
Fiscaliteit werd lange tijd gezien als een soeverein instrument, in staat om gedrag te sturen, het financieren van het openbaar beleid te waarborgen en de excessen van de markt te corrigeren. Maar in een open, mobiele en ultraconcurrerende wereld begint die pretentie te wankelen. Twee recente voorbeelden — de belasting op vliegtickets en de belasting op kleine pakjes — illustreren op heldere wijze de structurele beperkingen van de belastingen wanneer ze geconfronteerd worden met economische actoren die hun activiteiten, stromen of investeringen kunnen verplaatsen.
Op papier is de belasting op vliegtickets perfect verdedigbaar. Ze steunt op een legitiem milieudoel: een deel van de ecologische kost van luchtvervoer internaliseren. In België blijft het bedrag relatief bescheiden — ongeveer 10 euro, met een verwachte stijging naar 11 euro tegen 2029.
Maar de reactie van Ryanair bracht een harde realiteit aan het licht: de luchtvaart is geen bindende sector. Door de geleidelijke afschaffing van twee miljoen zitplaatsen tussen 2026 en 2027 aan te kondigen, beperkt de lowcostmaatschappij zich niet tot protesteren. Ze oefent een explisiete machtspositie uit door te dreigen haar vliegtuigen te verplaatsen naar fiscaal vriendelijkere jurisdicties.
Het gaat ongetwijfeld om een economische chantage, maar ook om een machtsdemonstratie. Het luchtvervoer is een belangrijke economische motor: het creëert directe en indirecte tewerkstelling, ondersteunt de horecasector, het toerisme en lokale handelszaken. Passagiers die in België landen zijn niet alleen reizigers, maar ook consumenten.
De vraag wordt dan ongemakkelijk: hoe ver kan men een mobiele sector belasten zonder de economische stabiliteit waarop ze steunt te ondermijnen? En vooral, hoe effectief is een nationale belasting wanneer fiscale alternatieven op slechts enkele honderden kilometers afstand liggen?
De redenering leek nochtans slim. Het belasten van kleine pakjes met een lage waarde, vaak afkomstig van Aziatische platformen, zou helpen om de invasie van weinig duurzame, slechte kwaliteit en koolstofintensieve producten tegen te gaan. Vanuit milieuperspectief en concurrentieoogpunt is de bedoeling lovenswaardig.
Maar de mechaniek hapert snel. België voert een belasting in. Vervolgens kondigt Europa op haar beurt een belasting op de verwerking van pakjes aan. Resultaat: een potentiële dubbele belasting, van 2 + 3 euro, op pakjes van minder dan 150 euro.
Op dat punt wordt fiscaliteit contraproductief. Het politieke debat escaleert, niet over ecologie, maar over het economisch risico:
zou het logistiek knooppunt van Luik, waar jaarlijks honderden miljoenen pakjes passeren, dit verkeer kunnen verliezen ten voordele van een ander, fiscaal vriendelijker Europees land?
Ook hier is het machtsvertoon onverbiddelijk. Giganten als Alibaba, Shein en consorten beschikken over een aanpassings- en verplaatsingsvermogen dat veel groter is dan dat van staten. Voor enkele euro’s kunnen ze volledige logistieke stromen herschikken. En in deze machtsstrijd wordt het ecologische doel ondergeschikt gemaakt, gereduceerd tot een verwaarloosbare begrotingspost tegenover de industriële belangen.
Deze twee voorbeelden tonen eenzelfde kwetsbaarheid: nationale fiscaliteit beweegt zich nu in een concurrerende markt. Staten belasten niet langer in het luchtledige. Ze belasten tegenover globale actoren die kunnen vergelijken, afwegen en zich kunnen terugtrekken.
Wanneer het land een bescheiden omvang heeft — zoals België — wordt die realiteit nog pregnanter. Een fiscale beslissing kan economische aardbevingen veroorzaken, ver buiten de zorgvuldig berekende begrotingsscenario’s van de administratie. Hoofdkantoren verdwijnen. Stromen verschuiven. Knooppunten legen zich.
En de belasting, bedoeld om gedrag te sturen, botst op een fundamentele grens: men kan alleen effectief belasten wat niet kan vluchten.
Deze dossiers roepen een bredere, bijna filosofische vraag op. Dwingt de 21ste eeuw tot een nieuwe norm, waarin economische brutaliteit een rationele, zelfs pragmatische werkwijze wordt? Een wereld waar grote ondernemingen niet schromen om de rug toe te keren naar staten, druk uit te oefenen en hun activiteiten zonder gewetensbezwaren te verplaatsen?
Indien dat het geval is, kan fiscaliteit niet langer als een louter technisch instrument worden beschouwd. Ze moet deel uitmaken van een coherente, gecoördineerde Europese strategie — bij gebrek daaraan dreigt ze te verworden tot een symbolisch instrument, politiek kostbaar, juridisch kwetsbaar en economisch ineffectief.
Want belasten zonder te kunnen vasthouden is soms tweemaal verliezen: zowel de opbrengst... als de activiteit.
Dit opiniestuk werd ook gepubliceerd in La Libre Eco