
Artikel 104, 1° van het Wetboek Inkomstenbelasting voorziet dat onderhoudsuitkeringen die een belastingplichtige regelmatig betaalt in uitvoering van een Belgische of gelijkaardige buitenlandse wettelijke bepaling voor 80% kunnen worden afgetrokken in de personenbelasting. Onder 2° van datzelfde artikel wordt verder bepaald dat dezelfde fiscale aftrek geldt voor uitkeringen of aanvullende onderhoudsuitkeringen die betaald worden na het belastbaar tijdperk waarop ze betrekking hebben ingevolge een gerechtelijke beslissing waarbij het te betalen bedrag met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd.
Diverse voorwaarden moeten nageleefd worden opdat onderhoudsuitkeringen aftrekbaar zijn. Zo ook de voorwaarde van een regelmatige betaling. Wat dit precies inhoudt, wordt wettelijk niet gedefinieerd. De fiscale administratie is van oordeel dat een maandelijkse onderhoudsuitkering nog als regelmatig kan worden beschouwd als ze niet met meer dan drie maanden vertraging wordt betaald. Dit is louter de administratieve zienswijze en heeft dus geen kracht van wet.
Eerder dit jaar werd aangekondigd dat de regering de fiscale aftrek voor onderhoudsuitkeringen wilde verminderen. Op 11 december 2025 heeft het Parlement haar zegen gegeven voor het ingediende wetsontwerp waarbij uitvoering wordt gegeven aan dit voornemen. De verlaging van de fiscale aftrek zal door de belastingplichtige al dit jaar voelbaar zijn. Concreet zullen onderhoudsuitkeringen die betaald worden vanaf 1 januari 2025 en verbonden zijn met een belastbaar tijdperk dat eindigt na 30 december 2025 nog slechts voor 70% aftrekbaar zijn. Dit is het geval voor het overgrote merendeel van de belastingplichtigen. Uitkeringen die betaald worden vanaf 1 januari 2026 zullen nog maar voor 60% in aftrek genomen kunnen worden om vanaf 1 januari 2027 beperkt te worden tot 50%.
Indien u recent veroordeeld zou zijn tot het betalen van onderhoudsuitkeringen met betrekking tot inkomstenjaar 2025, kan u er belang bij hebben om deze uitkeringen nog dit jaar te betalen, minstens voor wat betreft het onbetwist gedeelte, zodat u (mits deze betalingen op regelmatige wijze gebeurden) nog kan genieten van de 70% aftrekbaarheid (in plaats van 60% vanaf 1 januari 2026). Op die manier loopt u niet het risico dat u later misschien nog bijkomende betalingen zou moeten doen die slechts voor 60% of 50% aftrekbaar zullen zijn. Een vonnis tot betaling van onderhoudsuitkeringen is bovendien uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat de onderhoudsplichtige de onderhoudsuitkeringen moet betalen, ook wanneer hoger beroep werd aangetekend tegen het vonnis. Een onderhoudsplichtige die daarbij zijn recht op aftrek in de personenbelasting wil behouden, betaalt beter ook deze onderhoudsuitkeringen op regelmatige wijze, zelfs indien er hoger beroep werd ingesteld en de onderhoudsgerechtigde partij de betaling niet vraagt. Hiervoor verwijzen we u graag naar dit eerder artikel op onze website.
Uit de wettekst volgt niet duidelijk of onderhoudsgelden die betrekking hebben op eerdere inkomstenjaren eventueel nog van 80% aftrekbaarheid zullen kunnen genieten. Gelet op het feit dat artikel 104 van het Wetboek Inkomstenbelasting voorziet dat betalingen van onderhoudsuitkeringen worden afgetrokken van het netto-inkomen in zoverre zij in het belastbare tijdperk zijn betaald, is het waarschijnlijk dat de fiscale administratie enkel rekening zal houden met het ogenblik van betaling. Als die betaling plaatsvindt in 2025, zal de aftrekbaarheid allicht beperkt worden tot 70%.
Voor de volledigheid geven we mee dat deze wijziging ook geldt voor de belastbaarheid van de persoon die de onderhoudsuitkeringen ontvangt, waarbij de belastbaarheid op hetzelfde tempo zal afnemen als de vermindering van de fiscale aftrek.