van heffing van toepassing is) ten onrechte het normale btw-tarief van 21% zouden hebben toegepast, kunnen ze op grond van artikel 77, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek in principe een recht op teruggaaf uitoefenen overeenkomstig de normale regels.

Interne ref.: 143.029

Mots clés

Articles recommandés

Fiscaliteit
De expert aan het woord
F.F.F.

Sepot strafzaak blijkt nekslag voor fiscus

Gepubliceerd op 12 May 2026 bij 08:00
Lezen 3min