• FR
  • NL
  • EN

Circulaire 2026/C/77 over de tijdelijke verhoging van de tussenkomst van de werkgever in de kosten voor woon-werkverkeer

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting publiceerde op 23/07/2026 de

​Bespreking van art. 1 tot 7 van de wet van 30.05.2026 houdende invoering van diverse energiemaatregelen (BS 08.06.2026 – Numac: 2026004187).​

Bijlage: 1

Inhoudstafel

I. Inleiding

II. Belastingkrediet

A. Bedoelde voertuigen

B. Bedoelde vergoeding

C. Referentievergoeding

D. Bedoelde belastingplichtige

E. Bedoelde verplaatsingen

F. Voorwaarden

G. Bedrag van het belastingkrediet

H. Niet-aftrekbare beroepskosten

I. Verrekening – terugbetaling – verhoging

III. Inwerkingtreding

IV. Formaliteiten

A. Document

B. Aangifte VenB, RPB, BNI/ven. of BNI/rpb.

C. Aangifte PB of BNI/nat.pers.

1. Aanslagjaar 2026 speciaal

2. Aanslagjaar 2027

V. Vrijstelling van inkomstenbelasting (PB of BNI/nat.pers.)

VI. Voorbeelden

VII. Wettelijke bepalingen

I. Inleiding

1. Gezien de sterke stijging van de brandstofkosten als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten, heeft de wet van 30.05.2026 (1) een tijdelijk belastingkrediet ingevoerd om werkgevers te stimuleren om tijdelijk de vergoeding voor het woon-werkverkeer die ze aan hun werknemers toekennen te verhogen, of, wanneer geen vergoeding voor deze verplaatsingen wordt toegekend, om deze tijdelijk in te voeren.

Het belastingkrediet kan worden toegekend aan bepaalde werkgevers voor verhogingen van de vergoeding voor woon-werkverkeer voor verplaatsingen met een voertuig (een eigen voertuig van de werknemer of een bedrijfswagen zonder tussenkomst van de werkgever in de brandstof- of laadkosten) in de periode van 01.05.2026 tot en met 31.07.2026 die uiterlijk op 31.10.2026 worden betaald of toegekend. Het bedrag van het belastingkrediet is niet aftrekbaar als beroepskost.

Daarnaast heeft deze wet ook voorzien in de vrijstelling van deze verhoging van de vergoeding in hoofde van de werknemer ten belope van het bedrag van het belastingkrediet toegekend aan de werkgever.

(1) Wet van 30.05.2026 houdende invoering van diverse energiemaatregelen (hierna W 30.05.2026).

II. Belastingkrediet

A. Bedoelde voertuigen

2. De maatregel geldt (2) voor het woon-werkverkeer gedaan met een motorvoertuig.

Alle voertuigen, zowel eigen wagens als bedrijfswagens, zelfs elektrisch aangedreven of hybride, alsook motorfietsen of lichte vrachtwagens, komen in aanmerking voor de maatregel, voor zover de werkgever niet tussenkomt in de brandstof- of laadkosten verbonden aan het privégebruik.

3. Worden echter niet bedoeld:

 motorvoertuigen die worden gebruikt in het kader van het openbaar gemeenschappelijk vervoer als bedoeld in art. 38, § 1, eerste lid, 9°, a), WIB 92

 gemotoriseerde rijwielen of speed pedelecs waarvoor de in art. 38, § 1, eerste lid, 14°, a), WIB 92 vermelde vrijstelling kan worden verleend (vrijgestelde fietsvergoeding)

 gemotoriseerde voortbewegingstoestellen zoals omschreven in art. 2.15.2., 2°, van het koninklijk besluit van 01.12.1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (elektrische steps, hoverboards, segways en andere vergelijkbare voertuigen) (3).

(2) Art. 2, 2°, W 30.05.2026.

(3) Parl. St., Kamer, DOC 56 1518/001, blz. 3.

B. Bedoelde vergoeding

4. Onder vergoeding voor woon-werkverkeer toegekend van 01.05.2026 tot en met 31.07.2026 wordt hier verstaan een vergoeding uitgedrukt als een bedrag per kilometer die door een werkgever wordt betaald of toegekend aan een werknemer als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling met een voertuig zoals hiervoor beschreven (4).

(4) Art. 2, 3°, W 30.05.2026.

5. Het moet dus gaan om een vergoeding vastgesteld in functie van werkelijke door de werknemer afgelegde woon-werkverplaatsingen. Een forfaitair vastgestelde vergoeding zonder direct verband met het woon-werkverkeer en uitgedrukt in kilometers komt dus niet in aanmerking.

6. De vergoedingen die worden toegekend aan werknemers die carpoolen naar het werk, ongeacht of ze bestuurder of passagier zijn, worden ook bedoeld vermits carpoolen een efficiënte manier is om het brandstofverbruik te beperken (5).

(5) Parl. St., Kamer, DOC 56 1518/001, blz. 4.

C. Referentievergoeding

7. Onder ‘referentievergoeding’ wordt begrepen de vergoeding voor woon-werkverkeer uitgedrukt als een bedrag per kilometer die in beginsel werd betaald of toegekend voor verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling in april 2026 (6).

(6) Art. 2, 4°, W 30.05.2026.

8. Wanneer de vergoeding bestaat uit een tussenkomst van de werkgever in functie van de kostprijs van een treinabonnement voor de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, moet deze tussenkomst worden omgerekend naar een vergoeding per kilometer (7).

(7) Parl. St., Kamer, DOC 56 1518/001, blz. 4.

9. Wanneer de werkgever voor april 2026 geen vergoeding voor woon-werkverkeer toekent, is de referentievergoeding gelijk aan 0,00 euro.

10. Wanneer de werkgever voor het woon-werkverkeer gedaan in april 2026 een forfaitaire vergoeding toekent, die voor alle werknemers identiek is en dus geen verband houdt met het werkelijke traject van de werknemers tussen hun woonplaats en hun plaats van tewerkstelling, wordt de referentievergoeding eveneens geacht gelijk te zijn aan 0,00 euro.

D. Bedoelde belastingplichtige

11. Het belastingkrediet wordt verleend aan (8):

 de werkgevers die onderworpen zijn aan de wet van 05.12.1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités

 de volgende autonome overheidsbedrijven: de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus, de naamloze vennootschap van publiek recht bpost en de naamloze vennootschap van publiek recht Skeyes

 de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail met inbegrip van het door haar ter beschikking gesteld personeel.

(8) Art. 3, § 1, tweede lid, W 30.05.2026.

12. Deze bepaling geldt voor de belastingplichtigen onderworpen aan de personenbelasting (PB), de vennootschapsbelasting (VenB), de rechtspersonenbelasting (RPB) of de belasting van niet-inwoners (BNI).

E. Bedoelde verplaatsingen

13. De bedoelde verplaatsingen zijn de verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling van de werknemer die werkelijk zijn gedaan in de periode van 01.05.2026 tot en met 31.07.2026 (9).

(9) Art. 3, § 1, eerste lid, W 30.05.2026.

F. Voorwaarden

14. Het belastingkrediet is onderworpen aan verschillende voorwaarden (10):

 de verhoging van de vergoeding moet schriftelijk zijn vastgelegd (cao, arbeidsreglement, individuele arbeidsovereenkomst, addendum, interne communicatie of nog op een loonbrief)

 wanneer de werkgever geen kilometervergoeding toekent voor de verplaatsingen woon-werkverkeer van de maand april 2026 (referentievergoeding van 0,00 euro), moet de vergoeding minstens 0,10 euro per kilometer bedragen

 de verhoging van de vergoeding mag niet worden vergoed door een derde

 de verhoging van de vergoeding mag niet ten laste zijn van een buitenlandse inrichting van de belastingplichtige

 wat de aan de BNI onderworpen belastingplichtigen betreft, moet de verhoging van de vergoeding drukken op de inkomsten die in België aan de inkomstenbelastingen onderworpen zijn (11).

(10) Art. 3, § 1, derde lid, W 30.05.2026.

(11) Deze inkomsten moeten niet noodzakelijk opgenomen zijn in de belastbare grondslag. Een belastingplichtige die onderworpen is aan de BNI/rpb. is derhalve niet uitgesloten van het toepassingsgebied van het belastingkrediet voor zover aan de overige voorwaarden is voldaan.

15. Wanneer de werkgever voor de woon-werkverplaatsingen van de maand april 2026 een forfait toekende zonder direct verband met het werkelijke traject van het woon-werkverkeer (referentievergoeding van 0,00 euro), moet de vergoeding minstens 0,10 euro per kilometer bedragen.

G. Bedrag van het belastingkrediet

16. Het bedrag van het belastingkrediet is gelijk aan:

 het aantal kilometer waarvoor een verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer wordt toegekend,

 vermenigvuldigd met het bedrag van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer, beperkt tot het laagste van de volgende bedragen (12):

  • 20 % van de referentievergoeding of
  • 0,10 euro per kilometer.

(12) Art. 3, § 2, eerste lid, W 30.05.2026.

17. In geval de werkgever die geen enkele vergoeding toekende voor het woon-werkverkeer of een forfaitaire vergoeding toekende die voor alle werknemers gelijk was en bijgevolg geen verband hield met het effectieve traject tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling (referentievergoeding gelijk aan 0,00 euro), een kilometervergoeding invoert, is het bedrag van het belastingkrediet gelijk aan 20 % van die vergoeding, beperkt tot 0,10 euro per kilometer (13).

(13) Art. 3, § 2, tweede lid, W 30.05.2026.

H. Niet-aftrekbare beroepskosten

18. De vergoedingen voor woon-werkverkeer die worden gecompenseerd door het belastingkrediet zijn niet aftrekbaar als beroepskost (14).

(14) Art. 3, § 4, W 30.05.2026.

19. Het bedrag van de niet-aftrekbare vergoeding stemt overeen met het bedrag van het toegekende belastingkrediet (15).

(15) Parl. St., Kamer, DOC 56 1518/001, blz. 7, voorbeelden.

I. Verrekening – terugbetaling – verhoging

20. Het belastingkrediet wordt volledig met de PB, de VenB, RPB of de overeenstemmende BNI (BNI/nat.pers., BNI/ven., BNI/rpb.) verrekend.

In de PB wordt het belastingkrediet eveneens verrekend met de gemeentelijke opcentiemen.

In de BNI/nat.pers. worden de opcentiemen zoals bedoeld in art. 245, eerste lid, WIB 92 ten voordele van de Staat berekend vóór verrekening van het belastingkrediet.

Het deel van het belastingkrediet dat niet kan worden verrekend, wordt terugbetaald voor zover het tenminste 2,50 euro bedraagt (16).

(16) Art. 4, § 1, derde lid, W 30.05.2026.

21. Wat de vermeerdering wegens geen of onvoldoende voorafbetalingen, bedoeld in art. 158, WIB 92, betreft, wordt het belastingkrediet beschouwd als een belastingkrediet dat betrekking heeft op de in dat artikel vernoemde inkomsten (17).

(17) Art. 4, § 2, 1°, W 30.05.2026.

III. Inwerkingtreding

22. De maatregel treedt in werking de dag waarop hij in het Belgisch Staatsblad wordt bekend gemaakt, zijnde 08.06.2026 (18).

(18) Art. 7, W 30.05.2026.

IV. Formaliteiten

A. Document

23. De belastingplichtige die aanspraak maakt op het belastingkrediet moet een document (zie bijlage) opstellen met daarin de volgende gegevens (19) :

 het bedrag per kilometer van de referentievergoeding

 het bedrag per kilometer van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer

 het bedrag per kilometer van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer waarvoor een belastingkrediet kan worden verleend, rekening houdende met de in art. 3, § 2, W 30.05.2026 bedoelde beperkingen (zie randnrs. 16 en 17)

 het aantal kilometer aan verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling gedaan in de periode van 01.05.2026 tot en met 31.07.2026 waarvoor in het betrokken belastbare tijdperk de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer werd toegekend

 het bedrag van de belastingkrediet dat wordt aangevraagd.

(19) Art. 5, § 1, eerste lid, W 30.05.2026.

24. Indien de referentievergoeding of de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer niet identiek is voor alle werknemers, moeten de gegevens worden medegedeeld (20):

 per referentievergoeding en

 per verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer.

(20) Art. 5, § 1, tweede lid, W 30.05.2026.

25. Echter, ingeval de belastingplichtige kan aantonen dat de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer in alle gevallen:

 binnen de limiet van 20 % van de referentievergoeding blijft en

 nooit meer bedraagt dan 0,10 euro per kilometer,

volstaat het dat hij in het document het totaal bedrag vermeldt van de verhoging van de vergoeding die hij heeft toegekend voor woon-werkverkeer tijdens de periode van 01.05.2026 tot en met 31.07.2026 (21).

(21) Art. 5, § 1, derde lid, W 30.05.2026.

B. Aangifte VenB, RPB, BNI/ven. of BNI/rpb.

26. Het belastingkrediet wordt verleend voor elk belastbaar tijdperk dat verbonden is met de aanslagjaren 2026 en 2027 waarin de belastingplichtige een verhoging toekent van de vergoeding voor woon-werkverkeer, die hij uiterlijk op 31.10.2026 betaalt of toekent voor verplaatsingen die worden gedaan in de periode van 01.05.2026 tot en met 31.07.2026.

Het belastingkrediet wordt gevraagd in de aangifte die betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de bedoelde vergoeding wordt toegekend.

27. Voor het aanslagjaar 2026, vraagt de belastingplichtige die onderworpen is aan de VenB of de BNI/ven. de toepassing van het belastingkrediet door middel van de code 1859 (“Andere terugbetaalbare bestanddelen” van het vak “Verrekenbare voorheffingen en overige verrekenbare bestanddelen”) en neemt hij de erop betrekking hebbende verworpen uitgave op in de code 1239 (“Andere verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat” van het vak “Verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat”) (22).

De belastingplichtige die onderworpen is aan de RPB of BNI/rpb., waarvoor een aanslagjaar 2026 speciaal van toepassing is, vraagt de toepassing van het belastingkrediet door middel van de code die voorzien is voor het belastingkrediet voor de verhoging van de fietskilometervergoeding in toepassing van cao nr. 164, namelijk de code 1854 (23).

(22) Art. 3 van het koninklijk besluit van 05.07.2026 (BS 10.07.2026 – Numac: 2026005230) (hierna KB 05.07.2026).

(23) Art. 4, KB 05.07.2026.

28. Voor het aanslagjaar 2027, zullen in de aangiften in de VenB, RPB en overeenkomstige belastingen van niet-inwoners specifieke codes worden voorzien om de toepassing van het belastingkrediet te vragen en, in voorkomend geval, de verworpen uitgave op te nemen.

29. Het document waarvan sprake is onder titel “A. Document” hiervoor, moet als bijlage bij de aangifte worden gevoegd (24).

(24) Art. 5, § 1, vierde lid, W 30.05.2026.

C. Aangifte PB of BNI/nat.pers.

30. De aan de PB of BNI/nat.pers. onderworpen belastingplichtige houdt het document ter beschikking van de administratie (25).

(25) Art. 5, § 1, vierde lid, W 30.05.2026.

1. Aanslagjaar 2026 speciaal

31. Voor de in 2026 toegekende vergoedingen die verband houden met een aanslagjaar speciaal 2026, kan het belastingkrediet worden aangevraagd door middel van de codes van de aangifte in de personenbelasting voorzien voor het belastingkrediet voor de verhoging van de fietskilometervergoeding toegekend in toepassing van cao nr. 164, zijnde de codes 1760-83 en 2760-53 (26).

(26) Art. 2 , KB 05.07.2026.

2. Aanslagjaar 2027

32. Voor de in 2026 toegekende vergoedingen die verband houden met aanslagjaar 2027 zullen voor dit belastingkrediet specifieke codes worden toegekend.

V. Vrijstelling van inkomstenbelasting (PB of BNI/nat.pers.)

33. De verhoging van de vergoeding wordt vrijgesteld van inkomstenbelasting in hoofde van de werknemer ten belope van het bedrag van het belastingkrediet dat voor die verhoging wordt verleend (27).

(27) Art. 6, eerste lid, W 30.05.2026.

Deze vrijstelling wordt toegekend bovenop de vrijstellingen voorzien in art. 38, § 1, eerste lid, 9°, b) en c), WIB 92, namelijk:

 de vrijstelling voor het gebruik van gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden, georganiseerd door de werkgever of door een groep van werkgevers(GGV), beperkt tot de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor dezelfde afstand, en

 de vrijstelling voor ander vervoermiddel (28), beperkt tot 250 euro (te indexeren basisbedrag).

(28) Met name: ander vervoermiddel dan het openbaar gemeenschappelijk vervoer en het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden, georganiseerd door de werkgever of door een groep van werkgevers.

Deze vrijstellingen zijn enkel van toepassing wanneer de beroepskosten forfaitair worden vastgesteld overeenkomstig art. 51, WIB 92. De verhoogde vrijstelling geldt bijgevolg ook enkel als de beroepskosten van de werknemer forfaitair worden bepaald.

34. Indien de verhoging van de vergoeding hoger is dan het bedrag van het belastingkrediet dat daarvoor wordt verleend, komt het overschrijdende deel, naargelang het geval, in aanmerking voor de bestaande vrijstellingen voor GGV en/of voor de vrijstelling voor een ander vervoermiddel, zonder de toepasselijke grenzen te overschrijden.

35. Om de verhoging van de vrijstelling correct te kunnen toepassen, zal het bijkomend vrijstelbaar bedrag afzonderlijk moeten worden vermeld op de fiche 281.10 in de hiervoor bestemde rubriek en mee worden opgenomen in het bedrag dat wordt vermeld in de code 1254 of 2254 van de aangifte in de inkomstenbelasting.

Op die manier kan met het bijkomend vrijstelbaar bedrag rekening worden gehouden om het bedrag van de vrijstelling te bepalen dat moet worden vermeld in de code 1255 of 2255 van de aangifte in de inkomstenbelasting.

Daarnaast moet het in randnummer 34 bedoelde overschrijdende deel eveneens worden vermeld op de fiche 281.10, naar gelang het geval, op de lijn ‘Georganiseerd gemeenschappelijk vervoer’ en/of de lijn ‘Ander vervoermiddel’ tegenover de code 254. Indien de toepasselijke grens (prijs treinabonnement eerste klas voor dezelfde afstand) voor het GGV hierdoor wordt overschreden, maakt dat saldo een belastbaar voordeel uit. Dit moet naar gelang het geval, worden vermeld tegenover de code 250, 270 of 273.

36. Deze verhoging van de vrijstelling moet in rekening worden gebracht om de bruto belastbare grondslag te bepalen voor de inhouding van de bedrijfsvoorheffing (29).

(29) Art. 6, tweede lid, W 30.05.2026.

VI. Voorbeelden

Voorbeeld 1

37. Een werkgever kent een vergoeding toe van 0,20 euro per kilometer voor woon-werkverkeerverplaatsingen die in de maand april 2026 met een eigen voertuig worden gedaan. Dit is de referentievergoeding.

Hij besluit deze te verhogen met 0,05 euro per kilometer tot 0,25 euro per kilometer voor woon-werkverplaatsingen gedaan van 01.05.2026 tot en met 31.07.2026. De vergoeding voor deze periode wordt betaald op 01.09.2026.

In hoofde van de werkgever kan een belastingkrediet van 0,04 euro per kilometer worden toegekend, zijnde het bedrag van de verhoging: 0,05 euro, beperkt tot 0,20 euro (referentievergoeding) x 20 % = 0,04 euro. Het bedrag van het belastingkrediet is in zijn hoofde niet aftrekbaar als beroepskost.

In hoofde van de werknemer geniet het bedrag dat overeenstemt met het belastingkrediet van het nieuw stelsel van tijdelijke vrijstelling terwijl het saldo van de verkregen vergoeding in aanmerking kan komen voor de vrijstelling voor ‘ander vervoermiddel’ of voor ‘GGV’.

Voorbeeld 2

Uitgaande van dezelfde gegevens (referentievergoeding van 0,20 euro per kilometer, verhoging van 0,05 euro).

Een werknemer die op 20 kilometer van zijn plaats van tewerkstelling woont, heeft in de periode van 01.05.2026 tot 31.07.2026 gedurende 52 dagen woon-werkverplaatsingen gedaan met zijn eigen wagen.

Deze werknemer kan aanspraak maken op een bijkomende vergoeding voor de woon-werkverplaatsingen van 104,00 euro (20 km x 2 x 52 x 0,05 euro per kilometer).

Van die 104,00 euro, kan een bedrag van 83,20 euro (20 km x 2 x 52 x 0,04 euro) worden vrijgesteld.

Het saldo van 20,80 euro (104 euro – 83,20 euro) van de bijkomende vergoeding, komt in principe in aanmerking ofwel voor de vrijstelling voor ander vervoermiddel, beperkt tot 500 euro (geïndexeerd bedrag voor aj. 2027), ofwel voor de vrijstelling van GGV, zonder de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor de afstand woon-werkverkeer te overschrijden.

Voorbeeld 3 (bedrijfsvoorheffing)

Dezelfde gegevens blijven nog steeds behouden (referentievergoeding van 0,20 euro per kilometer, verhoging van 0,05 euro) en met de veronderstelling van een werknemer die in de maand mei gedurende 17 werkdagen woon-werkverplaatsingen heeft gedaan.

Die werknemer kan voor de maand mei aanspraak maken op een totale vergoeding van:

0,25 euro per kilometer × 20 km × 2 × 17 = 170 euro.

Voor de berekening van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing mag van de vergoeding van 170 euro een bedrag van 68,90 euro worden vrijgesteld, namelijk:

 de vrijstelling van 41,70 euro op maandelijkse basis (30) voor ander vervoermiddel, en

 de tijdelijk verhoogde vrijstelling van 27,20 euro (0,04 euro per kilometer x 20 km x 2 x 17).

(30) Zie nr. 16.1.3 van bijlage III, KB/WIB 92 zoals van toepassing op de vanaf 01.01.2026 betaalde of toegekende inkomsten.

Voorbeeld 4

Een werknemer woont op 10 km van zijn plaats van tewerkstelling.

Hij heeft in de loop van het jaar 2026 gedurende 120 dagen verplaatsingen gedaan, waarvan 20 dagen in de loop van de periode 01.05.2026 tot en met 31.07.2026.

Zijn werkgever heeft hem voor heel 2026 een vergoeding van 0,20 euro per kilometer toegekend, met uitzondering van de periode van 01.05.2026 tot 31.07.2026, waarvoor hij die vergoeding heeft verdubbeld, gaande van 0,20 tot 0,40 euro per kilometer.

De werknemer heeft dus in 2026, voor die periode, een bedrag van 160 euro (10 x 2 x 20 x 0,40 euro) ontvangen. De bijkomende vergoeding wordt betaald op 01.09.2026.

Voor de andere maanden van 2026, waarin hij 100 dagen woon-werkverplaatsingen heeft gedaan, heeft de werknemer in 2026 een bedrag van 400 euro (10 x 2 x 100 x 0,20 euro) ontvangen.

In hoofde van de werkgever kan een belastingkrediet van 0,04 euro per kilometer worden toegekend, zijnde het bedrag van de verhoging: 0,20 euro, beperkt tot 0,20 euro x 20 % = 0,04 euro per kilometer.

Het bedrag van het belastingkrediet bedraagt dus 16 euro (10 × 2 × 20 × 0,04 euro) en is niet aftrekbaar als beroepskost.

In hoofde van de werknemer wordt datzelfde bedrag vrijgesteld op basis van het nieuw tijdelijk stelsel, terwijl 500 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027) wordt vrijgesteld als vergoeding voor ander vervoermiddel.

Op een totaalbedrag van 560 euro (400 euro + 160 euro), ontvangen in 2026, wordt een bedrag van 516 euro (500 euro + 16 euro) dus vrijgesteld terwijl een overschot van 44 euro (560 euro – 516 euro) belastbaar is in hoofde van de werknemer.

Voorbeeld 5

Een werkgever die geen enkele vergoeding toekende voor woon-werkverkeer gedaan met een eigen wagen (referentievergoeding = 0,00 euro) besluit om in 2026 een vergoeding van 0,10 euro per kilometer toe te kennen, maar enkel voor woon-werkverkeer gedaan van 01.05.2026 tot en met 31.07.2026 (1.200 km). De vergoeding wordt betaald op 01.09.2026.

De toegekende vergoeding bedraagt dus 120 euro (1.200 x 0,10 euro).

In hoofde van de werkgever kan een belastingkrediet worden toegekend van 0,02 euro per kilometer (zijnde het bedrag van de verhoging: 0,10 euro, beperkt tot 0,10 euro x 20 % = 0,02 euro).

Het bedrag van 24 euro (1.200 x 0,02) dat overeenstemt met het belastingkrediet is in zijn hoofde niet aftrekbaar als beroepskost.

In hoofde van de werknemer wordt de volledige vergoeding van 120 euro, vrijgesteld, namelijk:

 24 euro in het kader van het nieuw tijdelijk stelsel en

 96 euro (120 euro – 24 euro) als ander vervoermiddel.

Voorbeeld 6

Een werkgever valt onder een paritair comité dat een vergoeding voor woon-werkverkeer toekent die overeenstemt met de prijs van een treinabonnement voor dezelfde afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling van de werknemer.

Aan een werknemer die op 50 kilometer van zijn plaats van tewerkstelling woont, kent hij voor de maand april 2026 een vergoeding van 204,00 euro toe.

Voor die maand, die 20 werkdagen telt, komt die vergoeding overeen met een bedrag van 0,102 euro (204 euro / (50 km x 2 x 20)) per kilometer (referentievergoeding).

Een verhoging tot 0,0204 euro (zijnde de referentievergoeding van 0,102 euro x 20 %) per kilometer voor werkelijke woon-werkverplaatsingen van 01.05.2026 tot 31.07.2026 en die ten laatste betaald of toegekend is op 31.10.2026, kan volledig worden gecompenseerd door het belastingkrediet.

Voorbeeld 7

Een werknemer kent voor de maand april 2026 een forfaitair vastgelegde vergoeding toe van 150 euro voor woon-werkverkeer voor al zijn werknemers, ongeacht de werkelijke afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling (referentievergoeding gelijk aan 0,00 euro).

Hij beslist om voor de periode van 01.05.2026 tot en met 31.07.2026 zijn tussenkomst in het woon-werkverkeer te verhogen door middel van een kilometervergoeding vastgesteld in functie van de werkelijk door zijn werknemers afgelegde verplaatsingen. Die kilometervergoeding bedraagt 0,40 euro per kilometer en wordt betaald op 01.09.2026.

Een werknemer doet gedurende de maand mei 2026 1.000 kilometer aan woon-werkverplaatsingen. Hij ontvangt dus voor die maand een kilometervergoeding van 400 euro (1.000 x 0,40).

In hoofde van de werkgever kan een belastingkrediet worden toegekend van 0,08 euro per kilometer (zijnde het bedrag van de verhoging, beperkt tot 0,40 euro x 20 % = 0,08 euro). Aan de werkgever kan dus voor die maand mei een belastingkrediet van 80 euro (1.000 x 0,08) worden toegekend .

VII. Wettelijke bepalingen

38. W 30.05.2026

Art. 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

Art. 2

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

1° Wetboek: het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;

2° voertuig: een motorvoertuig met uitzondering van:

— een motorvoertuig dat wordt gebruikt in het kader van het openbaar gemeenschappelijk vervoer als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 9°, a), van het Wetboek;

— een motorvoertuig waarvoor de in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a) van het Wetboek vermelde vrijstelling kan worden verleend;

— een gemotoriseerd voortbewegings-toestel zoals omschreven in artikel 2.15.2., 2°, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;

— een motorvoertuig waarvoor de brandstof –of laadkosten verbonden met het persoonlijk gebruik geheel of gedeeltelijk door de werkgever ten laste worden genomen.

3° vergoeding voor woon-werkverkeer: de vergoeding uitgedrukt als een bedrag per kilometer die door een werkgever wordt betaald of toegekend aan een werknemer als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling met een voertuig;

4° referentievergoeding: de vergoeding voor woon-werkverkeer uitgedrukt als een bedrag per kilometer die in beginsel werd betaald of toegekend voor verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling in april 2026;

5° verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer: het verschil tussen de onder de bepaling onder 3° bedoelde vergoeding voor woon-werkverkeer op een bepaald tijdstip en de onder de bepaling onder 4° bedoelde referentievergoeding.

Art. 3

§ 1. Aan de belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet-inwoners en een werkgever zijn als bedoeld in het tweede lid, wordt onder de in het derde lid bepaalde voorwaarden een belastingkrediet verleend voor de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer die zij uiterlijk op 31 oktober 2026 betalen of toekennen voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling van een werknemer gedaan in de periode van 1 mei 2026 tot en met 31 juli 2026.

Het in het eerste lid bedoelde belastingkrediet wordt verleend aan:

1° de werkgevers die onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

2° de volgende autonome overheidsbedrijven: de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus, de naamloze vennootschap van publiek recht bpost et [sic] de naamloze vennootschap van publiek recht Skeyes;

3° de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail met inbegrip van het door haar ter beschikking gesteld personeel.

Het belastingkrediet wordt:

1° enkel verleend wanneer de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer schriftelijk is vastgelegd;

2° in geval de referentievergoeding gelijk is aan 0,00 euro, enkel verleend wanneer de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer minstens 0,10 euro per kilometer bedraagt;

3° verleend voor zover de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer niet door derden wordt vergoed;

4° niet verleend voor de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer die ten laste is van een buitenlandse inrichting van de belastingplichtige;

5° wat de aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen betreft, enkel verleend voor de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer die, de toepassing van paragraaf 4 buiten beschouwing gelaten, drukt op de in België behaalde of verkregen inkomsten die aan één van de in het eerste lid bedoelde belastingen zijn onderworpen.

§ 2. Het bedrag van het belastingkrediet is gelijk aan het aantal kilometer waarvoor een verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer wordt toegekend vermenigvuldigd met het bedrag van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer, beperkt tot het laagste van de volgende bedragen:

1° 20 pct. van de referentievergoeding; of

2° 0,10 euro per kilometer.

In geval de referentievergoeding gelijk is aan 0,00 euro, is het bedrag van het belastingkrediet evenwel gelijk aan het aantal kilometer waarvoor een verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer wordt toegekend vermenigvuldigd met 20 pct. van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer, beperkt tot 0,10 euro per kilometer.

§ 3. Het belastingkrediet wordt verleend voor elk belastbaar tijdperk dat verbonden is met de aanslagjaren 2026 en 2027 waarin de belastingplichtige een verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer voor in de periode van 1 mei 2026 tot en met 31 juli 2026 gedane verplaatsingen toekent.

§ 4. In afwijking van de artikelen 49, 183 en 235 van het Wetboek, is de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer in de mate dat er een belastingkrediet voor die verhoging wordt verleend, niet als beroepskost aftrekbaar.

Art. 4

§ 1. Het in dit hoofdstuk bedoelde belastingkrediet wordt volledig met de personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting of belasting van niet-inwoners verrekend.

Het belastingkrediet wordt tevens verrekend met de in titel VIII van het Wetboek bedoelde aanvullende belastingen op de personenbelasting.

Het gedeelte van het belastingkrediet dat niet kan worden verrekend, wordt terugbetaald indien het tenminste 2,50 euro bedraagt.

§ 2. Het in dit hoofdstuk bedoelde belastingkrediet wordt:

1° voor de toepassing van artikel 158 van het Wetboek aangemerkt als een belastingkrediet dat betrekking heeft op de in dat artikel vermelde inkomsten;

2° voor de toepassing van artikel 245, eerste lid, van het Wetboek gelijkgesteld met het in artikel 289bis van het Wetboek bedoelde belastingkrediet;

3° voor de toepassing van artikel 413/1, § 1, 6°, tweede lid, derde streepje, van het Wetboek gelijkgesteld met het in artikel 289bis van het Wetboek bedoelde belastingkrediet;

4° voor de toepassing van artikel 413/1, § 1, tweede lid, tweede en vierde streepje, van het Wetboek gelijkgesteld met de in de artikelen 289quater tot 295 van het Wetboek bedoelde voorafbetalingen, voorheffingen en andere elementen.

5° voor de toepassing van de minimumbelasting als bedoeld in de wet van 19 december 2023 houdende de invoering van een minimumbelasting voor multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen beschouwd als een gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingtegoed zoals bedoeld in artikel 3, 38° van de voormelde wet.

Art. 5

§ 1. De belastingplichtige die aanspraak maakt op het in dit hoofdstuk bedoelde belastingkrediet stelt een document op met daarin de volgende gegevens:

1° het bedrag per kilometer van de referentievergoeding;

2° het bedrag per kilometer van de verhoging van de vergoeding voor woon-verkeer;

3° het bedrag per kilometer van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer waarvoor een belastingkrediet kan worden verleend, rekening houdende met de in artikel 3, § 2, bedoelde beperkingen;

4° het aantal kilometer aan verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling gedaan in de periode van 1 mei 2026 tot en met 31 juli 2026 waarvoor in het betrokken belastbare tijdperk de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer werd toegekend;

5° het bedrag van het belastingkrediet dat wordt aangevraagd.

Indien het bedrag van de referentievergoeding of van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer niet identiek is voor alle werknemers aan wie een verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer wordt toegekend, worden de in het eerste lid bedoelde gegevens meegedeeld per bedrag van de referentievergoeding en per bedrag van verhoging van de vergoeding voor woon-verkeer.

In het tweede lid bedoelde geval kan de werkgever die aantoont dat het bedrag van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer in geen enkel geval de overeenkomstig artikel 3, § 2, bepaalde bovengrens van het bedrag van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer waarvoor een belastingkrediet kan worden verleend, overschrijdt, ervoor opteren om in de plaats van de in het eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde gegevens enkel het totaal bedrag van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer dat hij in het betrokken belastbare tijdperk heeft toegekend voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling gedaan in de periode van 1 mei 2026 tot en met 31 juli 2026, te vermelden. Het schriftelijk bewijs dat het bedrag van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer in geen enkel geval de overeenkomstig artikel 3, § 2, bepaalde bovengrens van het bedrag van de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer waarvoor een belastingkrediet kan worden verleend, overschrijdt, maakt deel uit van het in het eerste lid bedoelde document.

De aan de vennootschapsbelasting of rechtspersonenbelasting onderworpen belastingplichtige en de in artikel 227, 2° of 3°, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige die aanspraak maakt op het belastingkrediet voegt het in het eerste lid bedoelde document in bijlage aan zijn aangifte. De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtige en de in artikel 227, 1°, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige houdt het in het eerste lid bedoelde document ter beschikking van de administratie.

§ 2. Voor het aanslagjaar 2026 vragen de in artikel 3, § 1, bedoelde belastingplichtigen de toepassing van het in dit hoofdstuk bedoelde belastingkrediet aan door middel van een formulier waarvan de vorm en de inhoud wordt vastgesteld door de Koning. De Koning bepaalt tevens de termijn en de nadere regels voor de indiening van het formulier.

Art. 6

Het in artikel 38, § 1, eerste lid, 9°, b) en c), van het Wetboek bedoelde bedrag wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer, beperkt tot het bedrag van het belastingkrediet dat voor die verhoging wordt verleend.

De in het eerste lid bedoelde verhoging van de vrijstelling wordt in rekening gebracht om de bruto belastbare grondslag te bepalen voor de inhouding van de bedrijfsvoorheffing.

Art. 7

Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

39. KB 05.07.2026

Art. 1

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° Wetboek: het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;

2° wet: de wet van 30 mei 2026 houdende invoering van diverse energiemaatregelen;

3° belastingkrediet: het belastingkrediet voor de verhoging van de vergoeding voor woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 3 van de wet.

Art. 2

Met betrekking tot het aanslagjaar 2026 vragen de aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen en de in artikel 227, 1°, van het Wetboek bedoelde belastingplichtigen het belastingkrediet aan door gebruik te maken van de codes die respectievelijk in de aangifte in de personenbelasting en de aangifte in de belasting van niet-inwoners natuurlijke personen zijn voorzien voor het belastingkrediet voor de verhoging van de fietskilometervergoeding toegekend in toepassing van cao nr. 164 (naargelang het geval, code 1760-83 of code 2760-53).

Art. 3

Met betrekking tot het aanslagjaar 2026 vragen de aan de vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen en de in artikel 227, 2°, van het Wetboek bedoelde belastingplichtigen het belastingkrediet aan door gebruik te maken van de onderstaande codes in respectievelijk de aangifte in de vennootschapsbelasting en de aangifte in de belasting van niet-inwoners vennootschappen, vereni gingen:

- in de code “andere verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat” (code 1239): het bedrag van de in toepassing van artikel 3, § 4, van de wet niet als beroepskosten aftrekbare uitgaven;

- in de code “andere terugbetaalbare bestanddelen” (code 1859): het bedrag van het belastingkrediet.

De in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen voegen het in artikel 5, § 1, van de wet bedoelde document in bijlage bij hun aangifte.

Art. 4

Met betrekking tot het aanslagjaar 2026 vragen de aan de rechtspersonenbelasting onderworpen belastingplichtigen en de in artikel 227, 3°, van het Wetboek bedoelde belastingplichtigen het belastingkrediet aan door gebruik te maken van de code die in respectievelijk de aangifte in de rechtspersonenbelasting en de aangifte in de belasting van niet-inwoners vennootschappen, verenigingen, is voorzien voor het belastingkrediet voor de verhoging van de fietskilo metervergoeding toegekend in toepassing van cao nr. 164 (code 1854).

De in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen voegen het in artikel 5, § 1, van de wet bedoelde document in bijlage bij hun aangifte.

Art. 5

De aanvraag van het belastingkrediet heeft geen invloed op de in het Wetboek vastgelegde termijnen voor het indienen van de aangifte voor het aanslagjaar 2026.

Art. 6

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Art. 7

De minister die bevoegd is voor Financiën, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Interne ref.: 749.739

Mots clés

Articles recommandés