
In de regel is een kost als beroepskost aftrekbaar indien (i) deze in het belastbaar tijdperk gedaan of gedragen is met het oog op het verkrijgen of behouden van belastbare inkomsten en (ii) de echtheid en het bedrag van de kost bewezen wordt.[1] De belastingplichtige draagt hieromtrent de bewijslast.
Voorts wordt de bezoldiging van een bedrijfsleider aangemerkt als een beroepskost van de vennootschap waarvan hij of zij de leiding heeft.[2] Dergelijke bezoldigingen zijn alle beloningen die aan een bedrijfsleider worden verstrekt (dus ook de voordelen van alle aard die worden toegekend in het kader van de uitoefening van de beroepswerkzaamheid).[3]
Indien een vennootschap bijvoorbeeld een appartement aan de kust koopt om het vervolgens bij wijze van bezoldiging kosteloos ter beschikking te stellen van haar bedrijfsleider, kunnen de daarmee gepaarde kosten kwalificeren als aftrekbare beroepskosten. Het toegekende voordeel dient te beantwoorden aan werkelijke prestaties verricht ten behoeve van de vennootschap. De hoogte van het voordeel wordt bepaald bij koninklijk besluit (artikel 18 KB/WIB92).
Als het onroerend goed kwalificeert als zogenaamd ‘lusthuis’ bestaat er een wettelijke aftrekbeperking.[4] Onder de term ‘lusthuis’ wordt o.a. verstaan een pand waarin een bestuurder van een vennootschap als tweede verblijf (in het kader van vakantiebesteding) kan verblijven.[5] Daarmee gepaard gaande kosten zijn in de regel niet aftrekbaar, tenzij en in zover de belastingplichtige bewijst dat deze kosten bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid noodzakelijk zijn of in de belastbare bezoldiging van de begunstigde bestuurder zijn begrepen.
Vaak bestaat er een aanzienlijke discrepantie tussen de (hoge) kosten die de vennootschap draagt in het kader van o.a. de aankoop van het appartement en de (bescheiden) forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard dat belast wordt bij de bedrijfsleider in zijn of haar personenbelasting (cfr. artikel 18 KB/WIB92). Deze discrepantie is voor de fiscus vaak een doorn in het oog.
Indien de belastingplichtige vennootschap slaagt in de op haar rustende bewijslast omtrent de aftrekbaarheid van de gemaakte kosten m.b.t. het appartement, zien we in de praktijk dat de fiscus zich soms alsnog beroept op de aftrekbeperking voor lusthuizen. De fiscus wenst dan de aftrekbaarheid van de kosten te beperken tot de omvang van het forfaitair bepaalde voordeel van alle aard. Het surplus aan kosten dat het bedrag (van het voordeel van alle aard) overstijgt, dient volgens de fiscus verworpen te worden.
De hoven van beroep te Antwerpen[6] en Gent[7] beslisten reeds dat de aftrekbeperking m.b.t. lusthuizen niet impliceert dat er een exacte verhouding of correlatie moet bestaan tussen het bedrag van de gedane kosten en het bedrag van het aan de bestuurder toegekende voordeel van alle aard. Met andere woorden: de kosten voor de aankoop van een appartement aan de kust, door een vennootschap gemaakt om aan haar bedrijfsleider een voordeel van alle aard toe te kennen, zijn in wezen begrepen in de belastbare bezoldiging van die bedrijfsleider, zelfs al is het bedrag van het (forfaitair geraamde) voordeel van alle aard lager. Met als gevolg dat deze kosten integraal aftrekbaar zijn en blijven.
Deze rechtspraak wordt nu ook uitdrukkelijk – in een beknopt arrest van 18 juni 2026 – bevestigd door het Hof van Cassatie.[8]
De fiscus vangt opnieuw bot in een poging om de kosteloze terbeschikkingstelling door een vennootschap van een kustappartement aan haar bedrijfsleider onder vuur te nemen.
Mocht u geconfronteerd worden met een dergelijke fiscale controle / taxatie, is een concrete analyse van de feiten en een tactische aanwending van de argumentatie cruciaal ter vrijwaring van uw rechten. Aarzel zeker niet om ons gespecialiseerd procedureteam te contacteren voor bijkomende toelichting.
[1] Artikel 49 WIB92.
[2] Artikel 52, 3° WIB92 juncto artikel 195, §1 WIB92.
[3] Artikel 32, eerste lid WIB92.
[4] Artikel 53, 9° WIB92.
[5] In de administratieve commentaar bij artikel 53 WIB92 werd de definitie geduid (Com.IB. nr. 53/173-176); Onder lusthuizen worden de onroerende goederen verstaan die noch uitsluitend of hoofdzakelijk voor het uitoefenen van de eigenlijke beroepswerkzaamheid worden gebruikt, noch als enige of belangrijkste woning ter beschikking van leden van het personeel of van de organen van bestuur worden gesteld.
[6] Antwerpen 5 november 2013, 2012/AR/1884, www.monKEY.be.
[7] Gent 24 september 2024, 2023/AR/525, www.monKEY.be.
[8] Cass. 18 juni 2026, F.25.0003.N, www.juportal.be.