• FR
  • NL
  • EN

Circulaire 2026/C/72 – Addendum bij circulaire 2026/C/47 betreffende de programmawet van 18 juli 2025

De Algemene administratie van de patrimoniumdocumentatie - Registratierecht voor de procedures tot verkrijging van de Belgische nationaliteit publiceerde op 10/07/2026 la Circulaire 2026/C/72 – Addendum bij circulaire 2026/C/47 betreffende de programmawet van 18 juli 2025.

Administratieve commentaren bij de wet van 10 februari 2026 houdende diverse fiscale bepalingen (B.S. 27 februari 2026), die bij artikel 31 een nieuwe wijziging heeft ingevoegd tussen de leden 2 en 3 van artikel 238 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals gewijzigd door de programmawet van 18 juli 2025 (B.S. 29 juli 2025), met betrekking tot de procedures tot verkrijging van de Belgische nationaliteit voor staatlozen



Inhoudstafel

I. Inleiding

II. Wijzigingen aangebracht aan artikel 238 W.Reg.

A) Verlaging van het registratierecht voor procedures tot verkrijging van de Belgische nationaliteit voor staatlozen

B) Nieuw verminderd bedrag van het registratierecht voor staatlozen

C) Jaarlijkse indexering

D) Beginsel van niet-terugbetaling

E) Retroactiviteit van de wet en mogelijkheid tot terugbetaling van het te veel betaalde

III. Inwerkingtreding en toepassing van de wet in de tijd

I. Inleiding

Dit addendum heeft tot doel de toepassingsmodaliteiten van artikel 238 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna “W.Reg.”), zoals achtereenvolgens gewijzigd door de programmawet van 18 juli 2025 (B.S. 29 juli 2025) (hierna “de wet”) en door de wet van 10 februari 2026 houdende diverse fiscale bepalingen (B.S. 27 februari 2026) (1), te verduidelijken.

----------

(1) Wet van 10 februari 2026 houdende diverse fiscale bepalingen (B.S. 27 februari 2026).

----------

De wet van 10 februari 2026 brengt ook andere wijzigingen aan, zowel aan het Wetboek diverse rechten en taksen (hierna “W.DRT”), in het bijzonder wat het recht op geschriften betreft, als aan het W.Reg. Deze wijzigingen aan het W.DRT, beperkt tot het recht op geschriften, en de andere wijzigingen aan het W.Reg., worden behandeld in circulaire 2026/C/X.

De wet heeft het registratierecht voor de procedures tot verkrijging van de Belgische nationaliteit voorzien in hoofdstuk III van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (hierna “WBN”) – met inbegrip van de procedures ingediend op basis van artikel 19, § 2 WBN – op 1.000 euro gebracht, met uitzondering van de procedures gebaseerd op artikel 17 van hetzelfde Wetboek.

Vervolgens heeft de wet van 10 februari 2026 houdende diverse fiscale bepalingen, met retroactieve werking vanaf 29 juli 2025, een specifieke afwijkende regeling ingevoerd die van toepassing is op personen erkend als staatloos. Artikel 31 van deze wet heeft daartoe een nieuwe bepaling ingevoegd tussen de leden 2 en 3 van artikel 238 W.Reg. Krachtens deze wijziging wordt het registratierecht met terugwerkende kracht verminderd tot 150 euro voor elke vreemdeling erkend als staatloze in België overeenkomstig de toepasselijke internationale verdragen, die wettig in België verblijft sinds ten minste twee jaar en een procedure opstart op basis van artikel 19, § 2, van het WBN.

II. Wijzigingen aangebracht aan artikel 238 W.Reg.

A) Verlaging van het registratierecht voor procedures tot verkrijging van de Belgische nationaliteit voor staatlozen

Artikel 31 van de wet van 10 februari 2026 houdende diverse fiscale bepalingen heeft de volgende wijzigingen aangebracht aan artikel 238 W.Reg.:

B) Nieuw verminderd bedrag van het registratierecht voor staatlozen

Artikel 238, derde lid W.Reg. bepaalt dat het bedrag van het registratierecht van 1.000 euro (te indexeren) wordt verminderd tot 150 euro (te indexeren, zie punt 2.1. B)) voor naturalisatieaanvragen ingediend op basis van artikel 19, § 2 van het WBN door elke vreemdeling die de hoedanigheid van staatloze bezit in België krachtens de internationale verdragen die er van kracht zijn (2).

----------

(2) Artikel 31 van de wet van 10 februari 2026 houdende diverse fiscale bepalingen (B.S. 27 februari 2026).

----------

Het door deze wijziging beoogde verlaagde recht is enkel van toepassing op de specifieke vorm van verkrijging van de Belgische nationaliteit door naturalisatie, zoals voorzien voor staatlozen in artikel 19, § 2 van het WBN (3).

----------

(3) Memorie van toelichting, Wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen, Parl. St. 2025-2026, 56-1127/001, 10-12.

----------

Dit verminderde recht moet worden betaald vóór de indiening van de aanvraag of vóór de neerlegging van de verklaring, net zoals het recht aan het basistarief van 1.000 euro (te indexeren) (4). Enkel het tarief verschilt.

----------

(4) Memorie van toelichting, Wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen, Parl. St. 2025-2026, 56-1127/001, 11.

----------

Het indienen van een aanvraag of het neerleggen van een verklaring tot verkrijging van de Belgische nationaliteit zoals voorzien in artikel 238, eerste lid W.Reg., zonder te voldoen aan de voorwaarden voor het verminderde tarief, maakt het registratierecht tegen het basistarief van 1.000 euro (geïndexeerd) verschuldigd.

C) Jaarlijkse indexering

De regels inzake jaarlijkse indexering op 1 januari zijn van toepassing op dit verminderde recht, volgens dezelfde formule als voor het recht van 1.000 euro (basistarief) (5): met name het basisrecht vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de beginindex (art. 238, vijfde lid W.Reg.). Het bekomen resultaat wordt afgerond naar het hogere tiental euro (art. 238, vijfde lid W.Reg.).

----------

(5) Memorie van toelichting, Wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen, Parl. St. 2025-2026, 56-1127/001, 11.

----------

De aanvangsindex is de consumptieprijsindex van september 2024 en de nieuwe index is die van september voorafgaand aan elke indexering (art. 238, zesde lid W.Reg.).

Uiterlijk in de loop van december van elk jaar wordt het bedrag dat van toepassing is voor het volgende kalenderjaar gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (art. 238, zevende lid W.Reg.). FOD Financiën publiceert deze informatie eveneens op zijn webstek (art. 238, zevende lid W.Reg.).

Volgens de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2025 (blz. 97930) bedraagt het bedrag van 1.000 euro na indexering 1.030 euro vanaf 1 januari 2026 (1.000 euro × 134,95 (nieuwe index – september 2025) / 132,15 (aanvangsindex – september 2024) = 1.021,19 euro, afgerond naar het hogere tiental euro).

Rekening houdend met de terugwerkende kracht van de wet van 10 februari 2026 tot 29 juli 2025 (zie in dit verband punt 1 hierboven en punt 3 hieronder), bedraagt volgens de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 16 maart 2026 (6) het verminderde bedrag van 150 euro na indexering 160 euro met ingang van 1 januari 2026 (150 euro × 134,95 (nieuwe index – september 2025) / 132,15 (aanvangsindex – september 2024) = 153,18 euro, afgerond naar het hogere tiental euro) (7).

----------

(6) Aangezien de wet werd aangenomen op 10 februari 2026 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 27 februari 2026, met terugwerkende kracht tot 29 juli 2025, heeft de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht betreffende de indexering op 1 januari 2026 logischerwijs niet plaatsgevonden in de loop van de maand december 2025.

(7) Zie advies van de FOD Financiën, B.S. 16 maart 2026 (tweede editie), blz.15791-15792.

----------

D) Beginsel van niet-terugbetaling

Zoals verduidelijkt in circulaire 2026/C/47 zijn de verschuldigde registratierechten niet terugbetaalbaar, ongeacht de uitkomst van de aanvraag. Volgens de algemene beginselen inzake registratierechten is het recht verschuldigd door het enkele feit van het opstarten van de procedure; de betaling dekt slechts één procedure; elke nieuwe of opeenvolgende procedure geeft aanleiding tot betaling van een nieuw recht (8).

----------

(8) Zie circulaire nr. 6/2013 van 28 mei 2013, punt 5.

----------

Elke aanvraag tot terugbetaling op basis van een afstand of het mislukken van de procedure moet worden geweigerd. Terugbetaling is enkel mogelijk op grond van de burgerrechtelijke beginselen van terugvordering van het onverschuldigd betaalde of ongerechtvaardigde verrijking (9), waarvan het bewijs moet worden geleverd door de aanvrager, onder voorbehoud van beoordeling door de bevoegde overheid (10).

----------

(9) Zie Burgerlijk Wetboek – Boek 5 (art. 5.133 t/m 5.134) en (art. 5.135 t/m 5.137) –

www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/article.pl?language=fr&lg_txt=f&cn_search=2022042827.

(10) Zie circulaire nr. 6/2013 d.d. 28.05.2013, punt 7.

----------

E) Retroactiviteit van de wet en mogelijkheid tot terugbetaling van het te veel betaalde

De wetgever heeft bij artikel 33, tweede lid, een afwijkende regeling voorzien die de retroactiviteit van de wet tot 29 juli 2025 vastlegt. Deze bepalingen hertekenen ab initio het toepasselijke fiscale regime voor naturalisatieprocedures ingediend op basis van artikel 19, § 2 WBN vanaf 29 juli 2025, waarbij het registratierecht wordt vastgesteld op 150 euro (160 euro geïndexeerd vanaf 1 januari 2026).

De gecombineerde afwijkende bepalingen (art. 33, tweede lid) openen, onder voorbehoud van de beoordeling van de toepasselijke wettelijke voorwaarden, de mogelijkheid tot gedeeltelijke terugbetaling van het effectief betaalde registratierecht (1.000 euro of 1.030 euro geïndexeerd) voor een naturalisatieprocedure die werd ingediend vóór de bekendmaking van deze retroactieve bepaling, indien aan volgende voorwaarden zijn voldaan:

  1. De hoedanigheid van staatloze in België bezitten;
  2. Een naturalisatieprocedure hebben ingediend op basis van artikel 19, § 2 WBN;
  3. Het betaalde bedrag overschrijdt het wettelijk toepasselijke bedrag krachtens de retroactieve norm.

Het bewijs dat aan deze voorwaarden is voldaan, rust op de aanvrager.

III. Inwerkingtreding en toepassing van de wet in de tijd

De wijzigingen aangebracht door de voormelde wet van 10 februari 2026 aan artikel 238 W.Reg. bevinden zich in titel III van deze wet.

Deze titel III, met inbegrip van artikel 31, is in werking getreden op de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, overeenkomstig artikel 33, eerste lid, namelijk op 9 maart 2026.

Niettemin voorziet artikel 33, tweede lid, van de wet van 10 februari 2026 in een afwijkende regeling waarbij artikel 31 uitwerking heeft vanaf 29 juli 2025.

Hierdoor wordt, voor de situatie bedoeld in artikel 238, (nieuw) derde lid W.Reg., de verhoging van het basistarief van 1.000 euro (te indexeren) op 29 juli 2025 met terugwerkende kracht opgeheven. In de voorbereidende werken wordt dit als volgt verantwoord: « Aangezien het gaat om de naleving van een verplichting die voortvloeit uit een internationaal verdrag, is het verminderd recht vanzelfsprekend van toepassing met terugwerkende kracht tot de datum van de verhoging van het recht door de bovenvermelde programmawet. » (11).

----------

(11) Memorie van toelichting, Wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen, Parl. St. 2025-2026, 56-1127/001, 11.

Mots clés