• FR
  • NL
  • EN

Circulaire 2026/C/32 met betrekking tot de wijziging van de periodiciteit voor de indiening van de periodieke btw-aangifte en de procedure van bezwaar tegen de definitief vervangende aangifte

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde publiceerde op 17/02/2026 de Circulaire 2026/C/32 met betrekking tot de wijziging van de periodiciteit voor de indiening van de periodieke btw-aangifte en de procedure van bezwaar tegen de definitief vervangende aangifte.

Deze circulaire behandelt de wijzigingen aangebracht door het koninklijk besluit van 17.12.2025 (B.S. 31.12.2025) tot wijziging van de koninklijk besluiten nrs. 1, 2, 3, 4, 8, 10, 18, 19, 22, 23, 27, 41, 44, 53 en 59 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde.


Inhoudstafel

1. Inleiding

2. Periodiciteit voor de indiening van de periodieke btw-aangifte

2.1.Wettelijke bepaling

2.2.Commentaar

3. Bezwaar tegen de definitief vervangende aangifte

3.1.Wettelijke bepaling

3.2.Commentaar

4. Inwerkingtreding en maatregelen tot intrekking

1. Inleiding

Deze circulaire licht de wijzigingen toe aangebracht door het koninklijk besluit van 17.12.2025 (B.S. 31.12.2025) tot wijziging van de koninklijk besluiten nrs. 1, 2, 3, 4, 8, 10, 18, 19, 22, 23, 27, 41, 44, 53 en 59 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: het koninklijk besluit van 17.12.2025) wat betreft, enerzijds, de periodiciteit voor de indiening van de periodieke btw-aangifte bedoeld in artikel 17, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : het koninklijk besluit nr. 1) en, anderzijds, de procedure van bezwaar tegen de definitief vervangende aangifte bedoeld in artikel 17bis, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 1.

2. Periodiciteit voor de indiening van de periodieke btw-aangifte

2.1. Wettelijke bepaling

Artikel 6 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 bepaalt dat:

'Art. 6. In artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, hersteld bij het koninklijk besluit van 29 september 2024, wordt het eerste lid vervangen als volgt:

"§ 2. In afwijking van paragraaf 1 mag de belastingplichtige een kwartaalaangifte indienen, uiterlijk de vijfentwintigste dag van de maand na ieder kalenderkwartaal, wanneer de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, voor de volledige economische activiteit niet meer bedraagt dan 2.500.000 euro." '.

2.2. Commentaar

Artikel 17, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 bepaalt de voorwaarden waaronder een krachtens artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek tot indiening van een periodieke btw-aangifte gehouden belastingplichtige, die aangifte, in afwijking van de basisregel die in een maandelijkse indiening voorziet, per kwartaal kan indienen.

Het basiscriterium op grond waarvan een dergelijke afwijkende aangifteperiodiciteit wordt toegelaten betreft het bedrag van de jaarlijkse omzet die door die belastingplichtige wordt gerealiseerd. Overeenkomstig artikel 17, § 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, is dit bedrag in principe vastgesteld op 2.500.000 euro voor de gehele economische activiteit van de belastingplichtige, ongeacht of die handelingen geheel of slechts gedeeltelijk (in het geval van een gemengde belastingplichtige) belast zijn.

Voor de wijziging van artikel 17, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 door het koninklijk besluit van 17.12.2025, voorzag punt 2° van dat artikel in een bijkomende drempelvoorwaarde wanneer de belastingplichtige actief was in bepaalde sectoren die historisch gezien geacht werden bovengemiddeld btw-fraudegevoelig te zijn.

Om een btw-kwartaalaangifte te mogen indienen, mocht de belastingplichtige namelijk geen jaaromzet, exclusief btw, van meer dan 250.000 euro verrichten voor alle leveringen van de volgende goederen: de energieproducten (bedoeld in artikel 415, § 1, van de programmawet van 27.12.2004), de toestellen voor mobiele telefonie en computers (alsmede hun randapparatuur, toebehoren en onderdelen) en de landvoertuigen uitgerust met een motor onderworpen aan de reglementering betreffende de inschrijving.

Artikel 6 van het koninklijk besluit van 17.12.2025, dat tot doel heeft de administratieve lasten te verminderen, zowel voor belastingplichtigen als voor de administratie, vereenvoudigt artikel 17, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 door voor de mogelijkheid om kwartaalaangiften in te dienen nog maar één algemene voorwaarde te behouden inzake de jaarlijkse omzetdrempel, namelijk de drempel van 2.500.000 euro voor de gehele economische activiteit van de belastingplichtige waarboven hij ertoe gehouden is om maandelijks periodieke btw-aangiften in te dienen.

Vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 6 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 is deze drempel van 2.500.000 euro van toepassing voor alle belastingplichtigen, ongeacht hun activiteit en/of handelingen die zij verrichten. De drempel van 2.500.000 euro geldt derhalve ook voor belastingplichtigen die leveringen verrichten van energieproducten, mobiele telefoontoestellen en computers en van landvoertuigen met een motor die onderworpen aan de reglementering betreffende de inschrijving. De afzonderlijke drempel van 250.000 euro die voor deze activiteiten gold, wordt afgeschaft.

Alle belastingplichtigen, ongeacht of zij al dan niet behoren tot activiteitensectoren die vroeger onderworpen waren aan de drempel van 250.000 euro, blijven uiteraard vrij om er niet voor te kiezen hun periodieke btw-aangiften per kwartaal in te dienen wanneer zij die drempel van 2.500.000 euro niet overschrijden. Op die manier kunnen ze aldus gebruik maken van de mogelijkheid maandelijks teruggaaf te verkrijgen van hun btw-tegoeden.

Er wordt aan herinnerd dat een belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke btw-aangiften wordt uitgesloten van de kwartaalregeling als hij gehouden is tot de maandelijkse indiening van een btw-opgave van de intracommunautaire handelingen.

3. Bezwaar tegen de definitief vervangende aangifte

3.1. Wettelijke bepaling

Artikel 7 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 bepaalt dat:

'In artikel 17bis, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 29 september 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:

"Het in het eerste lid bedoelde bezwaar wordt ingediend op het door de minister van Financiën of zijn gemachtigde bepaalde elektronische adres en bevat, voor de betrokken aangifteperiode, de bedragen die vermeld hadden moeten worden in de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte die niet werd ingediend en die aanleiding heeft gegeven tot de definitieve vervangende aangifte.";

2° het derde lid wordt opgeheven.'

3.2. Commentaar

Artikel 7 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 wijzigt en vereenvoudigt de procedure van bezwaar tegen de definitief vervangende aangifte bedoeld in artikel 53, § 1ter, zevende lid, van het Btw-Wetboek.

Artikel 53, § 1ter, van dat Wetboek voorziet dat, wanneer de belastingplichtige in gebreke is gebleven zijn periodieke btw-aangifte in te dienen, de administratie een voorstel van vervangende btw-aangifte ter kennis brengt. Dat voorstel herneemt, in principe, het hoogste verschuldigde btw-bedrag dat werd opgenomen in een periodieke aangifte die werd ingediend in de loop van de twaalf maanden die het aangiftetijdvak van de niet-ingediende btw-aangifte voorafgaan. Bij gebrek aan dergelijke aangiften, wordt uitgegaan van een op forfaitaire wijze vastgesteld bedrag van 2.100 euro.

De belastingplichtige kan reageren op dat voorstel van vervangende aangifte door uiterlijk een maand na de kennisgeving van dat voorstel zijn periodieke aangifte in te dienen waarin hij de volgens hem adequate bedragen opneemt (artikel 53, § 1ter, vijfde lid, van het Btw-Wetboek). Wanneer dergelijke aangifte niet wordt ingediend, wordt het voorstel van vervangende aangifte definitief en brengt de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde het aan de belastingplichtige ter kennis (artikel 53, § 1ter, zesde lid, van het Btw-Wetboek).

In dat kader voorziet artikel 53, § 1ter, zevende lid, van het Btw-Wetboek dat de belastingplichtige aan wie die definitieve vervangende aangifte ter kennis wordt gebracht, '[…] bezwaar [kan] indienen tegen [de definitieve vervangende aangifte], op het elektronisch adres, binnen de termijn en volgens de modaliteiten, zoals bepaald door de Koning.'.

Het betreft het gebruikelijke administratief bezwaar in de zin van artikel 84, eerste lid, van het Btw-Wetboek, dat inzake btw niet in algemene termen is gereglementeerd, maar waarvan in dit specifieke geval een beperkt aantal aspecten concreet worden omschreven door de Koning om tegemoet te komen aan de omstandigheden die eigen zijn aan de specifieke context waarin dat bezwaar wordt ingediend (memorie van toelichting bij de wet van 12.03.2023, Parl. Doc., Kamer, Zitting 55, 3128/1, blz. 16).

De Koning heeft de desbetreffende regels bepaald in artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 1.

Voor de wijziging door artikel 7 van het koninklijk besluit van 17.12.2025, voorzag deze bepaling er met name in dat:

- dat bezwaar minimaal de identificatiegegevens van de belastingplichtige, het betrokken aangiftetijdvak, de bedragen die in de niet-ingediende periodieke btw-aangifte hadden moeten worden opgenomen en een verantwoording van de waarachtigheid van die bedragen omvat (§ 1, tweede lid);

- de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde de ontvangst van dat bezwaar bevestigt (§ 1, derde lid).

Het is gebleken dat dit formalisme van aard was om zowel voor de belastingplichtigen als voor de administratie in het kader van de procedure van de btw-ketting een te omvangrijke werklast met zich mee te brengen.

Artikel 7 van het besluit van 17.12.2025 beoogt aldus die procedure te vereenvoudigen door wijziging van het tweede lid en schrapping van het derde lid van artikel 17bis, § 1, van koninklijk besluit nr. 1. Deze wijzigingen hebben gevolgen voor de wijze waarop het bezwaar moet worden ingediend, de informatie die deze moet bevatten en het bewijs van ontvangst door de administratie.

De procedure voor het indienen van een bezwaar tegen de definitieve vervangende aangifte is in essentie dezelfde als diegene van toepassing bij de betwisting door de belastingplichtige van de bedragen opgenomen in het voorstel van vervangende aangifte dat hem door de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde ter kennis werd gebracht (toepassing van artikel 53, § 1ter, vijfde lid, van het Wetboek).

Termijn voor het indienen van het bezwaar

De termijn waarbinnen het bezwaar moet worden ingediend bedoeld in lid 1 van artikel 17bis, § 1, van koninklijk besluit nr. 1, blijft ongewijzigd.

De belastingplichtige kan het bezwaar tegen de definitief vervangende aangifte indienen binnen de zes maanden vanaf de datum waarop de kennisgeving van die aangifte uitwerking heeft (artikel 17bis, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1).

Wanneer de termijn eindigt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag loopt de termijn af bij het einde van de daaropvolgende werkdag.

Wijze van indienen van het bezwaar

Het nieuwe tweede lid van artikel 17bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 voorziet dat de belastingplichtige het bezwaar moet indienen op het door de minister van Financiën of zijn gemachtigde bepaalde elektronisch adres.

De definitieve vervangende aangifte kan dus eenvoudigweg elektronisch worden betwist. Deze betwisting moet gebeuren via de INTERVAT-applicatie waarmee de belastingplichtige zijn periodieke btw-aangifte indient overeenkomstig artikel 53, § 1, lid 1, 2°, van het Btw-Wetboek.

Het bezwaar dat niet is ingediend op dit adres is niet ontvankelijk.

De administratie aanvaardt evenwel dat de belastingplichtigen die zijn ontheven van de verplichting tot het indienen van de periodieke btw-aangifte op elektronische wijze in toepassing van artikel 18, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, het bezwaar bedoeld in artikel 17bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 kunnen indienen op een andere wijze dan op het door de minister van Financiën of zijn gemachtigde bepaalde elektronische adres. Dat dergelijke belastingplichtigen het bezwaar niet hebben ingediend op de wijze als voorgeschreven door artikel 17bis, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1 zal op zich beschouwd bijgevolg niet tot gevolg hebben dat het bezwaar onontvankelijk is.

Gegevens welke het bezwaar minstens moet bevatten

Het nieuwe tweede lid van artikel 17bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 voorziet dat enkel de bedragen moeten worden meegedeeld die hadden moeten worden opgenomen in de niet-ingediende periodieke btw-aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek, zonder enige verdere verantwoording.

In concreto kan de belastingplichtige er zich derhalve toe beperken de correcte bedragen voor de betrokken periode in te geven via de toepassing INTERVAT. Deze bedragen vervangen dan automatisch deze van de definitief vervangende aangifte, op voorwaarde natuurlijk dat het bezwaar ontvankelijk is.

De identificatiegegevens van de belastingplichtige, evenals de aangifteperiode, worden automatisch vermeld in de het INTERVAT-systeem en de belastingplichtige moet niet langer, op het tijdstip van de indiening van het bezwaar, de waarachtigheid van ingevoerde bedragen verantwoorden. Deze bedragen moeten evenwel door de belastingplichtige kunnen worden gestaafd op ieder verzoek van de administratie.

Ontvangstmelding

Artikel 7 van het besluit van 17.12.2025 heeft het derde lid van artikel 17bis, § 1, van koninklijk besluit nr. 1, dat bepaalde dat de administratie de ontvangst bevestigt van het bezwaar tegen de definitief vervangende aangifte, geschrapt. Deze ontvangstbevestiging is niet meer nodig aangezien het bezwaar wordt ingevoerd in het INTERVAT-systeem dat aan de belastingplichtige toelaat om automatisch vast te stellen dat de door hem ingevoerde bedragen wel degelijk door het systeem werden geregistreerd. De administratie zal dan ook geen ontvangstbevestiging van het bezwaar meer versturen.

Rechtsvordering

Het al dan niet indienen van het bezwaar laat het recht van de belastingplichtige onverlet om in rechte op te komen tegen de definitief vervangende aangifte, waarvan overeenkomstig artikel 53, § 1ter, zesde lid, van het Btw-Wetboek kennis werd gegeven(artikel 17bis, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1).

De belastingplichtige is m.a.w. niet verplicht het bezwaar zogenaamd 'uit te putten' in die zin dat hij het moet hebben ingesteld vooraleer hij zich tot de rechtbank zou kunnen richten. Hij is evenmin gehouden door de wacht- en vervaltermijnen bedoeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

Het instellen van de rechtsvordering beëindigt van rechtswege de bezwaarprocedure tegen de definitief vervangende aangifte (artikel 17bis, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 1).

Opschorting van de uitvoeringsmaatregelen tot invordering

De indiening van het bedoelde bezwaar laat het recht van de administratie onverlet om over te gaan tot gedwongen invordering van de belastingschuld die voortvloeit uit de definitieve vervangende aangifte waarvan overeenkomstig artikel 53, § 1ter, zesde lid, van het Btw-Wetboek kennis is gegeven, in het bijzonder wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn (artikel 17bis, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1).

In dat verband wordt er op gewezen dat krachtens artikel 19, § 2, eerste lid, WMGI inzake de belasting over de toegevoegde waarde de tenuitvoerlegging van het innings- en invorderingsregister slechts kan worden gestuit door een rechtsvordering.

Alhoewel de in artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde bezwaarprocedure in principe geen aanleiding geeft tot het opschorten van de uitvoeringsmaatregelen, zal in de praktijk de administratie belast met de invordering van de btw, behoudens wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, de uitvoeringsmaatregelen opschorten wanneer de schuldenaar van de belasting bezwaar indient, en dit tot wanneer er een definitieve beslissing omtrent dit bezwaar werd genomen. De administratie kan tijdens deze periode evenwel de nodige bewarende maatregelen nemen.

Beslissing na bezwaar

Bij niet aanvaarding van de door de belastingplichtige opgegeven bedragen zal de administratie in een beslissing na bezwaar vaststellen dat het bezwaar of de bezwaren van de belastingplichtige (geheel of gedeeltelijk) niet gegrond is/zijn en dat het bedrag aan verschuldigde btw opgenomen in de definitief vervangende aangifte ofwel behouden blijft ofwel wordt aangepast.

Er is niet voorzien in een termijn waarbinnen de administratie moet overgaan tot het nemen van een beslissing na het indienen door de belastingplichtige van een bezwaarschrift in de zin van artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 1.

Het behoort tot de mogelijkheid van de administratie om, na indiening van het bezwaar door de belastingplichtige en voorafgaand aan de behandeling ervan, een controle uit te voeren om de juiste toepassing van de belasting die verschuldigd is ten aanzien van het aangiftetijdvak met betrekking tot de desbetreffende vervangende aangifte na te gaan, alsmede om, in voorkomend geval, het bedrag van de desbetreffende aangifte te corrigeren.

De ontstentenis van beslissing na bezwaar laat het controlerecht van de administratie immers onverlet (zie titel 3.2.9. 'Recht van de administratie om de correcte toepassing van de belasting na te gaan', hierna). In geval van een dergelijke controle zal de behandeling van het bezwaar door de administratie worden opgeschort.

4. Inwerkingtreding en maatregelen tot intrekking

De artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 waarvan de bepalingen worden toegelicht in deze circulaire treden in werking op 10.01.2026.

Vanaf die datum annuleert en vervangt deze circulaire:

-de inhoud van punt 2.1.2.2. 'Voorwaarden voor het indienen van kwartaalaangiften' van circulaire 2025/C/6 betreffende de modernisering van de btw-keten van 27.01.2025 door die van punt 2 'Periodiciteit voor de indiening van de periodieke btw-aangifte';

-de inhoud van punt 3.2.5.3. 'Administratief bezwaar' van dezelfde circulaire door die van punt 3 'Bezwaar tegen de definitief vervangende aangifte', hierboven.

Interne ref.: 141.672/2


Mots clés