Op 20 februari 2025 publiceerde de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid een verslag over de groene werkgelegenheid op de arbeidsmarkt en de transities naar groene beroepen. De decarbonisatie van de economie wordt vaak geassocieerd met de creatie en/of het verlies van bepaalde jobs. In België zal de heroriëntering van werknemers naar groene beroepen echter de doorslaggevende factor zijn.
Over het geheel genomen stelt de Raad vast dat de arbeidsmarkt nog niet voldoende voorbereid is voor deze groene transitie.
De groene transitie drukt nu al een stempel op de Belgische arbeidsmarkt. De werkgelegenheid in milieusectoren neemt toe, hoewel deze nog steeds een klein deel van het aanbod vertegenwoordigt. In emissie-intensieve bedrijfstakken daalt de werkgelegenheid, al gaat het veeleer om een aanpassing dan om een volledige verdwijning.
Met betrekking tot het arbeidsaanbod omvatten groene beroepen nieuwe en opkomende beroepen (bijv. milieu-ingenieur), beroepen waarnaar de vraag zal stijgen (bijv. installateur van elektriciteitsleidingen) en beroepen waarbij de vaardigheden zullen moeten worden versterkt (bijv. bouwkundig architect). De betrokken werknemers zijn oververtegenwoordigd in de industrie, de energiesector en de bouwnijverheid. Het zijn voornamelijk mannen met meer beroepservaring en betere arbeidsvoorwaarden.
Groene beroepen vereisen vaak dat nieuwe vaardigheden worden verworven, vooral op wetenschappelijk en technisch gebied. Groene banen ontstaan in alle bedrijfstakken, hoewel deze tendens het duidelijkst is in de industrie en de bouwnijverheid. Bijna de helft van de groene beroepen heeft te maken met tekorten en kort- of middengeschoolde profielen zijn hierin oververtegenwoordigd.
Terwijl de arbeidsvoorwaarden in groene beroepen over het algemeen beter zijn, zijn de werkomstandigheden in beroepen die zowel groen zijn als met een tekort kampen vaak moeilijker. Hoewel de digitalisering minder is afgestemd op groene beroepen die moeilijker te automatiseren zijn, kan deze dankzij een productiviteitswinst helpen om het tekort aan geschoolde arbeidskrachten op te vangen. Het is echter nodig om de risico’s hiervan in te schatten en de kosten te ramen.
De arbeidsmobiliteit op de Belgische arbeidsmarkt is beperkt. Werknemers die overstappen naar een groen beroep oefenen bovendien vaak al een ander groen beroep uit, waardoor de uitbreiding van milieuactiviteiten wordt beperkt. De vaardigheden die over het algemeen vereist zijn wanneer werknemers overstappen naar een groen beroep, verschillen vaak sterk van de vaardigheden die ze oorspronkelijk bezaten, wat hun omscholing afremt. Werknemers uit emissie-intensieve bedrijfstakken – die vaak een technisch profiel hebben – zouden kunnen bijdragen aan de toegenomen vraag naar dit soort beroepen. De beschikbare vaardigheden en het soort werk komen echter niet altijd overeen met wat er wordt gevraagd.
Bij inactieven wordt de transitie naar een groen beroep belemmerd door hun doorgaans lagere vaardigheidsniveau. Dit benadrukt nogmaals het belang van opfris- en bijscholingsprogramma’s. Permanente opleiding speelt in dat opzicht een sleutelrol, maar weinig werknemers en niet-werkenden in België maken er gebruik van. Een andere vaststelling is dat de beschikbare opleidingen niet altijd aansluiten bij de vereiste vaardigheden. Tot slot is ook het lage aantal studenten in wetenschappelijke en technische richtingen, in het bijzonder bij vrouwen, niet bevorderlijk voor groene beroepen.
Op basis van deze vaststellingen heeft de Raad vier aanbevelingen geformuleerd om de ontwikkeling van groene werkgelegenheid en milieusectoren aan te moedigen:
Alleen door deze gezamenlijke inspanningen van alle spelers zal de arbeidsmarkt de overgang naar een koolstofarme economie kunnen ondersteunen.
Het verslag is beschikbaar op de website van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid.