In het jaarlijkse mobiliteitsrapport van 2025 onderzoekt PwC België de huidige trends op het gebied van bedrijfsmobiliteit. Terwijl elektrificatie van wagenparken snel vordert, komt het mobiliteitsbudget moeizaam van de grond, voornamelijk door administratieve en reglementaire complexiteiten.
Uit het onderzoek onder 23 Belgische bedrijven blijkt dat de traditionele bedrijfswagen nog steeds erg geliefd is.
Volgens het PwC-rapport gebeurt ongeveer twee derde van de woon-werkverplaatsingen in België met de wagen. Bedrijfswagens vormen ongeveer 9% van het totale Belgische wagenpark, wat hun blijvende populariteit bevestigt. Dit is te verklaren door:
Het mobiliteitsbudget, geïntroduceerd door de federale overheid als alternatief voor bedrijfswagens, overtuigt nog steeds niet breed. De belangrijkste obstakels uit het onderzoek zijn:
De elektrificatie van bedrijfswagens in België blijft snel groeien. Momenteel voert 68% van de ondervraagde bedrijven een exclusief elektrisch beleid voor nieuwe voertuigbestellingen, hoewel er uitzonderingen mogelijk blijven. Hybride voertuigen blijven eveneens populair vanwege hun flexibiliteit en nieuwe fiscale opportuniteiten die door de overheid overwogen worden.
Bedrijven zijn zich bewust van verborgen kosten zoals idle fees (kosten voor langdurig bezetten van laadpalen), maar slechts weinigen slagen erin deze kosten effectief te controleren.
De nieuwe federale Belgische regering plant een ambitieuze hervorming van het mobiliteitsbudget, onder meer door het beschikbaar te stellen voor alle werknemers, ongeacht hun recht op een bedrijfswagen. Deze hervorming, waarbij het mobiliteitsbudget verplicht wordt voor alle bedrijven die momenteel bedrijfswagens aanbieden, kan een belangrijke stap zijn om de adoptie ervan te verhogen.
Ondanks de snelle groei van elektrische bedrijfswagens blijft het mobiliteitsbudget marginaal vanwege aanzienlijke administratieve en regelgevende hindernissen. De aangekondigde hervormingen kunnen hierin verandering brengen, maar succes zal sterk afhangen van een eenvoudiger wettelijk kader en een betere afstemming op de praktische realiteit van werkgevers en werknemers.