
De minister van Werk heeft het FPB gevraagd een studie uit te voeren naar de hervorming van de studentenarbeid die door de regering-De Wever is doorgevoerd. Deze hervorming heeft tot doel studenten meer flexibiliteit en inkomstenmogelijkheden te bieden. Ze wil ook werkgevers ondersteunen in hun zoektocht naar personeel bij krapte op de arbeidsmarkt.
Concreet omvatten de nieuwe maatregelen:
Deze hervorming komt er op een moment dat studentenarbeid de afgelopen acht jaar fors is toegenomen (+58%), een tempo dat aanzienlijk hoger ligt dan dat van de reguliere arbeid (+7%). De interimarbeid is daarentegen afgenomen (-20%).
Deze structurele toename van de studentenarbeid, die al startte vóór de coronapandemie, is zowel zichtbaar in het aantal werknemers als het aantal gewerkte uren. In sommige sectoren zoals de horeca was deze groei opvallend sterk.
In dat opzicht is het van belang om de gevolgen van een uitbreiding te evalueren aan de hand van wetenschappelijke literatuur en door middel van snel beschikbare administratieve overheidsgegevens
Enerzijds blijkt uit wetenschappelijke studies dat studentenarbeid, bij een overschrijding van een bepaald niveau, zowel de schoolresultaten als de studieduur kan schaden. Anderzijds worden er ook positieve, maar beperkte effecten waargenomen op de integratie op de arbeidsmarkt na de studie.
Daarnaast wijst de analyse van het FPB erop dat de uitbreiding naar 650 werkuren slechts betrekking heeft op 5% van de jobstudenten. De meeste van hen blijven al onder de huidige drempel, waardoor de directe impact van deze maatregelen op het totale aantal werkuren als jobstudent automatisch beperkt blijft.
De belastingverlaging zou op haart beurt geen impact hebben.
De uitbreiding naar alle 15-jarige studenten zou slechts betrekking hebben op 1% van de jobstudenten.
Tot slot vergelijkt de analyse van het FPB de studentenjobs met reguliere jobs. De resultaten wijzen vooral op overeenkomsten tussen de studentenjobs en de laagopgeleide jobs, ondanks enkele opmerkelijke verschillen. Dat wijst op een mogelijk vervangingseffect (substitutie) tussen beide. Die vaststelling moet echter nog bevestigd worden via aanvullende analyses op basis van uitgebreidere gegevens.