
De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting publiceerde op 06/01/2026 de Circulaire 2026/C/7 over de opheffing van verschillende fiscale vrijstellingen en van het forfait voor verre verplaatsingen.
Bespreking van enkele bepalingen van titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 11 ‘Vereenvoudiging van de belastingaangifte’ van de wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (BS 30.12.2025 – Numac: 2025009647).
Inhoudstafel
1. Vrijstelling van de meerwaarden verwezenlijkt op bedrijfsvoertuigen
2. Vrijstelling voor bijkomend personeel voor de uitvoer en de integrale kwaliteitszorg
3. Vrijstelling voor stage in de onderneming
4. Vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon
5. Vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut
6. Bijkomend forfait voor verre verplaatsingen
III. Gecoördineerde tekst van het WIB 92
1. Deze circulaire bespreekt de opheffing van de volgende vrijstellingen en voordelen (1):
- de vrijstelling van meerwaarden verwezenlijkt op bedrijfsvoertuigen
- de vrijstelling voor bijkomend personeel voor de uitvoer en de integrale kwaliteitszorg
- de vrijstelling voor stage in de onderneming
- de vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon
- de vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut
- het bijkomende forfait voor verre verplaatsingen.
(1) Wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (BS 30.12.2025 – Numac: 2025009647) (hierna W 18.12.2025).
2. De vrijstelling van de meerwaarden verwezenlijkt op bedrijfsvoertuigen zoals bedoeld in art. 44bis, WIB 92, wordt beperkt tot uiterlijk op 31.08.2025 verwezenlijkte meerwaarden. De meerwaarden die worden verwezenlijkt vanaf 01.09.2025 worden dus niet meer vrijgesteld (2).
(2) Art. 54 en 90, tweede lid, W 18.12.2025.
3. Dit stelsel werd besproken in de Circulaire nr. Ci.RH.242/569.066 (AOIF 27/2006) dd. 18.07.2006 en blijft van toepassing voor de meerwaarden die uiterlijk op 31.08.2025 zijn verwezenlijkt.
4. De vrijstelling voor bijkomend personeel voor de uitvoer en de integrale kwaliteitszorg wordt, in de PB en de BNI/nat.pers., toegekend tot aanslagjaar 2026 en wordt beperkt tot aanwervingen die uiterlijk op 31.08.2025 (3) zijn verricht. Art. 67, WIB 92 zal worden opgeheven vanaf aanslagjaar 2027 (4).
(3) Art. 56 en 90, vierde lid, W 18.12.2025.
(4) Art. 57 en 90, vijfde lid, W 18.12.2025.
5. In de VenB en BNI/ven. is deze vrijstelling niet meer van toepassing sinds aanslagjaar 2021. Aangezien deze vrijstelling in de personenbelasting wordt opgeheven, wordt art. 198quater, WIB 92 dat bepaalt dat artikel 67, WIB 92 niet van toepassing is in de vennootschapsbelasting, zonder voorwerp. Art. 198quater, WIB 92 wordt dan ook opgeheven (5).
(5) Art. 76, W 18.12.2025.
Het niet gerechtvaardigde verschil in behandeling tussen de PB en de VenB wordt op die manier opgeheven.
6. Zowel voor de natuurlijke personen als voor de vennootschappen blijft de eerder verkregen vrijstelling behouden voor zover aan de voorwaarden zoals die bestonden voor de opheffing van de maatregel is voldaan.
De vrijstelling moet daarentegen worden teruggenomen, zonder beperking in de tijd, wanneer het bijkomend personeelslid niet meer wordt tewerkgesteld als diensthoofd voor de uitvoer of van de afdeling Integrale kwaliteitszorg.
In dat geval wordt de winst of het verlies van het belastbare tijdperk waarin het personeelslid niet meer wordt tewerkgesteld, naargelang het geval, vermeerderd of verminderd met dat bedrag (6). Deze terugname wordt vanaf aanslagjaar 2027 geregeld in art. 548, WIB 92, zowel voor natuurlijke personen als voor vennootschappen.
(6) Art. 67, § 4, WIB 92 (voor natuurlijke personen tot en met aanslagjaar 2026) en art. 548, WIB 92 zoals gewijzigd door art. 86, W 18.12.2025 (vanaf aanslagjaar 2027 voor natuurlijke personen en vennootschappen).
7. Door de volledige opheffing van art. 67, WIB 92 vanaf aanslagjaar 2027 is er een aanpassing nodig van art. 531, WIB 92. Dat artikel bepaalt immers dat artikel 67, § 4, WIB 92 dat de terugname regelt van de vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en de uitbouw van het technologisch potentieel van de onderneming verder van toepassing blijft. De verwijzing naar artikel 67, § 4, WIB 92 in artikel 531, WIB 92 moet dan ook worden gefixeerd op artikel 67, § 4, WIB 92 zoals het bestond vooraleer het door deze wet werd opgeheven (7).
(7) Art. 531, WIB 92 zoals gewijzigd door art. 84, W 18.12.2025 (vanaf aanslagjaar 2027).
8. De benodigde formulieren en attesten om de vrijstelling te verkrijgen en/of te behouden worden geregeld in art. 45 en 46 KB/WIB 92.
Het formulier betreffende de tewerkstelling als diensthoofd van de afdeling Integrale kwaliteitszorg (opgave 276 W4) en dat betreffende de tewerkstelling van een diensthoofd voor de uitvoer (opgave 276 W3) zullen bijgewerkt blijven worden zodat de belastingplichtigen de vrijstelling kunnen behouden (of deze kunnen vragen in het geval van tewerkstellingen gedaan uiterlijk op 31.08.2025).
9. De vrijstelling ten belope van 40% van de bezoldigingen van de werknemers waarvoor de werkgever een stagebonus geniet wordt afgeschaft.
Art. 67bis, WIB 92 wordt vanaf aanslagjaar 2026 opgeheven in de PB en BNI/nat.pers. (8).
(8) Art. 58 en 90, vierde lid, W 18.12.2025.
10. In de VenB en BNI/ven. is deze vrijstelling niet meer van toepassing sinds aanslagjaar 2021. Aangezien deze vrijstelling in de personenbelasting wordt opgeheven, wordt art. 198quater WIB 92, dat bepaalt dat artikel 67bis, WIB 92 niet van toepassing is in de vennootschapsbelasting, zonder voorwerp. Art. 198quater, WIB 92 wordt dan ook opgeheven (9).
(9) Art. 76, W 18.12.2025.
Het niet gerechtvaardigde verschil in behandeling tussen de PB en de VenB wordt op die manier opgeheven.
11. De vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon is van toepassing tot en met aanslagjaar 2025 per uiterlijk op 31.12.2024 in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid en is niet meer van toepassing vanaf aanslagjaar 2026 (10).
(10) Art. 59 et 90, vierde lid, W 18.12.2025.
12. Het bruto dagloon (of uurloon) van 90,32 euro (11,88 euro) bedoeld in § 1 van art. 67ter, WIB 92 werd sinds de invoering van de maatregel niet meer aangepast. Het gewaarborgd minimum maandinkomen (GMMI) bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 (cao nr. 43) bedraagt voor februari 2025 echter 2.111,89 euro, wat overeenstemt met een uurloon van ongeveer 12,82 euro. Enkel categorieën van werknemers die niet onder de toepassing van cao nr. 43 vallen zoals studenten, zouden nog in aanmerking kunnen worden genomen. Voor de tewerkstelling van studenten werden recent evenwel al voldoende maatregelen genomen zodat deze vrijstelling niet langer nodig is.
13. Voor aanslagjaar 2027 wordt art. 67ter, WIB 92 opgeheven (11).
(11) Art. 60 en 90, vijfde lid, W 18.12.2025.
De opheffing van art. 67ter, WIB 92 wordt uitgesteld tot aanslagjaar 2027 zodat de terugname van een voor het aanslagjaar 2025 verkregen vrijstelling in aanslagjaar 2026 nog mogelijk blijft indien niet meer aan de voorwaarden is voldaan.
14. § 4 van art. 67ter, WIB 92 wordt evenwel reeds opgeheven vanaf aanslagjaar 2026 omdat de cumulatie met art. 67, WIB 92 (vrijstelling voor bijkomend personeel voor de uitvoer of integrale kwaliteitszorg) niet meer mogelijk is aangezien dat fiscaal voordeel werd geschrapt vanaf aanslagjaar 2026 in de PB en sinds aanslagjaar 2021 in de VenB.
15. Vanaf aanslagjaar 2027 zal geen enkele terugname meer mogelijk zijn. De voorheen toegekende vrijstellingen zullen definitief verworven zijn, zelfs in het geval waarin het personeel waarvoor de vrijstelling werd toegekend niet meer tewerkgesteld is.
16. In de VenB en de BNI/ven. is er geen terugname meer mogelijk en wordt de overgangsregeling bedoeld in art. 549, WIB 92 opgeheven vanaf aanslagjaar 2026 (12).
(12) Art. 87 en 90, vierde lid, W 18.12.2025.
17. Art. 178, § 5, 3°, WIB 92, dat bepaalt dat de bedragen van het brutodag- of uurloon die worden gebruikt in het kader van de vrijstelling voor bijkomend personeel van art. 67ter, § 1, WIB 92 niet worden geïndexeerd, wordt opgeheven (13).
(13) Art. 74, 2°, W 18.12.2025.
18. Het formulier 276 T zal worden afgeschaft vanaf aanslagjaar 2027.
19. De vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut kan niet meer worden verleend voor bezoldigingen die na 30.09.2025 worden toegekend aan werknemers die voldoen aan de anciënniteitsvoorwaarde van 5 jaar na 01.01.2014.
20. Het vrij te stellen bedrag bedraagt steeds drie weken bezoldiging vanaf het zesde begonnen dienstjaar na 01.01.2014 tot uiterlijk 31.08.2025 (14).
(14) Art. 61, W 18.12.2025.
21. De wijzigingen aan art. 67quater, WIB 92 hebben uitwerking met ingang van 31.08.2025 en zijn van toepassing op de belastbare tijdperken die eindigen na die datum (15).
(15) Art. 90, derde lid, W 18.12.2025.
22. Deze vrijstelling was oorspronkelijk bedoeld als een tijdelijke begeleidende maatregel om werkgevers te helpen bij de financiële impact van de hervorming van de opzeggingstermijnen en de carenzdag. Ze was echt nooit bedoeld als een permanente maatregel.
De wet van 11.02.2019 houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen heeft een mechanisme ingevoerd om de vrijstelling te spreiden over vijf belastbare tijdperken, evenals een bepaling voorzien in artikel 67quater, achtste lid, WIB 92 met betrekking tot de terugname van de vrijstelling als winst en baten, in geval de betrokken werknemer de onderneming verlaat.
23. De spreiding van reeds toegekende vrijstellingsbedragen en de eventuele terugname van deze bedragen als winst of baten, blijven van toepassing volgens de bestaande bepalingen.
Deze regeling zorgt ervoor dat de vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut geleidelijk wordt uitgedoofd, terwijl retroactieve gevolgen voor verworven rechten worden vermeden, en de wettelijke basis wordt behouden die de terugname van de vrijstelling als winst of baten in de zin van artikel 67quater, achtste lid, WIB 92, waarborgt.
24. Naar aanleiding van de afschaffing van deze vrijstelling, en gezien de spreiding van die vrijstelling over vijf belastbare tijdperken, zullen belastingplichtigen, in het uiterste geval de vrijstelling een laatste keer kunnen aanvragen in de aangifte van aanslagjaar 2030 indien de belastingplichtige onderworpen is aan de personenbelasting of de belasting niet-inwoners (natuurlijke personen).
Is de belastingplichtige onderworpen aan de VenB of de BNI/ven. dan kan de vrijstelling een laatste keer worden aangevraagd in de aangifte van aanslagjaar 2031.
25. Het attest 281.78 zal gedurende deze uitloopperiode beschikbaar blijven.
26. Het bijkomend kostenforfait, toegekend aan werknemers voor wie de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling op 1 januari van het aanslagjaar tenminste 75 kilometer bedroeg, wordt vanaf aanslagjaar 2026 opgeheven (16).
(16) Art. 55 en 90, vierde lid, W 18.12.2025.
De belastingplichtige onderworpen aan de personenbelasting of de belasting niet-inwoners (natuurlijke personen) zal in zijn aangifte niet langer de afstand (enkel) tussen zijn woonplaats en de plaats van zijn tewerkstelling moeten vermelden.
27. De belastingplichtige behoudt uiteraard de mogelijkheid om gebruik te maken van het wettelijk kostenforfait van art. 51, WIB 92 (of om, in voorkomend geval, de werkelijke beroepskosten te bewijzen).
28. De betrokken art. van het WIB 92 zijn de volgende (de wijzigingen worden in het vet weergegeven):
Art. 44bis, WIB 92 (gewijzigd vanaf 31.08.2025)
§ 1. De meerwaarden die uiterlijk op 31 augustus 2025 in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden op bedrijfsvoertuigen zijn verwezenlijkt, worden volledig vrijgesteld wanneer een bedrag gelijk aan e verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld.
De meerwaarden moeten zijn verwezenlijkt:
1° naar aanleiding van een schadegeval, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, of
2° bij een niet in het 1° vermelde vervreemding van bedrijfsvoertuigen, voor zover de vervreemde bedrijfsvoertuigen sedert meer dan 3 jaar vóór hun vervreemding de aard van vaste activa hadden.
Onder bedrijfsvoertuigen moet worden verstaan:
a) voertuigen aangewend voor bezoldigd personenvervoer, met name autobussen, autocars en de autovoertuigen die uitsluitend worden aangewend hetzij tot een taxidienst, hetzij tot verhuring met bestuurder;
b) voertuigen aangewend voor goederenvervoer, met name trekkers en vrachtwagens, en aanhangwagens en opleggers met een maximum toegelaten massa van minstens 4 ton.
§ 2. De herbelegging moet gebeuren in bedrijfsvoertuigen die zijn bedoeld in § 1, derde lid, die beantwoorden aan de ecologische normen bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.
§ 3. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn:
1° van 1 jaar na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, voor meerwaarden vermeld in § 1, tweede lid, 1°.
2° van 2 jaar vanaf de eerste dag van het kalenderjaar waarin de meerwaarden vermeld in § 1, tweede lid, 2°, zijn verwezenlijkt.
§ 4. Om de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling te kunnen genieten, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk van de verwezenlijking van de meerwaarde en tot het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn is verstreken, een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
§ 5. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen gesteld in §§ 2 en 3 wordt de verwezenlijkte meerwaarde aangemerkt als een inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is. In dat geval is artikel 47 niet van toepassing.
Art. 51, WIB 92 (vanaf aanslagjaar 2026)
Met betrekking tot andere bezoldigingen, winst en baten dan de in de artikelen 25, 7° en 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomsten en vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen, winst of baten, worden de beroepskosten, de in artikel 52, 7° en 8°, bedoelde bijdragen en sommen en, wat winst betreft, de aankoopprijs van de verkochte handelsgoederen en van de grondstoffen uitgezonderd, bij gebrek aan bewijzen forfaitair bepaald op percentages van het brutobedrag van die inkomsten, vooraf verminderd met de voormelde bijdragen en sommen en de voormelde aankoopprijs.
Die percentages bedragen:
1° voor bezoldigingen van werknemers: 30 %;
2° voor bezoldigingen van bedrijfsleiders: 3 %;
3° voor bezoldigingen van meewerkende echtgenoten: 5 %;
4° voor baten:
a) 28,7 % van de eerste schijf van 3.750 euro (basisbedrag);
b) 10 % van de schijf van 3.750 euro (basisbedrag) tot 7.450 euro (basisbedrag);
c) 5 % van de schijf van 7.450 euro (basisbedrag) tot 12.400 euro (basisbedrag);
d) 3 % van de schijf boven 12.400 euro (basisbedrag).
5° voor winst: 30 %
In geen geval mag het forfait meer bedragen dan 2.950 euro (basisbedrag) voor het geheel van de inkomsten van éénzelfde categorie als vermeld in het tweede lid, 1° en 5°, noch meer dan 1.555,50 euro (basisbedrag) voor het geheel van de inkomsten als vermeld in het tweede lid, 2°, noch meer dan 2.592,50 euro (basisbedrag) voor het geheel van de inkomsten van éénzelfde categorie als vermeld in het tweede lid, 3° en 4°.
Met betrekking tot bezoldigingen van werknemers wordt het forfait, gelet op de uitzonderlijke kosten die voortvloeien uit de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, verhoogd met een bedrag bepaald volgens een door de Koning vastgestelde schaal.
De belastingplichtigen die bij toepassing van artikel 342, § 1, worden belast op grond van forfaitaire grondslagen van aanslag, evenals hun meewerkende echtgenoot voor het aandeel dat hij uit dergelijke forfaitair vastgestelde inkomsten verkrijgt, kunnen geen gebruik maken van het forfait bepaald in het tweede lid, 3°, 4° en 5°.
Art. 67, WIB 92 (vanaf aanslagjaar 2026)
§ 1. Winst wordt vrijgesteld tot een bedrag van 10.000 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2026: 20.100 euro) per bijkomende uiterlijk op 31 augustus 2025 aangeworven personeelseenheid die in België voltijds in een onderneming wordt tewerkgesteld voor:
1° (...);
2° (...);
3° een betrekking van diensthoofd voor de uitvoer;
4° een betrekking van diensthoofd van de afdeling Integrale kwaliteitszorg.
§ 2. Winst wordt eveneens vrijgesteld tot een bedrag van 10.000 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2026: 20.100 euro) in geval van tewerkstelling uiterlijk op 31 augustus 2025 voor een in § 1, 3° en 4°, vermelde betrekking van een personeelslid dat reeds voltijds de betrekking van diensthoofd in de onderneming uitoefende, op voorwaarde dat die onderneming zich ertoe verplicht uiterlijk binnen dertig dagen die volgen op de nieuwe tewerkstelling van het personeelslid, een nieuwe voltijdse werknemer aan te werven om de vrijgekomen betrekking in te nemen.
§ 3. (...)
§ 4. Wanneer een personeelslid niet meer voor het in § 1 bepaalde doel wordt tewerkgesteld, wordt het totale bedrag van de voorheen vrijgestelde winst verminderd ten belope van het vrijgestelde bedrag waarop deze persoon oorspronkelijk recht heeft gegeven.
In dat geval wordt de winst of het verlies van het belastbare tijdperk waarin het personeel niet meer wordt tewerkgesteld, naar gelang van het geval, vermeerderd of verminderd met dat bedrag.
§ 5. De Koning regelt de wijze van uitvoering van dit artikel.
§ 6. Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning de in §§ 1 en 2 vermelde bedragen verhogen.
Art. 67, WIB 92 (vanaf aanslagjaar 2027)
(…)
Art. 67bis, WIB 92 (vanaf aanslagjaar 2026)
(…)
Art. 67ter, WIB 92 (vanaf aanslagjaar 2026)
§ 1. Winst en baten van belastingplichtigen die op 31 december 1997 of aan het einde van het jaar waarin de uitoefening van hun beroep is aangevangen, als die op een latere datum is begonnen, minder dan elf werknemers, in de zin van artikel 30, 1°, tewerkstellen, worden tot en met aanslagjaar 2025 vrijgesteld tot een bedrag gelijk aan 3.720 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2026: 7.480 euro ) per uiterlijk op 31 december 2024 in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid, waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan 90,32 of 11,88 euro. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, dit bedrag van het bruto dag- of uurloon verhogen tot 100 of 13 euro.
§ 2. Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, te vergelijken met dat van het voorgaande kalenderjaar of, voor natuurlijke personen die niet per kalenderjaar boekhouden en hun boekjaar vóór 31 december afsluiten, door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige van het voorlaatste kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, te vergelijken met dat van het voorgaande kalenderjaar.
Er wordt evenwel geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van een overname van werknemers welke reeds vóór 1 januari 1998 waren aangeworven, ofwel door een onderneming waarmede de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, ofwel door een belastingplichtige waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in § 5.
§ 3. Indien het gemiddeld personeelsbestand tijdens het jaar volgend op de vrijstelling is verminderd ten opzichte van het jaar van vrijstelling, wordt het totaal bedrag van de voordien krachtens § 1 vrijgestelde winst of baten echter verminderd met 7.480 euro (geïndexeerd bedrag) per afgevloeid personeelslid; de voordien vrijgestelde winst of baten worden in dat geval als winst of baten van het volgende belastbare tijdperk beschouwd.
Het eerste lid vindt geen toepassing indien en in de mate dat de betrokkene aantoont dat de bijkomende tewerkstelling het erop volgende jaar behouden is gebleven bij de werkgever die zijn personeel heeft overgenomen in omstandigheden bedoeld in § 2, tweede lid.
§ 4. Dit artikel is niet van toepassing wanneer de belastingplichtige voor dezelfde bijkomende personeelseenheden de toepassing heeft gevraagd van artikel 67.
§ 5. Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
Art. 67ter, WIB 92 (vanaf aanslagjaar 2027)
(…)
Art. 67quater, WIB 92 (gewijzigd vanaf 31.08.2025)
Winsten en baten worden van belasting vrijgesteld tot beloop van een bepaald bedrag aan bezoldigingen toegekend tot en met 30 september 2025 aan werknemers die bij de betrokken belastingplichtige minimaal 5 dienstjaren hebben na 1 januari 2014.
Het voor het belastbaar tijdperk vrij te stellen bedrag van de winsten en baten per in het eerste lid bedoelde werknemer, bedraagt drie weken bezoldiging, vanaf het zesde door deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014 tot uiterlijk 31 augustus 2025.
Het in het tweede lid bedoelde vrij te stellen bedrag van de winsten en baten, dat in voorkomend geval wordt beperkt bij toepassing van het vierde lid, wordt gespreid over het belastbaar tijdperk en de vier volgende belastbare tijdperken ten belope van 20 % per belastbaar tijdperk.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een maximumbedrag van bruto maandbezoldiging per werknemer invoeren met betrekking tot de bezoldiging als bedoeld in het tweede lid waarop de vrijstelling wordt berekend.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het vierde lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
De in aanmerking te nemen bruto maandbezoldiging is de gemiddelde bruto maandelijkse bezoldiging, voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage, berekend over het totaal aantal maanden van het belastbaar tijdperk waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd.
Om de wekelijkse bezoldiging te bepalen wordt het maximumbedrag van de bruto maandbezoldiging vermenigvuldigd met drie en gedeeld door dertien.
Wanneer de betrokken werknemer de onderneming verlaat, moet het totale voor deze werknemer reeds vrijgestelde bedrag worden opgenomen in de winsten en baten van het belastbaar tijdperk waarin de tewerkstelling een einde neemt en kan het ingevolge de in het derde lid bedoelde spreiding nog vrij te stellen bedrag voor die werknemer niet meer vrijgesteld worden.
Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
De Koning regelt de wijze van uitvoering van dit artikel.
Art. 198quater, WIB 92 (vanaf aanslagjaar 2026)
(…)
Art. 531, WIB 92 (vanaf aanslagjaar 2027)
De bepalingen van artikel 67, § 4, zoals het bestond voor het werd opgeheven door de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen blijven van toepassing op de voorheen vrijgestelde winst bij toepassing van artikel 67, § 1, 1°, en § 3, zoals die bestonden vóór ze werden opgeheven bij de programmawet (I) van 27 december 2006 en van artikel 67, § 1, 2°, zoals dit bestond vóór het werd opgeheven bij de programmawet (I) van 27 december 2006.
Art. 548, WIB 92 (vanaf aanslagjaar 2027)
Wanneer een personeelslid waarvoor bij toepassing van artikel 67, §§ 1 en 2 zoals ze bestonden vooraleer ze werden opgeheven bij artikel 57 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, een deel van de winst werd vrijgesteld, wat de in de artikelen 179, 179/1 en 227, 2° bedoelde belastingplichtigen betreft, vóór het aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020 en, wat de in de artikelen 3 en 227, 1°, bedoelde belastingplichtigen betreft, vóór het aanslagjaar 2027, niet meer wordt tewerkgesteld voor het in het voormelde artikel 67, § 1, bepaalde doel, wordt het totale bedrag van de voorheen vrijgestelde winst verminderd ten belope van het vrijgestelde bedrag waarop deze persoon oorspronkelijk recht heeft gegeven.
In dat geval wordt de winst of het verlies van het belastbare tijdperk waarin het personeelslid niet meer wordt tewerkgesteld, naar gelang van het geval, vermeerderd of verminderd met dat bedrag.
Met betrekking tot het personeel dat wordt overgenomen naar aanleiding van verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 1° en 2°, 211, § 1 en 214, § 1, eerste lid, is dit artikel van toepassing bij de nieuwe belastingplichtige of overnemende, verkrijgende of uit de omzetting ontstane vennootschappen, alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
De Koning bepaalt de manier waarop wordt aangetoond dat de voorwaarden voor de vrijstelling nog zijn vervuld.
Art. 549, WIB 92 (vanaf aanslagjaar 2026)
(…)
29. Art. 54 tot 61, 74, eerste lid, 2°, 76, 84, 86, 87, en 90, W 18.12.2025 (BS 30.12.2025 – Numac: 2025009647).
Art. 54
In artikel 44bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 januari 2003, worden de woorden “uiterlijk op 31 augustus 2025” ingevoegd tussen de woorden “De meerwaarden die” en de woorden “in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden”.
Art. 55
In artikel 51 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet 31 juli 2023, wordt het vierde lid opgeheven.
Art. 56
In artikel 67 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 oktober 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden in de inleidende zin de woorden “uiterlijk op 31 augustus 2025” ingevoegd tussen de woorden “per bijkomende” en de woorden “aangeworven personeelseenheid”;
2° in paragraaf 2 worden de woorden “uiterlijk op 31 augustus 2025” ingevoegd tussen het woord “tewerkstelling” en de woorden “voor een in § 1, 3° en 4°, vermelde betrekking”.
Art. 57
In titel II, hoofdstuk II, afdeling 4, onderafdeling 3, B, van hetzelfde Wetboek, wordt het onderdeel “1° Uitvoer – Integrale kwaliteitszorg”, dat het artikel 67 bevat, laatstelijk gewijzigd bij artikel 56 van deze wet, opgeheven.
Art. 58
In titel II, hoofdstuk II, afdeling 4, onderafdeling 3, B, van hetzelfde Wetboek, wordt het onderdeel “1°bis Stage in de onderneming”, dat het artikel 67bis bevat, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 26 december 2013, opgeheven.
Art. 59
In artikel 67ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 juni 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden “tot en met aanslagjaar 2025” ingevoegd tussen de woorden “tewerkstellen, worden” en de woorden “vrijgesteld tot een”, en worden de woorden “uiterlijk op 31 december 2024” ingevoegd tussen de woorden “3.720 EUR per” en de woorden “in België”;
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 60
In titel II, hoofdstuk II, afdeling 4, onderafdeling 3, B, van hetzelfde Wetboek, wordt het onderdeel “1°ter Bijkomend personeel”, dat het artikel 67ter bevat, ingevoegd bij de wet van 8 juni 2008 en gewijzigd bij artikel 59, opgeheven.
Art. 61
In artikel 67quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 februari 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “tot en met 30 september 2025” ingevoegd tussen de woorden “bezoldigingen toegekend” en de woorden “aan werknemers”;
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
“Het voor het belastbaar tijdperk vrij te stellen bedrag van de winsten en baten per in het eerste lid bedoelde werknemer, bedraagt drie weken bezoldiging, vanaf het zesde door deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014 tot uiterlijk 31 augustus 2025.”.
Art. 74
In artikel 178 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij artikel 41 van deze wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden “14528, 14532, 14533, 14534, vijfde lid, 14548 en 14549,” vervangen door de woorden “en 14533,”;
2° in paragraaf 5, wordt de bepaling onder 3° opgeheven.
Art. 76
Artikel 198quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017, zelf gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt opgeheven.
Art. 84
In artikel 531 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet (I) van 27 december 2006 en gewijzigd bij de wet van 24 juli 2008, worden de woorden “zoals het bestond voor het werd opgeheven door de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen” ingevoegd tussen de woorden “artikel 67, § 4,” en de woorden “blijven van toepassing”.
Art. 86
Artikel 548 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2021, wordt vervangen als volgt:
“Art. 548. Wanneer een personeelslid waarvoor bij toepassing van artikel 67, §§ 1 en 2, zoals ze bestonden vooraleer ze werden opgeheven bij artikel 57 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, een deel van de winst werd vrijgesteld, wat de in de artikelen 179, 179/1 en 227, 2°, bedoelde belastingplichtigen betreft, vóór het aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020 en, wat de in de artikelen 3 en 227, 1°, bedoelde belastingplichtigen betreft, vóór het aanslagjaar 2027, niet meer wordt tewerkgesteld voor de in het voormelde artikel 67, § 1, bepaalde doelen, wordt het totale bedrag van de voorheen vrijgestelde winst verminderd ten belope van het vrijgestelde bedrag waarop deze persoon oorspronkelijk recht heeft gegeven.
In dat geval wordt de winst of het verlies van het belastbare tijdperk waarin het personeelslid niet meer wordt tewerkgesteld, naargelang van het geval, vermeerderd of verminderd met dat bedrag.
Met betrekking tot het personeel dat wordt overgenomen naar aanleiding van verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 1° en 2°, 211, § 1, en 214, § 1, eerste lid, is dit artikel van toepassing bij de nieuwe belastingplichtige of overnemende, verkrijgende of uit de omzetting ontstane vennootschappen, alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
De Koning bepaalt de manier waarop wordt aangetoond dat de voorwaarden voor de vrijstelling nog zijn vervuld.”.
Art. 87
Artikel 549 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2021, wordt opgeheven.
Art. 90
De artikelen 53 en 85 hebben uitwerking met ingang van 30 september 2025 en zijn van toepassing op de vanaf 1 oktober 2025 gedane tussenkomsten.
Artikel 54 heeft uitwerking met ingang van 31 augustus 2025 en is van toepassing op de na die datum verwezenlijkte meerwaarden.
Artikel 61 heeft uitwerking met ingang van 31 augustus 2025 en is van toepassing op de belastbare tijdperken die na die datum eindigen.
De artikelen 55, 56, 58, 59, 62, 2°, 63, 64, 65, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 1°, 75, 76, 78, a) tot c), 79 en 87 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
De artikelen 57, 60, 62, 1°, 74, 2°, 84 en 86 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2027.
Artikel 83 is van toepassing vanaf 1 januari 2026.
De artikelen 88 en 89 treden in werking op 1 januari 2031.
De artikelen 66, 77, 78, d), en 80 tot 82 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2031.
Interne ref.: 746.300