• FR
  • NL
  • EN

Economische groei fiscaal faciliteren? Ja, maar hoe?


Ons land staat voor een belangrijke budgettaire uitdaging. 7 miljard besparen is niet niks. Naast de klassieke formule van nieuwe (para)fiscale inkomsten en besparingen op de overheidsuitgaven is natuurlijk ook economische groei een optie. Want economische groei leidt automatisch tot hogere (para)fiscale inkomsten, zoveel is duidelijk.

De vraag is dan natuurlijk hoe we deze doelstelling kunnen bereiken en of er hier fiscale incentives tegenover moeten staan? En wat moet er dan exact fiscaal bevoordeeld worden, het beleggen, het investeren of het ondernemen zelf?


Volgens het monitoringcomité moet de federale regering tegen 2029 op zoek naar 7,7 miljard euro. Niet om tot een begroting in evenwicht te komen, maar enkel om het tekort enigszins binnen de aanvaardbare 3% van het BBP te krijgen. De klassieke formule voor een dergelijke begrotingsoefening is welbekend: saneren in de 348 miljard euro aan overheidsuitgaven en zoeken naar nieuwe inkomsten bovenop de 268 miljard euro die we nu reeds aan (para)fiscale inkomsten innen. Een derde alternatieve piste die bij een dergelijke budgettaire oefening echter vaak uit het oog wordt verloren, is economische groei.

Misschien moet dit de hoofdfocus van de begrotingsoefening worden, en moet de politiek zich beraden welke maatregelen er genomen moeten worden om ons land terug economisch aantrekkelijk te maken, en de economische motor aan te zwengelen. Want economische groei leidt automatisch tot hogere (para)fiscale inkomsten, zoveel is duidelijk. De vraag is dan natuurlijk hoe we deze doelstelling kunnen bereiken en of er hier fiscale incentives tegenover moeten staan? De meeste ondernemers zullen hier volmondig ja op antwoorden. Maar op de vraag wat er dan exact fiscaal moet bevoordeeld worden, het beleggen, het investeren of het ondernemen, zal het antwoord al veel minder eenduidig zijn.

Uit de standpunten tijdens de debatten de afgelopen maanden over onder meer de meerwaardebelasting op aandelen, de verhoogde belasting op VVPR-bis aandelen en de liquidatiereserve blijkt dat ondernemers het fiscaal debat vrij individualistisch benaderen. What’s in it for me, is toch vaak het leitmotiv. Op zich is daar niets verkeerd mee, alleen stelt zich de vraag of dit de juiste benadering is, en of er niet meer collectief moet nagedacht worden?

Van de kant van de beleggers en investeerders is er niemand die zich bijvoorbeeld vragen stelt of het toch nog steeds grote verschil in belastingdruk op dividenden tussen VVPR-bis aandelen en gewone aandelen wel te verantwoorden is. Het gelijk fiscaal belasten van dividenden op aandelen is voor de VVPR-bis aandeelhouder een no pasaràn. Hetzelfde geldt voor de belastingvermindering voor investeringen in start-ups en scale-ups. Ook hier is er niemand die zich de vraag stelt of we in plaats van de investeerder niet beter de onderneming zelf fiscaal moeten begunstigen.

Een ander mooi voorbeeld is ook de oplaaiende discussie over de managementvennootschappen. Nu er politieke stemmen opgaan om het gebruik van managementvennootschappen fiscaal toch wat aan banden te leggen, gaan ondernemersorganisaties nu al op hun achterste poten gaan staan. De vraag of managementvennootschappen bijdragen aan de economische groei en of we de fiscaal economische beleidsmarge niet beter anders kunnen inzetten is totaal niet aan de orde. Nochtans kan niet worden ontkend dat het stijgend aantal managementvennootschappen doorgaans louter fiscale optimalisatiestructuren zijn, waarvan de economische meerwaarde in vraag kan worden gesteld. Maar die bedenking wordt niet gemaakt.

Het resultaat van dit alles, is dat er weinig budgettaire ruimte bestaat om het ondernemen zelf fiscaal aan te moedigen, waardoor de fiscaal economische aantrekkelijkheid van ons land niet bijster groot is. Dus misschien moeten we omgekeerd beginnen redeneren, en in plaats van de beleggers, investeerders en bestuurders van vennootschappen fiscaal te ondersteunen, de fiscale focus bij de onderneming zelf gaan leggen. En dat zou dan betekenen inspelen op het tarief van de vennootschapsbelasting en het fiscaal ondersteunen van gerichte investeringen. Momenteel bedraagt het Belgische tarief in de vennootschapsbelasting 25% en dat kan gerust verlaagd worden. Voor multinationals is de internationale ondergrens 15%, maar voor KMO’s kan het tarief nog lager liggen. En gerichte investeringen nog meer fiscaal ondersteunen kan ook een belangrijke katalysator zijn voor de economie. Het voordeel van dergelijke maatregelen is dat men enerzijds vennootschappen maximale fiscale ademruimte kan geven om te ondernemen en anderzijds de economische speerpunten van de economie nog meer fiscaal in de verf kan zetten. Zo kan België terug internationaal aantrekkelijk worden voor buitenlandse investeringen, hetgeen belangrijk is voor de economische groei. Deze maatregelen komen uiteindelijk ook de beleggers en de investeerders ten goede aangezien de hogere netto-winsten van vennootschappen tot hogere intrinsieke waarde en hogere dividenden leidt.

De keerzijde van de medaille is dan natuurlijk dat het verleggen van de fiscale focus naar de onderneming zelf, de individuele fiscaliteit van de beleggers, investeerders en bestuurders van vennootschappen in een ander daglicht zal gaan plaatsen. Maar dat is slechts een relatief probleem omdat bedrijven hogere netto-winsten kunnen realiseren en de gecumuleerde belastingdruk bij de onderneming en de aandeelhouders en bestuurders in principe zelfs zou moeten zakken. Daar moet men in ondernemend Vlaanderen toch eens goed over nadenken.

Choose your battles wisely…

Mots clés

Articles recommandés

Politiek en Economie
De expert aan het woord
F.F.F.

Triestige miljardendans

Gepubliceerd op 11 Jul 2026 bij 04:00
Lezen 5min
Politiek en Economie
De expert aan het woord
F.F.F.

ECB verhoogt de rente

Gepubliceerd op 20 Jun 2026 bij 04:00
Lezen 3min
Politiek en Economie
De expert aan het woord
F.F.F.

Showbeleid

Gepubliceerd op 27 Apr 2026 bij 04:00
Lezen 5min