
Als we uitsplitsen naar verschillende groepen, dan zien we dat iets meer vrouwen dan mannen deelnemen aan levenslang leren (41,4 vs. 39,9%). We vinden duidelijke verschillen naar onderwijsniveau: van degenen met maximum een diploma lager onderwijs volgt 18,2% een opleiding, tegenover 31,2% van diegenen met een diploma hoger secundair onderwijs. Van de mensen met een diploma hoger onderwijs volgt 56,6% een opleiding. Vlaanderen is de regio met het hoogste percentage levenslang leren: 45,0%. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is dit 40,8%, en in het Waals Gewest 32,6%. Het levenslang leren neemt af met de leeftijd: 25- tot 34-jarigen volgden in 47,2% van de gevallen een opleiding, 55- tot 64-jarigen in 28,8% van de gevallen.
Ook gezondheid speelt een grote rol in het volgen van een opleiding: van de mensen met een heel goede gezondheid volgt 48,4% een opleiding, terwijl van de mensen met een (hele) slechte gezondheid slechts 14,8 à 10,1% participeert.
Naar arbeidsmarktstatuut zien we dat in 2025 46,8% van de werkenden een opleiding volgt, 29,4% van de werklozen en slechts 19,2% van de niet-beroepsactieven. Het percentage levenslang leren bij werkenden evolueert van 41,4% in 2024 naar 46,8% in 2025. Levenslang leren kan bijvoorbeeld helpen om vlot van job te veranderen.
Als we naar de plaats van tewerkstelling kijken, dan zien we dat mensen die in het Vlaams Gewest werken het vaakst een opleiding volgen (50,2%), iets meer dan in het Brussels Gewest (47,2%). Het Waalse Gewest scoort lager met 37,6%. Werkenden in het buitenland scoren opmerkelijk hoog: 53,2% van hen heeft het afgelopen jaar een opleiding gevolgd.
We zien ook markante verschillen tussen sectoren: de drie sectoren met de laagste opleidingsdeelname (en voldoende observaties) zijn de bouwnijverheid, groot- en detailhandel en horeca. In andere sectorenet afgelopen jaar een opleiding (bv. extraterritoriale organisaties, de financiële sector, het onderwijs, vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten, informatie & communicatie, openbaar bestuur en defensie, verplichte sociale verzekeringen en menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening).
Voltijds werkenden (47,9%) nemen iets meer deel aan opleiding dan deeltijds werkenden (43,3%). Er is maar een klein verschil tussen de opleidingsdeelname van loontrekkenden met een vast contract (47.2%) en tijdelijk contract (46,6%).
Managers, intellectuele, wetenschappelijke en artistieke beroepen, en technici en verwante beroepen volgden in meer dan de helft van de gevallen het afgelopen jaar een opleiding. Bij het dienstverlenend personeel en verkopers, ambachtslieden, bedieners van machines en installaties, assembleurs en elementaire beroepen is dit maar een derde. Meer dan 60% van de mensen die soms of gewoonlijk (maar niet altijd) van thuis uit werken nam het afgelopen jaar deel aan opleidingen. Bij diegenen die altijd thuiswerken is dat 42,1% en 38,4% bij diegenen die nooit thuiswerken.
In de enquête wordt nagegaan of iemand een opleiding heeft gevolgd, enerzijds de afgelopen vier weken, anderzijds het afgelopen jaar. Met ‘opleiding’ bedoelen we hier alle formele opleidingen en niet-formele opleidingen. Formele opleidingen zijn opleidingen die erkend worden door de ministeries van onderwijs en leiden meestal tot een diploma of getuigschrift zoals een masterdiploma of een opleiding in het volwassenenonderwijs. Niet-formele opleidingen zijn opleidingen buiten deze context maar worden nog steeds gestructureerd georganiseerd, bv. een cursus rond gezondheid georganiseerd door het ziekenfonds of een webinar rond timemanagement georganiseerd door een zelfstandig ondernemer. Zelfstudie en informeel leren horen hier niet bij. Deze cijfers zijn sinds 2005 beschikbaar voor België.
In 2024 werd de bevraging naar de deelname aan levenslang leren uitgebreid in de enquête naar de arbeidskrachten. Dit leidde tot een breuk in de tijdreeks over levenslang leren in 2024. Meer info is hier te vinden.